Google

[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]

[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]

[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]

[Punch] [Appunti di informatica libera]


classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of De Nederlandsche Nationale Kleederdrachten, by 
Th. Molkenboer

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org


Title: De Nederlandsche Nationale Kleederdrachten

Author: Th. Molkenboer

Release Date: February 25, 2007 [EBook #20665]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE NEDERLANDSCHE NATIONALE ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/.






[Inhoud]

Jonge vrouw van het eiland Urk.

Jonge vrouw van het eiland Urk.

Dit is een van de beste voorbeelden van het aesthetisch geheel dat in onze Nederlandsche Nationale Kleederdrachten verkregen wordt als mooi ras en mooie kleedij samengaan.

De Nederlandsche Nationale Kleederdrachten

Met 81 afbeeldingen naar photographische opnamen
Uitgegeven door J. M. Meulenhoff aan het Damrak 88 te Amsterdam in het jaar MCMXVII

[81]
[Inhoud]

Voorwoord.

Dit boekje bedoelt niets anders dan een kort overzicht te geven van de nationale Nederlandsche kleederdrachten die heden (1916) nog in de verschillende provinciën in werkelijkheid door de bevolking gedragen worden. De hierbij gevoegde plaatjes geven een afbeelding van de voornaamste dier drachten en de wijze waarop zij gedragen worden. De hier afgebeelde personen zijn geen aangekleede figuranten, maar de werkelijke en gewoonlijke dragers van hun costumes, zoodat deze afbeeldingen derhalve een volkomen indruk van de betreffende nationale kleedij geven. De bestaande realiteit af te beelden en te beschrijven, was mijn eenig doel, ik streefde naar een korte inventariseering van datgene wat er, thans in 1916, nog van die zoo bekende Hollandsche inheemsche drachten is over gebleven.

Dit is dus een handboekje, waaruit zich landgenoot en vreemdeling op een makkelijke wijze eenige, zoo noodig gebleken, kennis van de wel zeer bekende, maar zoo weinig gekende nationale kleedij kan verschaffen. Uit den aard van dezen opzet volgt dat hier slechts die drachten besproken worden die heden (in 1916) nog werkelijk gedragen [82]worden en dat van deze slechts een zeer korte beschrijving zonder meer gegeven wordt. Alle mededeelingen of bespiegelingen over de historische wording, blijven hier achterwege. Alleen is van dit plan afgeweken voor de provincie Friesland, waar de nationale drachten wel niet meer dagelijks door het volk gedragen worden, maar een zeer belangrijke rol spelen zoodra de Friezen zich als Friezen willen doen kennen, en deze kleedij dus nog bij herhaalde gelegenheden gedragen wordt, zoodat ook deze costumes hier moesten worden besproken en afgebeeld.


De gegevens die in dit boekje zijn bijeengebracht, zijn door mij sinds 1912 verzameld. De eerste aanleiding tot deze studie gaf het Feest in Nationale kleederdrachten, dat op den 12 September 1913 te Amsterdam, op mijn initiatief en onder mijn leiding gehouden werd. Op dat feest waren ongeveer zeshonderd personen in ongeveer honderd verschillende drachten bijeen. Toen ben ik begonnen de daar verzamelden te photographeeren, en ik heb de meeste van hen, later, in herhaalde rondreizen door Nederland in hun eigen woning, bezocht. Uit hun mond heb ik de verschillende gegevens en wetenswaardigheden omtrent alle onderdeden van hun costumes vernomen en opgeteekend. De meest uiteenloopende persoonlijkheden, van elken stand en rang, stonden mij bij mijn vragen om inlichtingen [83]te woord. Waar ik echter mijn vragen niet naar mijn wensch of niet duidelijk, volledig of zakelijk genoeg door de dragers van die nationale drachten zelf beantwoord kreeg, daar vroeg ik belangstellenden om inlichtingen. En het viel mij daarbij op hoe velen in den lande, vooral in de provincie, en dat niet alleen onder den boerenstand, maar onder alle rangen en standen, nog zoo veel belangstelling in, en kennis van een of andere locale dracht bewaren.

Hier was het een burgemeester, daar de gemeente-secretaris, weer elders een gewone boer of boerin, soms een heel eenvoudige winkelier, een schoolmeester of een naaister of mutsenmaakster, die mij te woord stond. En zij allen wisten zeer veel bijzonderheden van een of andren dracht te vertellen, die echter in het bestek van dit boekje niet alle kunnen worden opgenomen. Maar hun kennis pleitte voor de groote plaats die de nationale kleedij nog in veel streken van ons land in de volks-psyche inneemt.

