[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
Project Gutenberg's De Ziekte der Verbeelding, by Hendrik Conscience This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: De Ziekte der Verbeelding Author: Hendrik Conscience Release Date: February 6, 2007 [EBook #20536] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZIEKTE DER VERBEELDING *** Produced by Frank van Drogen, Clare Boothby and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
Inhoud
I.
II.
III.
IV.
V.
VI.
VII.
VIII.
Te midden der onmeetbare heide, die langs de noordelijke grenzen onzer provincie Limburg, als de bodem eener opgedroogde zee, vele uren verre onafgebroken voortloopt, ligt een oud en donker bosch.
Waarschijnlijk dat hier in verledene eeuwen een uitgestrekt moeras heeft bestaan; want het zijn geene masten of dennen, die er groeien: de eik, de wilg, de abeel, de els en andere breed-bladerige boomen woekeren er met hunne wortelen in de vette, mullige aarde.
Zoo diep ligt de grond van het bosch, dat de reiziger, die over de heide trekt, uit de verte nauwelijks de toppen der boomen als eene duistere vlek op de zandwoestijn ontwaart. Wanneer hij, afgemat en door het gevoel der lange eenzaamheid zwaarmoedig, den boord der diepte nadert, verblijdt het gezicht van het schaduwrijk loover hem niet; integendeel, hij blijft verrast en aarzelend staan. Die ondoordringbare groene klomp, de volstrekte stilte, welke er heerscht, de koude vochtigheid, welke hem tegenwasemt,—dit alles doet hem droomen aan eene nog volledigere eenzaamheid, aan iets geheel afgezonderds, aan iets geheimzinnigs;—en, of hij vrees hebbe voor kwaaddoeners of voor onbegrepen gevaren, niet zonder bekommerdheid stapt hij den eenigen weg in, die tusschen het somber en doodstil geboomte wegschiet.
In den diepsten schoot van dit bosch lag het kasteel Wildenborg.
Het was een groot vierkant gebouw, uit rooden baksteen gemetseld, zwaar, bonkig en zonder eenig kenmerk van kunst of van smaak.
De twee uitgebrokkelde torens, die boven zijn achterdeel zich verhieven, en de vorm der vensters lieten herkennen, dat het in den Spaanschen tijd was gesticht geworden.
Zeker moesten de eigenaars sedert meer dan eene halve eeuw het onderhoud van dit kasteel geheel verwaarloosd hebben. Vele kareelen waren uit de muren gevallen, de naden tusschen de steenen waren diep uitgehold, overal in den gevel wortelden wilde gewassen, en op sommige plaatsen wiegelden de tengere ranken van het helmkruid in machtige bossen in den wind.
Een oude, knoestige wijngaard had weleer een gedeelte des gevels overdekt, maar bij gebrek aan steun was hij voorover gevallen en lag nu met het hoofd ter aarde neergebogen, zonder dat iemand er aan had gedacht hem weder op te richten.
Bij het gezicht zulker bouwvalligheid hadde men licht geloofd, dat Wildenborg eerlang van ouderdom in gruis zou storten, bovenal wanneer men bemerkte, dat eene breede scheur, met hoekige bewegingen als het nagelaten spoor des bliksems, tot in de grondvesten des gevels daalde.
Op een honderdtal stappen des kasteels, achter het roestig ijzeren hek, dat den ingang afsloot, stond een klein boerenhuisje, met zijnen stal en met zijnen afgezonderden oven, ongetwijfeld bestemd tot woning voor eenen hovenier.
Indien er zulk een arbeider tegenwoordig was, moest hij niet zeer vlijtig zijn; want de vruchtboomen, die binnen het landgoed stonden, waren verwilderd, en tot op de voetpaden zelve groeide woekerend gras, terwijl de bloembedden en zoden door machtige natuurkruiden, als bereklauw, smeerwortel en klissen, waren ingenomen.
Op eenen zomermorgen van het jaar 1855 bevond er zich eene zeer oude vrouw in de benedenkamer van het hoveniershuis. Zij had de koffie opgeschonken in eenen zilveren pot, en zette nu op een verlakt schenkbord eene drinkkom van verguld porselein. De kostbaarheid dezer voorwerpen kwam in het geheel niet overeen met het overige huisraad der kamer. Alles was er, zoo niet vuil, ten minste zeer oud en versleten. Men mocht dus vermoeden, dat de zilveren koffiekan en de porseleinen drinkkom voor eenen persoon van meerderen rang bestemd waren.
De oude vrouw, nadat zij een tarwebrood op het schenkbord had gelegd, ging tot een wijwatervat, dat aan den muur hing, bevochtigde hare vingeren en maakte het teeken des kruises met eene uitdrukking van droefheid. Zij trok daarop eenen rozenkrans uit den zak, zette zich op eenen stoel en zonk weg in het gebed.
Lang bleef zij dus in stilte de lippen verroeren. Zij had reeds vele malen de oogen smeekend, ten hemel opgeheven, toen een man met eene spade op den schouder in de[Pg 6] kamer trad en zwijgend en als verschrikt haar aanschouwde.
Deze man kon wel zeventig jaar oud zijn, want zijne haren waren zilverwit, zijn rug gekromd en zijn aangezicht doorploegd met diepe rimpelen. Ofschoon zijne oogen nog levendig waren, gaf de dikheid zijner lippen—iets ongewoons in zulken ouderdom—hem een zonderling voorkomen van eenvoudigheid of van bekrompenheid des geestes.
"Peternelle, is Nox nog niet gekomen om mij te roepen?" vroeg hij, zijne spade ten gronde zettende.
De vrouw schudde ontkennend het hoofd.
Deze stilzwijgendheid scheen den ouden hovenier niet te behagen, want hij liet zich grommende op eenen stoel vallen en hief de handen in de hoogte, als om den hemel zijn droevig lot te klagen.
En oogenblik daarna zeide hij:
"Maar Peternelle, bezie de klok, het gewone uur is voorbij. Zou er mijnheer wel een ongeluk overkomen zijn? O, mijn God, indien wij hem eens onverwachts dood vonden?"
"Om Gods wil, laat mij bidden," morde de vrouw.
"Het is niet meer om uit te staan!" riep de man. "Ik verga van angst en schrik, en kan nog geen enkel woordje tot troost of versterking bekomen. Peternelle, Peternelle, gij zult zeker in eenen visch veranderen, als gij dood zijt. Ik zou kunnen boos worden, in de gedachte dat gij het doet om mij te plagen, maar neen, neen, gij hebt er geene schuld aan, mensch lief, het is eene vermaledijding, die op Wildenborg ligt. Sedert den ijselijken nacht heeft alles hier de stem verloren. Onze vorige koe bulkte niet meer, en onze nieuwe was nog geene twee maanden hier, of zij had hare beestentaal geheel vergeten. Onze eenden kwaken niet eens in vijftien dagen, of het dreige te regenen of niet. Geen vogel op Wildenborg, die piept of zingt! Ik ben niet doof; ik hoor den vink wel, die zingt in den appelboom; maar het is een trekvogel. Blijft hij in deze vermaledijde streek, dan zal hij haast voor altijd zijn liedje vergeten. Evenals gij, Peternelle, die eertijds den mond geene minuut kondet gesloten houden, en nu onmeedoogend mij dwingt, altijd zoo troosteloos alleen met mij zelven te spreken."
De vrouw haalde de schouders op met eene uitdrukking van ongeduld en medelijden.
Den rug tot haar keerende, morde de oude man in zich zelven:
"Neen, neen, ik blijf niet hier; ik zal den schrikkelijken dag niet afwachten. Er gebeuren nu reeds zulke akelige dingen op Wildenborg! Wat zal het zijn, als de zwarte man.... Onze Lieve Heer beware alle Christenmenschen, en bovenal den armen Jakob Mispels met zijne onnoozele vrouw!... Mijn rampzalige meester! zoo jong moeten sterven, en welken dood, o hemel![Pg 7] Dit komt er van, als de mensch meer wil weten dan God toe laat en boeken leest, die vol verbodene geheimen staan. Het hart zakt mij in de schoenen en mijn haar rijst te berge, als ik er aan denk. De donder heeft reeds eens in den schromelijken nacht het kasteel opengescheurd. Zal het ditmaal niet door den grond zinken met allen, die het bewonen? Het kost mij veel, op het einde van mijn leven mijnen dienst te verlaten; maar ik wil niet wachten, totdat de zwarte man ons hier den nek kome breken. Neen, neen, ik vlucht weg van Wildenborg; want men kan toch niet...."
Peternelle eindigde haar gebed met een kruis. Een holle, pijnlijke zucht welde op uit hare beklemde borst.
De hovenier, door dezen vreemden klank met plotselijken schrik geslagen, keerde zich om, hief de handen in de hoogte en riep bevend:
"God beware ons, Peternelle! De zwarte man staat onzichtbaar in de kamer!"
"O, wat gebeurt u, Jacob?" kreet de vrouw verschietend. "Hebt gij iets gezien?"
"Ik heb niets gezien," was het antwoord; "maar ik hoorde achter mij eenen heeschen zucht gelijk de stem van Nox. Hij is dus tegenwoordig in deze kamer, zonder dat wij het wisten!"
"Maar ik zelve heb dien zucht gelaten, ik ben een beetje verkouden."
"Gij zijt het, die hebt gezucht, Peternelle? Wel zeker?"
"Geheel zeker. Ach Jacob, waarom maakt gij mij dus altijd nutteloos vervaard?"
"Uw zwijgen maakt mij vervaard."
"Waarom zou ik spreken, Jakob? Gij zegt niets dan dwaasheden, die mij doen verschieten of mij vervelen. En wat kan spreken ons helpen? Bidden, bidden alleen is het redmiddel, indien er nog een redmiddel bestaat."
"Ja, en kruisen maken. Hadden wij met eenen gewonen geest te doen, ik zou hopen, dat wij hem door dit middel zouden kunnen overwinnen; maar, Peternelle, staat er niet een groot kruis in de kamer, waar hij alle nachten slaapt? Het is te zeggen, indien hij slaapt. Neen, neen, het beste is, van Wildenborg te vertrekken, vooraleer de noodlottige dag verschijne. Indien onze ongelukkige meester moet ... moet sterven, wij, zwakke schepsels, kunnen het toch niet beletten; en ik gevoel mij niet den minsten lust om hem naar de andere wereld te vergezellen. Willen wij heden nog onzen dienst opzeggen, Peternelle?"
"Foei, welk afschuwelijk voornemen is dit!" sprak de oude vrouw met verontwaardiging. "Wij, die, om zoo te zeggen, van kindsbeen af het brood der Reimonds hebben gegeten, wij zouden onzen ongelukkigen meester gaan verlaten, nu een droeve dood[Pg 8] hem bedreigt? Nimmer, Jakob; wat er ook geschiede, ik verlaat hem niet zoolang hij leeft."
"Zijt gij dan niet vervaard, Peternelle? Vreest gij niet, dat de zwarte man ons beiden...."
"Ik ben vervaard en bedrukt, omdat onze arme meester gaat sterven. Wat mij zelve betreft, mijne ziel is in vrede met God. Acht dagen zijn spoedig voorbij."
"Ja, Peternelle, het is niet, dat iets mij op het geweten drukt, ik ben Zondag immers te biechten geweest? En ik zal zorg dragen, in den avond vóór den ijselijken dag nog eens den pastoor te gaan spreken."
"Welnu, Jakob, wat vreest gij dan voor u zelven?"
De oude man schudde grimmig het hoofd.
"Wat ik vrees?" morde hij, "van alles. Zoudt ge niet zeggen, Peternelle, dat wij hier in volle zekerheid tusschen engelen leven, terwijl integendeel de lucht op Wildenborg krielt van kwade zielen en booze geesten?—Trek de schouders niet op, Peternelle. Dezen nacht heb ik weder druppelen gezweet van angst. Nauwelijks had ik de oogen gesloten, of er kwam iets, als een ruig beest met gloeiende oogen en knarsende tanden, mij op de borst liggen...."
"Gij hebt gisterenavond te veel gegeten," bemerkte de vrouw.
"Neen, neen; de nachtmare, wilt gij zeggen? Dit was het niet. Ik schoot wakker, en, hoe ik mij wendde of keerde, ik kon niet meer slapen. Dan ging ik aan het venster; het was daarbuiten donker als in de hel. Wat ik tusschen de boomen heb gezien, durf ik u niet zeggen."
"Wat hebt gij gezien?" vroeg de vrouw. "Alweder dwaze grillen, zeker?"
"Wat ik heb gezien? Ik weet het zelf niet, Peternelle. Witte, grijze gedaanten, als dooden, die uit het graf zijn opgestaan: zoo gelijk eene processie van lijkdoeken met geraamten er onder, en zwarte vogels en beesten, onduidelijk als morgenmist, maar ijselijk toch om te aanschouwen."
Peternelle onthaalde deze woorden met eenen grimlach van medelijden.
"Ik weet wel een middel om onzen armen meester te redden," zeide de hovenier na een oogenblik stilte.
"Een middel om onzen meester te redden?" kreet de vrouw. "Ha, het is uw goede engel, die het u insprak!"
"Neen, Peternelle, want ik denk er sedert lang aan, en daarenboven het is onmogelijk om uit te voeren. Durfde ik slechts een beetje vergif in het eten van dien vervloekten Nox doen. Dan ware mijnheer van zijnen verleider en van zijnen helschen bewaker verlost; maar Nox zou het op voorhand weten, en wat zou ons dan geschieden?—Gij wilt het kasteel niet verlaten,[Pg 9] Peternelle? Gij zijt besloten om hier nog eene gansche week te blijven en den noodlottigen dag af te wachten? Wij zullen dus den akeligen dood van onzen meester moeten bijwonen? In Gods naam dan, indien wij niet eerder van schrik bezwijken.—Het is wonder, dat Nox nog niet gekomen is om mij te roepen. Een half uur reeds is hij ten achteren.—Wilde mijnheer mij slechts toelaten eenen waker of twee in huis te nemen? Ach, hij wil er niet van hooren. Noch ziekendienster noch dokter mag den voet op Wildenborg zetten; de pastoor alleen komt hier somwijlen; maar de pastoor, als ik hem van al die schrikkelijke dingen spreekt, lacht mij uit...."
"Zwijg, Jakob, daar is Nox!" zeide de vrouw.
Er kwam een groote zwarte hond in de kamer. Hij moest zeer oud zijn; want hij had een gedeelte van zijn haar verloren, terwijl het overige in verwarring rechtstond. Hij hief het hoofd tot den verschrikten man op, bezag hem met zijne glasachtige oogen en opende den muil, als wilde hij spreken of bassen; maar het schorre geluid, dat uit zijnen gorgel opklom, geleek veeleer aan den kuch van eenen verkouden grijsaard dan aan de stem van een dier.
Jakob Mispels antwoordde bevend:
"Het is wel, Nox, zeg mijnheer, dat ik aanstonds ga komen."
De hond keerde zich om en liep het huis uit.
"Hebt gij opgemerkt, Peternelle, hoe grimmig Nox mij heeft bezien?"
"Ja, ik dacht, dat hij u ging bijten."
"Bijten? Gave God, dat wij anders niets van hem te vreezen hadden. Hij weet het reeds, dat wij onvriendelijk van hem hebben gesproken!"
Hem het schenkbord op de armen zettende, zeide de vrouw:
"Kom, spoed u maar; mijnheer zal misschien reeds spijtig zijn, omdat zijne koffie schier koud geworden is."
Jakob Mispels begaf zich door het eenige nog gebaande voetpad naar het kasteel, stapte door eenen donkeren gang, trad in eene soort van zaal, zette het schenkbord op eene tafel en zeide:
"Mijnheer, ziehier uw ontbijt. Wel bekome het u!"
De persoon, wien hij deze woorden toerichtte, wees tot alle antwoord naar eenen stoel, waarop de ontstelde hovenier zich liet nederzakken zonder eenig gerucht te durven maken, dewijl hij wel zag, dat zijn meester met iets bezig was en niet wilde gestoord worden.
