Google

[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]

[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]

[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]

[Punch] [Appunti di informatica libera]


Project Gutenberg's Reize door Frankrijk, by Adriaan van der Willigen

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.net


Title: Reize door Frankrijk
       In gemeenzame brieven, door Adriaan van der Willigen aan den uitgever

Author: Adriaan van der Willigen

Release Date: January 28, 2007 [EBook #20465]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK REIZE DOOR FRANKRIJK ***




Produced by Frank van Drogen, Jeroen Hellingman, and the
Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
(This file was produced from images generously made
available by the Bibliothèque nationale de France
(BnF/Gallica) at http://gallica.bnf.fr)






REIZE
DOOR
FRANKRIJK,
IN
GEMEENZAME BRIEVEN,

MET PLATEN.
Te HAARLEM,
Bij A. LOOSJES, Pz.
MDCCCV.

Parijs, 1 Decemb. 1804.

Gij vraagt, Vriend! of ik ’er iets tegen heb, dat gij mijne Brieven, over een groot gedeelte van Frankrijk, drukt en uitgeeft, met achterlating van eenige bijzonderheden, ons aangaande, en welke voor het algemeen van geen belang zijn; terwijl gij denkt dat dezelve onze Landgenooten aangenaam en zelfs nuttig kunnen wezen? en mijn antwoord op deze vraag is: Ik heb ’er niets tegen.—De beöordeeling, waartoe een ieder door het in druk uitgeven van een werk regt krijgt, kan ik te geruster afwachten, daar ik mij op hetzelve niets laat voorstaan, maar het geef, voor het geen het is, te weten, voor eenvoudige aanteekeningen, van het geen ik gezien, daarvan gehoord, ’er over gelezen, en ’er somtijds bij gedacht heb. Echtheid en naauwkeurigheid, [VI]als de voorname vereischtens van een reisverhaal, heb ik altijd in het oog gehouden. Hier van althans ben ik verzekerd, dat zij, die dezelfde reis doen, en deze aanteekeningen als een Itineraire willen gebruiken, zullen overtuigd worden.

Ik voeg hierbij nog Iets voor Reizigers, bijzonder in Frankrijk. Dit kunt gij voor of achter plaatsen, zoo als gij best oordeelt.—Vaarwel!

A.v.d.W.

Inhoudsopgave

Reize door Frankrijk.

Eerste Brief.

Dyon den 20 Julij 1804.

Aan de dagteekening van den Brief ziet gij, Vriend! dat ik op reis ben. Maandag den 14. dezer vertrok ik van Parijs; en dus daags na het feest van den 14. Julij, dat dit jaar den 15. gevierd is. Ik had mij daarom nog al opgehouden, maar vond het voor mij, behalve het vuurwerk, dat nog al fraai was, die moeite niet waardig. Wij reden ’s morgens om vier uren af, met den gewonen Postwagen, die van hier op Geneve rijdt, en waarop wij plaats genomen hadden tot Dyon. De plaats, binnen in, kost 63 livres de persoon, en voor mijn koffer, die ruim 100 ponden woeg, betaalde ik £ 13; men rekende tegens £ 25—het centenaar; doch de koffer [2]voor twee personen zijnde, trok men ’er de 25 lb die ieder vrij had, en dus 50 af. Van Charenton en Alfort, daar wij door reden, heb ik u in een van mijne vorige al gesproken. Te Lieursaint1, 4 posten van Parijs, daar wij ontbeten, niet met een boterham en een kopje thee of koffij, maar met vleesch, eijeren en wijn, begonnen onze reizigers zoo wat kennis met elkanderen te maken; en ik bespeurde toen, dat wij met een’ Priester, met een’ Rentenier van Dyon, met een Wijnkooper van Beaune, een andere van Maçon, en nog een vijfde persoon van den kant van Geneve, op reis waren. In Holland zou men dat al lang geweten hebben; want naauwlijks heeft men daar een’ voet in de trekschuit of op den postwagen gezet, of er word gevraagd: “Waar komt mijn Heer van daan? waar gaat mijn Heer na toe? wat doet mijn Heer? is UEd. getrouwd? en eindelijk zelfs somtijds, hoe is mijn Heer’s naam?” Diergelijke onbescheiden vraagen treft men onder de Franschen zeldzaam aan, en men wacht doorgaans, tot dat de lieden zich zelve bekend maken. Nu werden wij wat gemeenzamer onder elkanderen, het gesprek liep natuurlijk over het Feest, dat den vorigen dag in de Hoofdstad was gevierd, en hier door werden de staatkundige gevoelens [3]eenigzins ontwikkeld, de wijnkooper van Beaune, dat een goede ronde kaerel scheen, en mijns bedunkens, met regt den naam van Franc Bourguignon2 verdiende, kwam er onbewimpeld vooruit, dat hij de Koninklijke regeering, welke voor de omwenteling in Frankrijk plaats, beter vond dan het tegenwoordig Gouvernement. Hij sprak van de staten der Provintien, van de voorrechten, enz. de Priester gaf wel te kennen, dat hij het hieromtrent met hem eens was, doch liet er zich zoo regelregt niet over uit. De Rentenier van Dyon scheen meêr een Volksbestuur toegedaan; deze waren de voorname sprekers, de overigen voegden ’er nu en dan een woordje bij. Ik heb algemeen opgemerkt, dat de Koningsgezinden onder anderen zeer verbitterd zijn tegen Keizer Napoléon, om dat hij de Hertog van Enghien heeft laten ter dood brengen. Zij veroorloven zich ten dezen opzigte de hoonendste uitdrukkingen tegens hem, die zij dan nog al door een woordspeling (calembour) zoeken te bewimpelen, zoo als deze, welke iemand van ons gezelschap te berde bragt: “Iemand zeide, dat het afbeeldsel van de Keizer der Franschen, dat men op de geldspecie ziet, niet gelijkende Was; gevraagd zijnde waarom, antwoordde hij, parceque le nez est pointu et c’est un nez rond.” (Néron). Was deze ter dood veroordeelde geen voornaam hoofd [4]van hunne partij geweest, zij zouden ’er misschien niets op hebben aantemerken. De Franschen, en vooral de Parijzenaars, zijn liefhebbers van calembours; men vind verscheidene boekjes, die daarmede zijn opgevuld. Vele jongelieden leren die van buiten, en met diergelijke meestal laffe aardigheden, pronkt men in de zoogenaamde bonne Societé. Anderen, die er meêr op gevat zijn, maken van alle gelegenheden gebruik om woordspelingen voor den dag te brengen, hoe weinig die dikwijls ook voegen. Men ontziet geene zaken hoe achtingwaardig, of personen, van wat rang zij ook zijn mogen, zoo hoorde ik eenigen tijd geleden, kort na dat de broeders en zusters des Keizers Napoléon, tot Rijksvorsten verheven waren, te Parijs door de nieuwsbladverkopers (colporteurs) langs de straten roepen: “Voici etc. avec les noms et les demeures de tous les Princes et Princesses à deux sous;” een winderig heertje, die daar voorbij kwam, zeî op een’ spotachtigen toon tegen den uitventer: “Voyons ce qui c’est que vos princes et princesses à deux sous.” Sommigen lagchten hier om, anderen namen het misschien kwalijk; hoe ligt had iemand tot de politie behoorende hier omtrent kunnen zijn, onze grappemaaker zou dan zekerlijk voor zijn spotternij hebben moeten boeten, en wie zou hem beklagen.

Melun.

Melun.

Omstreeks één uur kwamen wij te Melun, 5½ post van Parijs. De Postwagen, vertoefde hier om het middagmaal te houden, en ik, nog geen honger hebbende, daar wij laat hadden ontbeten, besteedde dien [5]tijd met het plaatsje te zien. Dit stadje de hoofdplaats van het Departement de Seine et Marne3, is in eene bekoorlijke landsdouw aan de oevers van de Seine zeer aangenaam gelegen; die rivier verdeelt hetzelve in drie deelen, die door twee steenen bruggen vereenigd worden; de bijgaande afteekening zal u hier een duidelijk denkbeeld van geeven. Verscheidene Koningen hebben te Melun hun verblijf gehouden, hun paleis was op de punt van het Eiland dat gij tusschen de twee bruggen ziet. Het is een der oudste steden van de Gaulen. Caesar maakt er gewag van in zijne gedenkschriften. Het is ook in de geschiedenis bekend, door eene belegering van de Engelschen tegen die stad, welke plaats had in de vijftiende eeuw, en die de belegerden, met eene schier ongelovelijken moed, zes maanden uithielden. De geleerde Jacques Amiot, Bisschop van Auxerre en vertaler van de Doorluchtige Mannen van Plutarchus, enz. werd hier geboren. De voorname handel is in granen, meel, wijn, kaas, kalk en gebakke steenen; die waren worden veel al de Seine af naar Parijs vervoerd. De groote weg, die hier doorloopt, maakt het vrij levendig; ’er vaart ook een schuit (coche d’eau) van hier naar Parijs heen en weder. In het terugkomen word zij met paarden tegen den stroom opgetrokken. Van de Mammelukken, [6]die met Bonaparte uit Egypte kwamen, lagen er hier omtrent 150 in guarnisoen, naar men ons verhaalde. De inwooners waren ’er niet wel over te vreden, en zeide ons, dat het veeläl slecht kwaadaartig volk was; wij zagen ’er eenigen van langs de straat loopen. Hunne Oostersche kleeding maakte in dit plaatsje, waar men alles behalven Oostersche pracht ziet, een wonderlijk afstekende vertooning. De aanhoudende schoone landstreek en de fraaije gezigten die men geduurig aantreft, vermaakten mij niet weinig. De Seine en Yonne vereenigen zich voor Montereau. Men komt over een fraaije brug in het stadje. Deze brug is in de geschiedenis bekend: de Hertog van Bourgondiën kwam in het jaar 1409 op dezelve, om zich met Karel den VII, die toen Dauphin van Frankrijk was, te verzoenen, en werd door de Offiçieren van dien Vorst vermoord4. Onze reisgezel, de Rentenier van Dyon, die nog al ervaren scheen in de geschiedenis deed mij dit een en ander opmerken. Dit stadje ziet er welvarende uit en is alleraangenaamst gelegen; even buiten hetzelve langs de boorden van de Yonne is eene fraaije algemeene wandelplaats. De ruime gezigten en bekoorlijke tooneelen die de natuur hier oplevert, houden den opmerkzamen reiziger [7]hier aanhoudend op de aangenaamste wijze bezig.

Tegen het vallen van den avond kwamen wij te Villeneuve-la-Guyard, een stadje in het Departement de l’Yonne, en wel het eerste, als men ’er van dezen kant inkomt. Auxerre is de hoofdplaats van hetzelve. Wij hadden nu 10½ post afgelegd en hielden hier ons nacht verblijf, en niettegenstaande het plaatsje er niet te breed uitziet, hadden wij nogtans een vrij goed avondmaal en goede bedden. Onze Wijnkooper van Beaune, die in deze streeken bekend was, bragt hier zeer veel toe, en deed ons vooral door de vrije en grappige wijze, waarop hij alles bezorgde en bestelde, niet weinig lagchen.

Den volgenden morgen, 17 dezer, vertrokken wij om drie uren, en reeden 1½ post van hier door het stadje Pont sur Yonne, aan den westelijken oever van die rivier tegen den voet van een heuvel, die met wijngaarden bedekt is, gelegen. Deze plaats ontleent zijn’ naam van de steenen brug op zeven bogen, die wij bij het uitgaan van de stad overreden, wat verder ziet men steen- en pannebakkerijen, en vervolgens een zeer uitgestrekt en aangenaam geschakeerd gezigt. De stad Sens vertoonde zich voor ons in een aangenaam verschiet, tegen een’ heuvel; de landstreek is zeer bevallig, en de morgenstond was schoon. Voor de omwenteling was Sens een Aartsbisdom en de hoofdstad van le Senonois en Champagne; zij is 12 posten van Parijs gelegen: inwendig beantwoort zij vrij wel aan de uitwendige [8]vertooning. De straat, waar wij in kwamen is ruim. Wij stapten af voor de Hoofdkerk, die wel bezienswaardig is; zij pronkt met een zeer hoogen en fraaijen toren; het klokkespel wierd voorheen voor het fraaiste van het gantsche rijk gehouden. Hier vervoegde ik mij bij onzen Geestelijken reisgenoot en ondervond, dat het goed is om zich met lieden van allerlei stand en beroep op reis te bevinden. Deze was dan ook een zeer vriendelijk man, en, zoo het scheen, een der redelijkste Priesters, dien ik immer heb aangetroffen. Wij traden te samen de Kerk in. Dit gebouw is zeer groot en wel verlicht, de kapellen rondom en het choor is met fraai ijzer hekwerk versierd. Lodewijk Dauphin van Frankrijk5, in den jaare 1765 te Fontainebleau overleden, werd, benevens Mevrouw de Dauphine, in deze kerk begraven; wij zagen er zijne graftombe, die in het begin van de omwenteling was weggenomen, doch thans weder opgerigt. Zij is van wit marmer, en word gehouden voor een meesterstuk van den beeldhouwer Coustou. De beelden, die de twee lijkbussen kroonen, zijn de Godsdienst, de Deugd, de Tijd en Frankrijk. Men vind meêr andere fraaije versierselen in deze kerk, bijzonder het beeldhouwwerk boven een Altaar, verbeeldende de moord van St. Savinien. De glazen zijn geschilderd door den bekenden Franschen konstschilder [9]Jean Cousin6, die te Soucy digt bij deze stad in de 16de eeuw gebooren werd; men wilde, dat hij tot de Protestanten behoorde, omdat hij op de glazen van St. Roman’s kerk te Sens in eene schilderij van het laatste Oordeel een Paus in de hel geplaatst had, en men nam hem die aardigheid maar zeer kwalijk. Deze stad was reeds vermaard ten tijde van Julius Caesar. In 1735 vond men ’er het opschrift: Vesta mater, waarom men meent te moeten onderstellen, dat ’er een tempel van Vesta geweest is; uit andere aanwijzingen maakt men op, dat ’er ook een tempel ter eere van Augustus bestaan heeft. ’Er bestaat nog geldspecie, die ’er Carolus Magnus heeft doen slaan. Paus Alexander de III. koos deze stad tot schuilplaats, en verbleef ’er van den 30 September 1163 tot in 1165. In de boekerij van het Capittel van de Hoofdkerk alhier, wierd voorheen een kluchtig stuk bewaard, namenlijk het oorspronkelijk handschrift van den kerkdienst der gekken (l’Office des fous,) zoo als die eertijds in de kerk van Sens gezongen werd, het was een lang smal en redelijk dik boekdeel in Folio, met uitgesneden ijvoor bedekt en met lange magere letters [10]geschreven; men vindt ’er afbeeldingen in van Bacchus feesten, Pan’s feesten, potsenmakerijen en meêr andere schandelijke ongerijmdheden van dien aard: in dit feest, dat door deszelfs verregaande ongerijmdheden zeer wel aan zijne benaming beantwoordde, speelde ook een Ezel, te weten een viervoetig dier, eene voorname rol; andere op twee beenen waren ’er met menigte bij.

