[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org
Title: Het Leven der Dieren
Hoofdstuk 8: De Tandeloozen; Hoofdstuk 9: De Slurfdieren;
Hoofdstuk 10: De Onevenvingerigen
Author: A. E. Brehm
Release Date: February 8, 2007 [EBook #20542]
Language: Dutch
Character set encoding: ISO-8859-1
*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
De bloeiperiode van deze Zoogdieren-orde is voorbij. In den voortijd leefden in Brazilië Tandeloozen, zoo groot als een Neushoorndier en nog grootere; de kolossaalste, thans nog levende leden der orde hebben hoogstens de afmetingen van een flinken Wolf. Onder de uitgestorven soorten waren er, die een overgang vormden tusschen familiën van hedendaagsche Edentaten, die nu door diepe kloven van elkander gescheiden schijnen. Maar ook aan enkele van de thans nog bestaande soorten zal misschien weldra het lot beschoren zijn om, evenals de vormen der voorwereld, vernietigd te worden: hunne dagen zijn geteld.
Bij de leden dezer diergroep is weinig te bespeuren van overeenstemming, die men bij de vertegenwoordigers van elk der andere Zoogdieren-orden opmerkt. Het belangrijkste kenmerk, dat zij gemeen hebben, en dat hen van de overige Zoogdieren onderscheidt, is de eigenaardige samenstelling van het gebit. Er zijn onder de Tandeloozen wezens, waarop de naam der orde in haar zuiverste beteekenis toepasselijk is, daar bij hen geen spoor van tanden voorkomt; bij de overige, die wel degelijk (en soms zelfs zeer vele) tanden hebben, ontbreken nagenoeg altijd de snijtanden; de tusschenkaaksbeenderen zijn nl. bij alle Edentaten weinig ontwikkeld, en alleen de in deze beenderen voorkomende tanden met die, welke er in de onderkaak aan tegenovergesteld zijn, heeten snijtanden. (Alleen bij de Gordeldieren treft men een paar onbeduidende tandjes in het tusschenkaaksbeen aan.) Echte hoektanden zijn er evenmin; deze naam komt nl. toe aan de tanden, die op den grens van het tusschenkaaksbeen en van het eigenlijke bovenkaaksbeen geplaatst zijn. Nu is wel bij eenige Luiaards de voorste kies zeer dicht bij den voorrand van het bovenkaaksbeen gelegen en door een tusschenruimte van de overige kiezen gescheiden; hij onderscheidt zich echter in geen enkel opzicht van de maaltanden behalve door zijn grootere lengte. De maaltanden of kiezen hebben steeds een eenvoudigen, cilindrischen of prismatischen vorm en zijn door tusschenruimten van elkander gescheiden. Zij zijn wortelloos en bestaan uitsluitend uit tandbeen en cement, zonder eenig email. Slecht bij weinige soorten (Aardvarkens en sommige Gordeldieren) worden zij gewisseld,—gewoonlijk dus maar éénmaal gevormd. Het aantal van deze tanden varieert van de eene familie tot de andere, en verschilt soms zelfs aanmerkelijk bij soorten, die tot eenzelfde groep behooren: eenige hebben slechts 20, andere wel 100 tanden.
De nagels zijn bij deze dieren zeer krachtig, maar eveneens vreemdsoortig ontwikkeld. Zelden zijn de teenen volkomen beweeglijk, altijd echter dragen zij nagels, die het uiteinde van het nagellid geheel omgeven, en zich hierdoor reeds duidelijk onderscheiden van de eigenlijke klauwen, die altijd aan het onderste gedeelte van de holle zijde een spleet vertoonen. Bij sommige zijn zij zeer lang, sterk gekromd en zijdelings samengedrukt, en bewijzen bij ’t klimmen belangrijke diensten, bij andere zijn zij korter, breed, bijna schopvormig en uitmuntend geschikt voor ’t graven en wroeten in den grond.
Door het bespreken van het gebit en van de nagels hebben wij de algemeene kenteekenen van de Edentata uitgeput; want in alle andere opzichten vertoont hun lichaamsbouw een zeer groote menigvuldigheid van verschijnselen. Hun lichaamsbekleeding vooral wisselt af binnen zeer wijde grenzen; deze afwijkingen zijn nagenoeg even groot als bij alle overige Zoogdieren tezamen genomen. Sommige dragen een dichte, zachte vacht, andere een ruig, dor haarkleed; deze zijn met borstels, gene met schubben bedekt; bij eenige is het lichaam gehuld in een uit schilden (door een hoornlaag bedekte beenplaten) samengesteld pantser, zooals bij geen der andere Zoogdieren gevonden wordt.
De Edentaten zijn thans tot drie faunistische rijken beperkt, n.l. tot het Oostersche, het Ethiopische en het Zuid-Amerikaansche. Azië bevat slechts Schubdieren, Afrika bovendien nog Aardvarkens. De Edentaten-fauna van Zuid-Amerika biedt een grootere verscheidenheid van vormen aan; hier vindt men de Luiaards, de Mierenleeuwen en de Gordeldieren. Van de thans levende zoowel als van de uitgestorvene Tandeloozen, valt in overeenstemming met de ongelijkheid van hun lichaamsbouw, ook een zeer belangrijk verschil in levenswijze te vermelden.
In de eerste plaats moet de familie van de Luiaards (Bradypodidae) genoemd worden omdat de weinige, hiertoe behoorende soorten nog het meest van alle Edentaten door hun uiterlijk op de overige Zoogdieren met klauwen gelijken. Naast deze maken zij echter door hun onbehaaglijken lichaamsbouw, hunne stompzinnigheid en traagheid een zeer treurige figuur. Buffon beschouwde ze als “door de natuur stiefmoederlijk bedeelde diervormen, de eenige, die reeds bij de geboorte ware toonbeelden van ellende zijn.”—De voorste ledematen zijn bij hen aanmerkelijk langer [359]dan de achterste, de voeten met kolossale, sikkelvormige klauwen gewapend. De hals is betrekkelijk lang en draagt een ronden, korten kop. Wegens de geringe ontwikkeling der tusschenkaaksbeenderen, de kortheid en breedte der neusbeenderen verkrijgt het aangezicht een zonderling stomp aanzien, waardoor het op dat van een Aap gelijkt; de kleine mondopening wordt door meer of minder harde, weinig beweeglijke lippen begrensd; de oogen zijn klein, de oorschelpen geheel in de vacht verborgen. De staart is een niet of nauwelijks zichtbaar stompje. De haren van het volwassen dier zijn lang en grof als hooi, en hebben een geheel anderen val dan bij de overige dieren; zij zijn n.l. van den buik naar den rug gericht. Bij de in vrijheid levende dieren hebben zij een groenen tint door een Alge (Chroolepus), die er op leeft. Zeer opmerkelijk en geheel afwijkend van ’t geen bij de overige Zoogdieren voorkomt, is de bouw van de wervelkolom. In plaats van 7 halswervels, zooals bij alle andere leden der klasse, vindt men er bij enkele Luiaards 6, bij andere 9, bij uitzondering zelfs 10; het aantal ribbendragende wervels (rugwervels) bedraagt bij den Aï 14, bij den Unau 24. Het gebit bestaat uit 5 cilindervormige maaltanden in elke helft van de bovenkaak; in de onderkaak zijn er bij Choloepus vier, bij Bradypus vijf; de voorste van elke reeks is bij Choloepus grooter dan de volgende en hoektandvormig; bij Bradypus is hij daarentegen kleiner dan de overige.
Het verbreidingsgebied van de Luiaard is tot Zuid-Amerika beperkt. De groote wouden in de vochtige vlakten van dit vasteland, waar de plantenwereld het toppunt van ontwikkeling bereikt, verschaffen woonplaatsen aan deze merkwaardige wezens. Hoe wilder, donkerder en schaduwrijker het woud is, hoe ondoordringbaarder de wildernis, des te geschikter schijnen deze plaatsen voor het leven van de genoemde dieren, die, daar zij tegen andere dieren niet opgewassen zijn, op een minder goed beschutte woonplaats reeds voor lang het onderspit gedolven zouden hebben.
*
De tweeteenige Luiaards (Choloepus) houd ik voor de hoogst ontwikkelde. Zij zijn te herkennen aan den tamelijk grooten kop met vlak voorhoofd en stompen snuit, den betrekkelijk korten hals, den slanken romp (die geen uitwendig waarneembaren staart draagt), de lange, schrale ledematen (de voorste zijn met 2, de achterste met 3 zijdelings samengedrukte, sikkelvormige klauwen gewapend), het sluike, zachte haar zonder wolhaar, het gebit en het gering aantal halswervels.
De Unau (Choloepus didactylus) bewoont Suriname en andere deelen van Guyana; hij kan ongeveer 70 cM. lang worden. Het lange haar, dat aan den kop naar achteren, aan den borst en den buik echter naar den rug gestreken is en hier een kruin vormt, is in het aangezicht, aan den schedel en in den nek witachtig olijfgroen-grijs, aan den romp olijfgrijs, op den rug donkerder dan aan de onderzijde, aan de borst op de voorpooten en schouders en op de onderbeenen olijfbruin; de onbehaarde lichaamsdeelen (de snuit en de zolen van voor- en achtervoeten) zijn vleeskleurig (de snuit met bruinachtigen tint); de klauwen zijn blauwachtig grijs.
*
In het tweede geslacht vereenigt men de Drieteenige Luiaards (Bradypus). Zij zijn gedrongen gebouwd, hebben een kleinen kop met scheef afgeknotten snuit en kleine, door harde lippen begrensde mondopening, een zeer langen hals, een duidelijk waarneembaren, zijdelings afgeplatten staart en tamelijk korte, krachtige ledematen; zoowel de voorvoeten als de achtervoeten zijn met drie zeer sterk zijdelings samengedrukte, sikkelvormige klauwen voorzien. Het haar vertoont op den kop een scheiding, van waar het naar onderen afhangt, overigens is het echter, evenals bij de dieren van het vorige geslacht, van de buikzijde naar de rugzijde gericht; de zolen zijn bijna geheel behaard.
De Aï (Bradypus tridactylus, B. pallidus) is een bewoner van Brazilië; hij bereikt een lengte van 52 cM., met inbegrip van den 4 cM. langen staart. De vacht bestaat uit fijne, korte, dicht bijeengeplaatste wolharen, waaraan men de drie overlangsche strepen van de rugzijde van den romp het best kan waarnemen, en uit lange, droge, harde, eenigszins gladde, op hooi gelijkende bovenharen. De vacht is bleek roodachtig aschgrauw op de bovendeelen, zilvergrijs op den buik; de klauwen zijn geelachtig of bruinachtig geel.
De Luiaards zijn echte boomdieren, evenals de Apen en de Eekhoorntjes. Deze gelukkige wezens bewegen zich echter naar welgevallen in de kronen der boomen, terwijl gene met moeite, als ’t ware kruipend, van den eenen tak op den anderen overgaan. Wat door de vlugge en overmoedige beheerschers der wouden een pleizierwandeling wordt geacht, is in de oogen van den Luiaard een lange, bezwaarlijke reis. Hoogstens tot een uit weinige leden bestaand gezelschap vereenigd, leiden deze trage dieren een eentonig leven, waarin zij langzaam van den eenen boom naar den anderen trekken. Vergeleken met hunne bewegingen op den grond, is hun behendigheid in ’t klimmen zeer opmerkelijk. Hunne lange armen veroorloven hen ver afgelegen takken te grijpen, terwijl hunne kolossale klauwen hen in staat stellen zich zonder moeite vast te houden. Hun wijze van klimmen is geheel anders dan die van alle overige boombewoners, want bij hen is het regel, wat bij deze als uitzondering voorkomt. Terwijl zij den romp naar onderen laten afhangen, reiken zij met hunne lange armen opwaarts naar de takken, haken zich hieraan vast met hunne klauwen en schuiven zich op hun gemak voort van twijg tot twijg, van tak tot tak. Zij schijnen echter trager, dan zij werkelijk zijn. Als nachtdieren brengen zij wel is waar den geheelen dag door zonder zich te bewegen; reeds in de schemering echter worden zij wakker en ’s nachts zwerven zij rond, wel is waar langzaam, maar toch niet lui, door een grooter of kleiner gebied al naar dit tot bevrediging van hunne behoeften noodig is. Zij voeden zich uitsluitend met knoppen, jonge loten en vruchten en vinden in den overvloedigen dauw, dien zij van de bladen aflekken, een voldoende vergoeding voor het hun ontbrekende water. Ook bij het zoeken en opnemen van het voedsel toonen zij een onmiskenbare traagheid: zij zijn sober, niet veeleischend en geschikt om dagen achtereen, volgens sommigen zelfs weken lang, honger en dorst te lijden, zonder er eenig nadeel van te ondervinden. Zij verlaten een boom niet, zoolang deze hun nog voedsel kan verschaffen; eerst wanneer de voorraad eetbare bestanddeelen schaarsch wordt, denken zij er aan een anderen boom op te zoeken; met dit doel gaan zij langzaam tusschen de takken naar beneden, zoeken een plaats uit, waar de takken van de naburige boomen tusschen die van den door hen bewoonden boom doordringen en bereiken [360]langs dezen hoog boven den grond gelegen brug het einddoel van den tocht.

Aï (Bradypus tridactylus). ¼ v.d. ware grootte.
Op den bodem zijn deze tot levenslange gevangenschap op de boomen gedoemde wezens niet thuis. Hun gang, of liever het hiervoor in de plaats tredende, gebrekkig voortzeulen van het lichaam over den grond, is van dien aard, dat het medelijden van den toeschouwer er door gewekt wordt. Evenals de langzame Landschildpad tracht de plompe Luiaard zijn lichaam te verplaatsen. Met ver zijwaarts gestrekte ledematen, op de ellebogen steunend, met de pooten één voor één behoedzaam een cirkelboog beschrijvend, schuift hij telkens een klein stukje verder; de buik sleept intusschen bijna over den grond; kop en hals worden voortdurend op loome wijze naar links en rechts bewogen, alsof zij het zoo buitengewoon onbeholpen dier in evenwicht moeten houden. Men zou na zulk een schouwspel niet kunnen gelooven, dat dit zoo ellendig voorthompelend wezen in staat zal zijn om zich uit het water te redden, wanneer het er bij ongeluk in valt. Toch zwemt de Luiaard tamelijk goed; hij beweegt zich in ’t water vlugger zelfs dan in de boomen, houdt den kop hoog boven den waterspiegel, doorklieft de golven met vrij groot gemak en komt werkelijk weer op den vasten wal terug. Bates en Wallace zagen een Luiaard een rivier overzwemmen op een plaats waar deze 300 M. breed was. Hieruit blijkt, dat de naam Luiaard, hoe goed hij overigens ook gekozen moge zijn, eigenlijk alleen in den gang van dit dier zijn volkomen rechtvaardiging vindt; want op de boomen maakt hij niet den indruk van zóó traag te zijn, als men vroeger, verleid door de overdreven voorstellingen van de eerste beschrijvers van dit dier, meende te moeten aannemen. Opmerkelijk is de verbazingwekkende zekerheid, waarmede alle klimbewegingen plaats hebben. De Luiaard is in staat om zich met den eenen voet vast te haken aan een hooger gelegen tak en zich dan onbezorgd er aan te laten hangen; niet slechts wordt dan het volle gewicht van het lichaam door één poot gedragen, maar ook wordt dit door dezen poot opgetrokken tot aan den tot steun dienenden tak.