Mijnheer Reimond, de eigenaar van Wildenborg, zat in eenen leunstoel voor eene breede tafel, met de rechterhand op een doodshoofd en met den blik in de holle oogen van den schedel gevestigd, als ware hij er mede in samenspraak geweest. Hij bleef zwijgend en roerde niet.[Pg 10]
De zonderlinge man kon ongeveer de vijftig jaar bereikt hebben, alhoewel hij veel ouder scheen. Zoo buitengewoon mager was hij, dat zijn gebeente op rug en schouders den kamerrok ophief, waarin hij zich gewikkeld had; ja, zijne mouwen vielen zoo plat op de tafel, dat men er noch vleesch noch beenderen kon onder vermoeden. Gansch weggesmolten waren zijne wangen, en hij had volstrekt het voorkomen van een gekleed geraamte. Maar zijne oogen, hoe diep ook in hunne holen verzonken, waren nog helder en schitterden, als hadde in elk eene vuurvonk geglinsterd.
Nox, de hond, zat nevens hem met den muil op zijne knie, en schijnbaar het oogenblik afspiedend, dat zijn meester uit zijne stille samenspraak met het doodshoofd zou ontwaken.
In de zaal, die behangen was met oud en verdonkerd goudleder, was weinig ander huisraad dan eene breede tafel en twee of drie stoelen. Op berderen, die in eenen hoek aan den wand waren bevestigd, stonden eenige groote boeken met perkamenten band; wat hooger bemerkte men eenen wereldbol, een gestel met glazen schijven, dat gediend had om electriciteit te verwekken, eene soort van koperen tooverlantaarn of fantasmagorie en twee of drie geraamten van dieren, alles ontsteld, uiteengevallen en overdekt met spinnewebben en met eene dikke laag stof.
Boven den schoorsteen hing een groot crucifix en daaronder stond een zwaar uurwerk, waarvan de vorm en de beweging iets zonderlings hadden. Geene naalden of wijzers waren er aan te bemerken; het was de uurplaat zelve, die draaide; maar daarnevens op het voetstuk zat het beeld des doods, dat met den vinger den loop des tijds aantoonde.
Jakob Mispels had zijnen meester in het eerst met diep medelijden aanschouwd, en hij had zelfs eenen glinsterenden traan van de wangen gevaagd. Nu evenwel klopte het benauwde hart hem onstuimig in den boezem en hij begon op zijnen stoel te woelen. Het stilzwijgen zijns meesters duurde ook zoo tergend lang, en het was den armen man zoo eendig en zoo akelig in deze zaal, bovenal nu de afgrijselijke hond het hoofd naar hem hield gericht en zijne gloeiende oogen niet meer van hem wilde afkeeren.
Een zucht ontsnapte hem, toen hij bemerkte, dat zijn meester de hand van het doodshoofd ophief en bukte om eenen houten schotel te grijpen, die onder de tafel stond.
Mijnheer Reimond sneed een gedeelte van het brood, brokkelde het in den schotel en zette het den hond voor, die uit dankbaarheid hem de handen lekte en met een heesch geknor van blijdschap zijn voedsel begon te verslinden.
Wonder vrij en krachtig waren de bewegingen van mijnheer Reimond, ten minste voor zulk uitgemergeld mensch. Bij den glans zijner oogen en de heldere uitdrukking zijns gelaat, waarop[Pg 11] nu een zoete glimlach speelde, zou men geoordeeld hebben, dat hij, ondanks zijne buitengewone magerheid, gezond was en hem niets scheelde. Hij brak van het brood een stukje zoo groot als een duim, doopte het in wat koffie en stak het zich in den mond. Dan het schenkbord terzijde schuivende, zeide hij:
"Wanneer de ziel al onzen tijd vordert, blijft er niet veel van over voor het lichaam.... Jakob, ik heb met u te spreken."
De oude hovenier, die met eenen versmachten kreet was rechtgesprongen, riep klagend uit:
"O, mijnheer, is dit nu eten? Wilt gij u zelven dan van honger laten sterven?—Ik begrijp het, de schrik ... maar gij kunt het niet weten: misschien is er nog hoop!"
"Welke hoop, mijn vriend?" was het stille antwoord. "Dat mijn lichaam niet ten einde dezer dagen zal sterven? Waarom zou ik hopen? Ik verlang het niet. Zet u neder en blijf rustig."
"Alzoo?" kreet Jakob Mispels met tranen in de oogen, "het is wel waar, het is onherroepelijk? Ik ga mijnen goeden meester verliezen voor altijd?"
"Vandaag, binnen acht dagen of later, wat is daaraan gelegen, Jakob? Het leven is op zich zelf niets; het is een klein gedeelte van ons bestaan, een enkele stap der ziel in de baan der eeuwigheid."
"Ja maar, mijnheer, met uw oorlof, men kan dien stap zoowel later als vroeger doen."
"Neen, Jakob, het uur, het oogenblik van dien stap staat aangeteekend in het groote boek der zielen. En indien gij het verlangdet, zou ik u waarschijnlijk kunnen zeggen, op welken dag gij onfeilbaar zult sterven."
"Om Gods wil, mijnheer, doe het niet!" smeekte de verschrikte hovenier, met de handen opgeheven. "Moest ik het uur mijns doods weten, ik zou van nu af aan beginnen te sterven, al ware ik zeker van nog twintig jaar te leven."
"Wees niet bevreesd, ik zal het u niet zeggen," antwoordde mijnheer Reimond met eenen glimlach. "Uwen geest ontbreekt het licht en uwer ziele de sterkte, die er noodig zijn om den dood aan te zien, zooals hij is. Uwe natuur is nog zeer onvolmaakt, en gij zult nog meer dan eens moeten herleven, vooraleer de eeuwige rust en het eeuwige geluk te bereiken."
"Indien ik maar geen hond of varken moet worden, is het mij al gelijk, als ik slechts leef," morde de hovenier. "Ja, mijnheer, neem het mij niet kwalijk; maar mijn dom verstand zegt mij, dat het niets zou zijn te weten, wanneer men zal sterven, indien men maar wist, waar men naartoe zal gaan."
"Inderdaad, Jakob, het ware ten minste eene groote voldoening; maar er zijn geheimen, welke God zelfs voor de zielen en de geesten houdt verborgen. Meer dan eens heb ik den geest, die in dit doodshoofd woont, over mijn toekomstig lot ondervraagd. Hij is[Pg 12] altijd stom gebleven en heeft mij doen verstaan, dat hij het niet weet of niet mag openbaren...."
Onverwachts, als voelde hij zich door een venijnig dier gebeten, sprong de hovenier van zijnen stoel op en deinsde met grooten schrik achteruit. Hij had Nox verrast, die met den snuit in den zak van zijnen jas wroetelde, en, niet wetende wat het beest voorhad, riep hij uit:
"O, mijnheer, help! help! De duivel, ik wil zeggen de hond! O, hemel, wat wil hij van mij?"
Maar Nox, op de dreigende stem zijns meesters, ging met hangenden staart tot hem en legde iets in zijne hand, dat naar een eind verdroogde worst geleek.
"Ha, Jakob, Jakob," zeide mijnheer Reimond op treurigen toon, "gij eet vleesch? Hadt gij mij niet beloofd, al wat leven heeft te sparen, en slechts in kruiden en in gegroeide dingen uw voedsel te zoeken? Hebben de dieren geene ziel? Is het lichaam niet dikwijls bij hen, gelijk bij ons, het stoffelijk omkleedsel van een wezen, dat door lijden en beproeving tot volmaaktheid wordt voorbereid? En indien bij geval uwe ziel in den vorm van een zwijn, van een schaap of van welk ander dier moest verhuizen, zoudt gij het niet beklagen, dat het mes der beenhouwers uwe baan naar de eeuwigheid kwame onderbreken en belemmeren?"
"Ach, mijnheer!" stamelde de onthutste man, "vergeef mij mijne eenvoudigheid. Wat die weinig aangename verhuizing der zielen betreft, het is mogelijk, dat het zal zijn zooals uw doodskop,—neen, ik meen, zooals gij het zegt, maar mijn verstand is te klein om het te begrijpen. En al begreep ik het, zonder vleesch, of ten minste vet of boter, zou ik niet kunnen leven. Ik heb het eens beproefd en het acht of tien dagen volgehouden. Ik herkende mij zelven in den spiegel niet meer, en mijne arme vrouw deed niets dan tranen storten, in de meening dat ik de tering had."
"Nu, het is uwe zaak, Jakob, gij zult er na uwen dood voor boeten, wees zeker," zeide mijnheer Reimond. "Laat ons van andere dingen spreken, die niet boven het bereik van uwen zwakken geest zijn. Nader uwen stoel tot de tafel en zet u daar voor mij. Zooals ik u gezegd heb, Jakob, in den nacht tusschen den 31sten Augustus en den 1sten September, op klokslag twaalf, zal mijne ziel haar stoffelijk omkleedsel verlaten: in andere woorden, ik zal sterven."
"Is er dan geene de minste hoop meer?" zuchtte de hovenier.
"Geene. Dit uur is noodlottig, onveranderlijk en onwederroepelijk."
"Maar, mijn arme meester, indien gij de hulp van den pastoor wildet afsmeeken, en ze met een Christelijk gemoed aanvaarddet? Hij zou misschien de ... de kwade geesten verjagen, die u omringen—en[Pg 13] daar, uw zonderlinge dienstknecht, die u geen oogenblik verlaat.... Nox.... Neen, het is niet dat ik wil zeggen; maar toch, ziet gij, alle honden zijn geene beesten...."
Daar hij zag, dat de hond, op het hooren uitspreken van zijnen naam, den muil had opgeheven en hem met strakken blik aanschouwde, dorst hij niet voortgaan en keerde zwijgend het gezicht af.
"Onnoozele, waar dwaalt gij met uwe gepeinzen?" zeide mijnheer Reimond. "De geesten zijn machtiger dan de menschen en zij laten zich niet verjagen. Hoe zou onze goede pastoor iets kunnen beletten, dat onfeilbaar geschieden moet?"
"Ja, maar indien God het toelaat?"
"Het is God zelf, die het einde van mijn tegenwoordig leven heeft bepaald. Hoopt gij dan, dat Hij beslisse tegen Zijnen eigen wil?"
Deze zonderlinge schijnwaarheid was te hoog voor den loomen geest des hoveniers. Zij verblufte hem en gaf hem de overtuiging, dat niets zijnen armen meester van den akeligen dood kon redden. Hij boog het hoofd onder het gewicht der moedeloosheid.
"Kom, mijn vriend, wees niet droef," zeide mijnheer Reimond op troostenden toon. "Ik zal zorg dragen, dat gij geene redenen hebt om mijnen overgang tot een nieuw leven te betreuren. Daarvan wilde ik u spreken. Luister en onderbreek mij niet meer door nuttelooze klachten. Gij hebt mijnen vader en mij met verkleefdheid gediend. Voordat ik de wereld verlaat, wil ik uwe trouw beloonen, met uwe oude dagen tegen alle zorg te behoeden. Gij kent de hofstede achter Raveghem. Zij betaalt meer dan duizend franken aan jaarlijksche pacht. Het vruchtgebruik dezer hofstede zal ik u tot het einde uwer dagen in mijn testament als erfenis toekennen. Gij zult dus na mijnen dood met uwe goede Peternelle gerust kunnen leven, zonder werken en zonder kommer, totdat voor u ook het uur der opvaart slaat. Zijt gij daarover tevreden, Jakob?"
De oude hovenier, door deze mildheid diep getroffen, stortte tranen. Zijne ontroering met geweld bedwingende, snikte hij:
"Tevreden? Neen, neen, ik ben niet tevreden! Al het goed der wereld, mijn eigen bloed zou ik geven om uwen bitteren dood te mogen afkoopen. O, mijn God, zulke goede mensch, zulke edelmoedige meester, en zóó, zóó de wereld te moeten verlaten! Gij overlaadt mij met weldaden, mijnheer, ik ben u dankbaar uit den grond mijner arme, ontstelde ziel; maar toch ik ben niet gelukkig, en waarschijnlijk zal de oude Jakob Mispels u niet lang overleven."
Mijnheer Reimond poogde door troostende woorden den bedrukten man gerust te stellen, en toen hij bemerkte, dat hij daarin grootendeels was gelukt, hernam hij zijn vorige rede.
"Jakob, ik heb u nog van andere dingen te spreken. Wanneer de menschelijke ziel gevoelt, dat een tijdvak zich voor[Pg 14] haar gaat sluiten, dan denkt zij aan het maken harer rekening, en, kan zij het goede dier rekening vermeerderen of het kwade verminderen, dan haast zij zich het te doen. Ik heb mijn geweten onderzocht en de rekening van mijn tegenwoordig leven opgemaakt. Ach, Jakob, ik bevond mij schuldig. Ik ben niet rechtvaardig geweest jegens iedereen; misschien zijn er menschen, aan wie ik kwaad heb gedaan."
"Onmogelijk!" kreet de hovenier. "Gij, mijnheer, die zelfs niet verdragen kunt, dat men eene vliege verjage, gij zoudt eenen mensch hebben kwaad gedaan?"
"Gij begrijpt mij niet," hernam zijn meester. "Het is waar, er staat geschreven: doe niet aan anderen wat gij niet wilt, dat u gedaan worde, maar dit is slechts een gedeelte der wet, want er staat nog geschreven: bemin God bovenal en uwen evennaaste als u zelven. Men betracht slechts ten halve zijnen plicht, wanneer men geen kwaad doet, men moet het goede volbrengen, waartoe de hemel ons de macht verleende. Al het goede, dat men verzuimt te verrichten, is zooveel kwaad dat men doet, en het staat aangeteekend op de donkere bladzijde onzer levensrekening. Om gansch alleen te zijn en de aanraking der menschen te ontvluchten, heb ik sedert vijftien jaar alle betrekking met de leden mijner familie op eene volstrekte wijze afgebroken. Meest allen zijn intusschen gestorven, slechts twee weezen blijven er nog over. Inderdaad, ik heb door tusschenkomst van vreemde handen voor hunne opvoeding gezorgd, en nu nog verzeker ik eene kleine rente ten minste aan den zoon mijns broeders."
"Arme Willem!" zuchtte de hovenier. "Wat moet hij groot geworden zijn! Mijn hart snakt, om het kind nog eens te zien, dat ik zoo dikwijls op de armen heb gedragen."
"Gij zult hem waarschijnlijk zien," bevestigde zijn meester, "maar onderbreek mijne rede niet. Den ganschen nacht heb ik hier voor deze tafel gezeten, denkende aan Willem Reimond, de geest van het doodshoofd, tot den morgen toe, wilde mij geen antwoord geven, maar eindelijk toch heeft hij klaar gesproken en den wensch mijner ziel goedgekeurd. Jakob, ik ben voornemens aan mijnen neef te schrijven."
"Ha, dank, mijnheer, dan zal ik ten minste iemand hebben om mij te troosten en te versterken!"
"Indien hij komen wil."
"Hij zal komen, seffens, onmiddellijk, twijfel daar niet aan."
"Hopen wij het, Jakob. Ik ben ook voornemens naar den notaris, te Antwerpen, eenen brief te sturen voor het kind der zuster mijner vrouw. Leeft Theresia De Wit nog, dan wilde ik haar nog eens zien, voordat ik sterve."
De oude man trok een zuur gezicht en liet een dof gegrol hooren.[Pg 15] "De De Wits," zeide hij, "hebben nooit dan kwaad van u gezegd, mijnheer, zij hebben u bespot en mij vervolgd. Zij haten ons, gij weet het wel."
"Voor alle kwaad is vergiffenis," was het antwoord, "daarenboven mijne nichte Theresia is niet verantwoordelijk voor de schuld harer ouders. Mijn plicht eischte, dat ik over haar bleve waken, en sedert vele jaren heb ik haar geheel vergeten. Wat is er van haar geworden? Zij is vrouw en de wereld vol gevaren. Ik ben onrechtvaardig jegens haar geweest, en, is het arme schaap verdoold, mijne ziel zal er voor te boeten hebben. Ik wil het weten."
"En gij gaat ze op Wildenburg doen komen?" morde de hovenier met eene soort van verschriktheid.
"Zeker, zij is mijne erfgename, zoowel als de zoon mijns broeders."
"Maar, om Gods wil, mijnheer, gij zult toch uwe goederen niet aan Willem Reimond ontnemen, om ze aan de ondankbare De Wits te geven?"