Onder meêr anderen is hier ook een voorname fabriek van het geen men in Frankrijk Velours d’Utrecht noemt, en dat zeer veel gebruikt word, om Meubilen, Rijtuigen, enz. te bekleeden: deze fabriek schijnt uit een der voornaamste steden in ons Vaderland herkomstig, en misschien is zij ’er, zoo als meêr anderen, thans wel in verval.

De Waterhorologies (Horloges d’eau) die men zelfs tot in Asia en America verzendt, worden hier gemaakt.

Buiten de stad zag ik verscheidene vruchtbaare moestuinen en boomkweekerijen; als ook eene fraaije algemeene wandelplaats. Men rijdt over een brug over de Yonne, die langs deze stad stroomt. In deze landstreek zijn veel wijnbergen, en hier en daar nog al boomen. Wij ontbeten te Villeneuve le Roy, thans Villeneuve sur Yonne, een klein stadje aan den oostelijken oever van die rivier, niet onaangenaam gelegen; het heeft aanmerkelijke Leêrlooijerijen, en het leder maakt een voornamen tak van zijn’ handel uit. Op den weg naar Joigny ziet men nog altijd verscheidene heuvels met wijngaarden beplant; de wijn is [11]een voornaam voortbrengsel van dit land. Weldra bespeurde wij de stad Joigny7, en eene vlakte zoo ver het oog kon reiken. De voorstad St. Michel, is zeer aangenaam aan de Yonne geleegen, en maakt een fraaije kaai; ’er staan verscheidene gnappe huizen en een groot en schoon gebouw, zijnde eene cazerne, daar voorheen veel krijgsvolk zoo te voet als te paard in gelegd werd. Die kaai pronkt ook met twee prachtige en sierlijke ijzeren hekken, een derde is aan den opgang van de brug. Op de fraaije steenen brug, die door agt boogen ondersteund word, heeft men een verrukkend gezigt. Bonaparte kwam ’er over, toen hij zegepralende uit Italiën te rug keerde, en men heeft toen op dezelve een’ houten eereboog opgerigt die ’er nog staat. Het stadje, dat niet groot is, maar zeer welvarende, drijft, zoo het schijnt, veel handel in koorn, daar het de stapelplaats van is, en van een soort van laken, dat ’er gemaakt word. Voorheen was het een Graafschap.

Het dorpje Avrolles, daar wij doorreden, leverde een deerlijk schouwspel op; 112 huizen en de kerk waren er den 25. der laatst afgeloopen Maand, door de onvoorzigtigheid van een der Inwoonders, afgebrand. Eer wij hier aankwamen, wees men mij het begin, dat men gemaakt had met het kanaal [12]van Bourgondiën te graven. Het stadje St. Florentin op dezen weg gelegen, leverde niets merkwaardigs op; de grond hieromstreeks kwam mij niet zeer vruchtbaar voor. De wijnbergen en heuvels werden meer verheven. Dit plaatsje echter herinnerde ons aan St. Florentin, daar na Hertog de la Vrilliere, die ’er Heer van was, een der verachtelijkste Hovelingen van Lodewijk den XV. Hij kon zich beroemen van veertig duizend Lettres de Cachet uitgegeven te hebben; zijn bijzit Sabathier heeft ’er omtrent wel negen en dertig duizend van verkocht. Men maakte op hem het volgende grafschrift:

Ci git un petit saint8 qui n’est pas du commun;

Il a porté trois noms, et n’en laissa pas un.

Omstreeks zeven uren kwamen wij te Tonnère: heden hadden wij 13½ post afgelegd, en hielden hier ons nachtverblijf. Dit stadje is schilderachtig gelegen; een kerk op een rots gebouwd, ziet men van verre boven de huizen uitsteken; aan den voet van dezelve is een bron, die zeer overvloedig in water en zoo diep is, dat men schier geen’ grond kan vinden: rondom is eene overdekte gallerij gebouwd voor de waschvrouwen. Niet meêr dan ruim honderd voeten van daar heeft het water van deze bron reeds een stroom gevormd, waar men op een [13]steenen brug, van twee bogen, overgaat. De Marquis de Louvois, Secretaris van Staat, en Oorlogsminister onder Lodewijk den XIV, de schrik der Protestanten, was Heer van dit Graafschap. Wij vonden hier een redelijk goed avondmaal, en de ligging was ook vrij wel; want men heeft in Frankrijk in dit saisoen, alle reden, om te vreden te zijn over de bedden, als het getal der weegluizen zoo groot niet is, dat zij het slapen ten eenenmaal verhinderen. Voor het overige moet men hier met het scherpziende oog van eene Noord-Hollandsche vrouw niet rondsnuffelen, en vooral ook de keuken onbezocht laten. Nu men word hier ook aan gewoon, en dit is noodzakelijk.

Den 18 dezer begaven wij ons ’s morgens om 3 uren weder op reis. Na een eind weegs gereden te hebben, troffen wij vrij hooge heuvels aan; de wagen kon hier niet anders dan zeer langzaam vorderen, en wij verkozen, om te wandelen. Wel dra zagen wij die grootsche en schitterende vertooning, die ieder redelijk mensch met eerbied en bewondering vervult, en die zoo vreemd is voor zeer veel stedelingen. De zon rees statig boven den gezigteinder. De landstreek is hier niet zeer vruchtbaar; wijn is het voornaamste, dat men ’er teelt. Wij zagen hier en daar ook kreupelbosch en woeste onbebouwde streeken. Na twee posten gereisd te hebben, kwamen wij te Ancy-le-Franc. Het stadje ziet ’er ellendig uit; doch even buiten hetzelve ligt een schoon kasteel. Het scheen door de omwenteling [14]niet geleden te hebben. Nicolo del Abate, leerling van Primaticcio, een vermaard schilder ten tijde van François I, heeft verscheidene vertrekken van dit kasteel versierd. Wij hebben het inwendig niet gezien, en vergenoegden ons met de tuinen, die hier en daar nog al aardig zijn aangelegd, te doorwandelen. Achter het huis scheen veel bosch te liggen, en het water ontbrak ’er ook niet; het kwam mij dus voor een aangenaam buitenverblijf te zijn. Voor mij zou het nog aangenamer wezen, wanneer ik het moest bewonen, indien het verder afgelegen was van het armoedige stadje, dat ’er voorheen aan behoorde, ten zij ik in staat was, om het lot van deszelfs inwoners te verbeteren. Thans behoort het kasteel aan de familie van Louvois, van hetzelfde geslacht daar ik hier van gesproken heb, en word door een vrouw van dien naam bewoond, ik weet niet of het de laatste vrouw en weduwe is van die Louvois, die te Parijs om zijn gaauwdievenstreeken bekend was9. Dit onder anderen verdient als een staaltje van het edel gedrag van een voornaam Fransch edelman aangeteekend te worden. Louvois had geld noodig, zoo als hem wel eens meêr gebeurde. Juist was de Courtenvaux, zijn oom, van wien hij moest erven, ziek, hij gaat zijn’ dood bekend maaken aan een man, van wien hij £ 30,000—wilde leenen, voorwendende dat hij [15]dit geld noodig had voor de rouwkleeding, enz. overeenkomstig zijn’ staat. Men belooft hem de som, vragende slechts twee uuren tijd, om hem die te bezorgen. Daar hij zelf overtuigd was, hoe weinig staat men op hem maakte, begreep hij zeer wel, dat men in dien tusschentijd onderzoek zou doen. Hij loopt dan naar het Hotèl, waar zijn oom woonde; zendt den Zwitser onder het een of ander voorwendzel om een boodschap, gaat in de loge10, trekt het livrei aan, doet de sjerp om, en wachtte zoo, tot dat de tijd die men hem bepaald had, bijna verloopen was, en ieder, die naar den Heer de Courtenvaux vroeg, werd terug gezonden met deze boodschap: ”Hij is kwartier over tweeën gestorven.” Hier door bereikt de fielt zijn oogmerk; de gevraagde som word hem toegeteld, en ’s anderen daags verneemt men, dat de Courtenvaux welvarende was; en Louvois, die zeer wel wist, dat hij door zijn oom onterfd was, lagchte des te meêr in zijn vuist, wijl hij zich verzekerd hield dat hij de geleende som nimmer terug zou kunnen geven.—wat zegt gij, Vriend! zou Cartouche het wel beter hebben kunnen overleggen?

Voort reizende vonden wij wel verscheidenheid van gezigten, hier en daar zijn zij zelf schoon, doch de landstreek is veeläl woest en onvruchtbaar. Te Aisy sur Armançon zagen wij in het voorbijgaan [16]de ijzersmelterijen van den vermaarden Buffon. Het ijzer word uit de mijnen hier omstreeks gehaald, en deze smelterijen leverden ’s jaarlijks omtrent acht maal honderd duizend ponden ijzer; en men verzekert, dat zij den eigenaar veel geld opbragten. Het kasteel van Montbar op eene aanzienelijke hoogte gelegen, vertoonde zich vervolgens aan ons gezigt, (zie de hier bijgaande afbeelding); wij moesten in het stadje van dien naam, aan den voet van den berg gelegen, het middagmaal houden. Ik had dus den tijd, om het te zien, en om op den berg, daar het kasteel ligt, te klimmen. Die Schrijver van de Natuurlijke Historie, vooral om zijn schoonen stijl beroemd, is in deze plaats den 7 September 1707 gebooren, en in 1788 begraven. Hij was een werkzaam man, zelfs tot op ’t laatst van zijn leven, en niettegenstaande hij door den steen dikwils vreesselijk leed; maar teffens was deze groote man in sommige opzigten zeer beuzelachtig: zelfs in zijn hooge jaren, en al was hij onpasselijk, liet hij zich dagelijks het haar in papillottes11 zetten en branden; veeltijds liet hij zich tweemaal op een’ dag kappen, en was ’er zeer opgesteld, dat dit met de vereischte zorg en oplettenheid geschiedde. Hij hield zich ook nu en dan gaarne met buurpraatjes bezig, en wist door zijn’ kapper en anderen alles, wat ’er [17]in Montbar in de huisgezinnen en onder de ingezetenen omging. De Buffon was een Franschman; was hij een Hollander geweest, men zou nog meêr reden hebben, om zich hier over te verwonderen.

Montbar.

Montbar.

Het kasteel is een oud gebouw, en zag ’er zoo wel als de tuinen en toegangen tot hetzelve vervallen uit. Het woonhuis, waar de geleerde Natuuronderzoeker zijn Verblijf hield, ziet men in een straat van het stadje. De vrouw uit de Herberg, waar wij aten, was kamenier in het huis van de Buffon geweest en wilde wel praten: ik had dus gelegenheid, om mij over hem te onderhouden, en zij bevestigde dat, wat ik u hier wegens zijn geaardheid verhaal. d’Aubenton is ook van Montbar12; het stadje behoorende tot het Departement la Côte d’Or ziet ’er niet zeer gunstig uit. Het riviertje de Brenne stroomt ’er door, en ’er ligt een steenen brug over. De hondslederen handschoenen, die men hier maakt, hebben nog al eenigen naam. In de omstreek zijn ook eenige marmergroeven, en men teelt ’er wijn.