Het kost zeer veel moeite een Luiaard, die zich aan een tak heeft vastgeklemd, er van los te maken. De Luiaard slaapt en rust ongeveer in dezelfde houding als die, welke hij gedurende zijne werkzaamheden aanneemt. De vier pooten worden dicht bij elkander geplaatst; de romp wordt bijna tot een bol ineengekromd; de naar de borst gebogen kop rust of steunt niet op dit lichaamsdeel. In deze houding hangt het dier den geheelen, langen dag, steeds op dezelfde plaats, zonder moede te worden. Even ongevoelig als het voor honger en dorst schijnt te zijn, even gevoelig toont het zich voor vocht en hierdoor veroorzaakte afkoeling. In het regenseizoen hangt het dikwijls dagen achtereen treurig en ellendig op een en dezelfde plaats; stellig in de hoogste mate ontstemd over het naar beneden stroomende water.
Niet dan hoogst zelden, gewoonlijk alleen des avonds, of als de morgen aanbreekt, of ook, wanneer het zich niet veilig acht, verneemt men de stem van den Luiaard. Zij is niet luid, en bestaat uit een klagende, lang voortgezetten, fijnen, korten en snijdenden toon, die door sommigen nagebootst wordt, door een veelvuldige herhaling van den klank “i”. Een van de onderzoekers uit lateren tijd maakt melding van een geschreeuw, dat uit twee opeenvolgende klanken, of zelfs uit een klimmend en dalend accoord zou bestaan. [361]Over dag hoort men van den Luiaard hoogstens diepe zuchten; op den grond schreeuwt hij niet, zelfs niet, wanneer hij geplaagd wordt.
Uit het bovenstaande valt af te leiden, dat de zinnen van de Luiaards geen hoogen graad van volkomenheid zullen bezitten. Zelfs schijnt het, dat zij alle even stomp zijn. Zeer weinig ontwikkeld zijn ook de geestvermogens. Deze dieren geven weinig blijken van verstand, maar toonen veeleer stompzinnigheid, domheid en onverschilligheid. Men noemt ze goedaardig en wil hiermede aanduiden, dat zij over ’t algemeen voor geen aandoeningen van den geest geschikt zijn. Volgens de berichten van de reizigers, komen bij hen geen ware hartstochten voor; zij gevoelen geen vrees, maar hebben ook geen moed, schijnen geen vreugde te kennen, maar ook niet voor treurigheid vatbaar te zijn. Deze berichten berusten volgens mijne ervaringen op geen goede gronden. Zoo laag als de meeste natuuronderzoekers ons deze dieren voorstellen, staan zij niet. Gewoonlijk wordt bij hun beoordeeling uit het oog verloren, dat zij nachtdieren zijn, welker geestvermogens men niet naar behooren kan leeren kennen, door ze alleen over dag na te gaan. De naam Luiaard is in zijn letterlijke beteekenis alleen geldig voor het slapende dier; wanneer het wakker geworden is en zijne bezigheden verricht, beweegt het zich in een engen kring, maar beheerscht dezen op voldoende wijze.
De Luiaard brengt slechts één jong ter wereld, dat bij de geboorte een volledig haarkleed, en zelfs tamelijk goed ontwikkelde teenen en klauwen bezit; het klemt zich dadelijk met de klauwen aan de lange haren van de moeder vast, en omstrengelt met de armen haren hals. Het wijfje voert haar jong altijd op deze wijze met zich mede. In den beginne schijnt zij er veel genegenheid voor te gevoelen; haar moederliefde bekoelt echter spoedig; ternauwernood getroost zij zich de moeite haar kind te zoogen en te reinigen, of andere moederzorgen op zich te nemen.
De traagheid en stompzinnigheid der Luiaards blijkt ook, wanneer zij mishandeld of gewond worden. Het is een bekend feit, dat de laagst ontwikkelde dieren naar verhouding het best bestand zijn tegen mishandelingen, verwondingen en smarten; bij de Luiaards vindt men een bevestiging van deze stelling. Blijkbaar hebben zij een zeer taai leven. Zij verdragen zware kwetsuren met de onverschilligheid van een lijk. Dikwijls nemen zij niet eens een andere houding aan, na door een flink schot hagel getroffen te zijn. Volgens Schomburgk blijft de werking van het vreeselijke curare-gif der Indianen bij hen langer uit, dan bij eenig ander dier.
Vele vijanden hebben deze weerlooze schepsels niet. Door hun leven in de boomen hebben zij weinig te lijden van de gevaarlijkste der dieren die hen bedreigen, n.l. van de Zoogdieren. Hierbij komt, dat hun vacht over ’t algemeen in kleur overeenstemt met de takken, waaraan zij onbeweeglijk hangen, als vruchten aan een boom, zoodat voor het ontdekken van een slapenden Luiaard het geoefend oog van een Indiaan vereischt wordt. Bovendien zijn deze dieren niet zoo volkomen weerloos, als men aanvankelijk zou kunnen vermoeden. Ervaringen hierover kan men, daar zij in den boom natuurlijk moeielijk te genaken zijn, alleen opdoen bij Luiaards, die op den grond aangetroffen en aangevallen worden; zij keeren dan spoedig hun buikzijde omhoog, en grijpen den vijand met de klauwen aan; hunne ledematen, vooral de voorste, zijn zeer gespierd. Zelfs een sterke man heeft moeite om zich los te maken uit een omhelzing van dit dier, of om het los te rukken van den boomtak, waaraan het zich heeft vastgeklemd; deze bewerking gelukt trouwens in ’t geheel niet, wanneer men niet den eenen voet na den anderen loshaakt en daarna vasthoudt.
Over het leven van den Luiaard in de gevangenschap was tot voor weinige jaren niet veel bekend. Buffon verhaalt, dat de Markies de Montmirail te Amsterdam een Luiaard kocht, die men tot aan dien tijd gedurende den zomer met malsche bladeren en gedurende den winter met scheepsbeschuit gevoed had. De Markies behield dit dier drie jaren lang in ’t leven en voedde het met brood, appels en wortels, welke het met de klauwen van de voorvoeten aanvatte en naar den mond bracht. Tegen den avond werd het dier wakker, zonder ooit eenige bewijzen van hartstochtelijkheid te geven en zonder ooit te toonen, dat het zijn verzorger had leeren kennen.
Bij een rondreis door de dierentuinen van Engeland, Frankrijk, Holland, België en de Rijnlanden was ik te Amsterdam voor ’t eerst in de gelegenheid, aan een levenden Luiaard waarnemingen te doen. De talrijke bezienswaardigheden van dezen dierentuin veroorloofden mij tot mijn spijt niet, langer dan een paar uren bij het hok van het merkwaardige dier te blijven. Maar reeds dit korte bezoek was voldoende om mij te leeren, dat de tot dusver gegeven beschrijvingen grootendeels zeer overdreven zijn. Later heb ik zelf verscheidene Luiaards gehad en bij hen mijne waarnemingen aangevuld. Ik wil niet zoo koen zijn te beweren, dat deze ook over de levenswijze van het dier in de vrije natuur onze denkbeelden kunnen wijzigen; toch kan ik verzekeren, dat de Luiaards volstrekt geen treurige, vervelende schepsels, maar integendeel zeer aantrekkelijk zijn, in alle opzichten waardig om in een dierenverzameling opgenomen te worden.
Kees, zoo heette de Luiaard van den Amsterdamschen dierentuin, bewoonde zijn hok reeds sedert negen jaren; hieruit blijkt, dat hij minstens even goed als andere dieren bestand is tegen de verandering van levenswijze, die met het verlies van de vrijheid gepaard gaat. Het door hem bewoonde hok was in ’t midden met een houten stellage voorzien, om het dier gelegenheid tot klimmen te geven; de vloer was met een dikke laag hooi bedekt, de zijden waren door dikke glazen platen gesloten, van boven was het hok alleen met traliewerk bedekt. Op soortgelijke wijze heb ook ik de woningen van mijne gevangenen ingericht.
Als men over dag een bezoek brengt aan het dier, ziet men in dezen glazen kast niets anders dan een bal, die veel op een hoop droog rietgras gelijkt. Deze bal schijnt vormloos, omdat men van de ledematen van den Luiaard eigenlijk zoo goed als niets zien kan. Bij nauwkeuriger onderzoek blijkt het, dat dit de houding is, die hij gewoonlijk bij ’t rusten en slapen aanneemt. De kop is teruggebogen naar de borst, zoodat de spits van den snuit op het onderste deel van den buik rust, en wordt door de pooten geheel bedekt. De ledematen liggen nl. dicht op elkander, de eene poot altijd afwisselend met den anderen, en zijn zóó overkruis gevouwen, dat men er niet tusschen door kan zien. In den regel zijn de klauwen van één of twee voeten om een stok van de stellage geslagen; niet zelden echter vat de Luiaard met de klauwen van den eenen voet de bovenarm of het bovenbeen van een anderen poot en slingert dus deze lichaamsdeelen op een vreemdsoortige wijze door elkander heen. Van den kop is op deze wijze niets te zien, men kan niet eens onderscheiden, waar de romp in [362]den hals en deze in den kop overgaat: kortom, men ziet niets anders dan een harigen bal, en moet al zeer goed toekijken om op te merken, dat deze bal zich langzaam op en neer beweegt. De bal is volkomen onverschillig voor alle pogingen, die de toeschouwers aanwenden om door kloppen, roepen en snelle bewegingen met de handen de aandacht van het dier te trekken; door geen beweging verraadt het zijn leven; gewoonlijk gaan de omstanders ontevreden weg, nadat zij verbijsterd den naam van het dier gelezen en eenige niet bijzonder vleiende opmerkingen over het “leelijke beest” gemaakt hebben.
Er komt echter zeer spoedig leven en beweging in den haarbal, als men het goed aanlegt; want de Luiaard is volstrekt niet zoo stompzinnig, als wel beweerd wordt, maar een ordentlijke, brave gast, die op goede behandeling aanspraak maakt. Zoodra zijn oppasser bij het hok komt en hem roept, heeft er een verandering van tooneel plaats. Bedachtzaam, of, laat ik liever zeggen, langzaam en op een eenigszins houterige wijze, ontwikkelt de bal zich tot een dier, dat, moge het al niet op een schoone gestalte bogen, toch volstrekt geen wangedrocht is, zooals wel eens beweerd werd, geen wezen zonder begrip en waarnemingsvermogen. Langzaam en gelijkmatig steekt de Luiaard een van zijne lange pooten uit en klemt de scherpe klauwen om een van de dwarsstangen van de stellage, Het is hem daarbij volkomen onverschillig, of hij het eerst een achterpoot dan wel een voorpoot uitsteekt, ook of de klauwen aangehaakt worden in den stand, dien zij gewoonlijk ten opzichte van den arm hebben, dan wel, in dien, welken zij na het omdraaien van den arm verkrijgen; al zijn ledematen gelijken op kabels, die geen gewricht hebben, maar overal beweeglijk zijn. In allen gevalle is de beweging van de ellepijp ten opzichte van het spaakbeen zoo volkomen, dat misschien geen enkel dier te dezen aanzien den Luiaard overtreft of nabij komt. Hij kan zich met alle vier pooten zóó vast haken, dat de klauwen van iederen poot een andere richting hebben dan die van den anderen. Die van één achtervoet zijn b.v. naar buiten, die van één voorvoet naar binnen, die van den anderen voorvoet naar voren en die van den laatsten achtervoet naar achteren omgeslagen; welke combinaties van houdingen men ook bedenkt, bij den Luiaard komen zij alle voor. Hij kan zijne ledematen geheel om hun as doen draaien, zooals een geoefende acrobaat, en het blijkt duidelijk, dat dit hem in ’t geheel geen moeite kost. Hij haakt zich met de klauwen vast, zooals hem dit het best uitkomt, en kan ook, eens vastgehecht zijnde, zich geheel en al omdraaien, zonder in den stand der om de steunsels geklemde klauwen eenige verandering te brengen. Of de kop nu laag of hoog hangt, is hem eveneens onverschillig; hij grijpt even dikwijls met de achterpooten naar boven, als met de voorpooten naar onderen, hangt aan den rechter voorpoot of aan den linker achterpoot of omgekeerd, strekt zich dikwijls op zijn gemak uit, door zich met de achterklauwen vast te haken en den rug ergens op te laten rusten, zooals een luie Hond pleegt te doen. In deze houdingen, die steeds het bewijs zijn, dat de gemoedsrust van het dier niets te wenschen overlaat, krabt het zich vaak met een der niet vastgehaakte ledematen op alle deelen van zijn lichaam, ten deele door den poot er geheel om heen te slingeren. Het kan lichaamsdeelen bereiken, die voor een ander Zoogdier ontoegankelijk zijn zouden, kortom het geeft bewijzen van een werkelijk verrassende lenigheid. Wanneer de Luiaard zoo aan ’t luieren is, doet hij de oogen bij afwisseling open en dicht, gaapt, steekt de tong uit en opent daarbij den stompen snuit zoover mogelijk. Steekt men hem nu door het traliewerk, dat het hok van boven bedekt, iets lekkers toe, b.v. een klontje suiker, dan klautert hij tamelijk vlug naar boven om de lekkernij in ontvangst te nemen, snuffelt bij den wand langs en opent den bek zoover mogelijk, alsof hij vragen wilde, hem het stukje suiker maar dadelijk in den mond te laten vallen. Daarna vreet hij het smakkend met gesloten oogen op en geeft duidelijk te kennen, dat hij de zoetigheid lekker vindt.
Den vreemdsoortigsten indruk maakt de Luiaard, als men hem vlak van voren ziet. De kopharen zijn in ’t midden gescheiden, en hangen aan weerszijden van de scheiding naar beneden, waardoor de kop een uilachtig voorkomen verkrijgt. De kleine oogen zien er onnoozel uit, omdat de pupil nauwelijks de grootte van een speldeknop heeft en het oog dus geen uitdrukking bezit. Bij den eersten aanblik zou men kunnen meenen, dat het dier blind moet zijn. De lippen zijn steeds vochtig, alsof zij met vet bestreken zijn. Zij zijn bij den Unau niet zoo onbeweeglijk, als wel eens gezegd is, ook volstrekt niet hoornachtig, zooals soms beweerd werd, ofschoon zij vermoedelijk niet zoo buigzaam zijn als bij andere Zoogdieren; zij zijn trouwens bij het vreten tamelijk overbodig, want de beweging van de spitse tong vervangt de werkzaamheid van de lippen. De tong herinnert aan die van andere Tandeloozen, vooral van den Mierenleeuw. De Luiaard kan haar ver uitsteken en bijna als een hand gebruiken.