"De goederen, die ik bezit, zijn voor de helft herkomstig van mijne vrouw zaliger, die ik, eilaas, reeds in het eerste huwelijksjaar verloor. Het goed gaat terug van waar het gekomen is, zoo wil het de rechtvaardigheid."
Mijnheer Reimond trok de lade der tafel open en nam er twee gesloten brieven uit.
"Gij gaat naar het dorp loopen," zeide hij, "om deze brieven in de post te leggen."
Jakob Mispels was opgestaan en aanvaardde de brieven, hij meende er mede ter zaal uit te gaan; maar de hond rukte ze hem uit de hand en droeg ze terug naar zijnen meester.
Eene zonderlinge uitdrukking, een mengsel van schrik en blijdschap, ontstond op het gelaat van den ouden man.
"Ha, ha, hij is vervaard van Willem! Goed teeken! Wie weet?" mompelde hij in zich zelven.
Mijnheer Reimond ontnam Nox de brieven en gaf ze terug aan Jakob, die ze zeer diep in zijnen binnenzak verborg en zich haastte de zaal te verlaten.
Bij zijne vrouw gekomen, zeide hij zeer snel:
"Ik moet naar het dorp, seffens. Geef mij mijnen anderen jas. Er komt volk hier. Wij zullen niet meer alleen zijn. Ik draag brieven om Willem Reimond op Wildenburg te roepen. Willem Reimond... en Theresia De Wit."
"Theresia De Wit?" kreet de vrouw met verrassing.
"Ja, onze vijandin, maar wat belet mij, haren brief onderweg te verliezen of in den turfput te smijten?"
"Foei, Jakob, heb zulke gedachten niet. Uwen meester zoo verraderlijk bedriegen!"[Pg 16]
"Ik zeg het om te lachen, Peternelle. God weet, waar Theresia De Wit gevaren is. Misschien is hare woonplaats aan den notaris van Antwerpen ook onbekend; dan komt zij in het geheel niet. Het ware een ongeluk, indien zij eerder dan Willem Reimond op Wildenborg verscheen. Nox is vervaard van Willem; hij poogde de brieven te verslinden. Daar zit iets achter. Misschien is alle hoop nog niet verloren. Vaarwel, vaarwel, ik loop in éenen adem!"
De oude Peternelle was bij het vuur bezig met de namiddag-koffie op te schenken, toen haar man in huis trad en met groote vreugde uitriep:
"Peternelle, hij is daar! Ik heb hem gezien aan 't einde der dreve. Ten minste als mijne oogen mij niet bedriegen. Kom, kijk gij ook eens; uw gezicht is beter dan het mijne."
Zij liepen beiden tot achter het hek.
"Het is een heer," mompelde de vrouw, "maar of het Willem Reimond is, dit kan ik van zooverre niet herkennen. De neef van onzen meester was een kind van tien jaar, toen wij hem voor de laatste maal zagen. Deze heer heeft geen reispak, zelfs geenen gaanstok. Hij kan dus niet van zeer verre komen."
"Maar wie anders zou het zijn? Er komt nooit iemand op Wildenborg."
"Gij kunt het evenwel niet weten."
"Welke is de kleur van zijn haar, Peternelle?"
"Ik meen te zien, dat hij zwart haar heeft."
"Hij is het! Willem Reimond, twijfel er niet aan. Ach, het ongeduld, het verlangen doet mij beven. Ik loop hem te gemoet!"
De persoon, die ten einde der dreve kwam aangestapt, was een jongeling van ongeveer vijfentwintig jaar, met zwarte, krullende haren en een open, lachend gelaat. Alhoewel zijne trekken tamelijk sterk waren afgeteekend, getuigde het geheel zijns aangezichts van goedheid des harten en misschien tevens van zekere dichterlijkheid der gedachten; want hij ging met het hoofd gebogen, of bleef staan en plukte eene bloem, of blikte langs alle kanten rond in het bosch.
Tot dan had hij peinzend en droomend zijnen weg vervorderd; maar nu hoorde hij eensklaps het gerucht van naderende stappen, en bemerkte daarop eenen ouden man, die in allerhaast en[Pg 17] met zekere teekens van ongeduld tot hem geloopen kwam.
Maar hetzij de hovenier zich in zijne verwachting meende te hebben bedrogen, en of een gevoel van eerbied hem wederhield, hij bleef op een twintigtal stappen beteuterd staan.
De jongeling, over de onbegrijpelijke houding van den grijsaard verwonderd, aanschouwde hem met meer aandacht. Er ontstond op dit oogenblik eene plotselijke herinnering in zijnen geest. Hij slaakte eenen gil van blijde verrassing, sprong met open armen vooruit naar den ouden man, en zich aan zijnen hals werpende, riep hij uit:
"Mijn goede Jakob! Gij leeft nog? God zij dank, dat ik u nog terugzie. Ach, hoe dikwijls dacht ik aan u! Ik durf het u nauwelijks vragen: hoe is het met uwe vrouw Peternelle?"
De hovenier, in zijne ontroering verstikkend, kon niet spreken. Hij greep des jongelings handen, kuste ze herhaalde malen en liet er twee heete tranen op vallen.
"Maar, mijn lieve Jakob, wat doet gij?" murmelde deze.
"Neen, neen, laat mij uwe handen kussen," snikte de ontstelde man. "Ik, die reeds oud was, toen wij uit Brussel vertrokken, ik herkende u niet meer; gij, die een kind waart, gij noemt mijnen naam bij den eersten oogopslag en gij omhelst met vreugde een arm ootmoedig mensch, eenen knecht, eenen boer! Ha, wat is het zoet, te weten dat er toch iemand ons op de wereld bemint en aan ons denkt!"
"En uwe goede Peternelle?" herhaalde de jongeling. "Gij antwoordt niet? Ik begrijp: zij is in den hemel, niet waar?"
"Neen, neen; zie, ginder staat zij, achter het hek. Haar hart jaagt van verlangen. Kom, kom, mijnheer Willem, maak die arme ziel insgelijks gelukkig!"
En hem de hand grijpende, trok hij hem in de dreve voort, totdat zij het hek naderden.
"Peternelle, o, wees blijde!" riep hij. "Het is Willem. Hij heeft ons niet vergeten; hij heeft mij seffens herkend. Hoe dikwijls heb ik het u gezegd: hij heeft de zwarte oogen zijns vaders en het liefderijk hart zijner moeder."
Maar reeds hield Willem de oude vrouw in zijne armen gesloten en juichte met diepgevoelde vreugde:
"Peternelle, wat geluk, u nog gezond en welvarend te vinden! Door u te zien alleen word ik teruggetooverd in mijne schoone kinderjaren. Mijn vader, mijne moeder herleven voor mijne oogen. En hoe gaat het u? Gij leeft hier tevreden, niet waar?"
De oude vrouw was verbluft en verwonderd; zij aanschouwde den goedhartigen jongeling met eenen dankbaren glimlach, stralend tusschen stille tranen.
"Kom, kom binnen in ons huisje; gij moet vermoeid zijn van[Pg 18] de lange reis," zeide de hovenier. "Wij mogen hier geen gerucht maken. Vrouw, lang spoedig de hesp uit den schoorsteen. Mijnheer Willem moet honger hebben; de heidelucht is scherp. Daar, mijnheer, zet u neder en rust een beetje."
"Nu zal ik niet eten, wat lust ik er ook toe hebbe," antwoordde Willem. "Ik heb haast om mijnen oom te zien."
"Het is voor alsnu onmogelijk."
"Hij is misschien niet op het kasteel?"
"Ja wel."
"Heb de goedheid, Jakob, hem van mijne komst te verwittigen. Ik twijfel niet, of hij zal mij onmiddellijk in zijne tegenwoordigheid toelaten."
"Neen, gij bedriegt u. Het is zonderling en vreemd, maar gij zult, eilaas, nog veel wonderlijkere dingen op Wildenborg vernemen. Gij moet weten, Willem, dat uw oom zich alle dagen drie uren des morgens en drie uren des namiddags opsluit, en dat er gedurende dien tijd niemand het kasteel mag naderen. Al kwame de koning zelf, het zou er niets aan doen: de deuren zijn langsbinnen gegrendeld. Nog meer dan twee uren zult gij moeten wachten, gij hebt dus tijd genoeg om van onze hesp te proeven."
Deze aankondiging verbaasde den jongeling zeer. Het hoofd schuddende, trok hij eenen brief uit den zak en zeide:
"Inderdaad, het moet er wonderlijk toegaan op Wildenborg. Luistert eens, lieve vrienden, wat mijn oom mij schrijft, en geeft mij, indien gij kunt, de uitlegging van dit raadsel: De tijd nadert, dat mijne ziel haar zichtbaar omkleedsel zal afleggen. Ik verlang u te zien. Is dit insgelijks uw wensch ten mijnen opsichte, kom op Wildenborg vóór den nacht van den 31sten dezer. Deze woorden hebben, mij verschrikt. Het is, alsof mijn oom mij zijnen aanstaanden dood aankondigde. Hij is dus zeer ziek?"
"Neen, hij is niet ziek."
"Maar, om Gods wil, wat beteekent de brief dan?"
"Hij beteekent, dat uw arme oom gaat sterven!" antwoordde de hovenier met eene doffe stem.
"Sterven? En hij is niet ziek? Wees toch klaar, Jakob, ik begrijp u niet."
"Mijnheer Reimond zal sterven op den klokslag twaalf, in den nacht tuschen den 31sten Augustus en den 1sten September, geene minuut vroeger of later. Eilaas, wij hebben er tranen genoeg om gestort, en mijne vrouw heeft reeds maanden lang zonder ophouden gebeden, maar alles is nutteloos."
"En hij is niet ziek?" horhaalde Willem.
"Mager, ja, maar niet zieker dan gij of ik."
"Kom, Jakob, gij doet mij lijden. Wat gij daar vertelt, is gansch onbestaanbaar. Zou uwe verbeelding voor niets in deze[Pg 19] zonderlinge gedachte zijn? Zeg mij duidelijk wat er van is, of ten minste wat gij gelooft."
De hovenier scheen niet genegen om op dit oogenblik de gevraagde uitleggingen te geven. Ziende, dat zijne vrouw naar achteren ging, om eene kan versch water te halen, zeide hij:
"Vraag mij niets daarover in tegenwoordigheid mijner vrouw. Zij zou te dikwijls in mijne rede vallen en ons storen. Eet nu eerst een beetje van de hesp, dan zullen wij een wandelingetje door den hof doen, en ik zal u allengs en met voorzichtigheid de schromelijke geheimen van Wildenborg openbaren, om uw hart voor eenen te plotselijken schok te behoeden."
Willem vroeg niets meer en nuttigde zwijgend de hesp en het brood, door Peternelle hem voorgezet. Dan stond hij op en zeide:
"Ik dank u, vrienden, de hesp is goed, en ik had zulken eetlust, dat het mij heeft gesmaakt, als ware mijn geest niet in droeve gepeinzen verslonden. Kom nu, Jakob, toon mij den hof van het kasteel."
Zij gingen beiden buiten, de hovenier scheen zijne stappen naar een looverhuisje te richten.
"Welnu, Jakob," zeide de jongeling, "ik brand van verlangen om uwe openbaringen te hooren en overtuigd te worden, dat gij u over het lot van mijnen oom bedriegt."
"Ik ben bereid om u te zeggen, wat ik weet," antwoordde de grijsaard, "maar laat mij u eerst van iets verwittigen. Ik wensch uit den grond des harten, en Peternelle insgelijks, Willem, dat uw oom u vriendelijk ontvange en genegenheid voor u gevoele. Daartoe is het noodig, dat gij niets doet, dat hem kunne mishagen of bedroeven. Spreek in zijne tegenwoordigheid niet van de hesp, laat hem niet verdenken, dat gij hier zwijnenvleesch hebt gevonden, en bovenal niet, dat gij er hebt van gegeten."
"Hoe? Nog al wonderlijker!" mompelde de verbaasde jongeling. "Is mijn oom een Jood geworden?"
"Neen, maar hij wil niet, dat er een dier gedood worde. Ik mag zelfs de rupsen van de boomen niet doen. Kom, kom, gij zult nog al meer het hoofd schudden."
"Maar gij vervult mij met angst. Welk schrikkelijk gepeins! Zou mijn arme oom ziek zijn in de hersens?"
"Ho, denk dit niet!" riep de oude man. "Uw oom heeft te veel verstand en is te geleerd, dit is juist zijn ongeluk. Ik heb den pastoor in de kerk eens hooren preeken, dat men, om gelukkig te leven, arm van geest moet zijn. Vroeger heb ik daarop langen tijd liggen dubben, maar nu begrijp ik het ten volle."
Zij traden in een prieel van ijpenloof, waar, rondom eene vermolmde tafel, nog twee ruwe banken stonden.[Pg 20]
"Nu, mijn lieve Jakob, poog duidelijk te zijn, en heb de goedheid mij te antwoorden," zeide de jongeling, zich nederzettende. "Mijn oom is niet ziek, en gij beweert nogtans, dat hij juist in den nacht van den 31sten dezer maand zal sterven? Heeft hij zelf u dit aangekondigd?"
"Wel honderdmaal sedert vier maanden."
"En waarop grondt mijn oom die onbegrijpelijke meening? Wie heeft hem gezegd, dat zijn dood zoo nabij is?"
"Een geest."
Ondanks de treurige stemming zijns gemoeds, schoot Willem in eenen lach.
"Een geest?" schertste hij. "Bah! er zijn geene geesten, ten minste niet zooals gij het meent."
"Ja, gij komt van de stad," zuchtte de grijsaard spijtig. "Daar gelooft men niets, en men verleidt er goede menschen als gij, Willem, om aan alles te twijfelen. Het is uwe schuld niet, kind. Hoe, er zijn geene geesten? De lucht krielt er van, en terwijl wij hier zitten te kouten, zijn er wel honderd misschien in dit prieel, die ons zien en hooren."
De jongeling beschouwde den hovenier met eene zonderlinge uitdrukking van medelijden.
Jakob, door zijnen schertsenden blik gekwetst, rechtte het hoofd en sprak:
"Wat, er zijn geene geesten? Hoeft mijne grootmoeder niet maanden lang den geest harer zuster voor haar bed zien verschijnen, totdat zij ter harer gedachtenis eene beloofde bedevaart had gedaan? Heeft te Lommel de geest van den gierigen pachter Adriaans niet gespookt en rondgedwaald, totdat zijn verborgen geld door zijne kinderen was ontgraven?"
"Dit zijn altemaal inbeeldsels, Jakob."
"Gij lacht en gelooft mij niet, Willem? Welnu, luister wat mijn vader zaliger met zijne eigene oogen heeft gezien. Er was te Desschel een oude pachter, die zich had ontkleed, voordat hij slapen ging, gelijk het spreekwoord luidt. Dit is te zeggen, dat hij zijne pachthoeve en zijn goed aan zijnen zoon had afgestaan, mits vrijen woon en kost tot zijnen dood. Maar de oude man leefde te lang voor den ondankbaren zoon, en men spaarde op zijn voedsel en men behandelde hem zoo slecht, dat hij eindelijk van verdriet stierf. In plaats van den doode een goed hemd aan te doen, zooals het behoort, lijkte men hem met een oud, versleten hemd vol gaten. Welnu, wat is er geschied? De misdadige zoon, die zich zelven niets liet ontbreken, kwam in den nacht half bedronken van de kermis. Zijn weg leidde hem over het kerkhof. Daar stond de geest zijns vaders, die hem wachtte en hem het versleten hemd over het hoofd wierp. Dit hemd brandde hem als het vuur der hel, hij schreeuwde om hulp en wilde[Pg 21] van het kerkhof vluchten, maar vooraleer hij den gewijden grond had verlaten, viel hij steendood op het gras. Men heeft des anderen daags zijn lijk daar vinden liggen, en mijn vader heeft het helpen wegdragen. Het was geheel zwart. Wat zegt gij daarvan?"
"Ik zeg, dat de man waarschijnlijk aan het overmatig gebruik van sterken drank is bezweken. Niemand was tegenwoordig, toen hij stierf. Hoe weet men dan, wat er met hem en met eenen geest zou geschied zijn? Gij begrijpt, Jakob, dat dit een vertelsel is, dat men naderhand heeft uitgevonden."