In de stad wandelende zag ik een aankomend jongetje aan de deur zitten, bezig met maliën om rijgsnoeren te maken, dat hier ook een fabriekje schijnt te zijn. Ik ondervroeg het kind hieromtrent een en [18]andermaal, doch kreeg geen antwoord; hier over te onvreden, was ik gereed om mijn misnoegen aan hetzelve te kennen te geven, toen de moeder uit het huis kwam, en mij zeide, dat het ongelukkig kind stom en doof geboren was. Weldra veranderde de gemelijkheid in aandoening; ik vroeg haar, waarom zij niet trachtte, om het zoontje in de School van Dooven en Stommen te Parijs te bezorgen, doch de goede arme vrouw antwoordde op eenen teederen toon, dat zij bang was, dat het mishandeld zou worden, en hoe zeer zij hard werk had, om aan den kost te komen, het echter niet gaarne zou verlaten.—Buiten Montbar wordt de landstreek hoe langer hoe woester, doch levert daarom geen onaangenaame vertooning op; van de aanmerkelijke overblijfsels van een oud kasteel, dat ik hier op eene rotsachtige hoogte zag liggen, wist niemand van het gezelschap mij eenig bijzonder narigt te geeven. De grond was hier als bedekt met sprinkhanen die geduurig voor de voeten met geheele zwermen opvlogen; de vleugels waren schoon rood. In ’t voorbijgaan zagen wij Semur, een stad op een hooge rots aardig gelegen; het riviertje d’Armançon stroomt aan den voet. Men zeî mij, dat deze rots bestond uit rood graniet, bekwaam om gepolijst te worden. Men vindt hier ook veel versteeningen van groote Ammonshoornen, Oesters, Mosselen, enz. De grond hier rondom ziet ’er noch al vruchtbaar uit, en men teelt ’er veel koren. De weg is aangenaam, aan beide zijden beplant. Tegen den avond [19]kwamen wij te Vitteaux, een stadje tusschen verscheidene bergen aan het riviertje de Brenne gelegen, waar wij ons avondmaal en nachtverblijf moesten houden. Hier omstreeks vindt men ook marmergroeven, en bij het inkomen eene gemeene wandelplaats. Ik doorliep het plaatsje, maar zag ’er niets bijzonders. Heden hadden wij 9½ post gereisd. Ons avondmaal was vrolijk: onze Wijnkooper van Beaune liet zich nu en dan eens gelden, en wij waren over onze Herberg nog al wel te vreden.

Den volgenden morgen, 19 dezer, vertrokken wij weder om drie uren; dit scheen het algemeen bepaalde uur. Een’ vrij hoogen berg over moetende (want hier kan men het al bergen noemen) gingen wij te voet. Op de hoogte vonden wij het zeer frisch, zoo dat het zelfs eenigzins hinderlijk was. Het begon dag te worden, en wij zagen niet ver van den weg een Telegraaf, die opgerigt, was om de Armée de Reserve, die hier omstreeks lag, met die van Italiën gemeenschap te doen hebben: thans maakt men ’er geen gebruik meêr van; van deze plaats, de verhevenste van de geheele streek, zag ik de eerste stralen der zon een schilderachtig schoon landschap beschijnen.—Een eindweegs verder zagen wij aan onze rechterhand het aanzienelijke kasteel Sombernon voorheen bewoond door de Hertogen van Bourgondiën. Onze Rentenier van Dyon deed mij hier als iets in der daad bijzonders opmerken, dat de drup of het water van het dak op dit kasteel, aan den eenen kant door de Brenne in de Yonne [20]de Seine, en vervolgens in den Oceäan; en aan den anderen kant door de Ouche in de Saone in de Rhone en vervolgens in de Middellandsche Zee loopt. De landstreek blijft aanhoudend schilderachtig schoon; hier ziet men bosch, daar barre en hooge rotsen, en daar zijn dezelve weder geheel groen door de menigte palm en andere struiken, die ’er op groeijen. Hoe meêr wij Dyon naderden, hoe meêr wij bevonden, dat de Natuur hier eene eenigzins ontzaggelijke houding aanneemt; de rotsen zijn hoog en hier en daar steil; zij hellen zelfs op sommige plaatsen over den weg, die ’er digt langs loopt, heen. Wij kwamen voorbij een vrolijk gelegen dorpje, rondom meestal met allerlei vruchtboomen beplant; dit is de vruchthof van Dyon en levert zeer veel ooft aan de stad. De Bisschop van Dyon had hier zijn buitenplaats, en dit bewijst genoegzaam, dat het een aangename en vruchtbare landsdouw is. Verder zagen wij de nog aanzienelijke overblijfsels van dat Carthuizer klooster, om deszelfs pracht en weelde, om zijne paleizen en bekoorlijke tuinen zoo vermaard; en deze tempel der wellust werd, tot aan de omwenteling, door een soort van Monniken bewoond, die van vele, om hunne voorgewende godsvrucht en zedigheid, met den uitersten eerbied behandeld werden. Wat men ook van de Fransche omwenteling zegge moge, in het uitroeijen der kloosters heeft zij het menschdom een’ wezenlijken dienst bewezen. Langs den weg ziet men een gracht (canal) die onvoltooid is gebleven, en die zig tot een goeden [21]afstand van de stad uitstrekt. Niet verre van Dyon begint die keten heuvelen, die om derzelver overvloed van goeden wijn la Côte d’Or genaamd wordt; de stad vertoont zich met hare fraaije spitze torens, op eene bevallige wijze, (de hier bijgevoegde aftekening zal ’er u een duidelijk denkbeeld van geeven.) Wij kwamen ’er in door eene fraaije poort, die nog niet lang gebouwd scheen, en namen onzen intrek in het Hôtel de la Galère, nadat wij van onze vriendelijke reisgenoten afscheid genomen hadden. Het speet mij in der daad, dat wij niet langer bij elkanderen bleven. De Priester vooral was een man, die kunde en smaak met een beminnelijke geaardheid scheen te vereenigen: men bespeurde aan hem in ’t geheel, die onaangename gebreken niet, die zoo dikwijls aan lieden van dien stand eigen zijn; hij was vrolijk zonder losbandigheid, zedig zonder gemaaktheid, en kundig zonder verwaandheid; daar bij scheen hij zeer verdraagzaam en redelijk zoo omtrent Godsdienstige als Staatkundige gevoelens. Het geen, mijns bedunkens, tot dit alles zeer veel had bijgedragen, was, dat hij uitgeweken zijnde zich zeer lang in Engeland had opgehouden, en daar, bijzonder door de Protestanten, op de menschlievendste en vriendelijkste wijze was behandeld geworden. Met dankbare aandoening sprak hij hier van, en ik ben wel verzekerd, dat deze achtingswaardige geestelijke, waar hij ooit eenigen invloed moge hebbe, nimmer gewetensdwang of vervolgzucht dulden zal. [22]

Zie daar, Vriend! een’ vrij langen Brief, in eenen volgenden zal ik u over deze stad, waar omtrent ik reeds het een en ander heb aangeteekend, nader onderhouden.—Vaarwel!


1 De gebeurtenis, die aanleiding gaf tot het Blijspel van Collé La partie de chasse de Henri IV. is hier omstreeks voorgevallen, Michau was Molenaar te Lieursaint; dit stuk is, meen ik, ook in ’t Nederduitsch vertaald.

2 Zoo noemt men de Bourgondiërs, om de ronde en gulle inborst, die men hun toeschrijft.

3 Meaux alwaar de welsprekende Bossuët Bisschop was, behoort tot dit Departement. In de stad en omtrek van Meaux wonen zeer veel Protestanten.

4 Dit geval heeft aanleiding gegeeven tot de partijen der Bourguignon’s en Armagnac’s, die zoo veel bloeds aan Frankrijk gekost hebben.

5 Hij was de Vader van Lodewijk de XVI.

6 Hij is bekend voor de oudste der goede schilders in Frankrijk, bijzonder ook om het vermaarde stuk van het laatste Oordeel, dat te Parijs op het Museum hangt, en waar van de gedrukte plaat een der grootste prenten is, die men kent. Zij is gegraveerd door Pieter de Jode, een Antwerpenaar en vermaard Plaatsnijder.

7 Picard bekend auteur en acteur te Parijs, heeft een stuk gemaakt onder den naam van le Collatéral ou la Diligence à Joigny, dat zeer aardig is.

8 Hij was kort en dik.

9 Een van de vrouwen van Louvois was een Hollandsche, ik meen de Baronnesse de Huffel genaamd.

10 Vertrekje van de portier of Zwitser aan de ingang van een Hotèl.

11 Ik ken hier geen Nederduitsch woord voor, en het was te wenschen dat alle diergelijke Fransche modeprullen onder ons geheel onbekend waren.

12 Die goede man hield zich in zijn ouden dag, benevens zijne vrouw, bezig met het lezen van bijna al de Romans, die ’er uitkwamen.

Tweede Brief.

Lyon, 26 Julij.

Eergisteren ben ik hier aangekomen, en vervolg mijn reisverhaal, zoo als ik u in mijn vorigen, gedagteekend uit Dyon, beloofd heb. Die stad is mij bijzonder wel bevallen, zoo om de aangename ligging, den overvloed der levensmiddelen, als om de orde en zindelijkheid die ’er plaats heeft. Bij ons zou men ’er ten dezen opzigte in ’t geheel niets ongewoons vinden; doch voor Frankrijk moet het als, iets bijzonders in ’t oog loopen. Dyon was voorheen de Hoofdstad van het Hertogdom van Bourgondiën, thans is zij het van het Departement van de Côte d’Or; de Prefect houd ’er zijn verblijf, en ’er is een Tribunal de première instance. De weg van Parijs tot Dyon, zoo als wij die genomen hebben, is 38¾ posten. Aan den Conducteur van den wagen gaven wij volgens gebruik £ 3–:–: de persoon drinkgeld, en aan de postillons geeft ieder doorgaans 2 sols van het eene Posthuis tot het andere: voor het gemak laat men dit door den Conducteur [23]verschieten, het geen ook omtrent op denzelfden prijs uitkwam.

Dijon.

Dijon.

De poort, waar wij in gekomen waren, scheen mij bezienswaardig. Onze Herberg was ’er niet ver van daan, en ik was dan naauwelijks van den wagen afgestapt, of ik ging dezelve bezigtigen. Het is een fraaije eereboog van wit gehouwen steen, in het begin van de Omwenteling voor de Vrijheid opgerigt, zoo als het opschrift boven dezelve aanduidt. Zij wordt dan ook nog la porte de la Liberté genaamd. Aan den binnenkant, en aan beide zijden, leest men op steenen tafelen: ”Les droits de l’homme reconnus le 30 Septembre l’an I. de la Liberté (1739) etc.1 De basreliefs hier op toepasselijk zijn van den Beeldhouwer Attiret, in dit Departement geboren, en kort voor onze aankomst gestorven. Even buiten deze poort ziet men een’ fraaijen tuin in den Engelschen smaak aangelegd, en die thans ook voor een gemeene wandeling strekt: men noemt denzelven le Jardin de l’Arquebuse; bij ons zou men het de Schutters Doelen noemen. Het merkwaardigste, dat ik daar zag, was een populierboom van eene zeer ongemeene dikte, men kan hem op de hoogte van de schouders naauwelijks met vier persoonen omvatten: onder aan den grond is hij nog veel dikker, en daarbij zeer hoog, en zwaar van takken, doch in de toppen is [24]al veel dood hout, en mij dunkt, dat men wel zou, doen om hem intekorten, ten einde door dit middel eene zoo aanzienelijke gedenkzuil der Natuur nog langer in wezen te houden.—Een oude boom heeft voor mij iets eerwaardigs, en ik zie dien veel liever dan zoo vele gedenkteekenen voor de dwinglandij of het bijgeloof opgerigt, die niets merkwaardigs opleveren—dan oudheid.

De Hoofdkerk is een fraai gebouw, inzonderheid de spitse toren, die door deskundigen voor een meesterstuk gehouden word. Deze kerk is onlangs van binnen nieuw opgemaakt; men was ’er zelfs nog aan bezig, alles werd dan ook zeer net en sierlijk opgepronkt. Behalve deze zijn ’er nog twee andere kerken, waarvan men de fraaije en prachtige bouworde bewonderd; zij zijn ook van binnen ter deeg mooi gemaakt.