Aan allen, die mij bij het kostbare en tijdroovende verzamelen van deze gegevens hun bereidwillige medewerking verleenden, mijn bijzonderen dank.

Alles wat ik vernam, kon hier echter niet worden meegedeeld. Dit boekje beoogt slechts een kort overzicht van heel de Nederlandsche volks-kleedij te geven. Mochten onnauwkeurigheden of storende [84]onvolledigheden worden opgemerkt, dan houd ik mij voor verdere inlichtingen, voor photo’s en beschrijvingen, van welken kant ze ook komen mogen, gaarne aanbevolen. Die nieuwe gegevens zullen het dan misschien mogelijk maken, later uitvoeriger dit hoogst belangrijke onderwerp meer volledig te behandelen. Vooral ook omdat de kennis van onze nationale kleederdrachten een heel nieuw veld van studie is, en niets in deze door mij, ten behoeve van dit werkje, uit litteratuur kon worden gecompileerd. Daar dit dus geheel uit eigen onderzoekingen is saamgesteld, hoop ik dat bij de beoordeeling van dit werk deze omstandigheden in aanmerking zullen genomen worden.


Nog altijd hebben onze nationale kleederdrachten de bijzondere belangstelling van ons volk en van het buitenland, ofschoon die belangstelling zeer verschillend in soort is.

Een deel van de bevolking onzer voornaamste centra van moderne beschaving, beschouwt die merkwaardige costumes niet anders dan als verachtelijke overblijfsels van een verouderde, achterlijke cultuur. Zij ergeren er zich aan, en meenen dat die blijken van boerschheid en onbeschaafdheid nu maar zoo spoedig mogelijk moeten verdwijnen, omdat zij landgenoot en vreemdeling niet anders dan het levende bewijs geven van de inertie van onzen volksgeest. Andere Nederlanders, die meer [85]gevoel voor het eigendommelijke en pitoresque hebben, en nog iets eigens weten te waardeeren, en die, ondanks de alles verpletterende niveleeringswoede van wat men de hooggeroemde moderne beschaving noemt, nog eenige zelfbewustheid hebben overgehouden, zien in die nationale kleedij nog de laatste resten van onze eenmaal zoo groote en eigen Nederlandsche cultuur, en waarvan zij de laatste manifestatie in deze volks-drachten erkennen.

Voor hen zijn die drachten dan ook een bewijs dat ons volk nog “iets” eigen Hollandsch heeft.

Maar voor vele buitenlanders, die ons land vliegensvlug doorreisden, en niet anders dan naar oppervlakkige indrukken oordeelen, en dus niet het “wezen” van ons volk, noch van onze nationale kleederdrachten gezien hebben, zijn die costumes een middel geworden om heel ons volk belachelijk voor te stellen. Zij verbinden de idee van de Hollandschheid aan het logge uiterlijk van een grove, wijdgebroekte visscherskerel, die zij op zijn breede klompen over het asphalt onzer hoofdsteden zagen stappen, als één logge klos-klomp van levensdomheid. En veel Hollanders meenen “beschaafd” te zijn door die buitenlandsche miskenning uit domheid te billijken en na te volgen.

Die verkeerde beoordeeling bij landgenoot en vreemdeling, vindt echter in hoofdzaak zijn grond in gebrek aan kennis van het wezen zoowel als van de verschillende vormen van onze nationale [86]kleedij. Bovendien hebben de verkeerde afbeeldingen en beschrijvingen de waardeering nog meer geschaadt.

En ... dat is tot op zekere hoogte de schuld van de Hollanders zelf. Zij hebben de afbeelding en de beschrijving van het nationale monument dat in hun inheemsche kleederdracht bestaat, voor het allergrootste deel aan buitenlanders overgelaten, die er niets anders dan het vreemde, het “rare”, dikwijls slechts het belachelijke in zagen.

Meer en beter kennis van het wezen, van de bedoeling en van den vorm van onze nationale kleederdrachten zal in het binnen- en buitenland niet alléén die costumes, maar ook heel Nederland ten goede komen. Die meerdere en betere kennis is meer dan noodzakelijk.