"Zijt ge nog niet overtuigd?" mompelde de hovenier verwonderd "Ik zal u wel honderd geschiedenissen van geesten vertellen, de eene veel meer waar nog dan de andere. Bij voorbeeld, daar was Mie Katrien, de vrouw van den wagenmaker...."
Willem vreesde nog vele zulke geschiedenissen te moeten aanhooren, hij had overwogen, dat, indien hij den eenvoudigen man in zijn geloof aan spoken en geesten bleef wederstreven, er geen eind aan komen zou, en hij dus van hetgeen hij wilde weten niets kon vernemen.
Hij onderbrak zijne rede en zeide:
"Hoor, Jakob, ik beweer niet, dat er volstrekt geene geesten zijn."
"Ha, ha, ik wist wel, dat ik u zou overtuigen!" juichte de grijsaard. "Gij stamt af van Christelijke ouders, Willem."
"Maar, Jakob lief, men kan een goed Christen zijn zonder aan al die vertellingen van spoken en geesten te gelooven. Integendeel, bijgeloovigheid is eene groote zonde. Dan, genoeg daarover. Gij vergeet, mijn vriend, wat gij beloofd hadt mij te verklaren. Mijn oom is niet ziek, en toch zou hij binnen vier dagen sterven? Dit schijnt mij ook een vertelsel, want hoe zou het kunnen geschieden? Mijn oom, die, ik twijfel er niet aan, een verstandig man is, zal toch zich zelven niet gaan dooden? Wat hebt gij dan, Jakob? Het is, alsof gij verbleektet en benauwd waart?"
"God beware alle menschen voor zulken ijselijken dood!" zuchtte de hovenier.
"Maar welken dood, om 's hemels wil? Gij maakt mij dwaas en dom, Jakob!" riep de jongeling met spijtig ongeduld.
Er heerschte eene wijl stilte, gedurende welke Jakob Mispels zijnen moed scheen samen te rapen. Dan mompelde hij met teruggehoudene stem:
"O, Willem, gij zult ook wel verbleeken en beven, kind. Ik heb u dit niet seffens willen zeggen, om u niet plotselijk te ontstellen. Mijn arme meester maakt mij wijs, dat hij door eenen geest het uur zijns doods heeft vernomen, maar het is niet waar. Ik weet het beter. Het is zoo schrikkelijk! Op het oogenblik[Pg 22] dat ik u die droeve veropenbaring wil doen, klopt het hart mij in den boezem als een hamer. Willem, gij gaat vernemen waarom uw oom, zoo jong nog en in volle gezondheid, moet sterven! Houd u moedig en bedwing uwe smart: er is toch niets aan te doen."
Hij boog het hoofd naar den jongeling en mompelde met sombere stem aan zijn oor:
"Uw oom, uw oom heeft zijne ziel aan den duivel verkocht, en zijn tijd is om!"
"Ha, ha, mijn goede Jakob, hebt gij ze nog wel alle vijf?" riep Willem lachend uit. "Waar zijn toch uwe zinnen? Dat de duivel den mensch tot kwaad verleidt, daaraan twijfel ik niet, maar dat hij zielen zou koopen? Kom, kom, gij houdt mij voor den zot."
"Gij gelooft het alweder niet?" riep de oude man met zekere spijtigheid. "Kent gij de geschiedenis niet van Doctor Faussius en zijnen duivel Mistoffel?"
"Faust, Mephistopheles, wilt gij zeggen? Een vertelsel uit den ouden tijd."
"Uit den ouden tijd? Wilt gij iets weten, dat nog zoolang niet is geschied? Mijn grootvader heeft de lieden gekend. Een uur van hier ligt het gehucht Boterhoek; daar woonde een pachter, die veel tegenspoed had gehad. Er kwam een jaar, dat zijn oogst goed gelukte, en zijn koren stond reeds afgepikt op het veld, toen de bliksem zijne schuur in brand stak en ze tot den grond vernielde.... Neen, Willem, wees niet ongeduldig, laat mij spreken. Ik heb het noodig; het doet mij zoo goed! Sedert tien jaar moest ik van den morgen tot den avond zwijgen. Wij hebben tijds genoeg, nog ten minste een uur en een half, eer uw oom spreekbaar worde."
"Het zij zoo!" zuchtte de jongeling ontmoedigd, "ik zal pogen aandacht op uwe woorden te geven."
"Welnu, de ongelukkige pachter moest evenwel eene schuur hebben om zijnen oogst te bergen, en de puinen rookten nog, en de vier naakte muren stonden te waggelen in den wind. De hopelooze man wandelde des avonds op zijn veld, met het treurig oog op de korenschoven. Daar zag hij eensklaps eenen heer naderen met eenen zwarten mantel. En deze, na hem de reden zijner bedruktheid te hebben gevraagd, zeide hem, dat hij hem eene gansch nieuwe schuur zou bouwen vooraleer de haan zou kraaien, op voorwaarde dat hij zijnen naam op een papier zou zetten, dat de zwarte heer hem aanbood. Het accoord werd gesloten. Maar de man, die rouwkoop had over zijne goddelooze daad, vertelde aan zijne vrouw wat hem was wedervaren. Beiden begonnon te weenen en te bidden. Zij zagen in den nacht kareel steenen uit den grond komen en op elkander gaan liggen,[Pg 23] alsof zij door menschenhanden werden gemetseld; maar de arbeiders, die natuurlijk duivels waren, konden zij niet zien. Het dak lag reeds op de nieuwe schuur; slechts een eind muur in het bovenste van den gevel ontbrak er nog. In haar vurig gebed kreeg de vrouw eene reddende gedachte; zij vatte de lamp en liep naar het kiekenhok. Als de haan die plotselijke klaarte zag, meende hij, dat het dag werd, en kraaide. Daarop kwam er een schok, alsof de aarde beefde; er vloog een schrikkelijk gehuil door de lucht, en voor de voeten der vrouw viel het geschrift, waarop haar man had geteekend. De duivel was overwonnen, omdat hij de schuur niet volbouwd had voordat de haan kraaide, zooals het accoord luidde; en de pachter was aan de hel ontsnapt. En tot teeken der waarheid, Willem, ga naar Boterhoek; gij zult er in den gevel der schuur nog een gat zien, dat niet met menschenhanden te stoppen is. Gelooft gij deze geschiedenis niet?"
"Indien gij mij vermaak wilt doen, spreek mij dan om Gods wil van mijnen oom!" antwoordde de jongeling, zichtbaar ontevreden. "Op zulke wijze zou ik op 't einde der week niets meer weten dan nu. Hoe zijt gij toch, of hoe is hij tot zulke onbegrijpelijke dwaalgedachte geraakt?"
"Ha, dit is eene nog veel langere geschiedenis."
"Het is mij gelijk; indien gij slechts van mijnen oom spreekt, zal ik u met voldoening aanhooren."
"Inderdaad, gij weet niet veel van uwen oom; gij waart nog te jong. Welnu, onderbreek mijne rede niet door ongeloovige bemerkingen: het zal te sneller gaan. Ziet gij, Willem, ik was reeds hovenier op Wildenborg, toen mijnheer Reimond werd geboren, ik heb hem op mijne armen gedragen en, om zoo te zeggen, hem leeren loopen en leeren spreken. Ik weet niet om welke reden zijn vader in 1820 het buitenleven moede werd. Wat er van zij, wij verlieten Wildenborg en gingen altezamen naar Brussel wonen. De kleine Karel, uw oom, was een goed en godvruchtig kind, en leerzaam, het is niet om te zeggen. Voordat hij veertien jaar was, kende hij reeds Fransch en Latijn en Engelsch ook al, geloof ik. Maar die groote geleerdheid heeft hem van het goede spoor geleid, en hem aangedreven om boeken te lezen, die een Christenmensch nimmer zou mogen openslaan. Hij was toen ook bezig met een machien om bliksem te maken, hij noemde dit eene ektristeit, en hij had eene tooverkas; eene fasmogrie, om in den donker spoken te doen komen."
"De electriciteit, de phantasmagorie wilt gij zeggen?"
"Ja, juist zoo. Kent gij die leelijke dingen ook, Willem?.... Welnu, Karel, die alsdan wel twintig jaar geworden was, studeerde nacht en dag. Waarop? Dit scheen niemand te weten, maar, onder ons gezegd, de arme jongen wilde leeren tooveren![Pg 24] Na eenige jaren kreeg hij eene groote neiging voor eene juffrouw uit onze buurt; hij scheen zijne groote boeken en zijne fasmogrie te vergeten, en trouwde. Ongelukkiglijk stierf zijne vrouw, voordat het eerste jaar huns huwelijks ten einde was. Mijnheer Karel was ontroostbaar en wanhopig; hij liep maanden lang met het hoofd in den grond, en, eilaas, de wanhoop bracht hem allengs terug naar zijne boeken en zijne beklaaglijke studiën. Hij verloor zijne goede ouders in weinige jaren. Dit deed hem nog meer in droeve gedachten verdwalen en gaf hem eene wonderlijke neiging om alleen te zijn en zwijgend te blijven. Het duurde zoo, totdat hij ergens eenen vriend vond, die ook met Nekkermancie[1] omging. Wat er dan in ons huis gebeurde, weet ik niet goed uit te leggen, alhoewel ik er des nachts niet kon van slapen. Er kwamen heeren en dames; die gingen, zoo stom als spoken, op stoelen rondom eene vrouw zitten; een der heeren, somwijlen mijn meester zelf, begon met de handen voor de oogen der vrouw te wemelen, zoolang totdat het hoofd haar op de borst zakte en zij in slaap viel. Dan kon die vrouw, al slapende, door muren en huizen zien, toekomende dingen voorspellen en zeggen wat er in Amerika of in Afrika geschiedde.... maar, wees zeker, Willem, het was de duivel, die sprak. Zij noemden dit goddeloos vermaak mangenetism en de vrouw een sujekt. Ondanks mijnen afschrik, heeft mijn meester mij eens gedwongen voor hem te zitten, en mij in slaap getooverd. Het schijnt, dat de zwarte man door mijnen mond niet wilde spreken of dat mijn goede engel hem belette in mij te komen. Maar wat zeker is, men moest mij een half uur lang slaan en sleuren en mij koud water in het aangezicht smijten, zoo vast was ik ingeslapen. Toen ik eindelijk wakker werd, noemde mijn meester mij een slecht sujekt; maar dit is...."
"Jakob, gij loopt weder van de baan; ik bid u, spreek van mijnen oom!" onderbrak de jongeling.
"Ha, ja, gij hebt gelijk. Spreken is toch een groot vermaak, niet waar, Willem? Welnu, om het kort te maken, mijn meester hield zich nog met andere dingen bezig. Bij voorbeeld hij had eenen doodskop, geenen houten of steenen kop, eenen waarachtigen kop van een mensch, die op het kerkhof had gelegen! Daar waren van boven blauwe, roode en gele strepen op geschilderd; en daarmede, als zij u de handen op het hoofd legden, konden zij zeggen of gij eerlijk man of dief, oprecht of leugenaar, moordenaar, gierigaard, goed Christen of ketter waart, al hadden zij u nooit te voren gekend of gezien. Op mijnen kop vonden zij de builen van de spreekzucht en van den lust tot goed eten. Indien de duivel daar ook al tusschen was, moet ik[Pg 25] bekennen, dat hij ditmaal de waarheid had gezegd; want wat zou toch een eenvoudig man als ik van het leven hebben, als hij niet...."
"Van mijnen oom, ik smeek u!" zuchtte de jongeling, met de voeten in het zand woelende.
"Gij hebt gelijk, mij tegen te houden, Willem," zeide de hovenier. "Die kunst noemen zij de Fernolgie[2]. Later bedreven zij nogal leelijker dingen. Zij deden hoeden en tafels van zelf draaien en op één of twee pooten rechtstaan; zij deden er eenen geest inkomen en dwongen den zwarten man door geheimzinnig kloppen te laten hooren, dat hij tegenwoordig was. Ik was alsdan veel jonger, anders hadde ik het niet kunnen uitstaan. Het is niet, dat ik niet dikwijls in mijn bed heb liggen zweeten van angst, en menigen nacht met bidden heb doorgebracht; maar ik ben nog al taai van...."
"Van mijnen oom! van mijnen oom!"
"Juist. Ondanks al die andere kunsten bleef mijn meester toch voornamelijk zich bezighouden met de slaaptooverij, dit is te zeggen met het mangenetism. In de laatste jaren onzes verblijfs te Brussel genas hij door deze kunst de ongeneeslijkste zieken. Hij had een sujekt, dat wil zeggen eene dame, die, volgens het schijnt, al slapende in het lichaam der menschen kon zien, en daarenboven de geneesmiddelen voorschreef, die hen onfeilbaar van hunne kwalen moesten verlossen. Onbegrijpelijk, Willem, welke wondere dingen zij deden. Zij hebben op eenige minuten menschen gered, die al tien jaar van alle dokters waren verlaten; zij hebben eens een mensch ziende gemaakt, die geene oogen meer had. Zij hebben eens eenen heer, die opgezwollen was van de waterzucht, in een half uur tijds zoo dun en zoo mager gemaakt, dat hij om genade smeekte. De wijsneuzen—en in Brussel zijn er niet weinig—beweerden, dat mijn meester zot genoeg was, om in een krankzinnigenhuis te worden opgesloten; andere slimmeriken zeiden, dat hij zich door de weduwe, die zijn sujekt was, liet bedriegen; maar zij wisten niet gelijk ik, dat mijn meester met den boozen geest omging, en, eilaas, bezig was met zijne ziel te verliezen!"
"Ontving hij geld voor deze genezingen?" vroeg de jongeling in gepeinzen.
"Neen," was het antwoord, "hij had geen geld noodig. Wel heb ik gezien, dat de vrouw aanvaardde wat de lieden uit dankbaarheid haar gaven; maar uw oom heeft daar integendeel veel geld aan verkwist. Zijn sujekt was eene dame, die tot verval was geraakt, en hij heeft haar van tijd tot tijd nog al fraaie sommen geleend."
"Ha, ha, ik begin te begrijpen!" mompelde Willem.[Pg 26]
"Gij begint te begrijpen? Wat? Dat de duivel er mede bemoeid was."
"Niets, niets, Jakob; ga voort, ik verzoek u."
"Welnu, dan is er iets gebeurd, dat eenen beklaaglijken invloed op ons aller leven moest hebben. Er was een voornaam burger, die dikwijls ten onzen huize kwam en de verkleefde vriend was van mijnen meester en van zijn sujekt. Die heer kon zelf niet tooveren; maar hij was vol bewondering voor de macht van het.... van het mangenetism. Met een sneeuwachtig dooiweder betrapte hij eensklaps eene verkoudheid der ingewanden, en natuurlijk, zijne eerste toevlucht was tot mijnen meester... Het sujekt valt in slaap en zegt wat hij moet nemen, om van zijne ziekte te worden verlost. Hij volgt haren raad en neemt het geneesmiddel, in tegenwoordigheid zijner vrouw en kinderen; maar hij wordt door eenen geheimen slag getroffen, valt spartelend op den grond en sterft zonder biecht! Ik zou zeggen: God zij zijne arme ziel genadig; maar hoe kan het gebed iemand helpen, die van den duivel is weggehaald?... De gendarmes zijn gekomen en hebben mijnen meester en zijn sujekt naar de gevangenis gebracht. Uw oom werd evenwel na acht dagen in vrijheid gelaten; maar hij zou toch voor het tribunaal komen, als beschuldigd van medeplichtigheid aan eenen onvrijwilligen moord. Het sujekt werd veroordeeld tot achttien maanden gevangenis, zoo gezegd voor onvrijwillige vergiftiging; mijn meester werd vrijgesproken, omdat zijn advocaat poogde te bewijzen, dat hij zwak van hersens was en zich, in zijne eenvoudigheid, door het sujekt had laten bedriegen: in één woord, bij ontsnapte, omdat men hem voor halfzinneloos had doen doorgaan. Of zijne meening was, in Brussel te blijven wonen, dat weet ik niet. Het ware hem in alle geval onmogelijk geweest, want waar hij zich nu vertoonde, wees men hem met den vinger of lachte men luid. Het woord "zot" stond, duidelijk voor hem, in elks oogen te lezen. Hij kreeg dan eenen onbegrijpelijken haat tegen de menschen en bleef wel twee maanden opgesloten, zonder iemand te willen zien. Eensklaps nam hij het besluit, verre van de wereld te gaan leven...."