Hoewel ik weet, dat gij even zoo min als ik een liefhebber zijt van al dat heilige poppenspel, moet ik u toch het een en ander vertellen van de voorheen hier zoo vermaarde heilige Kapel (la sainte Chapelle). Deze wierd door Hugues, de derde Hertog van Bourgondiën, in 1172, gebouwd, en is dus nog al tamelijk oud. In 1430 zond Paus Eugenius de Vierde aan Philippus, zeer ten onregte bijgenaamd, de Goede, Hertog van, Bourgondiën,2 [25]de beruchte wonderdadige hostie. Deze Paus scheen het zoo wat bont te maken, want met zat hem hevig in het vaarwater, en ten gevolge van dien werd hij ook door de kerkvergadering van Bazel, in 1439, afgezet, uitgescholden voor een handeldrijver in geestelijke zaken (Simoniet), meineedigen, onverbeterlijken ketter, kortom voor al wat leelijk was, en Amadeus Hertog van Savoyen, werd door die zelfde kerkvergadering in zijne plaats aangesteld.—Men leefde toen ook al aardig met de Pausen.—De Hertog van Epernon gaf vervolgens een gouden kist met edele gesteentens omzet, waar de heilige ouwel in bewaard moest worden, (deze Hertog was toen Gouverneur van de Provintie Bourgondiën) en eindelijk voegde Lodewijk de XI. Koning van Frankrijk ’er zijne kroon bij. Als men dezen ouwel ten toon stelde, werd dezelve in een gouden zon gezet, die een en vijftig mark woog: de kroon van Lodewijk de XI. plaatste men ’er dan boven op; of dat ook keurig mooi geweest moet zijn. Ik zeg van al die fraaijigheden niets meêr; want de geheelen boêl was opgeruimd, en de kerk is gedeeltelijk afgebroken. Naar men mij verzekerde moest ’er een Schouwburg van gemaakt worden. [26]

Nu ’er zijn ook kerken genoeg in Dyon, en een Schouwburg heb ik ’er niet gezien. Van een andere kerk heeft men een Korenhal gemaakt; want men begrijpt nu, dat diergelijke gebouwen in eene wel ingerigte maatschappij ook noodzakelijk zijn. Behalve de kerken was ’er in deze stad ook een menigte kloosters. Het bijgeloof, en dus ook de onverdraagzaamheid, hadden ’er vrij wat invloed. Men heeft ’er dan ook begonnen met de Protestanten te vervolgen. De Maarschalk van Frankrijk Tavannes, vertrouweling van Karel den IX. en een van de voorname bewerkers van den rampzaligen St. Bartels nacht, speelde hier toen ook de eerste rol. Het Paleis, dat men voorheen le Palais de Condé noemde, omdat die Prins Gouverneur was van de Provintie, is een prachtig gebouw. Het pronkt met een fraaije colonnade en ijzer hek: voor hetzelve is eene ruime plaats in de gedaante van een halven cirkel, en rondom geregeld met huizen bebouwd. Men gaat door bogen in de straten, die ’er op uitkomen. Midden op deze plaats stond voorheen het beeld van Lodewijk de XIV. te paard. In dit Paleis vergaderden de Staten van Bourgondiën alle drie jaren, doorgaans in de Maand Mei: zij bestonden uit de Geestelijkheid, den Adel en den derden Staat. De Maire van de stad Dyon was altijd Voorzitter van den laatsten. Deze vergadering duurde gemeenelijk veertien dagen, en men hield die met veel pracht en uitwendige vertooning. ’Er was volk genoeg, want zij bestond doorgaans uit 450 persoonen. [27]Hunne voorname werkzaamheid was het regelen van de belastingen, daar de Geestelijken en de Adel, die het meeste te zeggen hadden, geen duit in betaalden; het ging dan daarmede zoo als het spreekwoord zegt: “van een anders leder is het goed riemen snijden;” en het is dus ook geen wonder, dat de derde Staat, eindelijk deze onregtvaardigheid, die overal in Frankrijk plaats had, moede wordende, zijn misnoegen daar over op eene gevoelige wijze heeft getoond, en de goederen van die kwaadbetaalders, die daar bij nog zeer ongemakkelijk waren, heeft aangesproken voor de achterstallige schuld: en ik geloof, welk regt die zoogenaamde groote sinjeurs ook vermeenen te hebben, om zich deswegens bezwaard te achten, dat, wanneer een nauwkeurig Hollandsch boekhouder de rekening eens opmaakte, zij nog een aanmerkelijke som ten achteren zouden zijn. De zaken zijn nu geheel van gedaante veranderd—en wij willen hopen, dat het daar door beter zal gaan. De onderscheidene regtbanken van dit Departement houden thans zitting in dat voormalig Paleis van Condé. Daar het openstond ging ik ’er in, en verder in een zaal, waar de Crimineele Regtbank zitting hield, en waar men bezig was met een vrouw te verhooren, die beschuldigd werd van eenige goederen gestolen te hebben. Het was na den middag, en een van de Regters, misschien gewoon, om op dien tijd een dutje te doen, zat gerust te slapen.—Aan den ingang van de zaal las ik, dat van de toehoorders de [28]mannen zich aan de eene, en de vrouwen zich aan den anderen kant moeten plaatsen. Voor iedere sekse was dan ook eene bijzondere plaats met een balie afgeschoten, zoo dat de eerbaarheid hier wel in acht schijnt genomen te worden. In het afgaan bewonderde ik den fraaijen trap. Onder in dit gebouw staan verscheidene kramen met prenten, boeken en andere waren, en achter aan hetzelve is nog een oude toren die boven het dak uitsteekt, men zeide mij, dat het nog een overblijfsel was van het oude Hertoglijke Paleis.

De Stad verder doorwandelende zag ik verscheidene schoone huizen; de straten zijn veelal ruim; de wallen met boomen beplant, leveren eene alleraangenaamste wandeling op, en men heeft van daar eene verscheidenheid van schoone gezigten. De wandeling buiten om de stad is ook zeer vermakelijk, en voor een stad, komt mij Dyon voor, wat de plaatselijke gelegenheid aanbelangt, al een zeer aangenaam verblijf te zijn.

Den 20 dezer regende het aanhoudend, en dat is voor een’ reiziger allerverdrietigst, men kan niet rondloopen, niet wandelen; de Koffijhuizen zijn, dan vooral in plaatsen daar men geen Schouwburg of andere openbare vermakelijkheden heeft, de voornaamste toevlucht, wij maakten ’er dan ook gebruik van; men vindt ’er hier verscheiden, en daar onder die zeer net en met smaak zijn ingerigt. Ik las daar onder anderen in een van de Parijssche Nieuwsbladen eene beschrijving van het Feest van laatstleden [29]Zondag, en hoe de Keizer en Keizerin, toen zij in staatsie door den tuin van de Tuillerien reden, door de menigte van alle kanten waren toegejuicht. Daar zag ik al weder, hoe weinig men op zich zelven staat kan maken; want ik was bij dezen optogt geweest en had niets anders dan het geschreeuw van eenige weinige menschen, (men zeide dat het Militairen waren) digt bij het kasteel van de Tuillerien, gehoord. Het was, meen ik, bij gelegenheid dat hunne Keizerlijke Majeiteiten aftraden en in het Paleis gingen. Even te voren, mij onder een grooten hoop menschen, ter plaatse, waar de optogt voorbij ging, bevindende, hield bijna ieder een den hoed op. Iemand, die daar bij stond, en die ik, naar zijn kleeding te oordeelen, voor een voornaam man hield, scheen deze onbeleefdheid niet te kunnen dulden, en riep: Chapeaux bas, (de hoeden af) doch men toonde zich misnoegd en morde over deze herinnering, zonder daaraan te gehoorzamen, het geen ik in ’t geheel niet overeenkomstig vond met de Fransche wellevendheid.

In dit Koffijhuis vernam ik teffens, dat ’er een Museum in deze stad te zien was. Na den middag gingen wij daar na toe, het is ook in het voormalig Paleis van Condé; men ziet ’er in eenige zalen verscheidene schilderijen, waar onder ’er twee Veldslagen van den beruchten krijgsman zijn, bekend onder den eernaam van le grand Condé. Tusschen twee haakjes; in zeker opzigt heb ik nog al eenige overeenkomst met dien man,—hoe zoo? zult gij vragen,—wel [30]hij was zoo wel als ik met de jicht gekweld, zoo zelfs, dat hij in 1676 voor het opperbevel van het leger moest bedanken. In een andere zaal zijn de beelden meestäl afgietsels, en eenige kopijen van marmer; deze dienen bijzonder voor de teekenschool, die ook in dit gebouw is. Zoo de kweekelingen in het vak der beelden al iets mogten te kort komen, de natuur levert in deze streeken de heerlijkste toonelen op voor den landschapschilder. In eene volgende zaal ziet men eenige oudheden, als toiletdoozen, messen, vorken, een brieventas enz. welk tuig afkomstig is van de eerste Hertogen en Hertoginnen van Bourgondiën, naar men mij verzekerde; nu men kon ook wel zien dat het van daag of gisteren niet gemaakt, maar verscheidene modes ten achteren was. Ook zag ik ’er den knop van den Bisschoppelijken staf, benevens een ring en gordelgesp van den eersten Abt van de vermaarde Abdij van Citeaux. Van meêr belang voor den konstminnaar, vond ik een aantal marmeren beeldjes, ieder ongeveer ander half voet hoog. Zij verbeeldden Carthuizer Monniken, in onderscheidene houdingen; deze beeldjes hadden gestaan, om de prachtige marmeren graftombes van de Hertogen van Bourgondiën, in het koor van de Kerk der Carthuizers, waarvan ik reeds gesproken heb, en welke tombes in het begin van de omwenteling zijn gesloopt. Regt fraai zijn die beeldjes gewerkt, en de uitdrukking, die ’er in hunne gezigten plaats heeft, trekt vooräl de aandacht. Ik zag hier ook nog een [31]klein stukje agter een glas in een lijst, het was van was geboetseerd, en verbeeldde een half verrot lijk. Men had ’er een gordijntje voor gehangen, om dat het ’er zoo afzigtelijk uitzag. Onze geleider meende, dat het iets tot de geschiedenis van het huis van Bourgondiën behoorende, moest voorstellen; maar het regte wist ’er de sukkelaar ons niet van te zeggen.

Den 21 ging ik ’s morgens vroeg in den aangenaamen Tuin van de Arquebuse wandelen, en mijn ouden populierboom bezoeken: geen koord of andere meet-instrumenten bij mij hebbende, mat ik de dikte van den stam, onder aan den grond, door mijne voeten rondom dezelve, den een voor den anderen te zetten, en telde op deze wijze acht en dertig zulke voeten;—Welk eene aanmerkelijke dikte!—De grond schijnt hier goed voor het houtgewas, ook naar de andere boomen en struiken te oordeelen. Voorbij een Seringe-struik komende, werd ik een zeer onaangenamen reuk gewaar, bijna als die van een hok, waarïn leeuwen, tijgers of diergelijke opgesloten zijn; ik wilde hier de reden van weten, en bevond na eenige reizen om den struik, die vrij groot was, gegaan te zijn, en hem naauwkeurig bekeken te hebben, dat ’er midden in een menigte torren zaten, welken ’er de bladeren afknaagden, en dat deze dien onaangenamen reuk veroorzaakten. Ik herinner mij niet van diergelijke insecten meêr gezien te hebben, althans niet levendig: zij hadden een schone ligt groene gouden kleur, en kwamen mij voor [32]te behooren tot de soort van het Vliegend Hart, zijnde smal van lijf met fraaije lange horens. Ik deed ’er een paar van in een papier en nam dezelve mede naar mijn kamer, doch de stank, dien zij verwekten, verpligtte mij om ze weg te werpen. De reuk was zoo sterk, dat men denzelven op den afstand van twee treden van den struik, reeds gewaar werd.

Ik wandelde verder om de stad, en zag onder andere een wijngaard voor een huis geplant, van eene buitengewone uitgebreidheid. De ranken waren over een rooster van latten gespreid om lommer voor het huis te hebben; en dit groene dak was zoo groot, dat ’er wel vijftig menschen op hun gemak onder zitten konden; daarbij was deze schoone wijnstok vol met trossen druiven, Van eene ongemene grootte. Hier en daar om de stad, zag ik ook nog overblijfsels van de oude vestingwerken. Het riviertje l’Ouche stroomt langs Dyon, en ’er legt een fraaije steenen brug over, even buiten de stad; het vormt ook vele aardige partijtjes. Bezat ik de kunst van Ruisdaal of Waterlo, ik zond u ook hier eenige teekeningen van. Het Gasthuis dat men buiten de porte de fer (een ijzer hek) ziet, is een fraai gebouw. Met genoegen zag ik sommige zieken gemakkelijk zitten naast verscheidene Oléanders, Laurustinus boomen en andere welriekende kruiden en bloemen, die men daar in bakken en potten nedergezet had. Bij ons gebruikt men die alleen maar, om de prachtige lusthoven en buitenplaatsen opteschikken, hier hebben zij eene betere bestemming, zij dienen [33]tot verkwikking van arme zieken. Sedert de omwenteling is het bestuur van diergelijke gestichten in Frankrijk veel verbeterd; voor dien tijd had de Geestelijkheid ’er meestal alleen de bestiering over. In ons Vaderland, hoewel wij anders in menschlievendheid en mildadigheid zeer wel tegen de Franschen kunnen monsteren, zou toch, dunkt mij, ten opzigte van de gasthuizen ook nog veel te verbeteren zijn; vooral wenschte ik die buiten de steden in een gezond en aangenaam oord, zoo veel mogelijk, te hebben, en niet al de zieken in eene algemeene zaal, maar in afzonderlijke luchtige vertrekken te plaatsen, ten minste die geenen, die erg ziek zijn; behalve de besmetting, is het gezigt, en dikwijls het gekerm van sommige kranken voor anderen, die minder ziek zijn, allerakeligst; zij zien veeltijds pijnelijke operatien, het afleggen en voorbij dragen der dooden.—Welk een schouwspel! waarom in plaats van die groote zalen, zijn de gasthuizen niet zoo als onze hofjes, rondom met vertrekjes, een plaats in het midden, en het gansche gebouw omringd met bevallige tuinen, met fraaije en geurige bloemen en planten, lommerijke lanen, vruchtrijke boomgaarden enz. Het is immers zoo verkwikkelijk voor een zieke, die begint te herstellen, als hij het ziekbed, daar hij weken, en somtijds maanden aan gebonden was, kan verlaten en in de vrije lucht de vrolijke en bevallige natuur aanschouwen, en met dankbare aandoening aan den Schepper en Onderhouder van dezelve denken.

In en om deze stad, zag ik verscheidene daken [34]en torens met pannen van onderscheidene kleuren belegd; men maakt ’er ruiten en andere figuren mede, zoo als men wel op de vloertapijten ziet; dit staat niet onäardig.

De Bibliothekaris der Bibliotheek van het Lycée, is een zeer vriendelijk man; hij sprak met veel lof van onze Hollandsche geleerden, als Grotius, Boerhave, enz. Ik zag die Bibliotheek terloops in; het kwam mij voor, dat dezelve eene aanmerkelijke verzameling boeken bevatte; ’er waren ook eenige borstbeelden van voorname mannen, als Piron, Crebillon, Buffon, Voltaire en meêr anderen. De Beeldhouwer Attiret, daar ik u reeds van gesproken heb, is ’er de maker van.