De Luiaard van den Amsterdamschen dierentuin werd met verschillende plantaardige stoffen gevoederd; gekookte rijst en wortels waren echter zijne gewone spijzen. De rijst gaf men hem op een bord, de wortels werden ergens op het hooi neergelegd. Gewoonlijk werd Kees vóór den maaltijd geroepen. Hij had dien tijd goed onthouden en richtte zich dadelijk op, zoodra hij zijn naam hoorde. In ’t eerst taste hij zeer onhandig en plomp met de lange armen in ’t rond; zoodra hij echter eens een wortel gegrepen had, verkregen zijne bewegingen dadelijk meer vastheid. Hij trok den wortel naar zich toe, vatte hem eerst met den mond, daarna met de beide pooten, of liever met de klauwen, aan, klemde hem er tusschen en beet nu, terwijl hij den wortel steeds verder in den bek schoof, betrekkelijk zeer groote stukken er van af; hij lekte zich intusschen voortdurend de lippen schoon en deed dit ook met den wortel, die hij nu eens aan de eene dan weer aan de andere zijde in den mond stak. Aan een bordje rijst en drie wortels per dag heeft hij genoeg.
De stompzinnige onverschilligheid, waarvan de reizigers melding maken, kan, althans bij den Unau, plaats maken voor een duidelijk merkbare opgewondenheid. Zoo goed als de Luiaard vriendschap toont voor zijn verzorger, zoo goed onderscheidt hij hem van andere personen; hun toont hij soms de tanden, of bedreigt ze met de klauwen, terwijl hij zich zonder weerstand te bieden van zijn oppasser elke aanraking en behandeling laat welgevallen. Nog onvriendelijker gedraagt de Tweeteenige Luiaard zich tegenover andere wezens. Mijn plan om den Unau en den Aï in een en hetzelfde hok te laten wonen, werd door den eerstgenoemden, den oudsten bewoner van het hok, verijdeld; de poging om de beide verwanten bij elkander te brengen moest onmiddellijk opgegeven worden. Al de luiheid, die hem toegeschreven wordt, geheel verloochenend, viel de Unau, zoodra hij zijn stamgenoot zag, dezen onmiddellijk aan, gaf hem eerst eenige goed gemikte [363]slagen met een zijner krachtige pooten, en pakte hem vervolgens zoo woedend met de tanden aan, dat de oppasser de beide dieren zoo schielijk mogelijk van elkander scheiden moest, en den Aï, den onschuldigsten van de twee, in veiligheid moest brengen: hetgeen niet kon geschieden, voordat deze van den vertoornden Unau eenige slagen met de klauwen had ontvangen.
Duidelijk verschilt van den tot dusver beschreven aard van den Unau, die van den Aï. Op dezen doelden de meeste reizigers bij de schildering van den Luiaard en in vele opzichten zijn de mededeelingen van de meeste berichtgevers op hem toepasselijk. Het valt niet te betwijfelen, dat hij veel minder begaafd is dan zijn stamgenoot.—Wanneer hij, wakker wordend, den dunnen hals en den kleinen kop ver uitsteekt, blijkt het spoedig, dat hij niet tevergeefs negen halswervels heeft. Want met even groot gemak, als waarmede wij de hand omdraaien, draait hij den kop zoover om, dat het achterhoofd geheel in het verlengde van de borst, het aangezicht echter aan de rugzijde komt te liggen. (Zie de afb. op p. 360.) Geen ander Zoogdier is in staat tot deze draaiing, die aan den Drieteenigen Luiaard een hoogst zonderling voorkomen verschaft. De Tweeteenige Luiaard beproeft deze beweging van den kop nimmer; de Aï draagt den kop meestal in deze schijnbaar onnatuurlijke houding, ofschoon hij haar naar vekiezing door de andere kan vervangen. Zoo gemakkelijk de draaiing van den hals plaats heeft, zoo plomp zijn alle overige bewegingen van den Aï, in vergelijking met die van de Unau.

Yurumi (Myrmecophaga jubata). 1/12 v.d. ware grootte.
Het voordeel, dat de Luiaards brengen aan de menschelijke bewoners van hun woongebied, is buitengewoon gering. In sommige streken eten de Indianen en de Negers hun vleesch, welks onaangename reuk en smaak den Europeanen walging veroorzaken; op sommige plaatsen wordt hun huid verwerkt tot een zeer taaie, stevige en duurzame leersoort. Schade kunnen deze dieren niet veroorzaken; daar zij in dezelfde mate verdwijnen, als het door den mensch bewoonde gebied zich uitbreidt. Ook zij staan op de lijst van de diersoorten, welker verdwijning van den aardbol men met zekerheid voorspellen kan. Slechts in de afgelegenste wouden kunnen zij zich handhaven, en zoolang de prachtige boomen, die hun een woonplaats en voedsel verschaffen, door den bijl van den steeds verder doordringenden Europeaan verschoond worden, zoolang zullen ook zij hun leven kunnen rekken.
De Miereneters of Mierenberen (Myrmecophagidae), die de tweede familie vormen, hebben uitwendig slechts weinig overeenkomst met de Luiaards. Het lichaam is gerekt, de kop, vooral de snuit, sterk verlengd; de staart bereikt bijna de helft van de lengte van het overige lichaam. Een dichte, ruige, eigenaardige vacht bedekt den romp, vooral de bovenzijde. De achterste ledematen zijn slank, en zwakker dan de voorste. Zoowel de voorvoeten als de achtervoeten hebben, zooals uit het onderzoek van het geraamte blijkt, vijf teenen, die evenwel niet alle met klauwen voorzien zijn. De mondspleet is zeer klein; de lange, dunne en cilindervormige tong herinnert aan een Worm. De ooren en de oogen zijn zeer klein. Nog opmerkelijker is de bouw van den kop. Door de verlenging van de neusbeenderen en bovenkaaksbeenderen, is de snuit lang, buisvormig, geworden; de tusschenkaaksbeenderen zijn zeer klein en gekromd, met de bovenkaaksbeenderen alleen door kraakbeen verbonden. Tevergeefs zou men hier naar tanden zoeken; elke spoor ervan ontbreekt.
De grootste soort van deze familie is de Groote Miereneter of Manendragende Mierenbeer, die in Paraguay Yurumi (= “kleine mond”), in Suriname Tamanoa wordt genoemd (Myrmecophaga jubata). De vacht van dit opmerkelijke dier bestaat uit dichte, stijve borstelharen, die bij het bevoelen ruw zijn. Dicht achter den kop, langs den nek en de ruggegraat, vormen zij manen en [364]hebben zij een lengte van hoogstens 24 cM.; aan den staart zijn zij 26 à 40 cM., aan de overige lichaamsdeelen, bij en aan de pooten hoogstens 8 à 11 cM. lang. De kleur van de vacht is tamelijk verschillend; aan den kop is zij aschgrauw met zwart gemengd; bijna dezelfde kleur hebben de nek, de rug (ten deele ook de zijden van den romp), de voorpooten en de staart. De keel, de hals, de borst, de buik, de achterpooten en de onderzijde van den staart zijn zwartbruin. Een zwarte, naar achteren spits toeloopende streep, strekt zich van den kop en de borst over den rug in schuinsche richting naar achteren uit tot aan het kruis, en wordt omgeven door twee hieraan evenwijdige, smalle, bleekgrijze strepen. Een zwarte strook bedekt het uiteinde van den voorarm; zwart zijn ook de teenen van de voorvoeten en de onbehaarde deelen van het lichaam. De lengte van den volwassen Yurumi bedraagt 1.3 M., zonder den staart, die 68 cM. lang is, als men de haren niet mederekent, met deze echter minstens 95 cM. en dikwijls nog meer. In ’t geheel is het dier dus 2.3 M. lang; soms treft men echter oude mannetjes aan, die nog langer zijn.
“De Yurumi,” zegt Rengger, “ziet er zeer leelijk uit. Zijn kop heeft den vorm van een langen, dunnen, een weinig naar beneden omgebogen kegel en eindigt in een kleinen, stompen snuit. De beiden kaken zijn even lang; de onderste kan slechts weinig beweging maken; de spleetvormige mondopening is zoo klein, dat zij met een dikken mansduim geheel gevuld is; de neusgaten zijn halvemaanvormig; de kleine oogen zijn diep gelegen; de eveneens kleine ooren zijn iets meer dan 25 mM. breed, even lang en van boven afgerond. Wegens de lange beharing schijnt de hals dikker dan het achterhoofd; de romp is groot, wanstaltig en van boven naar onderen een weinig samengedrukt; de ledematen zijn kort, de voorarmen breed en zeer gespierd. De voorvoeten hebben vier teenen, ieder voorzien met een dikken nagel, die als een adelaarsklauw samengedrukt is. Bij ’t gaan en in den toestand van rust, is deze nagel naar de zool teruggebogen; bij ’t gaan rust alleen de buitenrand van de zool, die vlak achter den buitensten teen met een groote eeltplek voorzien is, op den grond. Van de achtervoeten komt echter de geheele zool met den grond in aanraking. De lange, ruige staart is hoog en smal en vormt een echte pluim. De tong, die niet meer dan 9 mM. dik is, heeft den vorm van een langen, naar den top ongevoelig dunner wordenden kegel; zij bestaat uit twee spieren en twee klierachtige lichamen, die bij haar wortel gelegen zijn. Zij kan sterk verlengd worden; het dier kan haar bijna 50 cM. ver buiten den bek uitsteken.
“De Yurumi komt in Paraguay niet veelvuldig voor; hij bewoont de onbewoonde of althans weinig bezochte vlakten in ’t noorden des lands. Hij heeft geen bepaald leger en ook geen andere vaste verblijfplaats, maar zwerft over dag door de vlakte rond, en slaapt daar, waar de nacht hem overvalt; tot slaapplaats kiest hij echter bij voorkeur een plek, waar het gras zeer hoog is, of waar althans eenige struiken voorkomen. Gewoonlijk ontmoet men hem alleen, tenzij men te doen heeft met een wijfje en haar jong. Zijn langzame, stappende gang verandert soms, als hij vervolgd wordt, in een loggen galop, waardoor hij echter zoo weinig vordert, dat een voetganger hem met een gewonen pas kan inhalen. Zijn voedsel bestaat uitsluitend uit Termieten en Mieren en uit de larven van deze Insecten. Om deze dieren te verkrijgen, krabt hij met de nagels van zijne voorpooten de heuvels en de aardhoopen, die haar tot woonplaats dienen, open, steekt dan zijn lange tong tusschen de van alle zijden toesnellende Insecten en trekt haar met diertjes bedekt in den bek terug. Hiermede gaat hij voort, tot hij verzadigd is, of totdat er geen Mieren of Termieten meer te voorschijn komen.
“Het wijfje werpt in ’t voorjaar één enkel jong en draagt dit een tijd lang op den rug met zich. Het is een stil en vreedzaam dier, dat noch den mensch, noch eenig ander Zoogdier kwaad doet, tenzij het sterk geplaagd wordt. Men kan den Yurumi in het open veld over een grooten afstand voor zich uitdrijven, zonder dat hij weerstand biedt. Wanneer hij echter mishandeld wordt, gaat hij op de achterpooten staan en steekt de armen naar zijn vijand uit om dezen met zijne nagels te grijpen.
“Ik heb langen tijd een Yurumi gehad, die nog geen jaar oud was, toen ik hem kreeg. Men had hem in een boerderij aan den linkeroever van den Nexay gevangen tegelijk met zijn moeder, die echter weinige dagen daarna stierf. Ik voedde hem met melk, Mieren en gehakt vleesch. De melk slurpte hij op, of wel hij stak de tong er in en trok deze vervolgens met het weinige er aan hangende vocht in den bek terug. De Mieren zocht hij in den tuin of in de nabuurschap van het huis op.
“Het vleesch en het vel van den Yurumi worden alleen door de wilde Indianen gebruikt; er zijn echter landlieden in Paraguay, die het vel van dit dier, onder het beddelaken gelegd, voor een uitmuntend middel tegen pijn in de lenden houden en het voor dit doel gebruiken. Zelden wordt op dezen Miereneter jacht gemaakt; wanneer men hem echter toevallig in het veld ontmoet, kost het niet veel moeite hem door eenige stokslagen op den kop te dooden. De menschen moesten deze dieren liever beschermen dan vervolgen, want wel verre van schadelijk te zijn, bewijzen zij hun een belangrijken dienst, door het aantal Termieten en Mieren te verminderen, die in eenige gewesten van Paraguay zoozeer de overhand genomen hebben, dat daar niets verbouwd kan worden. Waarschijnlijk heeft hij behalve den mensch geen andere vijanden dan de Jagoear en den Koegoear. De fabelachtige verhalen van de bewoners van Paraguay over gevechten, die tusschen den Miereneter en den Jagoear zouden plaats vinden, zijn reeds door Azara wederlegd.”
Van andere onderzoekers vernemen wij, dat de Miereneter niet slechts Paraguay, maar ook bijna alle overige landen van het oosten van Zuid-Amerika bewoont, en dat zijn verbreidingsgebied zich uitstrekt van den La-Platastroom tot aan de Caraïbische Zee. Bij ’t gaan houdt hij den kop naar den grond gebogen en besnuffelt met den neus den bodem. Den staart draagt hij intusschen recht uitgestrekt en de manen van den rug hoog opgezet, zoodat hij veel grooter schijnt, dan hij werkelijk is. Behalve Mieren en Termieten hebben nieuwere onderzoekers in de maag van den Yurumi ook nog wel aarde en houtvezels gevonden; deze slikt het dier onwillekeurig door, terwijl het de Mieren verslind. Dat het behalve de dieren, die zijn hoofdvoedsel uitmaken, ook zeer gaarne Duizendpooten en Wormen eet, voor zoover deze niet te groot zijn, is aan geen twijfel onderhevig.
In lateren tijd zijn gevangen Miereneters herhaaldelijk naar Europa gebracht; men heeft ze hier bij doelmatige voeding jaren lang in ’t leven kunnen houden.
De gevangenen van den Londenschen dierentuin krijgen rauw, zeer fijn gehakt vleesch en eidooier als [365]voedsel; de Mierenbeer in den Hamburger dierentuin, waarover door Noll berichten zijn gegeven, hield bovendien zeer veel van brij, die bereid was door maïsmeel met heete melk aan te roeren, en met een lepel stroop zoet te maken; het was een vreemdsoortig schouwspel, het zonderlinge dier voor den schotel brij te zien staan en dezen met zijn merkwaardige tong te zien ledigen. Met een bijna ongeloofelijke snelheid, ongeveer 160 maal in de minuut, wordt de zwartachtige, rolvormige tong wel 50 cM. ver buiten den mond en in de brij gestoken, waarin zij zich kronkelt om onmiddellijk daarna met spijs bedekt weer in den bek teruggetrokken te worden.