"Wat hoor ik? Er is een mensch, die ons afluistert!" onderbrak Willem. "Mij dunkt, er heeft iemand gekucht?"
Hij bemerkte eensklaps den hond, die met open muil en gloeiende oogen voor het prieel stond en scheen te willen spreken.
"Hemel, wat is dit voor een beest?" vroeg hij verrast.
"Ik kom, ik kom, Nox," antwoordde de hovenier, het teeken des kruises makende, zoohaast hij den hond zag wegloopen.
"Indien er een duivel op Wildenborg is, dan is het zeker die zonderlinge hond," mompelde de jongeling glimlachende.
"Het is zoo, gij hebt het geraden," bevestigde de oude man.[Pg 27]
"Hoe? gij gelooft, Jakob?"
"Het is de dienaar van uwen oom, zijn Mistoffel, de duivel zelf. Ik mag mijnheer niet laten wachten. Straks zal ik u de wonderlijke geschiedenis van dien helschen hond vertellen. Blijf hier nog eenige oogenblikken zitten, ik zal u komen halen."
Willem sloeg het gezicht ten gronde en zonk weg in eene diepe overweging. Welhaast echter hief hij het hoofd weder op en murmelde treurmoedig:
"Hij is zot, stapelzot, de oude Jakob. Eilaas, zou mijn arme oom insgelijks in de hersens geraakt zijn? Wildenborg ware dus iets als een zinneloozenhuis? Onmogelijk, de herinneringen mijner kinderjaren zeggen mij, dat hij een zeer geleerd man was. Mijne moeder bewonderde zijn diep verstand en zijne hooge wetenschap... maar de wetenschap waarborgt niet tegen de ontschikking der hersens.... En hij gaat sterven binnen weinge dagen? Daarin bestaat waarschijnlijk zijne krankzinnigheid? Arme oom! Voor de eerste maal dat ik na vijftien jaar hem mag terugzien, zou ik zijnen dood moeten bijwonen of hem krankzinnig vinden! Hoe wisselvallig, hoe onbegrijpelijk is toch het lot en het leven van een mensch!"
Hij werd in zijne overwegingen onderbroken door de komst van den hovenier, en meende op te staan om hem te volgen; maar Jakob deed hem teeken dat hij zou blijven zitten, en zeide:
"Uw oom wacht u; maar luister nog een oogenblik. Gij weet, Willem, dat ik u op de armen heb gedragen, en dat ik evenveel genegenheid voor u heb, alsof gij mijn eigen kind waart. Gij zult dus den raad van uwen ouden vriend met vertrouwen aanhooren. Uw oom is de beste mensch der wereld: hij zou geene spin kwaad doen, maar, evenals alle hooggeleerde lieden, is hij zeer stijfhoofdig, en tegenwerpingen kan hij niet verdragen. Hij zal u spreken van zielen en van geesten. Of gij er een woord van zult begrijpen, dat weet ik niet, maar gij moet u houden, alsof gij aan die vreemde dingen geloofdet. Indien gij met hem doet gelijk met mij, zal bij droef en grimmig worden, hij zal u vaarwel zeggen, en gij zult hem niet meer te zien krijgen, al verroerdet gij hemel en aarde. Gij moet pogen zijne vriendschap te winnen.... Schokschouder niet: het geluk van uw leven is op het spel, mijn lieve Willem. Uw oom is zeer rijk, en hij zou u kunnen onterven ten voordeele van iemand, die misschien met arglist zijne goede gunst zou winnen. Gij weet, dat gij eene nicht hebt?"
"Ik heb er vele waarschijnlijk; maar ik ken ze niet."
"Ik spreek slechts van eene enkele, van Theresia De Wit, de dochter der zuster van mevrouw Reimond zaliger."
"Ik heb ze nooit gezien, Jakob."
"Zij insgelijks is erfgenaam van mijnheer. Zij zal hier komen[Pg 28] voor zijnen dood, indien de notaris van Antwerpen intijds genoeg kan ontdekken wat er van haar is geworden. Deze De Wits zijn booze lieden, Willem, en, kunnen zij omtrent uwen oom geraken, dan zullen zij alles doen wat mogelijk is, om hem te bedriegen en u uw erfdeel te ontfutselen. Wees diensvolgens op uwe hoede, mijn vriend. Waarom zoudt gij uit gebrek aan toegevendheid uwen armen oom gaan bedroeven en hem u vijandig maken?"
"Gij hebt misschien gelijk, Jakob," murmelde de jongeling in gepeinzen.
"Alzoo, gij zult mijnen goeden raad volgen?"
"Ik zal het ten minste pogen te doen."
"Heb dank, ga nu tot uwen oom. Gij ziet daar die deur? Treed er in, op 't einde van den gang is eene zaal, waar uw oom u wacht. Klop noch roep: men mag op Wildenborg geen gerucht maken. Ik volg u niet. Heb moed en wees inschikkelijk. Vaarwel, tot straks!"
Toen Willem den gang des kasteels bereikte, kwam de hond hem tegemoet en berook hem van alle kanten. Dit onderzoek moest op het dier eenen gunstigen indruk doen, want het liep kwispelstaartend voor den jongeling, die, verwonderd over de onverwachte vriendschap van Nox, hem de hand streelend op den rug legde.
In de zaal stappende, zag hij zijnen oom bij de tafel zitten, met de hand op een doodshoofd. Het gezicht zijner onbegrijpelijke magerheid en bovenal zijn voorkomen als van een geest of van een geraamte deden hem huiveren, en hij bleef te midden der zaal staan, stilzwijgend groetende en niet wetende wat te doen of hoe zich te gedragen jegens den zonderlingen man, die nu zijne glinsterende oogen op hem hield gericht en hem van 't hoofd tot de voeten nauwkeurig bekeek en onderzocht.
Nox sprong verheugd rondom Willem en liet een zacht geknor hooren.
"Mijn hond bemint u, het is een goed teeken," zeide mijnheer Reimond. "Kom nader, mijn vriend, en geef mij de hand."
De jongeling ging tot zijnen oom, drukte hem de hand en zeide:
"God zij gezegend, dat Hij mij toelaat mijnen edelmoedigen weldoener, den beschermer mijner ouders en mijner kindsheid, eens te zien! O, lieve oom, geloof mij, geen oogenblik van mijn leven is er voorbijgegaan, zonder dat mijn dankbaar hart uwer[Pg 29] goedheid indachtig was. Eilaas, de hemel heeft mijne gebeden niet verhoord: gij zijt ziek."
"Laat ons daarover nu niet spreken," viel mijnheer Reimond in. "Zet u daar neder, op dien stoel voor mij. De dankbaarhoid is eene schoone bloem der ziel, maar dit gevoel mag niet overdreven zijn. Wat ik voor uwe ouders en voor u heb gedaan, is de moeite niet waard, dat men er van spreke."
"Neen, zeg dit niet, oom lief," ging de jongeling met ontroering voort. "Wat zou ik, arme weeze, zonder uwe milde hulp in de wereld geweest zijn? Wie hadde er voor mijne opvoeding gezorgd? En geniet ik tot op den dag van heden uwe weldaden niet?"
"Het is zoo, mijn vriend, spreken wij van wat anders. Nadat gij uwe studiën op het athenaeum hadt voleindigd, zijt gij op het kantoor van eenen notaris gaan schrijven, sedert hebt gij uwen patroon verlaten, en zijt bij Mechelen op een dorp gaan wonen? Uw eerste meester was dus niet tevreden over u?"
"Ja wel, heer oom, hij was zeer tevreden, maar ik overwoog, dat ik zonder bescherming bij het staatsbestuur nooit eene plaats van notaris in eene groote stad kon verhopen. Een dorpsnotaris, die een vriend van mijnen meester was, bood mij de plaats van klerk aan, met het uitzicht om eens zijn opvolger te kunnen worden, aangezien hij geene bloedverwanten had, aan wie hij zijne bediening kon nalaten. Ik heb met blijdschap aanvaard, des te meer, daar ik op een eenzaam dorp beter mijne studiën kon voortzetten."
"Alzoo, gij studeert nog?"
"Het is te zeggen, al mijne beschikbare uren geef ik aan het lezen van nuttige boeken. Het is eene noodzakelijkheid mijner natuur geworden, mijnen geest meer en meer te ontwikkelen, en het zal u wonder schijnen, heer oom, maar gij zijt de oorzaak van mijnen weetlust, en om uwentwil alleen poog ik door zelfonderwijs immer meer en meer geleerdheid te verkrijgen."
"Ik begrijp niet," murmelde mijnheer Reimond.
"Het kan u eene vleierij schijnen, heer oom, waarom evenwel zou ik de waarheid verzwijgen? Mijne moeder zaliger sprak mij altijd met zooveel bewondering over uw hoog verstand en uwe diepe geleerdheid, dat die indruk mijner kindsheid mij is bijgebleven en ik, door eene geheime drijfveer bewogen, vermeende, met mijnen geest te oefenen, iets te doen dat u aangenaam kon zijn."
Een glimlach van innige tevredenheid verlichtte het gelaat van mijnheer Reimond, die eerst den jongeling met welgevallen aanzag, en dan zwijgend den blik in de oogen van het doodshoofd vestigde, als wilde hij het over iets raadplegen.
Willem zeide in zich zelven, dat, indien zijn oom werkelijk[Pg 30] over zekere dingen vreemde gedachten kon hebben, hij evenwel in het geheel niet ziek in de hersens scheen te zijn. Deze overweging verheugde hem, want hem lag inderdaad een innig gevoel van dankbaarheid in het hart, en hij had ondanks de vijftienjarige scheiding, zijnen weldoener oprecht blijven beminnen.
Mijnheer Reimond, als hadde hij een bevestigend antwoord van het doodshoofd ontvangen, drukte de hand van zijnen neef en zeide:
"Uwe moeder was eene brave vrouw. De ziel, die in uw lichaam woont, heeft goede neigingen, en zij is op weg om eenen grooten stap vooruit te doen naar de eindelijke volmaaktheid. Gij hebt nu geen fortuin, Willem, en deze ontoereikendheid uwer stoffelijke middelen hindert u om wetenschap en geleerdheid aan te winnen. Verheug u, mijn vriend: mijne ziel gaat zich afscheiden van haar zichtbaar omkleedsel. Ik zal u geld en goed genoeg nalaten, om u voor de zorgen des levens te behoeden."
"O, heer oom, waarom dus wanhopen?" zuchtte de jongeling op treurigen toon. "Waarlijk, ik bemerk met diepe smart, dat gij zeer ziek zijt; maar met de noodige geneesmiddelen zoudt gij u gemakkelijk kunnen beteren. Uwe eenzaamheid, uw stil leven heeft waarschijnlijk uwe maag ontsteld. Het hangt van u af, hare krachten weder op te wekken door een beetje oefening in de opene lucht."
"Ik ben niet ziek, vriend," was het antwoord.
"Ach, gij zijt zoo uitermate mager, heer oom!"
"Het is, omdat de dood nadert. Nog vier dagen."
"Maar zeg dit niet, oom lief! Het is een inbeeldsel!"
"Een inbeeldsel! Inderdaad, voor u zijn de geheimenissen der onstoffelijke wereld nog verborgen. Ik zal sterven op de laatste minuut van den 31sten, dezer maand. Het is onfeilbaar en onherroepelijk."
De jongeling schudde het hoofd met moedeloosheid.
"Gij gelooft mij niet?" hervatte mijnheer Reimond. "Het is u onbegrijpelijk, hoe een mensch zoo nauw het uur van zijnen overgang naar een nieuw leven kan weten? Daar is hij, die sedert zes maanden mij elken dag verwittigt, dat het oogenblik voor mij nadert."
En dit zeggende, legde hij den vinger op het doodshoofd.
De tranen stonden Willem in de oogen; doch hij sprak niet. Hij wist inderdaad niet wat te zeggen. Zijnen oom openlijk in zijne dwaze gepeinzen bestrijden, dit dorst hij niet doen; en geloof in deze zinneloosheid veinzen, dit was tegenstrijdig met de oprechtheid zijns harten.
"Gij ziet mij zoo verbaasd aan? Evenals de andere menschen[Pg 31] meent gij, dat ik waanzinnig ben, niet waar?" morde de oom. "Och, Willem, ik beschuldig u daarom niet. Het is iedereen niet gegeven, met de onstoffelijke wereld in gemeenschap te komen en geheimenissen te kennen, die slechts aan zeer gelouterde zielen nu en dan eens worden geopenbaard. Indien ik u zeide dat in dit doodshoofd een geest woont, wiens taal voor mij klaar en verstaanbaar is, indien ik u verzekerde, dat die geest reeds dertigmaal onder verschillende menschelijke gedaanten heeft geleefd, zoudt gij mij gelooven?"
"Ik zou u willen gelooven, heer oom, maar bij gebrek aan kennis der zaak, is mij dit nu onmogelijk," stamelde de jongeling in verlegenheid.
"Wel geantwoord, Willem; gij loochent ten minste het bestaan van geesten niet volstrektelijk."
"Zeker niet; boven de stoffelijke natuur zijn er onstoffelijke wezens, de godsdienst leert ons en het geweten doet ons voor gevoelen, dat niet alles met het aardsche leven eindigt."
Deze woorden, met overtuiging gesprokon, schenen mijnheer Reimond bijzonder te behagen; hij knikte goedkeurend met het hoofd en zeide:
"Gij gelooft dus aan de onsterfelijkheid der ziel, aan een toekomstig leven, aan de straf des kwaads en aan de belooning des goeds: in één woord, aan de rechtvaardigheid Gods?"
"Is het mogelijk, heer oom, aan zulke klaarblijkende waarheden te twijfelen?"
"Ha, Willem, er zijn er, die daaraan durven twijfelen, maar oneindig meer zijn er, die slechts een bekrompen of onduidelijk begrip van deze waarheden hebben. Ik weet niet, mijne ziel heeft voor de uwe een geheimzinnige neiging. Zij denkt, dat de uwe zuiver genoeg voor deze hooge wetenschap zou kunnen zijn. Ware het zoo, ik zou met een gevoel van opperst geluk deze aarde verlaten. Niet alleen omdat aldus de vruchten van mijn arbeidzaam streven voor de menschheid niet zouden verloren gaan, maar nog omdat ik u vóór mijnen dood eene weldaad zou kunnen bewijzen, duizendmaal kostbaarder dan het fortuin, dat gij erven gaat.... Laat hooren, mijn goede neef, wilt gij leeren hoe men in betrekking komt met de wereld der geesten? Wilt gij het ten minste beproeven? Want het is niet zeker, dat uwe ziel reeds genoeg beproefd en gelouterd zij."
"Om u vermaak te doen, zal ik alles beproeven wat gij wenscht, heer oom," antwoordde de jongeling op eenen toon van lijdzame onderwerping.
"Welnu, vriend, luister dan met inspanning der hersenen, en, valt de redeneering u in het eerst wat zwaar, doe geweld om mij te begrijpen. Doordring u van de gedachte, dat, indien ik u bekwaam kon vinden tot het aanvaarden der zedelijke erfenis[Pg 32] mijner ziel, ik het zou aanzien als eene duizendvoudige belooning voor het weinige goed, dat ik uwen ouders en u kan hebben gedaan. Gij zult gaan hooren wat de geest, die in het doodshoofd woont, mij heeft veropenbaard. Geef aandacht, ik bid u."