Deze stad is het Vaderland van verscheidene groote mannen, als van den welsprekenden Bossuet, Bisschop van Meaux, daar ik in mijnen vorigen reeds melding van maakte; van den Toneeldichter Crébillon, een edelman, die hier een voornamen post bekleedde; hij voerde de Treurspelen van AEschylus op nieuws in Frankrijk ten Tooneele, nadat hij dezelve op eene regelmatige wijze beärbeid had; zijne stukken zijn nog tegenwoordig in veel achting, en sommigen ’er van worden dikwijls gespeeld; hij werd in 1674 geboren, en stierf in 1762. Piron, door zijne Tooneel- en andere geestige werken bekend, werd hier in 1689 geboren3, als ook la Monnoye, [35]Dichter en Bibliograaf, en de Baron de Longpierre, schrijver van eenige Tooneelstukken, enz. die in 1659 het licht zag. Rameau een van de grootste Fransche muziek-componisten, is ook van Dyon; hij werd aldaar geboren in 1683, en stierf in 1769; hij was Organist van een kerk te Parijs, en heeft het muzijk samengesteld van verscheidene Opera’s;4 zijn uitvaart wierd zeer plegtig gevierd. Dyon heeft dus veel toegebragt tot den luister van het Fransche Tooneel; de inwoonders van die stad, hebben alzoo inzonderheid regt op een fraaijen en goeden Schouwburg, en ik wensch, dat men niet zal dralen, met het plan, om ’er een te bouwen, ten uitvoer te brengen. Menestrier een geleerde oudheidkundige, had ik haast vergeten; die man, welke ook te Dyon in 1555 geboren is, heeft belangrijke aanteekeningen over de medailles nagelaten. Men las eertijds, op een der glazen van St. Medars kerk, het volgend zonderlinge grafschrift, dat op hem gemaakt is:

Ci git Jean le Menestrier,

l’An de sa vie soixante dix,

Il mit le pied a l’étrier,

Pour s’en aller en Paradis.”5.

[36]

Door den aanhoudenden regen verhinderd wordende, om mijne wandelingen buiten voorttezetten, moest ik die tot de stad zelve bepalen. Ik ging het oude slot, dat tegen den wal ligt, digt bij de poort naar den kant van Parijs, bezigtigen; oorspronkelijk schijnt het een Citadel geweest te zijn; naderhand heeft het ook gediend tot een gevangenis, en was tot de omwenteling toe de Bastille van Bourgondiën; ik zag ’er dan ook nog verscheidene holen en gevangenissen.—Wie weet, dacht ik, hoe vele slagtoffers van wareldlijk en kerkelijk geweld hier bittere tranen gestort hebben.—Het ziet ’er thans zeer vervallen uit.—Van den toren aan de achterzijde heeft men een fraai gezigt. Aan den anderen kant van de stad, op de wal, zag ik ook een fraaije danszaal, men noemt die plaats Tivoli.

Hopende op goed weder, bestelden wij rijtuig, om den volgenden dag te vertrekken; want de Postwagen naar Chalons reed ’s nachts, en hier hadden wij geen zin in. Verscheidene lieden van dit land zeiden mij, dat, als het hier eens begon te regenen, het doorgaans eenige dagen duurde; de reden hier van was, willen zij, dat de wolken tusschen de bergen bleven hangen; en in der daad, de toppen der bergen rondom de stad waren sedert een paar dagen door wolken bedekt.

Over onze herberg waren wij wel te vreden, en [37]betaalden £ 3–:–: aan de gemeene tafel, die vrij goed was, en £ 2–:–: voor een kamer met twee bedden. Op de reis hier na toe, hadden wij doorgaans ook £ 3–:–: voor het middag eten, en £ 3–10-: ook wel eens £ 3–:–: voor het avondeten en slapen betaald.

De inwoners van Dyon, hoewel de hoofdstad van het goede wijnland, hadden, dacht mij, over het algemeen, eerder een somber dan een vrolijk voorkomen. Zou de invloed van het bijgeloof hier niet veeläl de oorzaak van zijn? Men begroot het getal der ingezetenen op ruim 20,000. Kousenweverijen en fabrieken van een soort van kanten, speelkaarten en de wijnhandel zijn de voorname takken van hun bestaan; ’er zijn verscheidene leêrlooijerijen; men maakt ’er ook sommige wollesstoffen en confituren, en de mostaart van Dyon, die geheel Frankrijk door beroemd is, zoo als bij ons die van Zaandam of Doesburg, moet ik ook niet vergeten.


1 De Regten van den Mensch, erkend den 30 September, het Eerste jaar der Vrijheid, 1789.

2 En Graaf van Holland, Zeeland en Vriesland. Martinet in zijn Veréénigd Nederland, zegt van hem: “Hij werd met geringen lof bekroond;” en verder van zijn [32n]zoon en opvolger sprekende: “Hij gaf den doodsteek aan ’s Lands Vrijheid door het invoeren van vaste soldaten, ’t geen ’s Volks oude dapperheid deed vervallen.”—O mijn Vriend! mogten onze Landgenoten toch de waarheid van dit gezegde duidelijk gevoelen!

3 La Metromanie, een van de beste Blijspelen van het Fransche tooneel, is van dezen schrijver.

4 Castor en Pollux is ’er de voornaamste van, en wordt gehouden voor een classiek stuk der Fransche muzijk van dien tijd.

5 Hier rust Jan le Menestrier, in het zeventigste [43n]jaar zijn’s ouderdoms zette hij den voet in den stijgbeugel, om na den hemel te gaan.

Derde Brief.

Lyon, 28 Julij.

Wij vertrokken, den 22. dezer, ’s morgens om vijf uren van Dyon, met twee rijtuigen, op twee wielen; ieder met een paard bespannen, zoo als de [38]koetskarren in Bataafsch Braband; men noemt die hier Carioles; in elk zouden drie personen, en de voerman, bekrompen kunnen zitten; doch dan moet men ook geen bagage hebben. Wij betaalden voor deze twee rijtuigen £50–:–: alle onkosten voor rekening van den voerman tot Chalons sur Saone. Dyon en Chalons zijn langs den gewonen weg, 8¾ posten van elkanderen. Na omtrent anderhalf uur gereden te hebben, kwamen wij aan dat vermaarde Clos de Vougeot waaraan een lekkerbek nooit zonder watertanden denken kan. De wijn die hier groeit, en die onder den naam van Clos de Vougeot bekend is, wordt voor de fijnste gehouden, die in Bourgondie wast. Zijn naam wordt ontleend van clos, een besloten plaats, (want de wijngaard is met een muur omringd), en Vougeot, de naam van het dorpje, daar dezelve onder gelegen is. In deze besloten plaats staat ook een fraai gebouw, dat men le pressoir noemt. De druiven worden hierin getreden, geperst enz. Deze wijngaard, benevens het dorpje en meêr andere plaatsen hier omstreeks, behoorde voor de omwenteling aan de beruchte Bernardijner Abdij van Citeaux; de rijkdom en bezittingen in landgoederen van deze zich noemende godvruchtige kluizenaars (pieux solitaires), was grooter dan die van sommige aanzienlijke Vorstendommen. Zij teelden doorgaans meêr wijn in één herfst, dan ’er in menige stad in Frankrijk in een gansch jaar gebruikt wordt. Behalve den wijn, leverde deze Abdij nog andere aanzienelijke voortbrengsels op, [39]als Kardinalen, Pausen,1 Heiligen en wat al niet meêr.... De Abt van Citeaux had het gewone regtsgebied over de vier eerste Abdijen van zijne Orde; hij was de opperste (Superieur General) van al de Abdijen en Kloosters, tot die orde behoorende; als mede van eenige Militaire Orden in Spanje en Portugal. In de Vergadering der Staten van Bourgondiën, volgde hij in rang op de Bisschoppen; hij was ook eerste Raadsheer in het Parlement van Bourgondiën; kortöm, hij was al een heele groote sinjeur. Deze geestelijke Vader liet zich dan op zijne grootheid al vrij wat voorstaan, en hield geen geringen stoet. Men oordeele over de verkwisting van de Monniken van Citeaux, en de zorg, om hunne kelders wel te voorzien; (want dit was het voornaamste, met geleerdheid braken zij hun hoofd zeer weinig); hun voornemen was, om van het pershuis in de Clos de Vougeot af, tot in hunne kelders toe, looden buizen onder den grond doorloopende te leggen, om door deze kanalen den wijn in die ruime gewelven te doen stroomen; en dit pershuis is bijna twee uren van de Abdij af gelegen. Thans is dat voorheen zoo aanzienelijk gebouw, gedeeltelijk gesloopt, het lag midden in een schoon bosch, dat wij van verre zagen. Dat Clos de Vougeot, dat 360 arpens2 [40]groot is, behoort thans aan de Bankiers Tourton en Ravel te Parijs. Die wijn word zelfs hier op de plaats voor £6–:–: de fles verkogt. Eer wij van deze Abdij afstappen, nog een woordje over deszelfs patroon, de Heilige Bernardus; hij werd te Fontaine-lez-Dyon, een half uurtje van Dyon, in het laatst van de elfde eeuw geboren, was slim, ondernemend en welsprekend; en had daar door zelfs ook aan het hof, veel invloed; hij was een voorname aanstoker van de kruisvaarten, en de stichter van 1800 mans- en 1400 vrouwen-kloosters. Zeker Fransch schrijver zegt van hem: ”Dix hommes comme St. Bernard, auroient depeuplé le monde.”3

Omstreeks half acht kwamen wij te Nuys of Nuits, en stapten daar af, om te ontbijten; het was zoo koud, dat men vuur voor ons aanmaakte. De wijn, die hier tegen den berg groeit, aan wiens voet het stadje ligt, is ook zeer beroemd, en heeft zijne eerste vermaardheid te danken aan eene ziekte, van Lodewijk den XIV. in 1680. De Geneesheeren moesten den geschiktsten wijn kiezen, om de krachten van den zieken te herstellen, en vonden daartoe den ouden wijn van Nuits het beste. Sedert dien tijd, is die wijn, die te voren in het land zelve werd gebruikt, sterk gezocht, overäl na toe verzonden geworden; en daar door, natuurlijker wijze, aanmerkelijk in [41]prijs gestegen. Het bovenste gedeelte van den berg, waar tegen hij groeit, is anders schraal en onvruchtbaar.

Hoewel het nog vroeg was, konden wij niet nalaten, om van dezen lekkeren wijn te proeven, te meêr, daar men ons verzekerd had, dat wij ze in de Herberg, waar wij afgetreden waren, echt konden krijgen; ’er moest dan een fles van zijn bij ons ontbijt, dat bestond in koud vleesch en brood; wij vonden ze zeer goed; maar moesten ’er ook £3–:–: voor betalen. Het spijt mij, dat ik den naam van de Herberg vergeten heb; want zoo gij, of iemand van onze kennissen, in dit land mogt komen, zou ik ulieden raden, om ’er aanteleggen; niet alleen om goeden wijn te drinken, maar omdat de vrouw, eene bejaarde matrone, zeer vriendelijk en geschikt is. Het is een groot huis, bij het inkomen van het plaatsje, en men kan aan den boêl zien, dat het lieden zijn, die ’er wel inzitten. Wij wandelden het stadje door, doch zagen ’er niets bijzonders. Men had ons verteld, dat de vrouwen hier zeer weinig boezem hebben, en voor zoo ver ik ’er in ’t voorbijgaan over oordeelen kon, is deze aanmerking niet geheel ongegrond. Hier van daan ook het versje, dat ik uit den mond van een Bourgondiër heb opgeschreven:

Nuits, ville sans renom,

Rivière sans poisson,

Montagnes sans buissons,

Justice sans raison, [42]

Filles sans tetons,

Mais le vin est bon.

Het riviertje Musain stroomt voorbij de stad; dit riviertje neemt zijn’ oorsprong niet ver van hier aan den voet van den berg van Vergi; voorheen stond ’er op dezen berg een Kasteel van dien naam. Het bekende en verschrikkelijke Treurspel, Gabrielle de Vergi4, dat in het Hollandsch is overgezet, is van daar afkomstig.

Het was goed weder, wij wandelden vooruit, en lieten de rijtuigen volgen. Aan de regterhand heeft men altijd de ketens van heuvelen, die men la Coté d’Or noemt, op een’ zekeren afstand van den weg. Langs die heuvels ligt eene menigte dorpen, zoo digt, dat zij hier en daar aan elkanderen raken. Alles, wat men onder tegen die heuvelen en in de vlakte ziet, zijn wijngaarden; en hier en daar wat Maïs, ook bij ons Turksche Tarw genaamd; aan de linkerhand was het redelijk goed korenland. Het Departement de la Côte d’Or, hoewel vruchtbaar in wijn, levert anders niet veel koren op, en de grond is ’er op vele plaatsen in ’t geheel niet toe geschikt, en zelfs hier en daar zeer onvruchtbaar. Aan den anderen kant van Dyon, van Parijs komende, vond [43]ik, dat het graan, zoo tarw, als haver en garst, zeer kort en mager stond. De schrale grond, en geringe bemesting is hier zeker veelal de oorzaak van; doch de boeren verergeren het nog, door misschien een derde zaadkoren te veel op de akkers te werpen. Ik sprak hier met een inwoner van dit land over, en hij moest bekennen dat ik gelijk had. De gronden zijn veeläl krijtachtig, naar het mij toescheen; sommigen zijn geheel rood door de roode aarde waarmede zij doormengd zijn, en anderen zijn keiachtig en vol kleine steentjes; deze is zeer geschikt voor den wijn. Boekweit, die hier denkelijk wel zou groeijen, heb ik ’er niet gezien; ik geloof ook dat ’er de rogge, althans op de meeste gronden, die ik zag, beter zou groeijen, dan de tarwe; hier en daar scheen men dat ook te begrijpen, doch het beteekende niet veel. De Franschen houden van geen roggenbrood. Wat de konstweiden aangaat, deze bestaan meestal in Lucerne klaver; Bourgondiën levert ook veel schapen op.