Tamandoea (Tamandua tetradactyla). ⅓ v.d. ware grootte.
Dat de Miereneter niet alleen volgens het oordeel der menschen een zonderlinge gedaante heeft, maar ook bij andere dieren verrassing en zelfs schrik teweegbrengt, bleek, toen het dier in het apenhuis zou geborgen worden. Alle bewoners van dit huis werden bij ’t zien van den nieuwen commensaal door een hevigen schrik bevangen; de Apen schreeuwden en raasden zoo, dat men om hun het uitzicht te benemen hunne hokken bedekken moest; zelfs een Chimpanzee kroop, bij het zien van het voor hen zoo vreeselijke dier, vol angst onder het stroo.
*
De overige Miereneters zijn boombewoners. Van deze gelijkt de Tamandoea of Cagoear (Tamandua tetradactyla) nog het meest op zijn zooeven beschreven stamgenoot; toch wordt hij als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht beschouwd, omdat hij aan de voorpooten vier, aan de achterpooten vijf teenen heeft, die alle met klauwen voorzien zijn, terwijl bovendien zijn staart een grijpstaart is. Deze soort bewoont dezelfde landen als de vorige, met uitzondering van Peru. Zijn lengte bedraagt ongeveer 1 M., met inbegrip van den aan zijn topgedeelte geschubden, overigens echter behaarden, 40 cM. langen staart; de gemiddelde hoogte van dit dier is 30 à 35 cM.
Tot dusver is men van de levenswijze van dit merkwaardige wezen nog niet voldoende op de hoogte. In Paraguay en Brazilië leeft de Tamandoea overal in de eenzame, met bosch begroeide gewesten; gaarne houdt hij zich op in den woudzoom en in het kreupelhout, dikwijls ook dicht bij de woningen der menschen; hij is niet gelijk zijne grootere verwanten tot den bodem beperkt, maar klautert zeer behendig in de boomen, hoewel hij dit, evenals de Luiaards, zeer langzaam doet; evenals de andere dieren met echten grijpstaart zorgt hij er voor, zich voor den staart een stevig steunpunt te verschaffen, zelfs gedurenden den slaap. Zijn voedsel bestaat bij voorkeur uit Mieren en wel hoofdzakelijk uit die, welke in de boomen leven.
Ook de Tamandoea is in den laatsten tijd eenige malen levend naar Europa en wel naar Londen overgebracht. Het eerste exemplaar had Bartlett in zijn kamer gehuisvest, om goed te kunnen nagaan hoe het zich beweegt. Met behulp van de kolossale, haakvormige klauwen en van den grijpstaart klom het schielijk op de verschillende meubelen, en sprong, toen het vertrouwelijker werd, van hier op Bartlett’s schouders, waarbij hij; den spitsen snuit en de lange, wormvormige tong in alle plooien van de kleederen van zijn verzorger stak en diens ooren, neus en oogen op een niet juist aangename wijze onderzocht. Later, toen de Tamandoea een andere verblijfplaats had gekregen, kwam hij, wanneer een bezoeker hem naderde, snel bij het traliewerk aan de voorzijde van het hok en liet zijn onderzoekende tong vlug over de tegen de traliën gehouden hand glijden; men moest echter wel oppassen, dat het dier de klauwen niet om de vingers sloeg.
Eigenaardig is de sterke, muscusachtige reuk, die de Tamandoea verbreidt, vooral als hij geplaagd wordt.
*
De Dwerg- of Tweeteenige Miereneter (Cycloturus didactylus), een diertje van de grootte van een Eekhoorn, is ongeveer 40 cM. lang, waarbij 18 cM. voor den grijpstaart. Aan de voorvoeten komen vier teenen voor, waarvan slechts twee met stevige klauwen voorzien zijn; de achtervoeten hebben vijf teenen. De vacht is zoo zacht als zijde, aan de bovendeelen vosrood, aan de onderdeelen grijs; ieder haar van de bovendeelen is zwart met geelbruine spits, de haren van de onderdeelen zijn grijsbruin.
Hoewel ook de Dwerg-Miereneter tamelijk plomp gebouwd is, maakt hij, vooral wegens zijn fraaie vacht, geen onaangenamen indruk. Zijn verbreidingsgebied is beperkt. Men heeft hem tot dusver alleen gevonden in het noorden van Brazilië, in Guyana en Peru, dus in gewesten, die tusschen 10° Z.B. en 6° N.B. gelegen [366]zijn. In het gebergte komt hij soms tot op 600 M. boven den zeespiegel voor. Bijna overal is hij zeldzaam, of wordt althans niet veelvuldig aangetroffen. Hij houdt zich op in de dichtste wouden. Daar hij geheel en al nachtdier is, brengt hij den dag slapend in de boomkronen door. Zijne bewegingen zijn onbeholpen, langzaam en afgemeten; hij klimt echter behendig, hoewel voorzichtig en steeds met behulp van den staart. Zijn voedsel bestaat uit Mieren, Termieten, Bijen, Wespen, en uit de larven van deze Insecten.
De Gordeldieren (Dasypodidae) zijn, evenals de Luiaards, ontaarde afstammelingen van een familie, die vroeger van grootere beteekenis was, dan nu. In vergelijking met sommige van hunne verwanten uit den voortijd moet men ze als dwergen beschouwen. Sommige van deze, die een rugpantser hadden uit onbewegelijk aaneengevoegde beenplaten samengesteld (Glyptodontia), bereikten de afmetingen van een Neushoorndier, o.a. Panochthus tuberculatus; de grootste soorten van het geslacht Glyptodon werden 2 M. lang en 1.2 M. hoog; het rugpantser van Glyptodon reticulatus had een lengte van 1.6 M. en een hoogte van 1 M. Sommige soorten van andere geslachten hadden minstens den omvang van een Rund; Doedicurus clavicaudatus b.v. was 3.6 M. lang. [Nog grooter waren echter de nauw aan de Luiaards verwante Gravigraden: het in 1789 te Lujan bij Buenos Aires uitgegraven skelet van Megatherium Cuvieri, dat zich in ’t museum te Madrid bevindt, had een lengte van 4.5 M. bij een hoogte 2.5 M. Uit den bouw der ledematen van dezen Reuzenluiaard blijkt, dat hij zich slechts langzaam en onbeholpen over den bodem kon voortbewegen, en dat de voorpooten grijporganen waren, die vermoedelijk dienden om takken en twijgen af te breken, of zelfs om geheele boomen om te werpen, terwijl het gewicht van het lichaam door de achterpooten en den staart werd gedragen.] De hedendaagsche Gordeldieren worden slechts 1.5 M., zonder den staart echter slechts 1 M. lang. Alle gordeldieren zijn plompe wezens met een, wegens den langen snuit, langwerpigen kop, waarboven groote varkensooren uitsteken, met een stevigen staart en korte pooten, die zeer krachtige, voor ’t graven geschikte klauwen dragen. Den naam ontleenen zij aan het eigenaardige maaksel van hun uit beenplaten samengesteld, door de lederhuid gevormd pantser, dat bedekt is door een opperhuid, welker buitenste laag verhoornt. Het pantser van de meeste soorten bestaat uit drie afdeelingen: een onbeweeglijk voorste of schouderschild, een uit beweeglijke dwarsringen of gordels samengesteld middelschild, en een onbeweeglijk kruis of bekkenschild. Door de beweeglijke gordels onderscheidt zich dit pantser van het schubbenkleed van andere Zoogdieren. De middelste gordels, die voor de onderscheiding van de soorten van belang zijn, hoewel hun aantal ook bij de dieren van dezelfde soort niet altijd even groot is, bestaan uit langwerpige, vierhoekige platen, terwijl het schouderschild en het kruisschild gevormd worden door dwarsrijen van vier- of zeshoekige platen, waartusschen kleine, onregelmatige platen gelegen zijn. De voorrand van iederen gordel wordt in den regel door den achterrand van den voorafgaanden gordel bedekt. Bij eenige soorten is het geheele rugpantser uit zulke bewegelijke dwarsringen samengesteld. De kop, de staart en de buitenzijde van de ledematen worden door kleinere beenplaten beschermd. Alleen de bovenzijde van deze dieren is gepantserd; de onderzijde van den romp is met meer of minder grove, borstelige haren bedekt; zulke borstels komen ook op vele plaatsen tusschen de schilden te voorschijn.
Bij geen enkele Zoogdieren-familie varieert een aantal tanden zoo sterk als bij de Gordeldieren. Eenige soorten hebben zooveel tanden, dat de naam Tandeloozen, op hen toegepast, eerst dan eenige beteekenis krijgt, wanneer men er de nadruk op legt, dat de tusschenkaaksbeenderen altijd tandeloos zijn, of wanneer men op de gebrekkigheid van de tanden wijst. Tot dusver heeft men nog niet eens met voldoende zekerheid kunnen bepalen, hoeveel tanden deze of die soort van Gordeldieren bezit, want ook binnen de grenzen van de soort komen er ten aanzien van het aantal tanden belangrijke afwijkingen voor. Over ’t algemeen kan men zeggen, dat dit getal nooit geringer is dan acht in elke kaakhelft, en dat het stijgen kan tot 26 aan elke zijde van de bovenkaak, en 24 aan elke zijde van de onderkaak, zoodat het geheele aantal tanden 100 kan bedragen. Ondanks dit groot aantal tanden is het gebit van weinig beteekenis; door hun onvolkomen samenstelling hebben zij als ’t ware opgehouden tanden te zijn. Zij gelijken op zijdelings samengedrukte cylinders, hebben geen echte wortels, missen het email en wisselen ook in groote aanmerkelijkheid af. Gewoonlijk nemen zij van den eersten tot ongeveer den middelsten allengs aan grootte toe, en daarna naar achteren langzamerhand af, maar ook deze verhouding is geen doorgaande regel. Bovendien zijn de tanden buitengewoon zwak. Wel grijpen zij in elkander, maar het dier is niet in staat met kracht toe te bijten of te kauwen.—De tong gelijkt eenigszins op die van den Miereneter, maar is veel korter en kan niet zoo ver buiten den bek gestoken worden; zij is driekantig toegespitst en met kleine verhevenheden bezet. Door buitengewoon groote speekselklieren in de onderkaak, wordt zij voortdurend bedekt gehouden met een kleverig slijm.
Alle Gordeldieren zijn bewoners van het Zuid-Amerikaansche faunistische rijk tot aan Mexico. Zij bewonen schaars begroeide en zandige vlakten en velden, en komen niet verder dan tot aan den woudzoom, zonder in dezen door te dringen. Slechts gedurende de paring komen verscheidene individuën van dezelfde soort bijeen; gedurende het overige deel van ’t jaar leeft ieder Gordeldier afzonderlijk, en bekommert zich niet veel om de andere levende wezens, met uitzondering van die, welke het tot voedsel dienen. Alle Gordeldieren verbergen zich over dag zooveel mogelijk en graven daarom gangen, die bij de meeste geen groote uitgestrektheid hebben; één soort leeft echter, evenals de Mol, onder den grond. De overige graven hunne holen bij voorkeur aan den voet van groote Mieren- of Termietenwoningen; omdat hun voedsel hoofzakelijk bestaat uit Insecten en hunne larven, vooral echter uit Mieren en Termieten. Wormen en Slakken worden, als de gelegenheid zich voordoet, ook opgegeten; doode dieren, die in ontbinding verkeeren, worden evenmin versmaad; sommige houden ook veel van plantaardig voedsel.
Zoodra ’s avonds de duisternis invalt, verschijnen de gepantserde dieren voor hunne onderaardsche woningen, en zwerven een tijd lang rond, waarbij zij zich langzaam stappend van de eene plaats naar de andere begeven. De vlakke bodem is hun eigenlijk rijk; hier zijn zij te huis zooals weinig andere dieren. Zoo langzaam en traag zij schijnen, als zij gaan of op een andere wijze zich bewegen, zoo snel en behendig zijn [367]zij, als het hun doel is in den grond te graven. Als zij opgejaagd, verschrikt of vervolgd worden, weten zij niets beters te doen, dan zich in den volsten zin van het woord aan den grond toe te vertrouwen. En zij verstaan het graven werkelijk zoo goed, dat zij letterlijk voor de oogen van den toeschouwer in den grond wegzakken. Omdat zij zoo geheel en al het vermogen om zich te verdedigen missen, zouden zij weerloos aan hunne vijanden overgeleverd zijn, indien zij niet in staat waren hun op deze wijze te ontkomen. Wel is waar is één soort in staat om zich tot een bal op te rollen als onze Egel; hij doet dit echter alleen in den uitersten nood, om vervolgens zoo schielijk mogelijk weder te gaan graven en zich in den grond te verbergen. Deze oogenschijnlijk zoo stumperachtige dieren weten zich trouwens ook wel in ’t water te redden.
De Gordeldieren zijn onschadelijke, vreedzame, stompzinnige wezens, zonder eenige in ’t oog loopende geestesgaven. Hun stem bestaat uit een knorrend geluid, zonder kleur of uitdrukking. Ook de Gordeldieren staan aan den vooravond van hun algeheele uitroeiing. Hun vermenigvuldiging is gering. Wel werpen eenige soorten tot aan 9 jongen; deze groeien echter zoo buitengewoon langzaam, en zijn evenals hunne ouders zoo weinig opgewassen tegen hunne vijanden, dat er bij geen enkele soort sprake kan zijn van toeneming van het aantal.
De Gordeldieren of Armadillen (Dasypus) hebben alle nagenoeg dezelfde gestalte. De op korte pooten rustende romp is gedrongen, de kegelvormige staart middelmatig lang, gepantserd en stijf, de pantserschilden beenig en volkomen met de onderliggende deelen vergroeid. Het middelschild bestaat uit zes of meer beweeglijke gordels. Alle voeten hebben vijf teenen; de klauwen van de voorvoeten zijn zijdelings samengedrukt, de buitenste een weinig naar buiten gedraaid.
Alle Gordeldieren dragen in de Guaranische taal den geslachtsnaam Tatoe, die ook in de Europeesche talen is overgenomen. De naam “Armadil” is van Spaanschen oorsprong en beteekent eigenlijk “gepantserd”, “met een harnas voorzien.” Deze naam wordt bij voorkeur gebruikt voor het Zesgordelige Gordeldier, terwijl men voor de overige soorten den Guaranischen of anderen vaderlandschen naam behouden heeft.