In deze het mijne bij te dragen is het doel van dit handboekje, dat, het zij nog eens herhaald, geenszins aanspraak maakt op volledigheid, maar slechts met de mij hier ten dienste staande middelen een algemeen en kort overzicht over deze nationale drachten geven wil, maar met juiste mededeelingen aan de hand van echte en ware afbeeldingen.

Th. Molkenboer.

Amsterdam, Juli 1916.

[87]
[Inhoud]

I. Inleiding.

A. Over kleederdrachten in het algemeen.

Het moet als een door de anthropologie en de cultuurgeschiedenis bewezen waarheid gelden dat de redenen, waarom zich den mensch kleedt, niet gevonden moeten worden in climatologische of zedekundige gronden, maar in den wil om zich te onderscheiden. Versiering is de eerste grondgedachte van de primitieve menschelijke kleedij geweest, versiering van zijn eigen lijfelijke persoonlijkheid om zich van zijn mede-menschen te onderscheiden, versiering als middel om zijn eigen plaats onder de menschen in te nemen, als middel dus tot zelfbestaan. De koningsmantel is de uiterste consequentie van deze eenvoudige grondgedachte.

Later, toen den mensch zich meer en meer van de natuurstaat verwijderde en de geheele aardbol ging bewonen, hebben zich de wisseling in temperatuur, de bodemgesteldheid en allerlei andere omstandigheden, die met de geologie en geographie in verband stonden, den aard van de kleeding in de verschillende landen bepaald. Rassen-eigenaardigheden, godsdienstige opvattingen en ten slotte nationale en politieke oorzaken hebben daarna [88]invloed op den vorm, de kleur en het algemeen aspect van de kleeding gehad. En zoo ontstonden de nationale kleederdrachten, die in hun grondgedachte niet anders bedoelen dan de dragers reeds dadelijk, door hun kleeding, als uit dit of dat land afkomstig, als bij dit of dat volk behoorende, te doen kennen .... door onderscheiding.

Opmerkelijk is daarbij, dat eenzelfde soort kleedingstuk in verschillende landen, in bijna gelijken vorm voorkomt, omdat het zijn reden in dezelfde climatologische of gebruiks-gronden vindt. Waar dan de hoofdvorm overal dezelfde is, zelfs de stof waaruit zoo’n kleedingstuk in de verschillende landen is gemaakt, dezelfde blijft, is de kleur en vooral de versiering voor ieder land of streek verschillend, zoodat het nationale, het eigene, het onderscheidende nog zeer duidelijk op den voorgrond treedt, ondanks de algeheele overeenkomst in het wezen en den vorm van zoo’n stuk kleedij.

Als voorbeeld moge de veel gesmade, veel uitgelachen wijde broek van onze Volendammers gelden, welk oer-type van beenbekleeding voor mannen in bijna iedere Europeesche, West-Aziatische en Noord-Afrikaansche volksdracht—ja zelfs in de Chineesche—terug te vinden is. Toch zal in ieder land dit kleedingstuk, om de eigenaardige kleur of bijzondere versiering, zijn zeer eigen cachet hebben en den drager al [89]dadelijk van zijn mede-menschen doen onderscheiden, hem als uit dit of dat land afkomstig doen kennen.

En zoo is het met ieder onderdeel van de menschelijke kleedij, omdat ieder dezer deelen tot een paar hoofd-typen terug te voeren zouden zijn, die overal terug komen, alléén in ieder land op zeer kenmerkende, onderscheidende wijze vervormd en versierd.

B. Over nationale kleederdrachten.

Het eerste beginsel van de nationale drachten is dus de bewoners uit een zeker land van die, uit een ander gewest, te doen onderscheiden. Het is begrijpelijk, dat daarom het wezen van de nationale drachten ten nauwste samenhangt met het nationaliteits-gevoel. Sterker nog. Het vindt zelfs zijn oorsprong in gewestelijke concentratie, soms zelfs in den wil van een stad of dorp om zich geheel van de buitenwereld af te scheiden, te onderscheiden.

Het wezen van een nationale kleedij is derhalve geheel tegenovergesteld aan het wezen van de mode. Want de mode vooronderstelt een internationale idee, of althans een idee waarin den wil zich als land of stad in zichzelf te onderscheiden, is opgeheven. De mode vooronderstelt een gelijkheid in nationaliteiten, steden en bewoners, en uit zich in gelijkvormigheid. De nationale [90]kleedij bestreeft juist het tegenovergestelde, de zoo sterk mogelijke individualiseering van een land, een stad, zijn bewoners, waarvan zij de persoonlijkheid accentreert.