Mijnheer Reimond schoof zijnen stoel nader en begon dus op langzamen, plechtigen toon:
"Ziehier wat de geesten leeren. Voordat onze wereld bestond, zag God—het eenig eeuwig, geheel zuiver, volmaakt en almachtig wezen—dat de onmeetbare ruimte van het heelal ijdel was. Hij schiep de engelen—en Hij schiep ze in onnoembaar getal—om die ledigheid te vervullen, der ruimte leven te geven en Hem in zijne majesteit te loven en te dienen. De engelen waren betrekkelijk zuivere geesten; maar geheel volmaakt waren ze niet, anders zou elk hunner zooveel zijn geweest als God zelf, die alleen volmaakt kan zijn. Het gebeurde, dat een dier geesten, Lucifer geheeten, door den hoogmoed verleid, met honderden millioenen zijner gezellen tegen den eenigen God wilde opstaan; maar zijne vermetelheid ontving eene verschrikkelijke en verdiende straf. Hij werd nedergebliksemd en veroordeeld om eeuwiglijk van het aanschijn des Heeren verwijderd te blijven en zonder einde in duisternis te treuren en te lijden. Dan wilde God de opengevallene plaatsen in de scharen zijner trouwgeblevene dienaars aanvullen; maar Hij zou rondom zijnen troon geene andere dan beproefde geesten toelaten. Daarom schiep Hij den mensch. De mensch is een onvolmaakte engel, die door de bekoring en de overwinning, door het lijden en den moed, door de worsteling en de sterkte, in éen woord door arbeiden en door strijden, tot de volstrekte macht en zuiverheid moet geraken, ten minste voor zooveel een geschapen wezen zuiver en machtig kan zijn naast God.... Begrijpt gij dit, mijn vriend?"
"Ho, zeer wel, oom lief," antwoordde de jongeling, die met verbaasdheid luisterde.
"Welnu, God schiep ook de aarde en de gansche wereld, met hare kruiden en dieren, met hare schoonheden en hare gebreken, met hare verlokkingen, haar geluk, hare rampen, hare vreugde, haar verdriet, hare vijandschap, hare liefde, omdat de mensch tusschen al deze tegenstrijdigheden zou te worstelen hebben, en zijne zedelijke natuur door opvolgende overwinningen zou beproefd en gelouterd worden.... Hier is nu de reden van het bestaan der geesten: het lichaam des menschen is slechts aarde, een stoffelijke vorm, die den waren mensch, dat is te zeggen de ziel, den geest omkleedt. Anders kon hij toch zijne bestemming niet vervullen; want een ongevleesde geest heeft geene zintuigen en kan met de stof niet in aanraking komen of[Pg 33] van de stof eenige aanvechting onderstaan. Diensvolgens, om te kunnen lijden en worstelen, moest de ziel des menschen in eenen aardelijken vorm gewikkeld worden, ten einde bij middel der stof in aanraking met de stof te komen en haar zelfs gedeeltelijk onderworpen te worden. Dit zegt u ook, dat evenwel de eigenlijke mensch in de ziel bestaat en hij zijn lichaam kan verliezen, zonder dat hij ophoudt te wezen.—Vat gij deze redeneering, neef?"
"Zij wordt mij wel iets of wat duister, heer oom," mompelde de jongeling.
"Ik zal pogen duidelijker te zijn, Willem. Op de volgende wijze verklaart de geest de bestemming van den mensen voor de eeuwigheid. Al de menschelijke zielen werden bij duizenden millioenen en op hetzelfde oogenblik geschapen, maar zij kregen niet altezamen een stoffelijk omkleedsel. De eerste, die de proeve op aarde onderstond, was Adam, en opvolgend na hem, tot den dag van heden, een onnoembaar getal anderen. Een mensch leeft meer dan één leven, er zijn er wel, die honderdmaal reeds de beproeving opnieuw hebben begonnen en bij gebrek aan kracht, aan deugd en aan voortgang, nog veel malen zullen te herleven hebben. Vooronderstel, dat vele honderdduizenden menschen op een jaar sterven. Waar meent gij, dat hunne zielen gaan?"
"De godsdienst laat daarover geenen twijfel," bemerkte de jongeling.
"Inderdaad niet," antwoordde mijnheer Reimond. "Op het einde zal het zijn, zooals de godsdienst ons leert, maar in afwachting van het vergaan der wereld?"
"Zulke dingen zijn moeielijk om te begrijpen," mompelde Willem, die niet meer wist wat te antwoorden.
"Inderdaad, maar gij zult ze eindelijk wel doorgronden," hernam de oom op aanmoedigenden toon. "Zijn er tusschen die honderdduizenden zielen eenige, welke de noodige zuiverheid hebben bereikt, deze worden opgenomen in den hemel, en elk hunner krijgt de plaats van eenen der afgevallene engelen. De andere nog onvolmaakte zielen gaan in de ruimte, en moeten daar wachten, totdat het God believe hun eene nieuwe proeve, dit is een nieuw leven op aarde, toe te staan. Al deze zielen, al deze geesten zonder stoffelijk lichaam bevolken de lucht, waarin zij zich, wanneer zij willen, met de snelheid des bliksems bewegen, maar zij blijven nog liefst in de streken, welke zij als mensch hebben bewoond, en in de nabijheid hunner vrienden, hunner ouders of hunner kinderen. Bij voorbeeld, terwijl ik hier met u spreek, omringen ons wel twintig geesten. Onder hen herken ik mijnen vader en den uwen, mijne vrouw en uwe moeder, die ons beluisteren en zich verblijden in de[Pg 34] hoop, dat gij de geheimzinnige, de bovennatuurlijke kracht zult aanwinnen om hen te zien en met hen te spreken."
Eene siddering scheen den jongeling aan te grijpen. Het gepeins, dat zijne afgestorvene ouders naast hem stonden en hem zagen, deed eenen gansch vreemden indruk op hem. Het was, alsof het hem benauwd om het harte werd, en een lang opgehouden zucht ontsnapte zijner borst.
"Wees niet vervaard, mijn vriend," zeide zijn oom, "deze onstoffelijke zielen zijn hinderloos, en het is hun niet toegelaten, kwaad te doen aan de zielen, die in vleeschelijken vorm lijden en strijden op aarde. Weet nu verder, dat sommige menschen, die door opvolgende beproevingen en door het innig betrachten van deugd en wetenschap tot eenen verren graad van zuiverheid gevorderd zijn, het vermogen hebben om in gemeenschap te komen met de wachtende zielen, die de ruimte vervullen, anders gezegd, die de eigenschap bezitten, om de onstoffelijke geesten op te roepen en ze te dwingen tot mededeeling van hetgeen zij weten. De geest, die in dit doodshoofd woont, heeft reeds dertigmaal geleefd. Hij nadert tot de vereischte zuiverheid en weet daarom dingen te openbaren, waarvan min gevorderde zielen geene kennis hebben. Dit alles is toch wel bevattelijk voor uw verstand, niet waar?"
"Het is verrassend en wonderlijk," antwoordde Willem, "maar volgens u zouden alle menschen zonder uitzondering engelen worden en ten hemel gaan? Dit strijdt met den godsdienst en met het geweten, die ons leeren, dat er belooning of straf zal zijn na dit leven."
"Deze strijdigheid bestaat slechts in schijn, mijn vriend, het zal waarlijk op het einde geschieden zooals ons wordt geleerd. Nadat honderden millioenen gezuiverde zielen ten hemel gevaren zijn, en zoohaast ook de laatste plaats der gevallen engelen vervuld is, zal God de wereld doen vergaan, en de zielen, welke alsdan ondanks de vele beproevingen nog onzuiver, boos en zondig zijn gebleven, zullen neergebliksemd worden, om in de eeuwige duisternis en in het gezelschap der duivelen te boeten en te lijden."
Nox, die sedert eenigen tijd rondom den stoel van den jongeling snuffelend dwaalde, sprong nu met zijne voorste pooten op zijne knie en woelde met den snuit tegen de borst van zijne frak, als rook hij daar iets bijzonders.
"Nox, hier, stil!" sprak mijnheer Reimond op bevelenden toon.
Het beest verliet den verbaasden Willem en kroop tot voor de voeten zijns meesters.
"Gij hebt vleesch in uwen zak, mijn neef?"
"In het geheel niet," stamelde de jongeling, eenige papieren uittrekkende.[Pg 35]
"Ha, ik zie wat het is!" riep mijnheer Reimond met eenen glimlach. "Gij hebt daar den brief, dien ik u toezond. De hond heeft hem reeds eenmaal in den muil gehad, en hij herkent hem aan den reuk."
"Wat wonderlijk beest!" zuchtte Willem. "Ik begrijp, dat de hovenier er van vervaard is. Men zou haast gaan gelooven, dat Nox een menschelijk verstand heeft. Toen hij mij kwam roepen, scheen hij te willen spreken!"
"Het is een arm dier, dat mij verkleefd en dankbaar blijft, omdat ik het eens te hulp kwam, toen het zich in gevaar des levens achtte," zeide mijnheer Reimond. "Wat den ouden Jakob betreft, hij is een goed man en een trouw hart, maar zijn moed en zijn verstand zijn niet groot. In zijne eenvoudigheid droomt hij van niets dan van schrikkelijke dingen, en zoohaast hij iets ziet dat hij niet kan begrijpen, meent hij, dat bovennatuurlijke oorzaken in het spel zijn. Wat wonders is daaraan, dat Nox geleerd heeft den hovenier te gaan roepen, vermits hij nooit eten krijgt dan wanneer ik Jakob doe komen? De eenzaamheid en de eeuwige stilte hebben misschien iets bijgebracht om de natuur van het arme dier te wijzigen. Misschien woont in hem eene ziel, die gereed is om tot eene hoogere en gelukkige proef over te gaan,—maar dit kan ik in alle geval niet verzekeren."
"Eene ziel in den hond? Eene menschelijke ziel?" mompelde Willem met eenen glimlach van ongeloof.
"Waarom niet?" was het antwoord. "Indien God het zoo wil, om wederspannige of geheel ondeugende zielen te straffen of ze aan eene zware proef te onderwerpen? Er zijn trotsche dwingelanden, die in ezels overgaan, opdat zij onder den stok van den drijver zouden worden verootmoedigd, hoovaardige vrouwen, die padden worden en onder dezen verachten vorm gedurende een gansch leven in het slijk wroetelen, oorlogshelden, welke om roem te behalen stroomen bloeds vergoten, die haas worden, opdat de eeuwige vrees hunnen wreeden overmoed stille, en het lood der jagers ook hun bloed doe vlieten, maar niet in alle dieren wonen menschelijke zielen, en het is den geesten niet veroorloofd daarover eenige bepaalde openbaringen te doen.... Nu, mijn goede Willem, heb ik u gezegd wat ik noodig acht om u een klaar denkbeeld van de geestenwereld te laten opvatten. Is u nog iets duister, zeg het, ik zal u meer uitlegging geven, indien gij het verlangt."
"Neen, oom lief, ik weet genoeg," antwoordde de jongeling met eene stem, die van vermoeidheid en treurnis getuigde.
"Des te beter, mijn neef; dan kunnen wij seffens beginnen met de eindelijke proef, waartoe mijne woorden u hebben voorbereid," zeide mijnheer Reimond opstaande "Ha, Willem, mijn vriend, misschien zult gij, vóórdat een uur verloopen zij, reeds[Pg 36] in gemeenschap zijn met de wereld der zielen. Mocht dit gelukken, ik zou God zegenen voor die hooge weldaad, aan u en aan mij bewezen! Kom hier, zet u op dezen stoel voor het doodshoofd, ik zal u leeren, hoe gij den geest, die er in woont, moet pogen te zien en te hooren."
"O, ik bid u, heer oom, ontsla mij van deze proefneming!" smeekte Willem. "Ik weet niet, mijne ziel is waarschijnlijk nog niet zuiver genoeg; het is, als boezemde deze verborgene wetenschap mij schrik en afkeer in. Wees zeker, al duurden uwe pogingen eenen ganschen dag, ik zou den geest niet zien."
"Gij gelooft zulks?" hernam de oom. "Ongetwijfeld bedriegt gij u. Deze afkeer is natuurljjk. In stoffelijke gedaante schrikt de mensch van alle geheimzinnigheid; maar gij moet die vrees overwinnen en, met vasten moed en met volledig vertrouwen, u leenen tot de onschatbare les, welke ik u wil geven. Zoohaast gij den geest ziet, zoohaast gij zijne taal verstaat, zult gij juichend en dankend mij in de armen vliegen. Ha, er is op aarde geen grooter geluk dan deze wetenschap, die ons bestaan verbreedt tot de uiterste palen van het heelal. Nu, zit hier voor het doodshoofd."
"Maar, oom lief, indien gij de goedheid hadt, mij ten minste voor heden te verontschuldigen!"
"Zeker niet, Willem; het is uwe stoffelijke natuur, die worstelt om de bovenhand te behouden. Zij moet bevochten en overwonnen worden: het ware eene lafheid dus toe te geven aan hare zelfzucht. Gij weigert? Zou ik mij misgrepen hebben? Zal ik de smart onderstaan, in u, mijnen neef, eene verachterde en nog zeer zwakke ziel te moeten herkennen?"
De jongeling bemerkte, dat zijn tegenstand het hart zijns ooms met droefheid vervulde. Uit eerbied, uit toegevendheid voor hem, besloot hij zich lijdzaam te leenen tot al wat hij van hem kon eischen. Hij stond op, zette zich voor hot doodshoofd en zeide:
"Gij hebt ongelijk, heer oom, aan mijnen moed of aan mijnen goeden wil te twijfelen. Ik ben zeker, of ten minste ik geloof mij zeker, dat ik den geest niet zal zien; maar vermits gij er anders over denkt, welaan, ik ben bereid. Wat moet ik doen?"
"Het zal gaan, gij kent u zelven niet, Willem!" riep mijnheer Reimond met blijdschap. "Heb vertrouwen; gij zult niet alleenlijk de erfgenaam mijner stoffelijke goederen zijn, maar tevens de erfgenaam van het zedelijk vermogen mijner ziel! Schuif uwen stoel bij de tafel,—zet u op uw gemak,—leg de rechterhand op het doodshoofd,—zie nu in zijne holle oogen, diep zeer diep, en tracht aldus uwen blik beweegloos te houden, op zulke wijze, dat niets meer van de dingen, die in deze kamer zijn, uw gezicht verstrooie of store. Doordring u zelven nu van[Pg 37] de gedachte, dat gij eenen geest wilt zien, eenen geest in menschelijke gedaante; want in eenen anderen vorm kunnen zij zich voor onze stoffelijke oogen niet openbaren. Willen en blijven willen, overtuigd zijn en gelooven, niet verzwakken, standvastig en onverwinnelijk willen, is hier de tooverroede, die de wereld der zielen voor uw aangezicht moet ontsluiten. Poog diensvolgens uwen geest in zulke spanning te brengen, dat hij door dit zelf magnetismus om zoo te zeggen uw lichaam verlate en zich vermenge met de onstoffelijke wezens, die de lucht vervullen. Zoo is het wel; verroer u niet meer, blijf zwijgend en, wat er ook geschiede, keer uw gezicht niet van het doodshoofd af, noch uw gepeins noch uwen wil van het doel dezer proeve. Stil nu!"
De jongeling beschouwde deze proefneming om geesten op te wekken als eene beklaaglijke zinneloosheid van zijnen oom. Evenwel, om zijnen zieken weldoener niet te bedroeven, volbracht hij nauwkeurig zijne begeerte en had letterlijk de hem gegevene les gevolgd. Hij zat beweegloos als een steenen beeld en hield de oogen zoo vast in de holle oogen van den schedel gevestigd, dat zijn gezicht er van schemerde en hij er duizelig van werd.
Hij behield echter zijn geduld, want hij hoopte, dat zijn oom zelf welhaast deze nuttelooze poging moede zou worden en hem er van zou ontslaan. Dan hij bedroog zich grootelijks: er verliep wel een half uur zonder dat mijnheer Reimond teeken van leven gaf; integendeel, hij scheen zijnen adem op te houden om zijnen neef niet te storen en zijne aandacht van het nagejaagde doel af te trekken.
Wat Willem betreft, deze verveelde zich onzeglijk; alles scheen voor zijn verduisterd gezicht te draaien, en het zweet stond in parelen op zijn voorhoofd. Hij gevoelde, dat hij het niet langer volhouden kon, en vroeg zich zelven juist, of hij dit pijnlijk spel niet beslissend zou onderbreken,—toen zijn oom met verdoofde stem aan zijn oor suisde:
"Keer den blik niet af, Willem; gij zult gelukken: ik heb op uw gelaat de teekens gevolgd, die van de immer aangroeiende uitzetting uwer ziel getuigen. Nog een half uur geduld, en de groote geheimenis zal zich voor u ontsluieren."