Een van de meest bekende Gordeldieren—de Tatoepoyoe der Guarani, d.i. de “Tatoe met de gele hand”, ons Borstelig Gordeldier (Dasypus villosus),—dat de Pampas van Buenos Aires bewoont, heeft van al zijne verwanten het leelijkste en plompste voorkomen. De nek is voorzien met een kraag van 9 naast elkander gelegen, langwerpig vierhoekige schildjes; op het voorste deel van den rug bevinden zich aan elke zijde zeven, in het midden vijf overlangsche reeksen van onregelmatig zeshoekige platen. Op dit schouderschild volgen zes van elkander gescheiden, beweeglijke gordels, die uit langwerpig vierhoekige schildjes zijn samengesteld; hierna komt het kruis- of bekkenschild, dat uit tien reeksen van langwerpig vierhoekige schildjes bestaat. Het dichtst bij den romp gelegen deel van den staart is gepantserd met vijf beweegbare gordels, die uit vierhoekige schildjes samengesteld zijn; het overige deel van den staart is met onregelmatig zeshoekige schildjes bedekt. De kop is aan de bovenzijde door een groep van onregelmatig zeshoekige schildjes beschut, dit kopschild heeft boven ieder oog een inham. Onder ieder oog bevinden zich eenige samenhangende, horizontale en aan den hals twee dwarsloopende, niet samenhangende reeksen van schildjes. Ook de bovenzijde van de voeten en de voorzijde van den voorarm zijn met onregelmatig zeszijdige schubben bezet. Alle pantserplaten zijn bruinachtig geel van kleur; door schuring tegen de wanden van het hol worden zij soms lichtgeel. De overige lichaamsdeelen zijn bedekt met een bruinachtige, gerimpelde huid, die met talrijke platte wratten bezet is. Lichtkleurige haren staan langs den achterrand van de gordels en van eenige andere reeksen van schildjes; met bruine haren zijn de niet gepantserde lichaamsdeelen begroeid. De lichaamslengte bedraagt 50 cM. zonder den 24 cM. langen staart, de schouderhoogte 24 cM.
Het Zesgordelige Gordeldier (Dasypus sexcinctus) gelijkt op de vorige soort en is met inbegrip van den 20 cM. langen staart 55 à 60 cM. lang. Het heeft achter en tusschen de ooren een uit acht stukken bestaande reeks van schildjes, zes breede gordels zijn gelegen tusschen het schouderschild en het bekkenschild. Het pantser is bruinachtig geel, aan de rugzijde donkerder; de gewone huid is bleek bruinachtig geel.
De Gordeldieren blijven niet in een bepaald gebied, maar veranderen dikwijls van leger. Dit bestaat uit een gangvormig, 1 à 2 M. lang hol, dat door henzelf gegraven wordt. De opening van dit hol is kringvormig en heeft, al naar de grootte van het dier, een middellijn van 20 à 60 cM.; nader bij het blind loopende uiteinde wordt de gang wijder; het laatste gedeelte is kamervormig, zoodat de bewoner zich onder den grond gemakkelijk omdraaien kan. In de wildernis gaan deze dieren, als de lucht bewolkt is en het felle zonlicht hen dus niet hindert, ook over dag uit; in bewoonde gewesten verlaten zij hunne holen niet voordat de schemering aanvangt, maar zwerven dan ook gedurende den ganschen nacht rond. Het schijnt hun tamelijk onverschillig te zijn, of zij hun hol terugvinden of niet; als zij den weg gemist hebben, graven zij zonder aarzeling een nieuw hol. Hiermede beoogen zij een tweeledig doel, zooals reeds door Azara werd opgemerkt en door andere natuuronderzoekers bevestigd: de Gordeldieren leggen hunne holen hoofdzakelijk onder Mieren- en Termietenhoopen aan om in de gelegenheid te zijn, hun belangrijkste voedsel ook over dag in te zamelen.
Behalve uit Mieren en Termieten bestaat het voedsel van de Gordeldieren hoofdzakelijk uit Kevers en hunne larven, uit Rupsen, Sprinkhanen en Aardwormen. Het staat bovendien onwedersprekelijk vast, dat zij ook plantaardig voedsel gebruiken; uit het onderzoek van de maag van gedoode dieren is dit gebleken.
Het is licht te begrijpen, dat de omzwervingen van den Armadil altijd slechts binnen een beperkten kring kunnen plaats hebben. De gewone gang van deze dieren is een langzame draf, de eenige versnelling, die zij er in kunnen aanbrengen, is het schielijker verplaatsen van de pooten; toch kunnen zij op deze wijze zoo snel vooruitkomen, dat een mensch ze niet kan inhalen. Het is voor hen een onmogelijkheid sprongen te maken of zich snel en behendig om te draaien. De zwaarlijvigheid verhindert gene, het nauwsluitend pantser deze verrichting. Zij kunnen dus, als zij aan hun gang de grootst mogelijke snelheid willen geven, niets anders doen dan in rechte richting voortdraven of een zeer grooten boog beschrijven; zij zouden weerloos aan [368]hunne vijanden prijs gegeven zijn, indien zij niet andere kunststukken verstonden. Wat aan hun behendigheid ontbreekt, wordt door hun groote spierkracht vergoed. Deze openbaart zich vooral in de snelheid, waarmede zij zich in den grond verbergen, zelfs op plaatsen waar een houweel slechts met moeite doordringt, b.v. aan den voet van Termieten-heuvels. Een volwassen Tatoe, die een vijand in de buurt bespeurt, heeft slechts 3 minuten noodig om een gang te graven, die aanmerkelijk langer is dan zijn lichaam. Zoodra zij zich zoover hebben ingegraven, dat hun lichaam geheel in den gang is doorgedrongen, is zelfs de sterkste man niet meer in staat, om ze aan den staart rugwaarts uit hun hol te trekken. Daar hunne holen nooit wijder zijn dan voor het binnensluipen juist noodig is, hebben zij eenvoudig hun rug eenigszins te krommen om te maken, dat de randen van de gordels aan de rugzijde en de scherpe klauwen aan de buikzijde den weerstand zoozeer doen toenemen, dat niemand dien overwinnen kan.

Zesgordelig Gordeldier (Dasypus sexcinctus). ⅕ v.d. ware grootte.
Het wijfje werpt in den winter of in het voorjaar 4 à 6 jongen en houdt ze gedurende eenige weken zorgvuldig in haar hol verborgen. Waarschijnlijk duurt de zoogtijd niet lang, want men ziet de jongen spoedig in ’t veld rondloopen. Zoodra zij eenigszins in staat zijn om zichzelf te redden, gaat ieder zijns weegs en de moeder bekommert zich in ’t geheel niet meer om haar kroost.
Men jaagt den Tatoe gewoonlijk bij maneschijn. De jager wapent zich met een dikken stok van hard hout, die aan het einde spits of ook wel knotsvormig toeloopt en zoekt met eenige Honden het wild op. Als de Tatoe de Honden nog te rechter tijd bemerkt, vlucht hij oogenblikkelijk naar zijn eigen hol; veel liever graaft hij zich zoo schielijk mogelijk een nieuw hol, dan dat hij in een vreemd hol zijn toevlucht zoekt. Als de Honden hem ingehaald hebben, voordat hij het hol bereikt heeft, dan is hij verloren. Daar zij hem met de tanden niet aanpakken kunnen, houden zij hem met den snuit en de pooten vast, totdat de jager bij hen gekomen is en het Gordeldier door een slag op den kop doodt. Geoefende Honden trachten den loopenden Tatoe met den neus om te wenden om hem aan de onderzijde te kunnen aangrijpen. Als dit gebeurd is, verscheuren zij hem oogenblikkelijk in den letterlijken zin van ’t woord; het pantser kraakt daarbij onder hunne tanden, alsof eierschalen worden stuk geknepen. Een Tatoe, die zijn hol heeft kunnen bereiken, ontkomt altijd aan de Honden, omdat het hun niet mogelijk is, hem op te graven. Wanneer hij door de Honden gegrepen is, denkt hij er niet aan zich te verdedigen, hoewel hij, naar men zou zeggen, met zijne klauwen belangrijke verwondingen zou kunnen toebrengen.
Alle Gordeldieren worden door de Zuid-Amerikanen ten zeerste gehaat, omdat zij de oorzaak zijn van vele ongelukken. De koene ruiters van de steppen, die het grootste deel van hun leven te Paard zittend doorbrengen, worden door den arbeid der Gordeldieren op sommige plaatsen zeer gehinderd. Het paard, dat in gestrekten galop voortsnelt, trapt plotseling in een hol, en kan met den ruiter verongelukken. Daarom vervolgen de eigenaars van alle landbouwondernemingen en veefokkerijen den armen pantserdrager op de onmeedoogendste en volhardendste wijze. Behalve door den mensch, wordt hij vervolgd door de groote soorten van Katten, door den Braziliaanschen Wolf en door den Jakhalsvos.
Zelden worden in Paraguay Tatoes in gevangenschap gehouden. Zij zijn te vervelend, en door hun neiging tot woelen ook te schadelijk om als huisgenooten van den mensch diens vriendschap te kunnen verwerven.
De Gordeldieren worden dikwijls naar Europa gebracht, en in eenige diergaarden bij de Apen geborgen. In de gevangenschap worden zij met Wormen, Insecten, Insectenlarven en rauw of gekookt vleesch gevoed. Het vleesch moet men echter voor hen in kleine stukjes snijden, omdat zij van groote stukken niets afbijten kunnen. Zij vatten de spijs aan met de lippen of met de tong, die zich sterk kan verlengen. Wanneer zij behoorlijk verzorgd worden, kunnen zij jaren lang blijven leven en in goeden welstand gehouden worden; gewillig of onwillig dienen zij als rijdieren en speelkameraden voor de Apen, laten zich alles welgevallen, geraken gewoon aan wandelingen over dag, en planten zich ook wel voort. Jongen, die in den Londenschen dierentuin ter wereld kwamen, waren bij de geboorte blind; aan hun nog zachte huid waren alle plooien en velden van het volwassen dier reeds zichtbaar.
Het nut van de Gordeldieren is niet onbelangrijk. De Indianen houden zeer veel van het vleesch van alle soorten dezer familie; slechts twee van deze [369]vallen bij de Europeanen in den smaak. Volgens Kappler verliest het vleesch de hieraan eigen muscusreuk, als het een nacht over in een oplossing van zout en citroensap blijft liggen. Rengger verzekert, dat gebraden Gordeldieren-vleesch, met Spaansche peper en citroensap toebereid een van de smakelijkste gerechten van de Paraguayaansche keuken is. De Indianen van Paraguay maken van het pantser korfjes; de Botokoeden gebruiken het afgestroopte staartpantser als spreektrompet; vroeger maakte men van gedeelten van het pantser ook klankbodems voor gitaren.
*
Het nog weinig bekende Kogel-gordeldier (Tolypeutes tricinctus) wordt door de inboorlingen Apar of Matako, door de Spanjaarden Bolita genoemd. De eerste beschrijving van dezen vertegenwoordiger van een nieuw geslacht, werd gemaakt naar een opgezet exemplaar, dat door sommige onderzoekers gehouden werd voor een uit stukken van verschillende soorten samengesteld voorwerp. Reeds Azara gaf echter van het bedoelde dier zulk een duidelijke beschrijving, dat zijn bestaan niet langer betwijfeld kon worden. Hij zegt, dat de Matako niet in Paraguay aangetroffen wordt, maar op 36° Z.B. en verder zuidwaarts voorkomt. “Sommigen noemen hem Bolita, omdat hij de eenige is van alle Tatoes, die, als hij bevreesd is, of gevaar loopt gevangen te worden, den kop, den staart en de vier pooten verbergt, door van het geheele lichaam een kogel te vormen, die men als een bal in alle richtingen kan rollen, zonder dat het dier zijn gewone houding herneemt. Men kan dezen kogel ook slechts met groote moeite ontrollen. De jagers dooden het dier door het met geweld tegen den grond te werpen.”
Zijn lengte, gemeten van het puntje van den snuit tot aan de spits van den staart, bedraagt 45 cM.; de 7 cM. lange staart is van onderen aan de spits rond of kegelvormig, aan den wortel daarentegen in de breedte samengedrukt. De schubben zijn niet vlak zooals bij de overige soorten, maar gelijken meer op dikke korrels en treden ver naar buiten.

Kogel-gordeldier (Tolypeutes tricinctus). Volgens teekeningen van Göring. ¼ v.d. ware grootte.
Anton Göring kreeg een levende Bolita, uit San Louis in westelijk Argentinië het eigenlijke vaderland van deze diersoort, of althans de streek, waar zij het veelvuldigst voorkomt. Daar leeft dit dier, juist zooals Azara aangeeft, in het vrije veld; of het ook in eigen gegraven holen woont, kon Göring niet gewaar worden. De inboorlingen nemen het bij de vangst van andere Gordeldieren (die gelijk reeds gezegd werd, een lievelingsspijs van de Gaucho’s zijn) bij gelegenheid mede. Omdat echter de Matako een aardig dier is, vindt hij gewoonlijk genade in hunne oogen; hij blijft gespaard, maar wordt gevangen gehouden. Hij dient n.l. als speelgoed voor de kinderen des huizes, die met hem werpen als met een bal, of hem langs een plank naar beneden laten rollen en zich vermaken met het geklepper, dat hij door zijn zonderlinge gang veroorzaakt. Göring werd dikwijls door zijne bezoekers aangezocht om zijn Bolita te laten zien. Hoewel deze nog niet lang gevangen was geweest, gaf hij reeds eenige bewijzen van vertrouwelijkheid, en nam zonder schroom het voedsel, dat men hem voorhield uit de hand. Hij at allerlei vruchten en bladen, vooral perziken, komkommers en salade; dit deed hij slechts, wanneer men hem deze zaken voorhield, maar toch meermalen op een dag, zoo vaak men hem wat gaf. Het voedsel moest voor hem, wegens zijn kleine mondopening, in smalle stukjes gesneden zijn, die hij vervolgens op een zeer nette wijze opnam. Hij sliep zoowel over dag als ’s nachts. Hiertoe strekte hij de voorpooten recht voor zich uit, trok de achterpooten in, en ging liggen op deze en op den buik; de kop werd benedenwaarts gebogen en tusschen de voorpooten verborgen. De rug was in iedere houding sterk bovenwaarts gekromd; het dier was niet bij machte hem geheel te strekken. Hoewel het in het bijzijn van verscheidene personen volkomen rustig heen en weerliep, kromp het toch dadelijk ineen, zoodra men het aanraakte, [370]en deed dit, als men het drukte, zoo sterk, dat het bijna een volslagen bol werd. Als men het daarna met vrede liet, strekte het zich allengs weder uit, en zette zijn wandeling voort.
Het was een bijzonder aardig dier; elk zijner bewegingen was, hoe vreemdsoortig ook, toch werkelijk bevallig. De gang op de spitsen van de omstreeks 3 cM. lange, gekromde klauwen, was in de hoogste mate verrassend en wekte steeds de verwondering van alle toeschouwers. Als men het buiten liet loopen, trachtte het zoo schielijk mogelijk te ontvluchten; wanneer het echter ingehaald werd door een vervolger, b.v. door een Hond, dan rolde het zich tot een kogel samen. Als men deze kogel over den bodem voortrolde, bleef hij vast gesloten; zoodra echter de beweging ophield, ontrolde het dier zich en liep weg. De Honden toonden zich niet meer gebeten op den Bolita dan op alle overige Gordeldieren.