In zoo verre is ook de idee van een nationale kleedij geheel tegenovergesteld aan die van het uniform. Want een uniform bedoeld een uiterlijke gelijkvormig making met de volkomen terzijde zetting van de persoonlijkheid. In zooverre is dus de idee van een uniform gelijk aan het wezen van de mode. Maar een uniform wordt gedragen op bevel, de mode volgt ieder individu uit eigen keuze.... als men ’t tenminste zoo noemen mag.

Maar bij de mode is althans nog sprake van persoonlijkheid, te meer ook daar ieder individu, naar eigen smaak, de mode veranderen kan, niet alléén voor zoover het zijn eigen kleeding betreft, maar ook zelfs op de kleeding van anderen invloed kan uitoefenen.

In de nationale kleeding echter treedt de persoonlijkheids-idee van het volk—als volk—op, ze vormt er het wezen van, d.w.z. ze brengt de persoonlijkheids-idee van een gemeenschap tot uiting. En aangezien een gemeenschap niet spoedig nieuwe ideeën, nieuwe uitingsvormen aanneemt, is het logisch, dat het beginsel van de nationale kleederdrachten ten nauwste samenhangt met het begrip “conservatisme”—maar, in den goeden zin van dit woord. [91]

C. Over de nationale kleederdrachten en de vooruitgaande beschaving.

Dát verwijten de zoogenaamde beschaafden de nationale kleederdrachten het meest, dat ze een kenteeken zouden zijn van achterlijkheid, van onbeschaafdheid en, deze twee vereenigd, van “boerschheid”.

Daar zou iets voor dit argument te zeggen zijn, als datgene, wat die nieuwlichters voor die oude drachten—die de resultante zijn van een eeuwenheugende cultuur—in de plaats zouden willen stellen, zooveel beter was dan die ouderwetsche kleedij. Maar dat is geenzins het geval. Zij, die deze oude drachten zouden willen doen verdwijnen, zouden er niets anders voor in de plaats willen, kunnen stellen, dan de zoogenaamde universeele mode. Behalve, dat dit de aesthetica niet ten goede zou komen, misschien echter eenigen grond in de gezondheidsleer zou kunnen vinden, zou die verandering psychologisch noch aan het geheel, noch aan het individu ten goede komen.

Tenzij—maar dat is voorloopig nog niet mogelijk—in de plaats van die oude drachten een nieuwe kleedij gesteld kon worden, die in zijn vormen, kleuren, versieringen en veel-soortige beteekenis even algemeen waardevol is, als die oude kleedingswijze.

Die nationale kleeding dus met opzet te willen [92]doen verdwijnen, omdat ze zoogenaamd de uiting is van onbeschaafdheid, zou gelijk staan zich aan de volkspersoonlijkheid te vergrijpen. En in deze tijd van algemeene vernivelleering, van gebrek aan persoonlijkheids-gevoel, zou dat gelijk staan met de werkelijke cultuur aan te randen, door haar uiterlijk met geweld te willen vernietigen.

De nationale kleederdrachten behooren tot de monumenten die ons het voorgeslacht liet, als een uiting van haar persoonlijkheids-gevoel, haar persoonlijkheids-wezen, haar eigen beschaving en idealen. En al deze monumenten, de oude kasteelen, kathedralen en huizen, de oude meubelen en ook die oude kleedij, moet men, als een deel van den geest van het verleden, hun eigen dood doen sterven. “Il faut laisser mourir les monuments.”

Het zou even zoo dwaas zijn die oude kleedij met geweld te willen verbieden, als ze, daar waar ze uit zich zelf verdwenen is, weer te willen doen herleven. En dit geldt voor alles wat ons het voorgeslacht liet. Slechts datgene waarin de algemeene waarheid leeft, blijft, en krijgt op zijn tijd zijn nieuwe kleed, kan zich, op zijn tijd, opnieuw verjongen en zich dan weer doen onderscheiden.

De nationale kleederdrachten nu zijn een zeer bijzondere uiting van het persoonlijkheids-bewustzijn van een land, van een streek, van een stad. En zoolang dat bewustzijn in de bewoners van dat land leven blijft, zoolang blijft hun nationale, [93]eigene kleeding bestaan. Zoodra zij zich echter inter-nationaal, of zonder zelfstandigheid gaan voelen, verdwijnt hun eigene kleeding.