"Nog een half uur, o hemel!" zuchtte Willem verschrikt.
"Zwijg, blijf standvastig, ik bezweer u, vriend, indien gij eenige liefde, eenige dankbaarheid voor mij hebt, laat uwen moed in dit opperst oogenblik niet verzwakken. Niet waar, gij ziet in de diepte van het doodshoofd nevelachtige wolkjes, die bewegen en schijnen te zwoegen om eene bepaalde gedaante aan te nemen?"
"Ik zie wolkjes die vlotten, witte ringen die draaien, vonken die glinsteren, en alle soorten van zonderling duizelige dingen," stamelde Willem.[Pg 38]
"Ha, dit is het! Uwe ziel begint ziende te worden. Geduld, geduld, de proeve voortgezet met onwrikbaar vertrouwen. Stil nu, geen woord, geen ander gepeins meer dan het doel alleen!"
Gedurende nog een geheel kwart uurs hield Willem het vol; maar dan gevoelde hij, dat een onweerstaanbare slaaplust hem allengs overviel. Hij geeuwde nu en dan, doch poogde deze teekens der verveling door het geweldig sluiten van den mond te verbergen. Eindelijk kon hij de koortsige trekkingen zijner zenuwen niet meer bedwingen; geeuwde met wijdgeopenden mond, en zijn opgehouden adem welde tegen zijnen wil met een pijnlijk geluid uit zijne borst op.
"O, oom lief, heb medelijden met mij!" zuchtte hij, het hoofd afkeerende. "Ik val in slaap; reeds heb ik geene bewustheid meer van hetgeen ik doe."
"Nog wat moed, nog wat geduld, vriend; wij raken misschien het doel!"
"Neen, neen, nog ééne minuut en ik stort met het hoofd op de tafel, om morgen eerst te ontwaken! Het is mijne schuld niet, heer oom. Ik ben onzeglijk vermoeid van den gansenen dag te hebben gereisd. Gij ziet wel, dat, niettegenstaande zulke afgematheid, de goede wil mij niet heeft ontbroken."
"Inderdaad. Gij waart reeds verre gevorderd nogtans! Maar het zij zoo; men bekomt deze onschatbare wetenschap zoo niet in eens. Wanhoop niet, Willem; wij zullen morgen met meer geluk waarschijnlijk de proeve hernemen. Schei uit nu: het is genoeg voor heden. Daarenboven, het zal haast avond worden, en het uur der eenzaamheid nadert voor mij. Wat u betreft, gij snakt naar rust. Ik heb in het achterste gedeelte van het kasteel eene kamer voor u doen bereiden. Jakob Mispels, de hovenier, zal u dienen; hij heeft last om u alles te bezorgen wat u noodig is, en verlangt gij iets, dat zich niet op Wildenborg bevindt, Jakob zal naar het dorp gaan om het te halen. Gedurende den nacht zal ik den geest van het doodshoofd over u raadplegen; hij zal mij misschien openbaren, hoe gij onmiddellijk tot de gemeenschap der zielen kunt geraken. Heb goeden moed en slaap gerust. Tot morgen, mijn vriend!"
Hij reikte de hand tot zijnen neef. Deze sprak op den toon van diep medelijden en van smart:
"Alzoo, mijn goede oom, gij blijft bij de schrikkelijke gedachte, dat gij binnen weinige dagen zult sterven?"
"Eene gedachte, Willem? Het is eene volstrekte zekerheid."
"Maar indien gij wenschtet te leven?"
"Het zou er niets aan doen. Daarenboven, mijn jongen, ik snak vurig naar den dood."
"Onbegrijpelijk!" zuchtte Willem met moedeloosheid.
"Wat is daar onbegrijpelijks in?" hernam de oom met eenen[Pg 39] glimlach. "Elke maal dat een mensch na een tamelijk goed leven sterft, doet hij eenen stap vooruit naar de eindelijke volmaaktheid, die hem met eene plaats bij God de eeuwige zaligheid moet geven. Wanneer men op reis is naar het grootste geluk, verlangt men dan tot langen stilstand gedwongen te zijn? Treur niet over mijnen onfeilbaren dood; gij ziet wel, dat ik noch verschrikt, noch weemoedig ben."
De jongeling erkende, dat er niet tegen dit ingeworteld denkbeeld van zijnen oom te worstelen was. Hij murmelde een goedennacht en meende de zaal te verlaten; maar mijnheer Reimond hield hem terug en zeide:
"Ik heb den ganschen dag over eene moeielijke zaak nagedacht. Willem, gij hebt eene verre nicht, die de andere helft mijner goederen moet erven. Ik wensch, dat Wildenburg met zijne aanklevende bosschen, weiden en landerijen onverdeeld blijve; het is een vaderlijk erfgoed. Mijn inzicht is, Wildenborg in uw deel te plaatsen; maar dewijl ik verlang, dat het als onverkoopbaar en onverdeelbaar beschouwd worde, zou daardoor de waarde van uw deel verminderd zijn. Ik zal het middel zoeken om u eene schadeloosstelling te verzekeren; wij zullen morgen daarover spreken. Ik zal u vroeg doen roepen. Ga nu, en slaap wel."
Willem murmelde eene groetenis en verliet de zaal.
Toen hij zich onder den blauwen hemel bevond, ontsnapte hem een lange zucht, als viele er een gewicht van zijn hart. In stede van naar het hoveniershuisje te gaan, trad hij, door den nood aan eenzame overweging gedreven, in het groene prieel en zette zich op de bank neder. Hij vouwde de armen op de borst, staarde ten gronde en bleef dus zeer lang in diepe gepeinzen verzonken.
Eindelijk hief hij het hoofd op en mompelde met eene uitdrukking van verbaasdheid:
"Wat geschiedt mij? Daar zit ik te droomen aan de mogelijkheid der wonderlijke dingen, die mijn oom mij heeft verteld! Wat is de geest des menschen toch zwak, en hoe machtig is op hem de indruk der bovennatuurlijke geheimenissen! Zoo een gansch uur in de holle oogen van een doodshoofd staren, het betoovert en maakt de hersenen duizelig. Arme oom, hij is zeer ziek, zijne verbeelding is verdwaald. Er is, eilaas, niets aan te doen. Wat ben ik moede! Eten wij metterhaast een beetje, en zoeken wij troost en verkwikking in de rust."
Hij verliet het priëel en richtte zijne stappen naar de woning des hoveniers. Zijn geest was beneveld en zijn hart weemoedig. Hij vond Jakob Mispels en zijne vrouw druk bezig bij den haard met de bereiding van zijn avondmaal; er lag reeds een wit ammelaken over de tafel gespreid.[Pg 40]
De hovenier, zoohaast hij den groet des jongelings hoorde, kwam hem te gemoet geloopen, greep zijne hand en vroeg met koortsige nieuwsgierigheid:
"Welnu, welnu? Hoe is het afgeloopen? Heeft uw oom u goed onthaald? Is hij tevreden over u?"
"Ik vermeen het te mogen denken," was het antwoord.
"Heeft hij u van zijnen dood, van zijnen schrikkelijken dood gesproken?"
"Ja, meer dan ik verlangde."
"Hoe? Hij zou u gezegd hebben, dat de duivel....?"
"Laat mij gerust met die gekheden, Jakob," morde Willem ontevreden. "Mijn arme oom verbeeldt zich, dat hij gaat sterven, dit is alles."
"Zoo, gij meent het? Gij twijfelt aan de waarheid van hetgeen ik u heb gezegd?"
"Geloof hem niet, Willem," viel Peternelle haren man in de rede. "Al wat hij vertelt, zijn dwaasheden. Men zou welhaast gaan meenen, dat hij kindsch wordt."
"Ik kindsch?" grommelde Jakob dreigend. "Ik zal u straks over die beleediging spreken!"
"Mijn oom is ziek, ziek in het hoofd," zuchtte de jongeling. "En er blijft weinig hoop op genezing!"
"Ziek in het hoofd? Zot, wilt gij zeggen? De pastoor schijnt zulks ook te denken; maar het is niet waar: mijn meester heeft te veel verstand en te veel geleerdheid, ziedaar de eenige oorzaak van zijn ongelukkig lot."
Ondertusschen had de vrouw de spijzen opgediend.
"Mijnheer Willem," zeide zij, "gelief u daar bij de tafel te zetten. Ik heb gedaan wat in mijne macht was om u een goed avondmaal te bereiden. De reis zal u eetlust gegeven hebben. Moge de keuken der oude Peternelle u bevallen!"
Met betuigingen van dankbaarheid begon Willem de hem voorgediende spijzen te nuttigen.
Jakob was reeds bezig met opnieuw van zijnen meester en van den duivel te spreken.
"Maar, om Gods wil, zwijg toch een beetje en laat mijnheer gerust, terwijl hij eet!" zeide zijne vrouw.
"Wat heeft een mensch van zwijgen?" wedersprak de hovenier. "Als men eet, kan men des te beter luisteren. Gij denkt zeker, dat ik mijnheer Willem, het kind, dat ik op de armen heb gedragen, in eene dwaalgedachte zal laten, als ik de mogelijkheid zie om hem van de waarheid te overtuigen? Gij gelooft, Willem, dat mijn meester geene betrekkingen heeft met den zwarten man? Gij hebt dus geene acht op Nox gegeven, en u is het niet klaarblijkend geworden, dat Nox niets anders is dan een geest, een Mistoffel, die hem bewaakt?"[Pg 41]
"Nox is een hond gelijk alle andere honden," bemerkte de jongeling.
"Een hond gelijk alle andere honden? Kendet gij de geschiedenis van dien helschen dienaar, welken gij meent voor een beest te mogen aanzien, gij zoudt wel anders spreken. Maar waarom zou ik u die geschiedenis niet vertellen, terwijl gij toch niets te doen hebt dan te eten? Vrees niet, zij is schrikkelijk, doch kort. Welnu, luister. Het is tien jaar geleden, sedert den 13den Juli; mijn meester leefde wel eenzaam, maar de zaken gingen op Wildenborg niet als nu. Op eenen zekeren nacht werden wij onverwachts gewekt door een vreemd geraas in de lucht. Het was, alsof de aarde beefde, alsof er honderd wagens te gelijk door den hemel reden. Daarop begon het te bliksemen en te donderen, dat wij meenden de wereld te zien vergaan. Het vuur des hemels was zoo hevig, dat wij de handen voor de oogen moesten houden om niet met blindheid te worden geslagen. Vol schrik en angst loop ik met mijne vrouw naar het kasteel, en daar vinden wij mijnheer—die alsdan zich zelven nog niet opsloot—bezig met in een boek vol groote zwarte letteren te lezen. Het tempeest groeit aan, de donderslagen doen het kasteel op zijne grondvesten daveren; daar vallen eensklaps hagelsteenen zoo zwaar als duiveneieren, en de verbrijzelde schalien vliegen kletterend door de lucht.... Wij stonden nevens mijnheer te beven en te bidden, toen eensklaps een klagend noodgeroep, al van een stervend mensch, zich buiten het kasteel liet hooren. Mijnheer Reimond sprong met verrassing recht en zeide mij: "Jakob, er is iemand voor het hek, die om hulp roept. Hij smeekt om eene schuilplaats: ga opendoen en laat hem binnen." Hadde men mij op dit akelig oogenblik eenen hooiwagen vol goud willen geven, ik hadde geenen enkelen voet buiten gezet. Mijn meester zag het wel; want hij ging zelf naar het hek en keerde even ras terug met eenen hond, dit is te zeggen met den duivel, die zijn Mistoffel moest worden. Nauwelijks was het gruwelijke beest binnengelaten, of een donderslag, als van honderd kanonnen, trof het kasteel en scheurde zijnen gevel tot in den grond. Ik schreeuwde om hulp en mijne vrouw viel buiten kennis op den vloer.... Het is sedert dan, dat de arme Peternelle half stom geworden is. Ziedaar, Willem, de geschiedenis van Nox. Is het zóó, dat een gewone hond ergens aankomt? Eilaas, in dien schromelijken nacht heeft mijn arme meester zijne ziel aan den zwarten man verkocht, en nu is zijn tijd om. Gelooft gij nu nog, Willem, dat ik niet weet wat ik zeg? Nox? Nox? Is dit een naam voor den hond van een Christenmensch, zeg?"
"Die naam is Latijn, en hij beteekent eenvoudig nacht," mompelde Willem, de schouders ophalende.
"Nacht! Ziet gij wel, dat Nox een geest der duisternis moet zijn?[Pg 42]"
De jongeling, die niet den minsten lust had om langer naar de vertelsels van den spreekzieken Jakob te luisteren, stond van de tafel op.
"Ik dank u, mijne vrienden, en u bijzonderlijk, goede Peternelle," zeide hij. "Het avondmaal was wel bereid, en het heeft mij uitmuntend gesmaakt. Het is nu bijna donker daarbuiten, ik gevoel mij vermoeid en slaperig. Wees zoo goed, Jakob, en leid mij naar mijne kamer."
Ondanks de pogingen, welke de hovenier aanwendde, om hem wat te doen blijven en onder het drinken van een glas bier een avondkoutje te houden, wilde Willem volstrekt naar bed gaan. Inderdaad, hij kon de oogen schier niet meer geopend houden van vermoeidheid.
"Welnu, morgen zult gij uitgerust zijn," zeide Jakob. "Uitgesteld is niet verloren—Peternelle, ga in den stal, haal de lantaarn en ontsteek het licht er in. Hoe, Willem, gij meent, dat er geene duivels zijn?"
"Ik heb dit niet beweerd," zeide de jongeling met ongeduld.
"Maar gij gelooft toch niet, dat de duivel zielen koopt of menschen weghaalt. Ik weet eene geschiedenis, die klaar bewijst dat gij u bedriegt, en ik ga ze u vertellen."
"Gij zijt onbarmhartig voor mij, Jakob. Vertel zooveel gij wilt, ik antwoord niet meer."
"Dit is mij gelijk, indien gij mij slechts laat spreken. Ziehier de zaak. In het dorp Neerglabeek waren eens boerenknechts, op eenen heiligendag onder de hoogmis, in eene herberg. Zij zouden gaarne met de kaart gespeeld hebben, maar daartoe moesten zij gevieren zijn, en zij waren slechts gedrieën. Er treedt een vreemdeling binnen, die een glas bier vraagt. Op het eerste voorstel der drie knechts stemt hij toe om de vierde man bij het kaartspel te zijn."
De vrouw verscheen met de lantaarn, Willem wenschte haar goedennacht en stapte ten huize uit, gevolgd door den ouden Jakob, die onderweg zijn vertelsel dus voortzette.
"Zij waren lustig aan het spelen, maar een der knechts stoot met zijne mouw het krijt van de tafel en bukt zich om het op te rapen. Wat ziet hij, o hemel! Hij ziet, dat de vreemde makker paardevoeten heeft!"
Ondanks zijne verveling kon Willem zich niet wederhouden van met de wonderlijke eenvoudigheid van zijnen ouden leidsman te lachen.
"De arme knechts lachten niet," hernam Jakob Mispels. "Zij sprongen kermend recht en wilden vluchten, maar er kwam een schromelijke donderslag, en al de kaartspelers waren verdwenen! Het stonk er in de kamer, als hadde men er honderd busselen solferstekken gebrand.... Zie, daar in dat achterpoortje van het[Pg 43] kasteel moeten wij zijn. Ik heb uwe kamer gereed gemaakt, en ik hoop dat u niets zal ontbreken. Volg mij, ik zal u den weg wijzen."
Hij bracht den jongeling boven eene trap en voor eene kamer. Daar lagen op den grond twee half verbrande stokken, dwars over elkander, in de gedaante der letter X.
"Trap daar niet op en ontschik het niet," zeide de hovenier.
"Wat beteekent dit?" mompelde Willem.
"Dit is een onfeilbaar middel om u voor nachtelijk ongeluk te behoeden," was het antwoord. "Zulke houten zijn een onoverstapbare dwarsboom voor alle tooverheksen, duivels, spoken, kabouters, nikkers en ander helsch gespuis."
Van ongeduld schier buiten zich zelven, greep de jongeling de stokken van den grond en wierp ze tot beneden de trap.