De weg was vooral door den aanhoudenden regen, zeer slecht. Hij is niet bestraat, maar met kleine keitjes opgeworpen, en het draven in onze karretjes, hoewel de bankjes nog al op riemen hingen, was ongemakkelijk; wij gingen dan veel te voet, en zagen daar door de landstreek des te beter.

Het was omtrent elf uren, toen wij te Beaune kwamen; hier gingen wij onzen Wijnkooper, met wien wij op den Postwagen van Parijs naar Dyon kennis gemaakt hadden, opzoeken; doch hij [44]was uit de stad. Daar onze voerlieden verzocht hadden, om hier hunne paarden een paar uren te laten rusten, hadden wij den tijd, om het stadje te bezigtigen: het ziet ’er nog al levendig en welvarende uit, doch wij vonden ’er niets bijzonders. De inwoners worden voor zeer dom en onverstandig gehouden, waarom men hun den naam gegeven heeft van les anes de Beaune5. Zoo het waar is dat zij dezen naam verdienen, is het niet te verwonderen; want ’er waren voor de omwenteling in deze, stad, die men op omtrent zes duizend inwoners begrootte, agt à negen zoo Mans- als Vrouwen-Kloosters, waar onder een Abdij van Bernardiner Nonnen, en een half uurtje van de stad lag nog een Carthuizer Klooster. Bourgondiën, en vooral dit gedeelte, was voorheen een regt Monnikenland; geen wonder, ’er groeit goede wijn, en die snaken zijn doorgaans liefhebbers van een druifje te pikken. Ook is ’er in Beaune een Gasthuis voor zieke [45]en oude lieden, door Nicolas Rollin, Kanselier van onzen Graaf Philippus van Bourgondiën gesticht. Het wordt ook door Nonnen bediend; doch deze doen slechts geloften voor één jaar, en dat kan ’er immers nog al door. Men heeft die goede zusters, na de omwenteling in Frankrijk, ook bijna overal in wezen gelaten. Koning Lodewijk de XI, aan wien men dit Gasthuis liet zien, zeide, van den stichter sprekende: “Het is zeer billijk, daar hij zoo veel armen gedurende zijn leven gemaakt heeft, dat hij voor zijn dood een huis heeft doen bouwen, om ze te herbergen.”

De stad, die, onder verscheidene Hertogen, het verblijf van het Hof was, is met wallen, muren en grachten omringd; zij zijn zeer vervallen. Na de zamenzwering van den Marschalk Charles de Biron, die den 31 Julij 1602 in de Bastille onthoofd is, deed Hendrik de IV. het Kasteel van Beaune, dat voor een van de beste van de Provintie gehouden werd, ontmantelen.

Men had ons een herberg in de voorstad, naar den kant van Chalons, aangewezen, waar wij goeden wijn moesten vinden; want de wijn van Beaune is ook zeer beroemd. Hier gingen wij ter loops het middagmaal nemen, en troffen ’er in de daad zeer goeden wijn aan. Na den maaltijd wandelden wij voort langs eenen aangenamen weg tot boven Vollenai, een Dorp, waarvan de wijnen ook waardig gekeurd worden, om, op de tafels der rijken, een voorname plaats te bekleeden. Op eene hoogte hier omtrent [46]heeft men een zeer schoon gezigt. Men wees ons het Dorp Pomare, waar van de wijnen ook tot den wel voorzienen kelder van een echten liefhebber behooren; te Meursault, waar wij door kwamen, en dat nog al een gnap dorp is, vonden wij goed, om eens aanteleggen, wij dronken daar een fles witten wijn van 1790, die lekker was, maar wij moesten ’er ook £4–:–: voor neêrtellen. Men teelt ’er goeden wijn. Hier verlaat men la Côte d’Or en het fijne wijnland. Het bijgaande gezigtje zal u een denkbeeld geven van de aangename ligging van een gedeelte dezer kostelijke wijnbergen.

De weg tusschen dit dorp en Chalons is fraai, aangenaam en wel beplant; de toegangen van die stad zijn gansch niet onbevallig; ’s avonds te half zes kwamen wij ’er aan. Dit word Chalons sur Saone genaamd, in onderscheiding van een ander Chalons sur Marne. Wij waren dan ook in het Departement van Saone et Loire6; namen onzen intrek in l’Hotel des trois Fesans; bestelden het avondmaal en gingen wandelen. Ik stond verwonderd over de fraaije kaai, die men hier langs de rivier heeft, en de schoone gebouwen, die men daar ziet; het gezigt van dezelve is ook zeer aangenaam. In de vaart die hier gemeenschap heeft met de rivier, wijst men den [47]vreemdelingen de sluizen als iets bijzonders aan; voor ons was dat niets nieuws. Van de Stad gaat men over eene fraaije steenen brug naar de voorstad Saint Laurent, aan den anderen kant van de Saone. Die brug is aan beide zijden versierd met vier Piramiden, welken dienen, zoo ik meen, om ’er lantaarns tusschen te hangen. De voorstad Saint Laurent is een eiland, rondom door de Saone bespoeld. Gontran Koning van Orleäns en Bourgondiën, die te Chalons zijn verblijf hield, stichtte op dit eiland een Abdij omtrent het jaar 590; thans dient zij voor een Hospitaal. Rondom is een fraaije en lommerrijke wandeling, van waar men een aangenaam gezigt heeft over de rivier en de omliggende landouwen.

Mursault.

Mursault.


1 Citeaux heeft vier Pausen opgeleverd, als Eugenius III, Gregorius VII, Celestinus IV, en Benedictus XII.

2 Een arpent is omtrent een vierde deel van een morgen lands.

3 Tien menschen, als St. Bernard, zouden de wereld ontvolkt hebben.

4 De Belloi, een van de veertig van de Fransche Academie, is ’er schrijver van. De Treurspelen Zelmire, Gaston en Bayard, die insgelijks in onze taal zijn overgezet, en nog drie anderen, zijn mede van hem.

5 De Ezels van Beaune. Piron, daar ik u hier voor van gesproken heb, een pik tegen die van Beaune hebbende, had gewed dat hij binnen een zeer korten tijd honderd puntdichten (Epigrammes) tegen hun zou maaken, en hield zijn woord. Eens te Beaune in het openbaar sprekende, riepen de toehoorders: “Wij verstaan u niet;” willende dat hij harder zou spreken, en Piron antwoordde: ”Ce n’est pourtant pas faute d’oreilles,” het is toch niet bij gebrek van ooren; deze kwinkslag werd hem niet vriendelijk afgenomen.

6 Naar men mij verzekerde, is men thans bezig om door een bevaarbaar kanaal, deze twee rivieren met elkanderen gemeenschap te doen hebben, en dus ook den Oceäan met de Middellandsche Zee.

Vierde Brief.

Lyon, 30 Julij.

De schuit, waarmede wij, den volgenden dag, 23 dezer, van Chalons naar Lyon vertrekken moesten, voer eerst ’s middags om twaalf uren af; ik had dus nog tijd, om Chalons doorteloopen, waar ik blijde om was; want het zag ’er hier levendig en vrolijk uit, en beviel mij dus wel. Met genoegen zag ik de puinhoopen van verscheidene Kloosters, die men had afgebroken, hoe zeer dit anders niet sierlijk staat. [48]De overige Kerken schenen niets bijzonders opteleveren. Wij zouden de kermis bij hebben kunnen wonen, als wij een paar dagen vroeger waren gekomen; de kramen en lootsen stonden ’er nog, digt bij de poort, waar men van den kant van Dyon inkomt, en hier naar te oordeelen, scheen zij nog al aanmerkelijk geweest te zijn. Chalons drijft zeer veel handel, voornamelijk in granen en wijn. ’Er zijn ook eenige koussen- en hoeden-fabrieken; men vindt ’er vele welgestelde Ingezetenen. Het getal der inwoners word op omtrent 12,000 begroot. Deze stad en de omliggende landstreek, draagt ook roem op de schoonheid harer vrouwen, en de vriendelijkheid der mannen, bijzonder tegen vreemdelingen; en ik vind dit in het een en ander opzigt niet geheel zonder grond. Onze Hospes, onder anderen, was een allerbeleefdst en vriendelijk man, hoewel wij maar kort bij hem verbleven en geene groote verteringen maakte. De menschen zien ’er ook over het algemeen frisch en gezond uit; kortom, Chalons is een aangename plaats, en Les trois Fesans een goede Herberg. Bij het dorp Presty, niet ver van deze stad gelegen, vindt men loodmijnen.

Deze streek, die voorheen tot de Gaulen behoorde, schijnt bewoond geweest te zijn door een der oudste volkeren op de aarde bekend. Dit althans schijnt zeker, dat de Insubriënsen, wier vestiging in Italië veel ouder is dan de grondslag van Rome, en misschien zelfs dan de aankomst van Enéas in [49]Latium, een deel uitmaakte van de Æduensen, een Volk vermaard in de geschiedenis, en de eerste waar van dezelve melding maakt, als bewonende dat gedeelte van Frankrijk; waar thans de stad Autun, tot dit Departement behoorende, staat; deze stad, die men wil, dat toen Bibracte genaamd was, bezit ook nog verscheidene overblijfsels van oudheden, en ik had wel lust, om die te gaan zien, doch het was wat te ver buiten onzen weg.

Tegen den middag begaven wij ons scheep, na alvorens aan het Bureau (bij den Commissaris) £6–:–:. betaald te hebben voor ieder persoon; dit is de vracht op de beste plaats, een soort van roef, van Chalons naar Lyon. Wij waren met meêr dan zestig personen in en op deze schuit, die men hier la Diligence noemt; behalve nog vrij wat koopmansgoederen en bagaadje. Op de rivier zijnde, levert Chalons, ook eene aangename vertooning op; ik bleef ’er zoo lang mogelijk op turen, en zou verkozen hebben, om boven op te blijven zitten; doch de wind was zoo koud, dat ik het niet durfde wagen. De schippers, op deze rivier, zijn meestal frissche stevige kerels. De opperste van onze schuit werd Patron genaamd; zij spreken onder elkanderen eene taal, die men patois noemt, en die ik niet verstond; hier en daar komen ’er woorden in, die eenige overeenkomst hebben met het Italiaansch. De stroom van deze rivier is niet sterk, en men kan dezelve dus, zonder veel moeite, [50]zoo wel op als afvaren. Wij voeren ze af, en hadden vier paarden noodig, om dat de wind tegen was, op sommige plaatsen is het zoo ondiep, dat wij over het zand sleepten. Daar aan de boorden van de Saone niet veel te zien was, gingen wij het middagmaal houden; hebbende koud vleesch, vruchten en wijn mede genomen. Onder de personen, die zich in de schuit bevonden, troffen wij ook weder onzen Wijnkooper van Maçon aan, met wien wij reeds van Parijs naar Dyon gereisd hadden. Te Tournus, een stadje half weg Chalons en Maçon, zeer aangenaam aan den regter oever van de Saone gelegen, zagen wij eene fraaije brug over die rivier, zijnde onder steen en boven hout; doch in een’ smaak gemaakt, dat men ze op een’ zekeren afstand voor geheel steen zou aanzien. Sedert de 9de eeuw bestond hier een voorname Abdij van Benedictijner Monniken, tot dat de Kardinaal de la Rochefoucauld, die ’er Abt van was, dezelve deed seculariseeren, en ’er een Kanonniken Kapittel van maakte.

Dit plaatsje schijnt nog al eenigen handel te drijven. Niet ver van hier zag ik, aan den oever van de rivier, een Maçonnois boerinnetje, met een aardig klein rond zwart hoedje op, dat de bijzondere mode van dat land is, al spinnende en zingende haar koeijen hoeden. Van Parijs af hadden wij niet anders dan rood rundvee gezien, aan deze kanten is het geelächtig wit.

’s Avonds om half acht kwamen wij te Maçon, [51]omtrent elf Fransche mijlen van Chalons gelegen, en de Hoofdstad van dit Departement, hoewel kleiner en minder bevolkt dan Chalons; waarom de inwoners van die plaats ook zeer te onvreden zijn, dat men aan dezelve de voorkeur niet gegeven heeft; vooral ook, omdat Chalons meêr in het midden van het Departement liggende, beter geschikt schijnt tot eene Hoofdplaats, daar hetzelve het verblijf is van den Prefect en de voorname regtbank van het Departement.