Als zoodanig ligt er dus wel eenige waarheid in het verwijt van die zoogenaamd beschaafden, dat in streken waar nog een nationale kleederdracht gevonden wordt, nog een zekere achterlijkheid bestaat. Maar dan moet dit aldus verstaan worden, dat onder achterlijkheid, persoonlijkheid verstaan wordt. Maar sinds wanneer is dan “persoonlijkheid” gelijk aan “achterlijkheid”. Tenzij dat men in het vasthouden aan die van oudsher overgeleverde vorm-geving, aan dat persoonlijkheidsgevoel een star en dood vasthechten aan de uiterlijkheid ziet.—In dat geval is het werkelijk een gebrek aan vooruitgang, een achterlijkheid.—Maar .... zoo is het in werkelijkheid niet.


Het is geenszins waar dat die oude kleedij slechts door domme boeren en onbeschaafde buitenlui gedragen wordt uit sleur, omdat ze niet beter weten. Moge dit voor den “stads-mensch” zoo schijnen, de waarheid is anders. Zeker in de streken en bij de “boeren” die de nationale dracht nog in zijn geheel naar het oude model dragen. Dit getuigt de wijze waarop en de gelegenheid waarbij die “boeren” hun oude kleeding dragen. [94]Zij zien hun eigen ideaal in die bijzondere kleedij, die kleurige stoffen, linten, strikken, gouden sieraden en kantwerk. Voor hen is die kleedij werkelijk mooier en beter dan de “stadskleeding” of de mode. En dit bewijst niet de achterlijkheid van deze menschen, maar het pleit voor hun onbedorvenheid, voor de oprechtheid van hun gevoel en hun smaak. En zoo deze dan al niet van de meest verfijnde soort moge zijn, ze is in ieder geval “echt”.

En zij worden in hun voorliefde volkomen in het gelijk gesteld door kunstenaars en aesthetici, die de typische schoonheid van de ware, nog intact gebleven oude drachten boven de gemiddelde moderne modekleedij zullen stellen, er het meerdere karakter, de grooter eigenheid van erkennen. Is die aanhankelijkheid aan het oude, die zoogenaamde achterlijkheid, niet heel wat beter dan over te gaan tot een slecht gedragen moderne kleedij, die in den regel voor de nationale dracht in de plaats wordt gesteld?

Men kan dus niet zeggen dat het uit sleur is dat die nationale drachten nog gedragen worden ... of dat hun eigendommelijke schoonheid niet een nog levende schoonheid zou zijn, die door de dragers niet duidelijk als zoodanig zou worden gekend. Zelfs de “mode” heeft in die nationale costumes de eigene schoonheid weten te waardeeren, en veel motieven en kleur-combinaties [95]zijn aan die drachten door de moderne vrouwenkleeding ontleend. Zelfs de kanten mutsjes, die men nog voor kort—door hun overdreven stijfgeplooidheid—nog zoo “grootmoederlijk” vond, vinden thans bij de moderne dameskapsels navolging.

Zoodat per slot het boersche en het onbeschaafde niet ligt bij die nationale drachten, maar in de onkunde die er omtrent hen heerscht, en bij de “moderne modes” die alle goeden smaak bederven, en er eerder over gedacht zou moeten worden tot de oude volkskleedij terug te keeren dan ze af te schaffen. Althans als er sprake zou zijn van “cultuur” en ware goede “smaak” en, indien “terug-gaan” als zoodanig ooit te verdedigen zou zijn.

Intusschen is noch het een, noch het ander het ware. De tijd zal in deze ook op het gebied der kleedij een nieuw persoonlijkheids-idee doen ontstaan, die bij de oude nationale drachten zoo levend en zoo kenbaar was, en die in de moderne costumeering slechts bij zeer hooge uitzondering tot uiting komt en bereikt wordt.

En, persoonlijkheid, ook in kleeding, is toch immers slechts het eenige kenmerk van ware cultuur—dat is, van een van binnen-uit gekomen zelf-ontwikkeling, zelf-opheffing, zelf-verbetering. [96]

[Inhoud]

II. De Nederlandsche nationale kleederdrachten.

A. Algemeen overzicht.

Thans, in 1916—en reeds in 1912 op het feest in Nationale kleederdrachten te Amsterdam, moet geconstateerd worden dat van de Nederlandsche-eigen-volks-kleedij niet veel meer over is, en dat wat er nog is, zienderoogen en jammerlijk verandert en verdwijnt.