"Gij zoudt mij eindelijk nog de koorts doen krijgen, of mij zoo dom maken als.... als een visch."
"Ho, word daarom niet kwaad, mijn lieve Willem," zuchtte de oude man vreesachtig. "Ik doe het met een goed inzicht; maar wilt gij liever gevaar loopen van iets schrikkelijks te zien, het staat u vrij."
"Dit is de kamer, waar ik den nacht moet doorbrengen, niet waar? Welnu, Jakob, ga naar huis en wees gerust, mij zal niets geschieden. Laat mij slapen zoolang het mij lust en wek mij niet ontijdig. Goeden nacht.... Wilt gij niet heengaan?..."
"Ja, ja, zeker, ik ga," zeide Jakob, de trappen langzaam afdalende. "Die steedsche menschen hebben harde koppen; maar zij weten het niet goed. Als ik nog denk aan hetgeen den zandboer van Hechtel is overkomen! Die meende ooit, dat men geene spooken moet vreezen, maar hij werd, och arme, deerlijk gestraft. Op eenen nacht zag hij eene witte gedaante—als een geraamte, met eenen witten lijkdoek op de schouders—die hem met den vinger wenkte. Halfdood van schrik en bevend...."
Hij was reeds beneden de trap, en zijne stem werd onvatbaar voor Willem, die binnen de kamer was getreden en in aller haast zich ontkleedde.
Een oogenblik daarna lag de vermoeide jongeling reeds onder de lakens, op een bed, dat hem goed en zeer zacht scheen.
Hij sloot de oogen en twijfelde niet, of hij zou onmiddellijk in slaap vallen; maar naarmate zijn hoofd verzwaarde, scheen zijn geheugen of zijne verbeelding eene onwillekeurige werkzaamheid te krijgen. Hij zag allerlei vreemde dingen in de duisternis voor zijne oogen wemelen: spoken, geesten, duivels, zwarte honden, geraamten, doodshoofden. Ofschoon hij wel wist, dat dit slechts eene begoocheling zijner ontstelde zinnen[Pg 44] was, stond niettemin het koude zweet hem op het aangezicht en klopte zijn hart van zenuwachtigen angst.
Eindelijk toch bezweek hij onder de afgematheid en viel in eenen diepen slaap.
Des anderen daags 's morgens was de oude Jakob vroeger dan naar gewoonte opgestaan. Hij was zichtbaar bekommerd, en ging uit het huis en keerde weder, zonder doel of reden, evenals iemand, die vervolgd wordt door eene angstige gedachte. Zijne vrouw bleef wel een uur sprakeloos, en scheen geene acht op zijne ongerustheid te slaan. Toen zij hem eindelijk vroeg, wat hem dus over en weder deed dwalen, vertelde hij haar, dat hij eenen leelijken droom had gehad en nog beefde van het akelig gezicht, dat hem had verschrikt.
"Ach, Peternelle," zeide hij, "ik lag gerust te slapen. Eensklaps werd ik wakker en hoorde iemand om hulp roepen op eenen toon, zoo klagend en zoo scheurend, dat het mij als een mes door het harte sneed. Het is te begrijpen, ik herkende de stem van Willem!.... Ik spring van het bed en open het venster, mijne haren rijzen te berge op mijn hoofd, ik moet mij vasthouden om niet van vervaardheid neder te storten. Schromelijk schouwspel, dat voor mijne oogen voorbijschiet! Daar zie ik den zwarten man, die lachend door de lucht vliegt. Met zijnen klauw houdt hij een mensch bij het haar, terwijl hij met den anderen hem het vleesch van de leden rukt. Het arme slachtoffer schreeuwde om hulp, dat gansch Wildenborg er van weergalmde. Eilaas, het was Willem, die dus door den boozen geest werd weggehaald!"
"Om 's hemels wil, Jakob, waarom mij altijd doen beven met uwe ijselijke vertelsels?" zeide de vrouw verstoord.
"Hebt gij niets gehoord, Peternelle?"
"Wat zou ik gehoord hebben, vermits gij het hebt gedroomd?"
"Maar indien het eens eene verwittiging was?"
"Laat mij gerust," knorde de vrouw. "Gij breekt u des nachts het hoofd, om mij des daags te kunnen verschrikken. Ik moet werken, het huis opschikken, de koe verzorgen en aan het ontbijt van mijnheer Willem denken."
"Geve God, dat hij uw ontbijt nog noodig hebbe," zuchtte Jakob.[Pg 45]
"Babbel zooveel gij wilt, ik luister niet meer naar uwe kinderachtigheden," zeide de vrouw, terwijl zij eenen emmer greep en zich naar den stal begaf.
Jakob bleef nadenkend op de achterdeur staren en schudde met ontevredenheid het hoofd.
Na lang wachten keerde hij zich om, ging met tragen stap in den hof, naderde allengs tot het achtergedeelte van het kasteel en bleef daar, met de armen op de borst gekruist, in de hoogte zien naar een gesloten venster.
Eene wijl mompelde hij in zich zelven, schudde het hoofd en maakte stille gebaren, maar, als nam hij een plotselijk besluit, hij verliet deze plaats, greep onderweg eene spade en ging in eene soort van moeshof, waar hij een afgemaaid klaverbed begon om te spitten.
Het was zichtbaar, dat hij onder den arbeid evenzeer vervolgd bleef door aanjagende en kommervolle gepeinzen, want niet zelden onderbrak hij zijn werk, om van verre tot het gesloten venster op te zien, en dan ontsnapte hem telkens een gemor van ongeduld of van angst.
Zijne ongerustheid werd grooter en grooter, en toen hij ongeveer gedurende een uur zijn werk met vele onderbrekingen had voortgezet, plantte hij zijne spade in den grond en zeide:
"Neen, ik kan het niet meer uithouden! Reeds sedert drie uren is de zon aan den hemel—en nog niet opgestaan? Het is niet natuurlijk. Was mijn droom eene waarschuwing? De vrees, de twijfel doet mij vergaan. Hij heeft mij verboden hem te wekken, maar is mijne komst hem bij geval onaangenaam, wat beteekent het in vergelijking van de benauwdheid, die ik doorsta? En daarenboven met eens op de teenen naar boven te gaan, zal ik hem niet wekken, indien hij waarlijk slaapt. Het is gelijk, dit gewicht moet mij van het hart!"
Terwijl hij deze woorden sprak, had hij den moestuin verlaten en naderde nu het achterdeel van het kasteel. Hij opende de deur zeer langzaam, opdat ze, draaiende, niet op hare hengsels zou knarsen, en stapte met looze treden in den gang.
Aan den voet van de trap bleef hij eensklaps staan, hief zijne handen omhoog, deinsde verbleekend terug en morde huiverend:
"Hemel! het riekt hier naar de solfer! Zou er een ijselijk ongeluk geschied zijn? Mijn droom? Vluchten wij!"
Maar waarschijnlijk twijfelde hij zelf aan den waren aard van den reuk, dien hij meende gewaar te worden, want na eene wijl naderde hij de trap en klom voet voor voet naar boven.
Hij bemerkte tot zijnen grooten schrik, dat de deur der kamer gansch openstond. Dit gezicht gaf hem een akelig voorgevoel, en het was met kloppend hart en aarzelend, dat hij binnen de kamer sloop.[Pg 46]
Daar ontvloog hem een schreeuw, hij sprong, bleek als een doode, terug tot tegen den muur, en waggelde op zijne beenen van verschriktheid.
Het bed was ledig en het deksel lag half ten gronde, als hadde men den slapende met geweld van zijne rustplaats weggerukt.
Zoohaast de arme hovenier den adem en het bewustzijn terugkreeg, sprong hij huilend ter kamer uit, viel schier van al de trappen, vluchtte door den hof en liep in zijn huis, waar hij zich op eenen stoel liet zakken en kermend uitriep:
"Peternelle, Peternelle, water en azijn: laaf mij, of ik val van mij zelven! Eilaas! eilaas, men wil mij niet gelooven, daar hebt gij het nu! Die ongelukkige, die arme Willem! Hadde hij nooit den voet op dit vermaledijd kasteel gezet! Zulk einde en nog zoo jong!"
"Water en azijn? Wat is er gebeurd? Hebt gij weder iets uitgevonden om mij vervaard te maken?" vroeg de vrouw verbleekend.
"Neen, neen, Peternelle, ditmaal is het ernstig waar," antwoordde Jakob.
"Is mijnheer Reimond overleden? Eilaas, het moest er toch eens van komen. God zij zijne arme ziel genadig!" zuchtte de vrouw, haar voorschoot aan de oogen brengende.
"Veel erger, veel erger, Peternelle! Laat mij adem scheppen, laat mij een beetje bekomen. Houd u sterk, vrouw lief. Het is om daar neder te vallen en nooit meer op te staan."
"Welnu, indien onzen meester niets overkomen is, wat nieuw inbeeldsel ontstelt er dan uwe zinnen?"
"Zwijg, spreek zoo niet, Peternelle. Uwe ongeloovigheid zou u een ongeluk over het hoofd kunnen halen. Peternelle, ik ben gaan zien naar de kamer.... naar de kamer van Willem, en—God beware ons!—het bed is ledig!"
"Het bed is ledig?" morde de vrouw. "Dit is zonderling en verwonderlijk, inderdaad."
"Niet waar? Die arme jongen! Het deksel lag verward, en men kon zien, dat er een schrikkelijk geweld.... O, hemel, mijn droom van dezen nacht was dus waarheid!"
"Lagen de kleederen van Willem in de kamer?" vroeg Peternelle, die geweld deed om tegen de verschriktheid te worstelen.
De hovenier wreef zich het voorhoofd als om zijn geheugen op te klaren.
"Zijne kleederen?" herhaalde hij. "Neen, die heb ik niet bemerkt."
"Gij ziet wel, Jakob, dat gij u alweder door uwe verbeelding laat verleiden en mij nutteloos den dood op het lijf jaagt?"[Pg 47]
"Hoe dat?"
"Wel, begrijpt gij niet, sukkelaar, dat, indien mijnheer Willem in zijnen slaap door Gods vijand ware verrast geworden, zijne kleederen toch in de kamer zouden gebleven zijn?"
"Dit is niet zeker, Peternelle. Ik weet eene geschiedenis van eenen smid, die zijne ziel aan den zwarten man had verkocht en toen Lucifer kwam om hem te halen, gaf hij hem den tijd om zich eerst te wasschen en op te kleeden."
"Kindervertelsel! Het was zeer vroeg, toen mijnheer Willem gisteren te bed ging. Hij zal zijne kamer verlaten hebben, om eene morgenwandeling te doen. Misschien is hij buiten het kasteel en in het bosch. In stede van hier te blijven beven, ga, zoek naar mijnheer Willem, gij zult hem vinden en van uwe ijdele benauwdheid verlost worden."
"Gij meent het, Peternelle? O, mocht gij u niet bedriegen! Ik ga, ik loop, ik zal het gansche kasteel en zijne omstreken doorzoeken, en roepen en schreeuwen.... maar, eilaas, ik vrees, dat het er weinig zal aan helpen. Arme jongen, arme jongen!"
En het hoofd met moedeloosheid schuddende, liep hij de deur uit.
De vrouw hernam haar huiswerk en schonk de koffie op, zij legde eenige eieren in een keteltje met ziedend water, en spreidde een ammelaken over de tafel.
Alhoewel zij zich sterkmoedig had getoond in het bestrijden der bijgeloovigheid van haren man, was zij evenwel niet zonder eenige ongerustheid. Zij had een kruis gemaakt en prevelde een stil gebed tusschen het gaan en keeren, om haren arbeid te verrichten.
"God zij geloofd, daar is mijnheer Willem!" riep zij eensklaps uit, den jongeling vroolijk toelachende.
"Goeden dag, Peternelle," zeide Willem. "Hoe verblijdt u mijne komst! Gij ziet er bekommerd en angstig uit?"
"Zit neder, mijnheer. Hebt gij wel geslapen?"
"Zeer wel, uiterst wel; ik was ook zoo vermoeid."
"En gij hebt niets gezien? Niets?"
"Wat zou ik gezien hebben, mijne lieve Peternelle?"
"Ach, mijn man heeft mij vervaard gemaakt, hij is naar uwe kamer gegaan, heeft het bed ledig gevonden en meende, dat u een schrikkelijk ongeluk moest overkomen zijn."
De jongeling haalde medelijdend de schouders op.
"Waar is Jakob?" vroeg hij.
"Hij is naar u gaan zoeken, op het kasteel, in de velden, in het bosch. Hij zal mij nog van benauwdheid doen sterven met zijne dwaasheden. Daar is uw ontbijt, mijnheer, denk niet meer aan onze gekke vrees."
De jongeling begon de koffie te nuttigen en at langzaam het[Pg 48] brood en de eieren, die hem waren voorgezet. Zijn geest moest insgelijks door droeve overweging beneveld zijn, want hij onderbrak soms zijn ontbijt, zuchtte en schudde het hoofd met mismoed.
"Gij zijt treurig, mijn goede Willem," bemerkte de vrouw. "En gij zegt nogtans, dat gij wel hebt geslapen?"
"Ja Peternelle," was het antwoord, "ik ben treurig. Dezen morgen, toen ik wakker geworden was, kwamen allerlei pijnlijke gedachten mij bestormen. Ik heb mijne kamer verlaten om onder de opene lucht verkwikking te zoeken, achter het kasteel ligt er een groote boom, die, door den wind uitgerukt, over de gracht gevallen is. Langs daar geraakte ik in de bosschen. Die wandeling heeft mij weemoedig gemaakt.... Geloof gij insgelijks, Peternelle, dat mijn oom overmorgen zal sterven?"
"Eilaas, hij zal sterven!" zuchtte zij.
"En meent gij ook, gelijk Jakob, dat de duivel, of ik weet niet welke bovennatuurlijke oorzaak, daarmede bemoeid is?"
De oude vrouw schudde ontkennend het hoofd.
"Ha, gij gelooft het niet? Gij hebt een gezond verstand, gij Peternelle?" riep de jongeling. "Welnu, wat is uwe gedachte over de onbegrijpelijke ziekte mijns ooms?"
"Mijne gedachte is, dat onze arme meester, door het eeuwig studeeren en zoo gansch opgesloten te leven, zijne zinnen eenigszins heeft gekrenkt. Ik heb het altijd gevreesd, maar mijn man maakt mij zoo vervaard met zijne ijselijke droomen en zijne akelige vertelsels, dat ik zelve niet goed meer weet, of ik nog bij mijn volle verstand ben."
"Arme Peternelle, gij moet niet veel vermaak van uw leven gehad hebben op Wildenborg. Is hier nooit een geneesheer gekomen?"
"Mijnheer Reimond wil van geene dokters hooren spreken, en hij heeft gedreigd ons van Wildenborg te doen verhuizen, indien wij ooit eenen dokter op Wildenborg toelieten."
"Alzoo, Peternelle, gij zijt zeker, dat mijn arme oom gaat sterven, en gij hebt geene de minste hoop meer op de behoudenis zijns levens?"
"Eilaas, niet de minste. De pastoor van het dorp zegt het insgelijks, er is niets aan te doen!"
"Ha, de pastoor komt somwijlen op Wildenborg?"
"Hij komt er dikwijls, hij is de eenige mensch, die tot mijnheer Reimond mag naderen. Zij zijn goede vrienden. Zoohaast de arme menschen in het dorp nood hebben, komt de pastoor op Wildenborg, en onze meester schenkt hem telkens eene milde, zeer milde aalmoes. Ook voor de kerk is mijnheer Reimond vrijgevig, hij heeft eene aanzienlijke somme gelds geschonken, om eenen kelk en een groot kruis van louter zilver te[Pg 49] doen maken. Die kostelijke juweelen versieren op de hoogtijden het autaar, en, wees zeker, er is in twintig uren in het rond niets rijkers of schooners te zien."
"Zonderling!" mompelde Willem, "en uw man gelooft, dat zulk godvruchtig en goedhartig mensch betrekkingen heeft met den duivel!"
"Mijn man is een sukkelaar," antwoordde Peternelle. "Hij was zoo van zijne kindsche dagen af, hij droomt van niets dan van spoken en geesten. Vroeger lachte ik daarmede, en zijne dwaze vertelsels ontstelde