Maçon doet zich op eene aangename wijze op. Zij ligt aan de helling van eene hoogte1, en heeft een fraaije kaai en eene steenen brug, op dertien bogen, over de Saone: door middel van deze brug heeft zij gemeenschap met het Departement de l’Ain; voorheen dat gedeelte van Bourgondiën, dat men la Bresse noemde. Immers, Vriend! hebben onze achtingwaardige Vaderlandsche schrijfsters, E. Wolff en A. Deken, te Bourg, de hoofdplaats van dat Departement, gewoond; en aldaar hare Wandelingen door Bourgondiën geschreven. Met een dankbaar gevoel dacht ik hier aan die kundige vrouwen; zij hebben toch veel tot de verlichting en aankweeking der goede smaak bijgedragen. Hare Sara Burgerhart is geheel oorspronkelijk en vol geest; het is een meesterstuk, [52]en wordt daar zelfs bij vreemdelingen voor gehouden; hoewel het voor hun, wijl zij met de karakters, die ’er zoo natuurlijk in geteekend worden, niet genoegzaam bekend zijn, die waarde niet kan hebben, die het voor ons heeft. Het is in het Fransch, en zoo ik mij niet bedrieg, ook in het Hoogduitsch overgezet.

Terwijl het nog licht was, wandelde ik langs de kaai, want dit is het voornaamste, dat hier te zien is. Op hetzelve staan fraaije gebouwen, en onder anderen een welgebouwd Stadhuis; in een van de vleugels is de Schouwburg. Inwendig beteekent de stad niet veel; zij is onregelmatig gebouwd, en de straten zijn naauw. Op de brug, die 300 treden lang en 6 breed is, heeft men een allerliefst gezigt op de rivier, en bijzonder op een bevallig gelegen eiland. Het is aangenaam beplant, en ’er is een weide op, die bij zekere gelegenheden dient tot de viering van Feesten. Zeker Fransch schrijver, die ’er toch ook al uitermate door verrukt moet geweest zijn, zegt: “Cest un vrai tableau de l’Albane, Cette île enchanteresse semble jetée sur le globe, pour être digne de contenir également le temple des Dieux, les danses des mortels et le tombeau des grands hommes. l’Imagination les lui prête, quand l’œil la considère, et tout homme devient poète, s’il touche à ses rives parfumées.”2 [53]

Op mij heeft het die uitwerking niet gehad, en ik heb meêr dan eens in ons Vaderland plaatsen gezien, die ik bekoorlijker vond, dan deze. Oordeel zelve uit het gezigtje, dat ik u hier bij zend, en dat wel gelijkende is.

Onze reisgenoot, de Wijnkooper, liet niet af, of wij moesten bij hem komen, en hij deed ons van zijn besten wijn drinken. Hij had een gnap huis, en ruime kelders; en pakhuizen, die wij van den eenen kant tot den anderen moesten doorloopen. De wijn van Mâcon is smakelijk, en wordt voor gezond gehouden; deeze stad drijft daar in dan ook veel handel, vooral met Parijs en Lyon; en deze twee steden gebruiken ’er een aanmerkelijk gedeelte van. Wij hadden onzen intrek genomen au grand Hotèl du Sauvage, alwaar wij s’avonds aan tafel zittende, zeer lastig gevallen werden, door verscheidene koopvrouwen in messen, scharen en diergelijk tuig, dat voornamelijk te Moulins, hoofdplaats van het Departement ’Allier, voorheen le Bourbonnois, gemaakt wordt. St. Louis in 1248 vertrekkende, om een’ kruistogt te ondernemen, kocht in ’t voorbijgaan het Graafschap Mâcon. Van de vermaarde Abdij der Benedictijner Cluny, voorheen een der aanmerkelijkste [54]van Frankrijk, en niet verre van deze stad gelegen, zal ik u niets anders zeggen, dan dat hunne Boekerij, die aanzienelijk was, en waar onder werken van waarde, door de Protestanten in de 16de eeuw verbrand werd. Deze verkeerde ijver heeft eene aanmerkelijke schade aan de letterkunde toegebragt; want men moet tot lof van de Benedictijnen zeggen, dat zij de wetenschappen beoefenden en bewaarden, toen die voor een groot deel der wereld verloren waren.

Maçon.

Maçon.

Den 24 dezer, ’s morgens om vijf uren, verlieten wij Mâcon; over ons Logement waren wij wel te vreden; het is een groot en fraaij gebouw, ’er zijn zelfs baden in. Behalve onzen Wijnkooper, was ’er nog een ander tamelijk bejaard Heer uitgegaan, met een Dametje, die ’er onder weg was ingekomen, en welke, ’er vrij galant uitzag. De Heer, die een sukkelaar scheen, had ons wel verteld, dat hij te Lyon, waar hij van daan kwam, een proçes, en onder weg zijne beurs had verloren; hij had ook gisteren zijn horologie op een bank, beneden in de schuit, laten liggen, en was naar boven gegaan; doch iemand die het vond, was eerlijk genoeg, om het hem wederom te geven; en dit een en ander leverde stof op tot een gesprek, over de onachtzaamheid van dezen man; doch mêer wisten wij noch de meeste andere reizigers niet van zijne omstandigheden af; doch eene vrouw, die te Mâcon, en met onzen onachtzamen man, bekend scheen, en ook den vorigen [55]dag veel met hem gesproken had, verhaalde ons nu, dat hij niet alleen het ongeluk had van zijn proçes en zijne beurs te verliezen, maar dat hij bovendien zijne vrouw, die eenigen tijd geleden, met een jong Officier was weggeloopen, in deze schuit wederom gevonden had; zijn vrouw was dat Dametje, dat ’er onder weg ingekomen was. Een ander persoon, die ook te Maçon bekend scheen, bevestigde het gezegde van die vrouw, en wij herinnerden ons nu wel, dat het Dametje boven op de schuit zijnde, zeer vrolijk en spraakzaam was, doch zoodra zij beneden kwam, waar onze ongelukkige zat, stil en afgetrokken scheen. Doch beiden hadden echter zoo wijs geweest van zich stil te houden, zoodanig, dat het gezelschap van de verwijdering, die ’er tusschen hun plaats had, niet gewaar werd, uitgenomen de twee lieden, die hun kenden, en het ons daar na verhaalden. Nu werd ’er op rekening van die lieden, en vooral van de vrouw wat afgedaan; en dit gaf niet weinig aanleiding tot lagchen en spotten, want de Franschen van de zoogenaamde bon ton, of die ze naäpen, vooral die van Parijs of van de groote steden, achten de huwelijkstrouw eene loutere beuzeling, vinden het onwellevend en gemeen, om daar eenige waarde aan te hechten, en scheren ’er dus gaarne de gek mede; ieder kraamt dan zijne geestige trekken uit. Zelfs op de voorname Tooneelen van Parijs, daar men zoo naauw gezet schijnt omtrent het welvoegelijke, maakt men de huwelijkstrouw gedurig bespottelijk. In de volksliederen, [56]die men aan alle hoeken van de straten hoort, en in de prenten, die men openlijk te koop ziet hangen, gaat het niet beter; geen wonder, zulke waar heeft aftrek; doch dat de goede orde en het wezenlijk geluk van de Maatschappij hier door bevorderd wordt, kan ik niet geloven; en mij dunkt, dat ’er onze ouderwetsche, zoogenaamde stijve Hollanders, in dat opzigt beter achter zijn, en daar door dan ook vrij wat meer huisselijk genoegen, en dat is toch het ware, smaken.

Dit voorval van den Heer B..... en zijn vrouw, van Mâcon, want zij werden met naam en toenaam genoemd, heeft mij hier eene uitweiding doen maken; doch mij dacht, dat kwam zoo eens in het rijm te pas, en waarom zou ik het ’er dan niet bij voegen.—Nu weder aan mijn reisverhaal. De wind was gaan leggen en het weder zacht, zoo dat ik boven op kon gaan zitten. De gezigten tegen de bergen, waar de wolken tusschen hingen, en tegen de heuvels met wijngaarden beplant, langs de boorden van de Saone, waren alleraangenaamst. Onze schippers zeiden ook, dat dit hangen van de wolken tusschen de bergen een zeker voorteeken was van regen, en voegden ’er nog bij dat het tegen den avond zou donderen, en gij zult straks hooren, dat zij het geraden hebben.

Hier moet ik u een opmerkingwaardigen trek van vriendschap, tusschen twee honden, die wij aan boord hadden, verhalen. De eene was vrij groot en een bastaardsoort van den herders hond, de andere [57]was een mopsje of steendoggetje; beiden waren van het mannelijk geslacht, en behoorden aan onzen schipper, die ’er veel werk van scheen te maken. Ik had al opgemerkt, dat zij vrienden schenen, want zij aten zelfs van eene schotel zonder morren, en de schipper verhaalde mij ook, dat zij bijzonder aan elkander gehecht waren; dit wierd weldra bevestigd. Zij speelden met elkander op den kant van de schuit, en ziet, de groote viel in het water en zwom naar den wal, terwijl het kleintje door schreeuwen en blaffen zijn leed en ongerustheid te kennen gaf, dreigende gedurig, om ook in het water te springen. Te vergeefs zocht de schipper het te stillen, eindelijk zette hij het in de rivier en het zwom naar den kant, zoodra wierd de groote het niet gewaar, of hij zwom het te gemoet, en trachte zijn’ kleinen vriend te helpen en te ondersteunen; aan land komende, toonden zij, ieder om het meest, hunne blijdschap en het springen en vrolijk blaffen, duurde een geruime poos, en nu volgden zij te samen de schuit tot de naaste plaats, waar wij moesten aanleggen.—Zouden de dieren, vooral dit soort, wel zoo redeloos zijn als men vrij algemeen veronderstelt; en welke zijn de juiste grenspalen tusschen de rede en het ingeschapen gevoel (instinct)—is dat alles wel zoo duidelijk als wij ons verbeelden, wanneer wij ’er zoo oppervlakkig aan denken? De dieren handelen regelmatiger en meer eenvormig dan wij zoogenaamde beschaafde menschen; hoe gering zijn ook hunne behoeften; en handelen [58]sommige zoogenaamde wilde en onbeschaafde volkeren, wier behoeften zeer gering zijn, ook niet vrij regelmatig en eenvormig?—Maar deze zijn voor beschaving vatbaar.—Kan men dit van de dieren ook niet zeggen, en komt alles dan niet op eene meerder en minder mate van vatbaarheid neder? Dit denkbeeld is voor eene zeer wijdloopige ontleding geschikt, en daarom stap ik ’er af.

De gezigten werden verrukkelijk; het heeft hier en daar wel wat van de oevers van den Rhijn, tusschen Mentz en Bonn. Wij naderden Riotti, een dorpje of gehucht aan den linkeroever, hier moesten wij het middagmaal houden, de twee schuiten, te weten, die van en die naar Lyon, ontmoeten hier elkander, en de reizigers van beiden eten ’er; wij zaten dan aan met omtrent 40 personen, in een ruime zaal, van waar men een uitmuntend gezigt heeft; men schafte ’er ook goed op en voor een matigen prijs. Ik heb u nog vergeten te zeggen, dat de gewone tafelwijn, zoo hier als elders, waar wij geweest zijn onder den prijs van den maaltijd begrepen is.

Daar de Rivier tusschen deze plaats en Trévoux wat kronkelt, besloten een deel van onze reizigers, waar toe ik ook behoorde, om langs een’ naderen en aangenamen weg tot die plaats te wandelen. Ik ging met een Offiçier, die van het begin van de omwenteling af gediend had. Reeds op de schuit hadden wij te zamen kennis gemaakt; hij scheen zeer Republikeinsgezind, en verhaalde mij onder anderen, [59]dat hij hoop had, om zijn ontslag te bekomen, en zich dan op een landgoedje, dat hij van zijn ouders geërfd had, en in Bourgondiën gelegen was, wilde nederzetten. Die wandeling over heuvels en door boschjes, beviel mij ongemeen. Trévoux een oud stadje, behoorende tot het Departement de l’Ain, ligt Amphitheatersgewijze tegen eene hoogte langs den linkeroever van de rivier. Hier schreven de Jesuiten hun Journal et Dictionnaire de Trévoux, Hier bestreed het bijgeloof de wijsbegeerte, en aan een anderen hoek van dit Departement is Ferney gelegen, alwaar een man woonde, die redelijk genoeg was, en moeds genoeg bezat, om de zaak van den ongelukkigen Calas tegen de dweepzucht te verdedigen. De Boekdrukkerij van Trévoux was voorheen vermaard. De wandelingen en gezigten die men op de hoogte bij deze stad heeft, zijn zeer schilderachtig.—Hier wandelt men in een dreef van fraaije platanus-boomen, en daar klimt men op den top van een heuvel, van waar men het gezigt heeft op een ruime en vruchtbare vlakte, op de omliggende heuvels, die hier en daar al vrij verheven zijn, en die men ook wel kleine bergen en rotsen zou kunnen noemen. Wij waren Trévoux, dat nog 5 Fransche mijlen van Lyon is, reeds door, en hadden al meer dan een uur gewandeld, toen wij onze schuit gewaar werden; hier klommen wij van de hoogte af, en begaven ons wederom scheep. Nu had ik bijna geen oogen genoeg, om overal rond te zien, steenrotsen, groene heuvelen, tuinen, buitenplaatsen, [60]lusthuizen, boschjes, hooge boomen, een kronkelende rivier, zoo stil en effen, dat al de voorwerpen rondom ’er zich, als in een’ spiegel, in vertoonen, nu en dan eens een schuitje, en langs de oevers hier en daar een groepje menschen of vee; schikt dat alles in uwe verbeelding, zoo fraaij en aangenaam door en onder elkanderen, als gij wilt, en gij zult het niet fraaijer maken, dan het inderdaad is. Vele vermogende lieden van Lyon hebben hieromstreeks hunne buitenverblijven, en komen daar doorgaans, even als onze Amsterdamsche Kooplieden, een gedeelte van den Zaturdag en den Zondag doorbrengen. Het steedje Neuville, daar wij voorbij voeren, ligt allerliefst, en men vindt ’er ook verscheidene buitenplaatsen, die hier, het geen mij bijzonder beviel, meêr aangename landhuizen dan prachtige paleizen, zoo als men ook bij ons maar al te veel ziet, geleken.—Is het niet genoeg hovaardige rijken! dat gij in de steden uwe schatten uitkraamt, en uwe pracht ten toon stelt, moet gij nog tempels van den hoogmoed naast de eenvoudige hutten der landlieden oprigten, om ook hun daardoor, is het mogelijk, te vernederen, en om de schoone natuur te ontsieren.—Aardig vertoont zich in de nabijheid van Lyon het eiland Barbe, een gedeelte van de rots, waar het plaatsje op gebouwd is, steekt ter zijde met een punt boven de huizen uit. Een oud vervallen gebouw, overblijfsels van een Abdij, en een digte beplanting van boomen, maken ’er een zeer fraaije en bevallige schilderij [61]van. Die van Lyon verzamelen zich somtijds bij plegtige gelegenheden en vreugdebedrijven op dit eiland. Bij het inkomen van de stad ziet men op eene steile rots, aan den regteroever van de rivier, de puinhopen van het kasteel Pierre-Cise of Pierre-en-Cise; gediend hebbende voor eene Staatsgevangenis, en in het begin van de omwenteling gesloopt. Twee bekende slagtoffers van de wraak des Kardinaals de Richelieu, onder de regering van Lodewijk den XIII., werden hier opgesloten, Cinqmars namelijk en zijn vriend de Thou. Zij werden den 12 September 1642 onthoofd; Cinqmars was slegts 22 jaar oud. De vader van den ongelukkigen de Thou, die in zijne geschiedenis verscheidene voorbeelden van diergelijke vonnissen aanhaalt, voorzag toen niet, dat zijn zoon ook dat lot zou ondergaan.