En het gaat met dat verdwijnen ieder jaar sneller.

Op zichzelf zou men hier niet over moeten treuren, omdat met het verdwijnen van dat, wat afgedaan heeft, de plaats vrij wordt voor nieuw leven. Maar erger is het dat vele drachten zoo deerlijk veranderd worden, zoo “verknoeid worden” moet men zeggen, door toevoegsels of veranderingen die enkele dragers (maar vooral draagsters) aan deze kleedij aanbrengen.

Dat veranderen heeft er meer toe bijgedragen dat algemeen wanbegrip dat onder het groote publiek over die costumes heerscht te doen ontstaan, dan de werkelijke costumes zelf. Aan het origineel erkent men tenminste het ware, al vindt men het niet mooi. De eigen-gereide verandering wordt in den regel echter slechts lachwekkend. Ik denk hier aan de bekende capotte-hoedjes—[97]een overblijfsel van de Fransche-Dames-Modes van omstreeks 1880—die in het Nederlandsche nationale costume zijn overgegaan, onder den naam van “de kiep” (West-Friesland). Deze “kiep” wordt over de boeren-muts gedragen, met banden onder de kin vastgeknoopt, en is een toonbeeld van verregaande onredelijkheid en smakeloosheid. Zoo’n toevoegsel maakt het geheele costume en de draagster zelf werkelijk belachelijk.

Dergelijke veranderingen maakten het nationale costume bespottelijk. Maar andere wijzigingen kwamen de moderne smaak meer in het gevlei, ofschoon ze evenzeer tegen het wezen van de nationale dracht streden.

Zoo dragen de Zeeuwsche vrouwen op Walcheren sinds eenige jaren een corset, en maken zij hun vele rokken niet meer van zoo dikke wollen stoffen. Het gevolg is dat er veel meer teekening in hun figuur kwam, en bijna eenzelfde lijn als de moderne dames-costumes werd verkregen. Voeg daarbij dat de van nature zoo wel gebouwde Walcherensche vrouwen al reeds uit zichzelf een meer “moderne” verschijning hebben dan bijvoorbeeld de Marker vrouwen, dan begrijpt men hoe op Walcheren de nationale dracht voor de vrouwen zoolang en zoo algemeen “mode” kon blijven. Ze flatteerde in hooge mate, ze kwam de lijn van het moderne vrouwen-costume nabij, [98]en ze bleef toch schijnbaar nationaal zonder dit echter in werkelijkheid geheel te zijn.

Ziedaar een voorbeeld van verandering, die althans niet aesthetisch storend werkt en daarom het uiterlijk van het nationaal costume als zoodanig niet geheel ten nadeele komt.


Maar behalve de veranderingen die iedere draagster, naar eigen smaak, aan haar eigen dracht aanbrengt, zijn er andere factoren die op het verdwijnen van de nationale costumes van grooten invloed zijn.

Want .... ze verdwijnen langzaam maar zeker—al die bonte, typische, nationale Nederlandsche-volks-eigen drachten, met zoo eigen schoonheid en charme. De groote en uitgebreide correspondentie, die ik sinds 1912 met belangstellenden over dit onderwerp voer, bewijst dit.

Gemeentelijke autoriteiten zoowel als privé-personen, uit alle deelen van ons land, zij allen zijn het er over eens dat die drachten zienderoogen verminderen. En—komt men ter plaatse zelf—dan zullen het u alle oude vrouwtjes verhalen hoe in hun jeugd allen minstens nog mutsen droegen, terwijl thans (1916) de jeugd, in diezelfde streken, geen enkel spoor van nationale dracht meer in haar kleeding toont.

De ouderen herinneren zich, dat in hun jeugd bijna allen in nationale kleedij gingen, althans [99]met de muts en de rest van de kleeding was dan althans van ouderwetsche stof, snit en kleur.

De menschen van middelbaren leeftijd van thans (1916) tooien zich nu en dan nog met de muts en het oorijzer of de gouden sieraden, die van de ouders zijn geërfd, en dan nog alléén uit piëteit voor hun voorzaten. Maar de jeugd van dezen tijd (1916) is volkomen “modern.”