*
Het geslacht Priodon, dat boschrijke gewesten van Brazilië en Guyana bewoont, wordt vertegenwoordigd door het Reuzen-gordeldier (Priodon gigas). De Prins Von Wied, die dit dier niet te zien heeft kunnen krijgen, meent, dat het over het grootste deel van Brazilië en misschien zelfs over geheel Zuid-Amerika verbreid is. In de groote oerwouden vonden zijne jagers dikwijls holen of gangen van dit dier, vooral onder de wortels van oude boomen, en men kon zijn omvang uit de wijdte dezer woningen afleiden. De jagers onder de inboorlingen beweerden, dat het hierin een groot Zwijn evenaart, welke mededeeling niet in tegenspraak was met de wijdte der holen, en nog meer bevestigd werd door de staarten dezer dieren, welke de Prins aantrof bij de Botokoeden, die aan de oevers van den Rio Grande de Belmonte wonen. Deze wilden gebruiken als spreektrompet een voorwerp, dat zij “Tatoe-staart” noemen en dat 36 cM. lengte heeft bij 8 cM. middellijn aan het dikste uiteinde.
Uit latere onderzoekingen bleek, dat het Reuzen-gordeldier een lichaamslengte van 1 M. en meer bereikt, zonder den ongeveer half zoo langen staart; volgens Kappler kan het 45 KG. zwaar worden. Het voorhoofd en de schedel zijn met zeer onregelmatige beenplaten bedekt. Het schouderpantser bestaat uit tien gordelvormige reeksen van beenplaten, waartusschen dicht bij den achterrand van weerszijden nog een reeks doordringt; de beweeglijke gordels zijn ten getale van 12 of 13 voorhanden; het heuppantser bestaat uit 16 à 17 reeksen van schilden. Deze zijn vierkant of rechthoekig, ook wel vijf- of zeshoekig, die van de achterste reeksen van het heuppantser onregelmatig; de staart is met onregelmatige, vierhoekige beenplaten bedekt. Het merkwaardigste van het geheele dier is misschien zijn gebit. In elke bovenkaakshelft komen 22 à 24 tanden voor, waarvan er echter dikwijls verscheidene uitvallen; steeds echter bestaat dit gebit uit 90 à 100 tanden, of althans organen, die de tanden vervangen. In de voorste helft van elke reeks zijn het namelijk slechts dunne platen en eerst verder achterwaarts worden zij allengs dikker. Waarom het Reuzen-gordeldier dit kolossaal gebit bezit is nagenoeg onverklaarbaar, daar het zich, voor zoover men weet, door zijn voedingswijze volstrekt niet van de overige soorten onderscheidt.
*

Gordelmuis (Chlamydophorus truncatus). ½ v.d. ware grootte.
De Amerikaan Harlan ontdekte in het jaar 1824 niet ver van Mendoza in westelijk Argentinië tot groote verbazing van de bewoners dezer gewesten, die met het bestaan van dit dier nagenoeg onbekend waren, een hoogst merkwaardig lid van de familie der Gordeldieren—de Gordelmuis (Chlamydophorus truncatus). Gedurende geruimen tijd waren er slechts twee exemplaren van bekend, die in de verzamelingen van Philadelphia en Londen bewaard werden en gelukkig op de zorgvuldigste wijze onderzocht konden worden. De Gordelmuis wordt terecht als vertegenwoordigster van een afzonderlijk geslacht beschouwd; zij onderscheidt zich echter van de overige, reeds genoemde Gordeldieren meer door haar pantser dan door haar inwendig maaksel.
De Schildmol of Gordelmuis is door het hoogst eigenaardige, bijna lederachtige hoornpantser, dat zijn lichaam bedekt, een der merkwaardigste leden van het geheele dierenrijk. Dit zonderlinge wezen is een dwerg in vergelijking met de andere Gordeldieren en overtreft de kleinste, bekende Zoogdieren slechts weinig in grootte. Door zijn vorm en meer nog door zijn levenswijze herinnert het sterk aan de Mollen. Zijn kop is kort, de achterste helft breed, de voorste toegespitst, en eindigt in een tamelijk korten, stompen snuit. De oogen zijn klein en liggen verborgen onder [371]de afhangende haren. De op korten afstand achter de oogen gelegen ooren hebben geen waarneembare oorschelp. In elke kaakhelft treft men acht kiezen aan van zeer eenvoudig maaksel; zij zijn rolvormig en, met uitzondering van de beide voorste in iedere kaak, die een weinig spits toeloopen, aan de kauwvlakte afgeplat. De pooten zijn kort, de voorste ledematen zeer krachtig, plomp en bijna op gelijke wijze als die der Mollen samengesteld; de achterste daarentegen veel smaller dan de voorste, met lange en smalle voeten voorzien. Alle teenen dragen middelmatig scherpe klauwen; die van de voorvoeten zijn zeer groot en stevig en vormen krachtige graafwerktuigen. De staart, die in een inham van het pantser, dat het achterste deel van het lichaam bedekt, vastgehecht is, maakt plotseling een benedenwaartsche kromming en is tusschen de achterpooten door, langs het onderlijf teruggebogen, zoodat hij geheel tegen den buik ligt.
De geheele bovenzijde van het lichaam wordt bedekt door een bijna lederachtig, uit hoorn bestaand schild-pantser, dat tamelijk dik is en minder buigzaam dan zoolleder, het begint op den kop, dicht bij de spits van den snuit, en strekt zich over den geheelen rug tot op het achterste deel van den romp uit, welks bovenvlakte hier rechthoekig benedenwaarts gebogen is, waardoor het dier er uitziet, alsof het afgeknot, verminkt werd. Dit pantser—dat meestal uit regelmatige dwarse gordels of reeksen van grootendeels rechthoekige, gedeeltelijk echter ruitvormige en ook wel onregelmatige, met knobbeltjes bezette schilden bestaat—is geenszins, zooals bij de overige Gordeldieren, overal stevig met de lichaamshuid verbonden, maar ligt er grootendeels slechts los over heen. Volgens een lijn, die over het midden van den rug loopt, is het door een vlies bevestigd aan de doornuitsteeksels van de wervelkolom; bovendien is het door middel van twee schilden aan de beide halfbolvormige uitsteeksels van het voorhoofdsbeen aangehecht; daarentegen wijkt het aan de zijden van den romp van de oppervlakte af en kan daar opgetild worden. Aan het voorste deel van den kop is het pantser echter stevig met het geraamte verbonden en ook aan het achterste deel van den romp, waar het een vlakke plaat vormt over het afgeknotte deel van ’t lichaam. Hoewel de ruimten tusschen de gordels niet bijzonder groot zijn, laten zij toch een vrij groote buiging van den romp toe; zelfs is er reden voor het vermoeden, dat dit dier zijn lichaam tot een bal ineenrollen kan. Het volkomen onbeweeglijke, met den staart slechts door een vlies verbonden pantser van het achterdeel, dat een rechten hoek vormt met de as van lichaam en volkomen plat is, bestaat uit 5 of 6 half-kringvormige reeksen van deels rechthoekige, deels ruitvormige schildjes. Het geheele pantser is aan zijn bovenzijde zoowel als aan het niet met de huid verbonden deel van de onderzijde onbehaard en volkomen glad; alleen aan de onderranden bevinden zich talrijke, tamelijk lange, zijdeachtige haren. Daarentegen is de huid van het dier overal en zelfs onder de losse gedeelten van het pantser, tamelijk dicht met lange, fijne en zachte, bijna zijdeachtige haren begroeid, met uitzondering alleen van den staart, de zolen, de spits van den snuit en de kin, die volkomen naakt zijn. De lengte van het lichaam bedraagt 13 cM., zonder den 3.5 cM. langen staart; de schouderhoogte is 5 cM.
In de dierkundige werken wordt van de levenswijze van de Gordelmuis niet anders bericht, dan dat zij in zandige vlakten leeft en hier op soortgelijke wijze als onze Mol in Europa, lange gangen onder de oppervlakte van den grond graaft; met zorg vermijdt zij het verlaten van haar onderaardsch paleis en komt waarschijnlijk alleen bij toeval aan de oppervlakte van den bodem. Naar men zegt doorwoelt zij met groote snelheid den grond, zij loopt er doorheen evenals de Mol; aan de aardoppervlakte zijn hare bewegingen echter langzaam en plomp. Hoogstwaarschijnlijk maakt zij jacht op Insecten en Wormen, misschien behelpt zij zich soms ook met malsche wortels. Van haar voortplanting weet men alleen, dat zij niet snel geschiedt. De inboorlingen beweren, dat het wijfje hare jongen onder haar pantser verborgen medevoert.
Men ziet hoe gebrekkig deze mededeelingen zijn, terwijl sommige bovendien slechts op bloote vermoedens berustten. Des te aangenamer was het mij, van Göring nog iets over dit dier te vernemen: “De Schildmol leeft niet alleen in Mendoza maar ook in San Louis” (beide staten van de Argentijnsche Republiek, aan of bij de Chileensche grens). “De Spanjaarden noemen hem Bicho ciego, omdat zij meenen, dat hij geheel blind is; enkele geven hem echter den naam Juan calado (‘Jan Kant’). Dit diertje bewoont zandige, droge, steenachtige gewesten, hoofdzakelijk zulke, die met doornplanten en cactussen begroeid zijn. Over dag houdt het zich steeds verborgen onder den grond; des nachts echter verschijnt het ook aan de oppervlakte, vooral bij maneschijn loopt het buiten zijn hol rond, het liefst onder struiken.”
Men vangt dit dier niet anders dan bij toeval, vooral bij het graven van de besproeiingskanalen, die aangelegd moeten worden daar, waar men den bodem bebouwen wil. Eenige malen is het ook bij de vangst van andere Gordeldieren mede gevangen geworden. In den laatsten tijd heeft men zich, om aan de veelvuldige aanzoeken te voldoen, wat meer moeite gegeven om Schildmollen te vangen; dit kost echter, naar het schijnt, veel moeite, daar Göring, die zich 7 maanden lang in deze streken ophield, in weerwil van alle pogingen, die hij deed en de verlokkendste beloften, geen enkel levend of versch gedood exemplaar meester kon worden. Ook thans nog is de “Bicho ciego” een voorwerp van bewondering voor de inboorlingen. Zij laten ieder door hen gevangen exemplaar zoo lang leven, als het bij de gebrekkige zorg die zij er aan wijden, leven kan en bewaren het vervolgens als een groote merkwaardigheid, zoo goed hun dit mogelijk is. Over ’t algemeen hebben de Zuid-Amerikanen de gewoonte om dieren, die hun merkwaardig voorkomen, in gevangenschap te houden, zonder er evenwel aan te denken ze ook goed te verzorgen. Daar deze menschen het prepareeren en opzetten van dieren niet kennen, vindt men de Schildmollen bij hen alleen in den toestand van mummiën.
De Schubdieren (Manididae) komen door lichaamsvorm en levenswijze met de Miereneters overeen, maar vormen toch een familie op zich zelf, die van de zooeven genoemde duidelijk onderscheiden is. Het lichaam van de Schubdieren is n.l. aan de bovenzijde bedekt met groote, plaatvormige hoornschubben, die elkander dakpansgewijs of liever als de schubben van een dennekegel bedekken. Deze bedekking, het voornaamste kenteeken der familie, is eenig in haar soort; want het pantser van de Gordeldieren en van de Gordelmuizen vertoont slechts een verwijderde overeenkomst met de bedoelde eigenaardige hoornvormingen, die wat haar vorm betreft, eerder met de schubben van een Visch of van een Kruipend Dier vergeleken [372]kunnen worden dan met eenig voortbrengsel van de huid van een Zoogdier.
Tot nauwkeuriger omschrijving van de Schubdieren moge het volgende dienen: De romp is gestrekt, de staart lang, de kop klein, de snuit kegelvormig toegespitst; de vóór- en achterpooten zijn kort, hunne voeten hebben vijf teenen, die met stevige, voor ’t graven geschikte klauwen gewapend zijn. Slechts aan de keel, de onderzijde van den romp en de binnenzijde der pooten ontbreken de schubben, terwijl het geheele overige deel van het lichaam door het “schobbejak” omhuld is. Alle schubben zijn met de eene spits in de lichaamshuid vastgehecht; zij hebben een ruitvormige gedaante, zijn aan de randen zeer scherp en bovendien buitengewoon hard en vast. Door deze inrichting kan het lichaam tamelijk goed in alle richtingen bewogen worden; de schubben zelf kunnen trouwens even goed zijdelings heen en weer geschoven, als opgericht en tegen het lichaam aan gelegd worden.
Tusschen de schubben in en op de ongeschubde lichaamsdeelen staan dunne haren, die echter soms aan de buikzijde volkomen wegslijten. De snuit is ongeschubd, maar met een stevige, hoornachtige huid bedekt. De kaken zijn volkomen tandeloos. Een eigenaardige, breede spier, die evenals bij den Egel onder de huid gelegen is, dient voor het ineenrollen of in een bol veranderen van het lichaam. De tong is tamelijk lang en vooruitsteekbaar; buitengewoon groote speekselklieren leveren haar het noodige slijm om het voedsel, dat uit Insecten, waarschijnlijk vooral uit Mieren en Termieten, bestaat, er aan te doen kleven.
Een groot deel van Afrika en geheel Zuid-Azië alsmede eenige naburige eilanden vormen het vaderland van deze vreemdsoortige dieren; zij houden zich op in steppen en boschstreken, in de gebergten zoowel als in de vlakten. Waarschijnlijk bewonen zij alle holen, die door hen zelf gegraven zijn en leven hierin eenzaam en ongezellig. Evenals hunne verwanten verbergen zij zich over dag, en bewegen zich ’s nachts. Aan gevangen Schubdieren heeft men opgemerkt, dat zij over dag slapen en dan ineengerold zijn, zoodat de kop onder den staart verborgen is. Als de schemering aanvangt, ontwaken zij en zwerven daarna rond om voedsel te zoeken.
De Schubdieren maken bij het gaan hoofdzakelijk gebruik van de achterste ledematen, die met de geheele zool op den grond rusten, richten het sterk gekromde lichaam naar voren, buigen den kop ter aarde en laten de voorpooten hangen, zoodat de klauwen bijna den bodem raken. Soms wordt ook de staart tegen den grond gedrukt tot ondersteuning van het lichaam gedurende het gaan; het dier kan zijn evenwicht echter ook behouden, wanneer het den staart recht uitgestrekt of met de spits naar boven gekromd draagt.