De schuit was reeds in de stad, en bij de plaats, waar wij moesten aan wal stappen, toen de voorzegging van onzen schipper, des ’s morgens gedaan, vervuld werd; een zwaare donderbui barstte genoegzaam boven ons hoofd uit. Uit een raampje van de schuit kijkende, schoot ’er een bliksemstraal zoo digt langs dezelve in het water neder, dat ik ’er eenige oogenblikken als van verbijsterd was; de slag deed zig te gelijker tijd op eene geweldige wijze hooren, en werd weldra door een zwaren stortregen gevolgd, zoo dat wij verpligt waren, om in de schuit te blijven, tot de bui over was; en dit duurde nog al een heele poos. [62]

Genoeg voor ditmaal—wanneer het zoo aanhoudend blijft regenen, als het gisteren en heden gedaan heeft, zal ik veel te huis moeten zitten, en alzoo tijds genoeg hebben, om u ruim en breed over deze stad te onderhouden; want ik neem toch tusschen beide de drooge buijen waar, om te gaan wandelen, en somtijds waag ik ’er ook al eens een’ natten rok aan.


1 Men vind op verscheidene plaatsen, niet ver van deze stad, steengroeven, die marmer van onderscheidene kleuren opleveren; te Berzé la Ville zijn ’er twee van albast, grijsachtig wit van kleur.

2 Het is een ware schilderij van l’Albane. Dit betooverende eiland schijnt op den aardbol geworpen, om waardig [61n]te zijn, van te gelijker tijd den tempel der Goden, de dansen der stervelingen en de begraafplaats der groote Mannen te bevatten. De verbeelding schetst ze ’er op, als ons oog hetzelve betracht, en ieder mensch wordt Dichter, als hij aan die welriekende zoomen raakt.

Vijfde Brief.

Lyon, 31 Julij.

Naauwelijks hadden wij hier voet aan wal gezet, of wij werden schier verdrongen door de menschen, die ons ieder om het zeerst noodigde, om van hun huis gebruik te maken. Welk een vriendelijk en gastvrij volk, zou een vreemdeling, die met de Europeesche zeden en gebruiken niet bekend is, denken; maar gij begrijpt ligt, dat het Logementhouders of hunne knechts of meiden waren. Men had ons het Hotel des Celestins aangeraden, wij zetten ons dan in een huurkoets (fiacre), die men hier zoo wel als te Parijs vindt, lieten ’er onze koffers opbinden, en ons zoo aan het Hotel des Celestins brengen; dit is een van de eerste Hotels van de stad, doch het was [63]’er ons veel te duur; want ik heb de gewoonte, om, zoodra ik in een Logement kom, te onderzoeken naar de prijs van het een en ander; en hier bij heb ik mij altijd zeer wel bevonden. Wij raakten dan hier niet slaags, en lieten ons aan het Hotel de Languedoc, dat wij in het voorbijgaan gezien hadden, brengen; het staat op de Kaai langs de Saone, niet ver van de houten brug over dezelve. Wij vonden daar zeer goede kamers op de eerste verdieping, en die een alleraangenaamst uitzigt hadden op de rivier, en over dezelve; op de Hoofdkerk, den berg van St. Just, l’Hospice des Antiquailles, de Kapel van notre Dame de Fourvières enz. Niettegenstaande de uitgezochte en treffende fraaiheid van het gezigt van dat gedeelte van het Logement, waar wij onzen intrek genomen hadden, was de prijs zeer matig; ik betaalde voor een kamer met twee bedden £ 3–:–: daags, en even zoo veel voor mijn middagmaal.

De stad doorwandelende, zag ik uit een straat een man met pluimen op den hoed aankomen, gevolgd van eenige anderen, die iets, dat wit en zwart was, schenen te dragen, zij lagchten en praatten overluid onder elkanderen, en stapten vrij gezwind; ik dacht dat zij iets zonderlings te kijken hadden, en ziet, het was een begravenis; het lijk was met een wit en zwart kleed onachtzaam op de kist geworpen, bedekt, en werd door vier mannen gedragen; die met de pluimen op den hoed, was de gewoone begeleider der dooden, zoo als men te Parijs [64]ook heeft, doch daar ziet hij ’er anders uit; dit was al een heel slordig soort van een begravenis, doch ik heb ze al meêr hier en daar in Frankrijk gezien, die niet beter waren: velen schijnen in dit opzigt van het eene uiterste tot het andere te zijn overgeslagen, en dit reken ik onder de abuizen van de omwenteling. Het begraven der dooden behoort toch, hoewel men met rede een menigte aanstotelijke en kostbare plegtigheden achterlaat, op eene betamelijke, en min of meêr plegtige wijze te geschieden; het verzuimen hier van, geeft, mijns bedunkens, aanleiding tot woestheid en ongevoeligheid, en kan dus in zijne gevolgen immers niet anders, dan schadelijk zijn voor de Maatschappelijke order. Deze abuizen zijn echter niet aan de wetten of verordeningen, die ’er na de omwenteling hier omtrent plaats gehad hebben, toetekennen, maar wel aan de verwaarloozing of verkeerde toepassing van dezelve. Nog maar weinige jaren geleden, heeft het Institut National van Frankrijk, in naam van het Gouvernement, de volgende prijsvraag uitgeschreven: “Quelles font les cérémonies à faire pour les funerailles, et le reglement à adopter pour le lieu de la sepulture?” en het antwoord hier op, dat bekroond is geworden, is van F.V. Mullot voorheen Wetgever enz. Zeer kort geleden, heb ik die redevoering, hoewel ik in alles niet met den schrijver instem, met genoegen gelezen, en ik zou met niet minder genoegen zien, dat men in vele opzigten zijn voorschrift volgde; doch het is te vreezen, dat het bijgeloof de oude [65]plegtigheden wel weder algemeen zal trachten intevoeren, zoo als men zulks in vele plaatsen al begonnen heeft. Op de plaats Belle-cour, die sedert 1713 tot de omwenteling, de plaats van Lodewijk den Grooten genaamd werd, en thans den naam van Bonaparte voert, is niet veel bijzonders meêr te zien. Het beeld van Lodewijk XIV, de twee fonteinen en verdere sieraden, die deze plaats voorheen beroemd maakten, zijn weggenomen, en de puinhoopen van sommige huizen, die men in het begin van de omwenteling heeft afgebroken, liggen ’er nog; aan den eenen kant in de lengte, zijn verscheide rijen boomen geplant; dit dient voor een gemeene wandelplaats; ’t heeft hier wel wat van ons Haagsche Voorhout. Deze plaats is omtrent 450 treden lang, en na genoeg half zoo breed; langs dezelve staan fraaije huizen. Zij ligt tusschen de Saone en de Rhone. Ik was ’er van de kaai van de eerstgenoemde rivier opgekomen, en kwam in de lengte ’er overgaande, en een straatje regtuit doorloopende aan de kaai van de Rhone uit; daar had ik de groote steenen brug, die over dezelve ligt, voor mij. Deze brug is zamengesteld uit twintig bogen: men is het bouwen van dezelve aan Paus Innocentius den IV. verschuldigd. Zij is in geen regte lijn gebouwd; maar maakt een bogt, zijnde de uitwendige zijde tegen den stroom, die hier zeer sterk is, gerigt. Aanvankelijk had men haar ook zoo smal gemaakt, dat ’er geen rijtuigen elkanderen op konden voorbijgaan; men is dan verpligt geweest, [66]van ’er een tweede naast te bouwen. Om nu deze twee bruggen aan elkander te hechten, en ’er één stevig ligchaam van te maken, heeft men door al de pilaren zware ijzeren staven weten te brengen, die aan beide uitersten met ankers zijn bevestigd. En in deze stoute onderneming is men zoo wel geslaagd, dat het schier niet zigtbaar is, en men, die bijzonderheid niet wetende, nimmer zou vermoeden, dat dit werk op zulk eene wijze is zamengesteld. Dit is het eenigste niet, dat men, aangaande deze brug, heeft optemerken: de bogen werden ook niet wijd genoeg bevonden, zoo dat het zand, dat met het water van de Rhone afkomt, zich op een hoopte, dikwijls de voorname bogen verstopte, en daardoor den doortogt moeijelijk maakte. Om dit ongemak wegtenemen, vond men een’ bouwmeester ondernemend en bekwaam genoeg, om een van de pilaren in het midden wegtenemen, en alzoo van twee bogen een te maken. Het muurwerk van dezen groten boog versterkte hij zoodanig, dat ’er de brug niet door leed, en zijn arbeid werd algemeen bewonderd en goedgekeurd. Voorheen stond ’er aan den ingang van de brug, aan den kant van de stad, een poort, en verder op dezelve een soort van vierkante toren, waar men onder doorging, doch dezelve zijn afgebroken. Een gedeelte van deze brug, die le pont de la Guillotière genaamd wordt, ziet gij in de bijgaande afbeelding, benevens het groote of nieuwe Gasthuis Nouvel Hopital, op de kaai van de Rhone; de teekening van dit schoone en trotsche [67]gebouw, is zoo nauwkeurig, dat ik mij niet zal ophouden, om u hetzelve uitwendig te beschrijven; jammer is het, dat de linkervleugel, zoo als gij ziet nog onvoltooid staat; want het is te vreezen, dat men ’er vooreerst nog niet aan zal kunnen denken, omdat deze stad door de omwenteling en aanhoudenden oorlog, zeer veel geleden heeft, en nog lijdt, waardoor de kas in geen voordeeligen staat is.

Lijon.

Lijon.

Den 25 dezer ging ik ’s morgens vroegtijdig uit, en begon met de Hoofdkerk te bezigtigen; het is een oud Gothisch gebouw, zoo als gij in de afbeelding ziet. Zij schijnt bijna langwerpig vierkant, door de torens, die aan de vier hoeken staan, inwendig is zij wel ruim, maar donker. Het groote altaar in het midden van het koor, is het eenigste, dat ik ’er beziens waardig vond, want her vermaarde uurwerk door Nicolas Lippius van Basel in 1598. gemaakt, en dat vooral in dien tijd, als een groot konststuk werd beschouwd, is sedert verscheide jaren geheel in verval. In de groote Kerk van ’s Bosch staat een diergelijk uurwerk. Als een bijzonder gebruik van deze Kerk vind men aangeteekend, dat ’er nimmer noch muzijk, noch orgel, noch boeken, gedurende het vieren der diensten, in dezelve zijn gebezigd geworden. Niet ver van deze Kerk op de kaai, staat het zoogenaamd Palais de Justice, een gebouw, dat van buiten geen aanzien heeft; en van binnen zag het ’er schandelijk slordig uit; dit komt mij vooral hoogst onvoegelijk voor, in eene plaats, waar Regters, tot welker voorname [68]hoedanigheden, order en naauwkeurigheid behooren, in het openbaar vergaderen. Ik ging in een van de zalen, waar een Advokaat, die hard genoeg schreeuwde, en vrij wat beweging maakte, bezig was met pleiten. Hetgeen mij als iets ongerijmds in het oog viel, was een schilderij, waarop Christus aan het Kruis geschilderd was, dat boven het hoofd hing van den President. De schilderij was ’er zeker nog niet lang geleden geplaatst; want het woord Egalité stond met groote letters op den wand boven hetzelve, en dit woord, dat anderzins in een Vierschaar zoo wel voegt, maakte nu met die schilderij een zonderlinge tegenstrijdigheid, daar ’er immers in een Regtzaal voor alle burgers, van welke Godsdienstige begrippen zij ook mogen zijn, geen kruis, dat een kenmerk van een bijzondere s