Hunne bewegingen zijn volstrekt niet zoo langzaam en traag, als vroeger beweerd werd. Van een in Liberia waargenomen soort (Manis gigantea) zegt Büttikofer: “Dit dier loopt, in tegenstelling met hetgeen de boeken er van vermelden, zeer snel, zoodat een man het bijna niet zou kunnen inhalen en richt zich, terwijl het vlucht, soms op de achterpooten en den staart op, om achterwaarts te zien; het laat dan de voorpooten hangen.” Bovendien bevestigt onze zegsman het feit, dat twee Afrikaansche soorten eveneens goede loopers zijn en bovendien behendig in de boomen kunnen klimmen; van de laatstbedoelde zegt hij: “Deze dieren worden tam en kunnen langen tijd in huis gehouden worden, waar men ze vrij laat rondloopen, omdat zij ijverig jacht maken op Mieren, Kakkerlakken en andere lastige Insecten. Zij zijn zeer behendig en beklimmen in een ommezien de daken der huizen en de stammen der boomen.”
Als zij behoorlijk verzorgd worden, verdragen de Schubdieren geruimen tijd het leven in de gevangenschap. Ook raken zij tamelijk spoedig gewoon aan melk, brood, ja zelfs aan graankorrels, hoewel Insecten steeds hun liefste voedsel blijven uitmaken. Het vleesch van de Schubdieren wordt door de inboorlingen gegeten en als smakelijk geroemd; het pantser dient bij sommige volksstammen tot het opsieren van verschillende gereedschappen.
Het Langstaartige Schubdier (Manis longicaudata) heeft een totale lengte van 1 à 1.3 M., waarvan bijna twee derden op den staart komen. Bij jongere dieren is de staart voluit het dubbele van het overige lichaam; naarmate het dier ouder wordt, wijzigt zich deze verhouding eenigszins. De schubben bedekken, met uitzondering van het onderste deel van de buitenzijde der voorpooten, de geheele boven- en buitenzijde van den romp en van den staart, van dezen ook nog de onderzijde; de niet geschubde lichaamsdeelen zijn met stijve borstels begroeid. Het aangezicht en de keel schijnen bijna geheel kaal. De buitengewoon stevige en aan de randen scherpe schubben zijn op het midden van den rug het grootst. De algemeene kleur van het dier is zwartachtig bruin met een roodachtige tint; iedere schub afzonderlijk is aan den voet zwartbruin en langs de randen geelachtig gezoomd. De borstelige haren zijn zwart. Het vaderland van dit dier is West-Afrika.
Het eerste uitvoerige bericht over de levenswijze van dit Schubdier danken wij aan Desmarchais: “In Guinea vindt men in de wouden een viervoetig dier, dat de Negers Quoggelo noemen. Het is van den hals tot aan de spits van den staart met schubben bedekt, die bijna den vorm hebben van de bladen van artisjokken, maar een weinig spitser toeloopen. Overal dicht opeengedrongen, zijn zij dik en stevig genoeg om het dier te beschutten tegen de klauwen en tanden van andere dieren, die het aanvallen. De Luipaarden vervolgen het onophoudelijk en bereiken het zonder moeite, daar het op lange na niet zoo snel loopt als zij. Het vlucht, maar wordt spoedig ingehaald. Zoomin met de klauwen als met den bek, kan het zich tegen de vreeselijke tanden en klauwen van de Roofdieren verweren. Daarom rolt het zich ineen en slaat den staart onder den buik, zoodat de spitsen van de schubben allerwege naar buiten gekeerd zijn. De groote Katten rollen het zacht met de klauwen heen en weer, steken zich echter zoodra zij het steviger aangrijpen en zien zich genoodzaakt het met vrede te laten. De Negers slaan het met stokken dood, trekken het de huid af, die zij aan de blanken verkoopen, en eten zijn vleesch. In zijn snuit, die men met een eendensnavel zou kunnen vergelijken, ligt een zeer lange, kleverige tong, die het in de gaten der mierenhoopen steekt of op hun weg legt; de Mieren, door den reuk aangelokt, begeven zich dadelijk op deze tong en blijven er aan hangen. Bemerkt het dier, dat zijn tong met Insecten bedekt is, dan trekt het haar in den bek terug en houdt zijn maal.”
De Pangolin (Manis pentadactyla) heeft een korten staart en een volledig pantser op de buitenzijde van de voorpooten. Dit dier bewoont Vóór-Indië en Ceylon, bij voorkeur heuvelachtige gewesten; het komt [373]echter nergens talrijk voor. Reeds Aelianus bericht, dat er in Indië een dier voorkomt, dat er als een Landkrokodil uitziet.
Van de overige Schubdieren, met uitzondering van het Steppen-schubdier, onderscheidt de Pangolin zich door zijn grootte en bovendien, doordat zijne schubben, die op 11 à 13 reeksen geplaatst zijn, op den rug en den staart zeer breed en nergens gekield zijn. Een volwassen mannetje kan wel 1.3 M. lang worden; hiervan komt ongeveer de helft op den staart.

Steppen-schubdier (Manis Temminckii). ⅕ v.d. ware grootte.
Ook van deze soort is de levenswijze ons slechts zeer onvolledig bekend. Het dier graaft gangen, die over een afstand van 2 à 4 M. schuins naar beneden gericht zijn en in een groote kamer uitkomen. Hier leven de Schubdieren paarsgewijs; waarschijnlijk van Januari tot Maart vindt men 1 of 2 jongen bij hen. Als zij in het hol zijn, verstoppen zij gewoonlijk den ingang zoo goed met aarde, dat deze niet gemakkelijk gevonden zou worden, zonder het eigenaardig spoor, dat er om heen leidt. Burt verhaalt, dat de Pangolin niets anders dan Mieren eet en er zeer vele verdelgt, maar dat hij ook 2 maanden achtereen zonder voedsel in ’t leven kan blijven, dat hij ’s nachts rondzwerft en in de gevangenschap zeer onrustig is, zich tamelijk snel kan bewegen en, als men hem aanvat, zich bedaard bij den staart laat opnemen, zonder de minste poging te doen om zich tegen zijn vijand te verweren, enz. De Chineezen vervaardigen pantsers uit zijn huid.
Het Javaansche Schubdier (Manis javanica) bewoont op Java, Sumatra en Borneo bosschen, liefst in bergachtige streken. Het klimt in de boomen en vindt een schuilplaats in boomspleten of tusschen bovenaardsche boomwortels, vooral van Ficus-soorten, minder dikwijls in rotsholen. Het maakt jacht op Mieren en Termieten, welker nesten het opengraaft, voorts op andere Insecten, Wormen, enz. Zijn vleesch wordt vrij algemeen door de inlanders gegeten en van zijne schubben worden soms ringen vervaardigd, die als amuletten tegen allerlei kwalen gebruikt worden. “Meermalen,” schrijft Haszkael, “heb ik op Java Schubdieren gekocht, maar ze nooit lang behouden, daar ik ze, bij gebrek aan een betere bergplaats, in navolging van de inboorlingen, met een touw, dat aan een vooraf doorboorde schub was vastgemaakt, aan een boom moest binden. Zij klommen zeer snel en behendig in den boom; ook op den grond bewegen zij zich vermoedelijk vrij goed: ik kon mijne gevangenen, als zij, hun doorboorde schub in den steek latend, ontvluchtten, nooit weder krijgen.”
Een betrekkelijk korte, breede, eerst bij de spits dunner wordende en daar plotseling stomp afgeronde staart komt voorbij het Steppen-schubdier (Manis Temminckii), de Aboe-Khirfa (“Schors-vader”) van de nomaden van Kordofan. Wat grootte en vorm betreft komt het nog het meest met den Pangolin overeen. De kop is kort en dik, de romp breed, de staart ongeveer zoo lang als het overige lichaam. Eivormige schubben bedekken den kop; zeer groote, aan den wortel fijn overlangs gegroefde, aan de spits gladde schubben vormen aan de rugzijde van den romp 11 à 13, op het voorste deel van den staart 5 en bij de spits 4 reeksen. Volwassen mannetjes bereiken een lengte van ongeveer 80 cM., met inbegrip van den ongeveer 30 cM. langen staart. Het Steppen-schubdier bewoont voornamelijk Oost- en Zuid-Afrika, maar wordt ook in West-Afrika, gevonden; het vindt in de aan Termieten zoo rijke steppen een overvloed van voedsel en de gewenschte eenzaamheid. Het graaft en bewoont gaten in den grond, welke nooit zoo diep zijn als die van het Aardvarken en waaruit het eerst na het begin van de schemering te voorschijn komt. Het is zoomin behendig als vlug en niet in staat zich tegen vijanden te verdedigen. Mieren, Termieten, Sprinkhanen, Kevers, misschien ook Wormen maken zijn voedsel uit.
Ik zag een van deze merkwaardige wezens levend bij een koopman in Khartoem, die het met melk en wittebrood voedde. Het was, evenals de overige leden van zijn geslacht, volkomen onschadelijk; men kon met hem doen, wat men wilde. Over dag lag het ineengerold in den een of anderen hoek, ’s nachts kwam het te voorschijn; het at met de tong, die het telkens in de melk dompelde en waaraan de wittebroodkruimels zich hechtten.
[374]
In de laatste familie vereenigen wij de Aardvarkens (Orycteropodidae), plompe dieren, met dikken, loggen romp, die met een ijl, borstelig haarkleed bedekt is, met dunnen hals, langen, slanken kop met rolvormigen snuit, middelmatig langen, kegelvormigen staart en korte, betrekkelijk dunne pooten, waarvan de voorste vier, de achterste vijf teenen hebben, die met zeer stevige, bijna rechte en platte, aan de randen scherpe, hoefachtige nagels voorzien zijn. De bek is tamelijk groot, de oogen staan ver naar achteren, de ooren zijn lang. Bij het jonge dier bevat elke bovenkaakshelft 8, elke onderkaakshelft 6 kiezen; bij oude dieren daarentegen is het aantal kiezen in elke reeks verminderd tot 5 boven en 4 onder; deze kiezen zijn rolvormig, wortelloos, uit tallooze fijne buisjes samengesteld, die op de kauwvlakte gesloten, aan het tegenovergestelde uiteinde echter open zijn.
Het Kaapsche Aardvarken (Orycteropus capensis) bereikt een lengte van ongeveer 2 M., met inbegrip van den ongeveer 85 cM. langen staart, en een gewicht van 50 à 60 KG. De huid is zeer dik, met glad neerliggende en tamelijk wijd uiteenstaande, borstelachtige haren bekleed; het haar van de bovenzijde van ’t lichaam is iets korter dan dat van de onderzijde, waar het, vooral aan den oorsprong der teenen, bosjes vormt. De kleur is zeer gelijkmatig: de rug en de zijden zijn geelachtig bruin met een roodachtig waas, de onderzijde en de kop licht roodachtig geel, het achterdeel, de staartwortel en de ledematen bruin. Pas geboren jongen zijn vleeschkleurig.
De Hollandsche Boeren in Zuid-Afrika hebben dit dier “Aardvarken” genoemd, omdat zijn vleesch in smaak overeenkomt met dat van het Wilde Zwijn; reeds sinds lang maken zij er ijverig jacht op; zij hebben het hierdoor goed leeren kennen.
Het Aardvarken komt voor in Zuid- en Midden-Afrika, van de oostkust tot aan de westkust; evenals de Gordeldieren bewoont het bij voorkeur het vlakke land, woestijnachtige gewesten en steppen, waar Mieren en Termieten talrijk zijn. Het is een eenzaam levend dier; hoewel men het soms in gezelschap van zijne soortgenooten aantreft, heeft het met deze geen omgang; over dag slaapt het in groote, zelf gegraven holen, des nachts zwerft het rond.
Het heeft een ongeloofelijke bekwaamheid in ’t graven. Weinige oogenblikken heeft het maar noodig om zich geheel in den grond te verbergen, hoe hard de bodem ook moge zijn. Als het bij een Mieren- of Termieten-woning komt, besnuffelt het deze eerst zorgvuldig aan alle zijden, en tijgt dan aan den arbeid: het wroet in den grond, totdat het de belangrijkste afdeeling van het nest of althans een hoofdverkeersweg van de Insecten bereikt heeft. In zulke hoofdgangen nu steekt het Aardvarken herhaaldelijk zijn lange, kleverige tong, wacht totdat deze geheel met Insecten bedekt is, trekt haar dan in den bek terug, en herhaalt deze beweging zoolang, totdat het volkomen verzadigd is. Zoo wordt het eene nest na het andere geplunderd, en onder de alles vernielende Termieten een groote slachting anngericht. Geen dier is in staat het Aardvarken in zijn hol te vervolgen, daar het de uitgegraven aarde met zooveel kracht achteruitwerpt, dat de aanvaller zich verschrikt terugtrekt. Zelfs voor den mensch is het moeilijk hem op te delven, en ieder jager, die dit beproeft, wordt na weinige minuten volkomen met aarde bedekt.
Het Aardvarken is buitengewoon voorzichtig en schuw, en begraaft zich ook ’s nachts bij het geringste gedruisch onmiddellijk in den grond. Door zijn groote lichaamskracht is het trouwens in staat aan velerlei gevaren het hoofd te bieden. De jager, wien het gelukt een Aardvarken te overrompelen en vast te houden, is hierdoor nog volstrekt niet zeker van den gewenschten buit. Evenals het Gordeldier drukt het zich, zelfs wanneer het slechts halverwege in zijn hol doorgedrongen is met al zijn kracht tegen de wanden, houdt zich met de scherpe klauwen er stevig aan vast, kromt den rug en drukt hem met zooveel geweld naar boven, dat het nagenoeg onmogelijk is, ook maar een enkelen poot los te rukken en het dier uit den grond te trekken. Zelfs voor de vereenigde krachten van verscheidene mannen is dit werk zwaar genoeg.
Nauwkeurige berichten over de voortplanting ontbreken tot dusver.
In de laatste tientallen jaren is het Aardvarken herhaaldelijk naar Europa gebracht; men heeft het hier bij behoorlijke verzorging meer dan een jaar lang in ’t leven kunnen houden. Het wordt gevoederd met fijn gehakt vleesch, rauwe eieren, mierenpoppen en meelbrij, waardoor echter het voedsel dat het in de vrije natuur gebruikt, slechts op een zeer onvoldoende wijze wordt vervangen.
Alleen in gewesten, die dikwijls door karavanen worden bezocht, wordt het Aardvarken den mensch schadelijk door zijn graven; overigens veroorzaakt het eerder nut dan schade. Het vleesch gelijkt op dat van ’t Zwijn en wordt soms uitmuntend, soms taai en kwalijk riekend genoemd; de dikke, stevige huid wordt tot leder verwerkt. [375]

Aardvarken (Orycteropus capensis).
[376]
Als een uitstervend geslacht, als de laatste afstammelingen van een voormaals talrijkere Zoogdieren-groep, treden de slurfdieren voor ons. Zij maken den indruk van levende getuigen uit vroegere tijdperken van de ontwikkelingsgeschiedenis der dierenwereld, van wezens uit den vóórtijd, die aan het lot, dat hunne stamgenooten getroffen heeft, ontkomen zijn, en tot den tegenwoordigen tijd gespaard bleven.
Van de tot deze orde behoorende diervormen, die onze planeet bewoond hebben, leven thans nog slechts de vertegenwoordigers van één familie; twee of misschien drie soorten; zij maken de laatste leden uit van een reeks, die den tegenwoordigen tijd op een duidelijk zichtbare wijze met de voorwereld verbindt: want tot hun familie moet men de reusachtige dieren rekenen, welker goed geconserveerde lijken het ijs van Siberië gedurende duizenden van jaren voor ons bewaard heeft. Om van de beteekenis dezer diergroep een juist denkbeeld te krijgen, is het noodig ook op de uitgestorvene soorten de aandacht te vestigen. Neumayr zegt van hen het volgende: “Over ’t algemeen onderscheidden zich de Zoogdieren, die gedurende het diluviale tijdvak Europa bewoonden, door hun krachtige ontwikkeling: er zijn zoovele groote vormen bij, dat met het oog op deze, de hedendaagsche Europeesche Zoogdieren-fauna zich als een jammerlijk ontaard overblijfsel van vroegeren bloei aan ons voordoet. Het meest loopt dit in ’t oog, als wij letten op de groote planteneters van dien tijd; in de eerste plaats blijkt dan de sterke verbreiding van drie kolossale soorten van Slurfdieren, die alle grooter waren dan de hedendaagsche Indische en Afrikaansche soort. Twee van deze, n.l. Elephas meridionalis en Elephas antiquus—misschien de grootste landbouwers onder de Zoogdieren, die ooit bestaan hebben—lieten hoofdzakelijk in Zuid-Europa sporen van hun aanwezigheid achter; hun verbreidingsgebied reikte tot in Engeland; reeds in Noord-Duitschland echter waren zij zeer zeldzaam. Beide zijn vooral veelvuldig geweest in de oudste diluviale periode (in het tijdvak, dat aan den ijstijd onmiddellijk voorafgaat) daarna verdwijnt Elephas meridionalis, terwijl overblijfselen van Elephas antiquus nog voorkomen in de aardlagen, die zich afgezet hebben in het interglaciale tijdperk (tusschen den eersten en den tweeden ijstijd).
“Geheel anders was het gesteld met de derde soort, met den Mammoet (Elephas primigenius), wiens overblijfselen in het tijdvak dat aan den ijstijd voorafgaat, slechts zelden gevonden worden, maar in de diluviale gronden uit latere tijdperken buitengewoon veelvuldig zijn; tallooze kudden van deze dieren bevolkten destijds Europa en het noorden van Azië. Geen fossielen hebben zoo sterk de aandacht getrokken als die van den Mammoet, wiens beenderen en tanden op sommige plaatsen in menigte voorhanden zijn. In vroegeren tijd hield men ze voor de beenderen van Sint Christophorus of van een anderen heilige, wien men om de een of andere reden een bijzondere grootte meende te moeten toeschrijven; vele van zulke overblijfselen werden daarom in kerken als reliquieën bewaard. Anderen hielden ze voor de beenderen van de reuzen Gog en Magog, die in den bijbel worden genoemd, of van andere minder beroemde reuzen. Door hen, die met de klassieke oudheid meer bekend waren, werden zij aan den Germaanschen koning Teutobod toegeschreven. Toen men er eindelijk toe overging, deze beenderen en tanden nauwkeuriger te bekijken, en de overeenkomst opmerkte, die zij met Olifantstanden hebben, meende men, dat zij afkomstig waren van de voor den krijg afgerichte Olifanten, die Hannibal op zijn vermetelen tocht uit Spanje door het zuiden van Frankrijk en over de Alpen medenam, en die, zooals bekend is, alle op één na onderweg ten gevolge van de vermoeienissen der reis bezweken.
“Later kwam men tot de overtuiging, dat de Mammoet werkelijk tot voor betrekkelijk korten tijd in Europa geleefd heeft en het lag voor de hand hieruit af te leiden, dat het klimaat van Europa in dien tijd warmer was. Door nog latere ervaringen werd deze meening echter niet bevestigd: in het zuiden van Europa ontbreekt de Mammoet, terwijl hij in het midden en in het noorden van dit werelddeel gevonden wordt. Hoe veelvuldig hij hier echter op sommige plaatsen is, nog overvloediger komt hij voor in Siberië, vooral in het noorden van dit land, waar sommige diluviale lagen geheel gevuld zijn met zijne overblijfselen. Waarschijnlijk is geen omstandigheid beter geschikt om dit in ’t licht te stellen dan het feit, dat ongeveer het derde gedeelte van al het ivoor, dat in den handel komt van de diluviale Mammoeten van Siberië afkomstig is. Volgens Middendorf zijn sedert 200 jaren ieder jaar meer dan 100 paar slagtanden van Mammoeten uit Siberië op de markt gekomen. Zelfs op de zoo moeilijk bereikbare Nieuw-Siberische eilanden, die ten noorden van het Aziatisch vasteland tusschen 73 en 76° N.B. in de IJszee gelegen zijn, is het fossiele ivoor in zulk een groote hoeveelheid aanwezig, dat de ivoorverzamelaars herhaaldelijk [377]den gevaarlijken sledetocht over de bevroren zee wagen om deze schatten te lichten.
“Het is zeer zeker een merkwaardig feit, dat het ivoor gedurende zulk een langen tijd zoo weinig verandering heeft ondergaan, dat het nu nog technisch bruikbaar is; nog veel wonderbaarlijker echter is de ontdekking van volledige exemplaren met huid en haar, met vleesch en ingewanden, in den bevroren bodem van Siberië. Deze lijken waren nog zoo frisch, dat het vleesch steeds door IJsberen, Wolven, Vossen en Honden verslonden was, voordat een expeditie deze afgelegen gewesten kon bereiken om het gevonden materiaal ten behoeve van de wetenschap in bezit te nemen.
“Men kan zich nog geen volkomen duidelijke voorstelling vormen van de wijze, waarop deze bevroren grond ontstond; daarom weet men ook niet, hoe de Mammoeten er in bedolven zijn geraakt. Voor sommige gevallen geldt de verklaring, dat de Olifanten, Neushoorndieren enz. toevalligerwijze weggezonken zijn in moerasgrond, die later bevroren en sedert den ijstijd niet weder ontdooid is. In andere gewesten hebben, naar het schijnt, andere oorzaken tot soortgelijke gevolgen aanleiding gegeven; zoo ziet men b.v. aan de Eschscholtz-bocht in het noordwestelijkste deel van Noord-Amerika een tamelijk zuivere afzetting van waterijs (geen gletscher-ijs) uit het diluviale tijdperk, waarin oude strandlijnen ingesneden zijn en deze ijsmassa wordt bedekt door een laag klei met overblijfselen van groote Zoogdieren.
“Hoe dit ook zij, zeker is het, dat van tijd tot tijd volledige Mammoet-lijken door den dooi blootgelegd worden; de inboorlingen meenen, dat dergelijke dieren ook nu nog in den grond leven en dezen doorwoelen, en dat zij, gedurende dezen arbeid bij vergissing aan de lucht komend, onmiddellijk sterven en daarom in volkomen verschen toestand gevonden worden. De eerste gebeurtenis van dezen aard, die bekend geworden is, had plaats aan den mond van de Lena; hier bemerkte een Toengoese, dat een Olifant in een tijdperk van twee jaren langzamerhand uit zijn ijshulsel te voorschijn kwam; in 1799 werd deze ontdekking gedaan, maar eerst zeven jaren later kwam zij den natuuronderzoeker Adams ter oore, die toen een reis door Siberië deed en de bedoelde plaats bezocht. Ongelukkig was het dier reeds grootendeels verslonden; één oor, één oog, een stuk van de huid en vele pezen en banden waren behalve het skelet nog aanwezig. Toen reeds werd het hoogst merkwaardige feit ontdekt, dat de Mammoet over het geheele lichaam met een dichte, roodbruine, wollige vacht bekleed was en aan den hals lange manen had.” De manen in den nek reikten bijna tot op de knieën; ook op den kop groeiden zachte haren van één Meter lengte. Boven het dichte wolhaar, dat den geheelen romp bedekte, verhieven zich borstels van 25 cM. lengte. De overblijfselen van dit dier werden voor een som van 8000 roebels aan het museum te Petersburg verkocht, waar het skelet met de daaraan nog aanwezige pezen is opgesteld.
“Sedert dien tijd zijn herhaaldelijk dergelijke in den grond vastgevroren dieren gevonden; nooit is het echter gelukt er één in zijn geheel voor bederf te bewaren. Een onder de leiding van F. Schmidt uitgezonden expeditie kon tegen het einde van het tijdperk 1860—1870 weder eenige deelen van een Mammoet redden; bovendien verzamelde men eenige nog met de huid bedekte lichaamsdeelen van Neushoorndieren. Vooral een door Schrenk ontdekte kop van Rhinoceros Merckii is goed bewaard gebleven en levert het bewijs, dat de huid met een rood gevlekte vacht bekleed was.
“Over het algemeen is de Mammoet nauw verwant aan den Indischen Olifant; hij onderscheidt zich echter van dezen, behalve door zijn grootte en beharing door de veel talrijkere en smallere emailplaten van de kiezen en door de reusachtige, zeer sterk naar boven en buiten gekromde stoottanden.” Deze zijn soms ruim 4 M. lang en 125 K.G. zwaar.
“Zooals reeds gezegd werd, meende men aanvankelijk, dat de Mammoet in een heet klimaat geleefd zou hebben, omdat hij nauw verwant is aan den Olifant. Toen men hem echter in zoo grooten getale in Siberië aantrof en de daar in het ijs bedolven exemplaren ontdekte, zocht men den volgenden uitweg: men nam aan, dat door geweldige, van ’t zuiden naar ’t noorden zich uitstrekkende watervloeden, misschien wel door den zondvloed van Noach, tallooze overblijfselen van tropische dieren naar de Noordpool-gewesten gespoeld zouden zijn. Weldra echter zag men de onmogelijkheid van dit vermoeden in en nam zijn toevlucht tot de even onjuiste veronderstelling van een zeer plotseling ingetreden omkeering van het klimaat. Zoomin voor de eene als voor de andere meening is eenige grond aan te voeren. De Mammoet was door zijn dichte vacht tegen de koude beschut; dat hij ook werkelijk in koude gewesten leefde, blijkt uit de overblijfselen van voedsel, die men in de maag en tusschen de tanden van den Mammoet (en den Rhinoceros) gevonden heeft; daar deze hoofdzakelijk bestaan uit twijgen en spruiten van naaldboomen gelijk aan die, welke thans nog in Siberië groeien. Elephas primigenius is dus de Olifant van de noordelijke gewesten, die zijn hoofdzetel had in Siberië en Noord-Europa; in Midden-Europa ontmoette hij den zuidelijken vorm Elephas meridionalis en ook den Elephas antiquus, die zeer veel overeenkomst had met den Afrikaanschen Olifant.
“Behalve de drie genoemde, over een groot gebied verbreide soorten komen in Europa nog overblijfselen voor van eenige andere vertegenwoordigers van hetzelfde geslacht, die, hoewel zij een kleiner gebied bewoonden, toch van groot belang zijn. In de eerste plaats moet de echte Afrikaansche Olifant genoemd worden, waarvan in de beenderenholen van Sicilië en in Spanje in de omstreken van Madrid fossielen gevonden zijn, welk feit van belang is als steun voor de stelling, dat Europa vroeger op verschillende plaatsen met Afrika verbonden was. Het opmerkelijkst echter zijn de zeer talrijke overblijfselen van een zeer nauw aan den Afrikaanschen Olifant verwanten vorm, die men op het eiland Malta gevonden heeft. Alle zooeven bedoelde fossiele soorten zijn echter aanmerkelijk kleiner dan de hedendaagsche: de grootste (Elephas mnaidriensis) bereikt gemiddeld geen grootere hoogte dan 2 M., Elephas melitensis is zelfs aanmerkelijk kleiner en Elephas Folconeri is een zeer kleine dwergvorm, welks grootste exemplaren nog geen Meter hoog waren en dus niet grooter waren dan een kalf. Uit de aanwezigheid van groote Zoogdieren op Malta blijkt in allen gevalle, dat dit tamelijk kleine en schaars met planten begroeide eiland eens deel uitmaakte van een groot vasteland. Van het ontstaan van een Dwerg-olifant, waarnevens nog een Dwerg-nijlpaard voorkomt, geeft men de volgende (niet onmogelijke) verklaring: Toen Malta een eiland werd en de plantenwereld daar niet meer voldoende was voor het voeden van groote soorten, verkregen de de Olifanten en Nijlpaarden hier kleinere afmetingen.”
“Voor het verdwijnen van de groote diluviale Zoogdieren [378]heeft men ondanks alle hiervoor in ’t werk gestelde pogingen, nog geen verklaring kunnen vinden.”
Onze Olifanten (Elephas)—de eenige thans nog levende vertegenwoordigers van de gelijknamige familie (Elephantidae)—zijn gekenmerkt door de lange beweeglijke slurf en door het gebit, vooral door de slagtanden, die als sterk ontwikkelde snijtanden beschouwd worden. De romp is kort en dik, de hals zeer kort, de kop rond en door de aanwezigheid van holten in de bovenste schedelbeenderen gezwollen; de tamelijk hooge, zuilvormige pooten hebben vijf met elkander verbonden teenen en vlakke hoornachtige zolen.
Het merkwaardigste lichaamsdeel van den Olifant is de slurf, een verlengde neus, die zich door lenigheid, gevoeligheid en bovenal door een vingervormig uitsteeksel aan zijn uiteinde onderscheidt. Zij dient zoowel voor ’t ruiken, als voor het tasten en het grijpen. De ringvormige en overlangsche spieren die haar samenstellen, bestaan volgens Cuvier uit ongeveer 40000 afzonderlijke bundels en stellen haar in staat zich in alle richtingen te wenden, zich te verkorten en te verlengen. De ontbrekende bovenlip wordt vervangen door de slurf. Zonder dit orgaan zou de Olifant niet kunnen leven.
Alle overige lichaamsdeelen en zelfs de zintuigen van den Olifant zijn minder opmerkelijk. De oogen zijn klein en hebben een onnoozele, maar goedaardige uitdrukking, de oorschelpen daarentegen zijn zeer groot en gelijken op lappen leder. De voor- en achtervoeten zijn zeer kort. De teenen zijn zoo innig omgeven door een gemeenschappelijke huid, dat zij zich niet ten opzichte van elkander kunnen bewegen. Zij zijn voorzien van hoeven, die wel is waar klein zijn, daar zij slechts de spits van den teen omhullen, maar tevens stevig, breed en plat. Boven de met een dikke huid bedekte, min of meer cirkelvormige zool van elken poot, aan welker voorrand de hoeven zichtbaar zijn en op welker achterrand de voetwortel rust, bevindt zich een kraakbeenige plaat, een vetkussen en eindelijk de sterk bovenwaarts gewelfde, kor