Dit geldt voor het allergrootste deel van Nederland, en in de allereerste plaats de groote steden en hun omgeving, zelfs in streken als Zeeland, op Marken, Urk en in andere plaatsen, waar de dracht nog vrij algemeen is, vindt men al huisgezinnen, waar slechts een deel van de kinderen in nationaal costuum gaan, de anderen “bekeerd” zijn, zooals ik eens een jong meisje van 13 jaar, (in Huizen) die “modern” droeg, hoorde zeggen.

De moderne jeugd is zoogenaamd “te verstandig”, en na dit geslacht zal in het volgende wellicht alle herinnering aan de nationale kleedij in Nederland verloren zijn, met uitzondering van een paar streken, waar thans nog de oude dracht algemeen en in zijn geheel gedragen wordt. Maar die streken worden hoe langer hoe kleiner. Want een andere oorzaak van het veranderen, en daardoor verdwijnen van de nationale kleedij, is de kostbaarheid van die dracht. En ook vereischen de meeste van die costumes zeer veel kennis om ze te vervaardigen, ze zijn lastig in het dragen, en kostbaar in onderhoud, [100]vooral de kanten mutsen en kappen, die meestal door speciale strijksters moeten behandeld worden.

Ook dit zijn ongemakken, die de moderne jeugd gaarne ontgaan wil, vooral omdat de nieuwerwetsche kleeding zooveel eenvoudiger en losser in het dragen is en geheel gereed in winkels kan worden gekocht. Maar daar staat tegenover, dat vele van die oude drachten zoozeer flatteeren. En .... welke vrouw zou dat niet zien .... en waardeeren, en haar veel moeiten doen vergeten. Zoo die ijdelheid dan—voor zoover de vrouwencostumes betreft—voor een deel oorzaak zou kunnen zijn, dat enkele van die oude drachten langer zouden kunnen blijven voortbestaan, niet aldus met de mannendracht. Daar geeft het practische den doorslag, ofschoon hier en daar nog een klein gevoel voor de geboorteplaats en een koppig vasthouden aan oude gebruiken tot de instandhouding van de plaatselijke dracht zal blijven medewerken.

Over het algemeen moet echter vastgesteld worden, dat de nationale Nederlandsche kleedij langzaam maar zeker verdwijnt, en dat vooral dit nu levende geslacht (1870–1920), de grootste veranderingen op dit gebied mee maakt. [101]

B. Waar worden de Nederlandsche nationale kleederdrachten gedragen?

In ieder van de elf Nederlandsche provinciën wordt de nationale dracht op zeer verschillende wijze in stand gehouden.

In enkele streken komt ze thans (1916) nog veelvuldig voor en wordt ze in haar geheel, in onder- en bovenkleeding, zoowel door de mannen als de vrouwen en de kinderen in eere gehouden.

In andere gedeelten van ons land, en dat is wel het grootste deel, vindt men er nog slechts de gedeeltelijke overblijfselen van. Die gedeeltelijke dracht bepaalt zich dan hoofdzakelijk tot de vrouwen-kleeding, waarbij alleen de kap en het oorijzer en eenige bijzondere gouden en bloedkoralen lijfsieraden behouden bleven.

Het verdere gedeelte van de kleeding dier vrouwen is dan een soort stadsdracht, waarin zekere vormen en versieringswijzen van de oude drachten zijn overgebleven, maar in heel andere stoffen, heel andere (meestal effen) kleuren zijn uitgevoerd, een en ander vervormd door den invloed van modedrachten van bijna een generatie terug. Dit “halve” nationale kleed heeft dus in ieder geval een bijzonder cachet, maar zij is de bij uitstek smakelooze, boersche en onbeschaafde en is de ergste vijand van de volledige nationale dracht geworden, omdat ze zoo voor ieder in het [102]oog vallend dualistisch verkeerd, daardoor zoo leelijk en daarom zoo belachelijk is.

En in het overige deel van Nederland zijn zelfs alle sporen van de ouderwetsche dracht verloren gegaan. Dit is vooral zoo in de groote steden en centra van industrie, en dan voornamelijk onder de bevolking die van deze industrie leeft. De boeren hebben in die streken soms nog hun eigen dracht—geheel of gedeeltelijk—behouden.

Een merkwaardig voorbeeld van dien verderfelijken invloed van de industrie op onze nationale kleederdrachten ziet men in Vlissingen, dat geheel gemoderniseerd is, terwijl op het overige gedeelte van het onvolprezen schoone Walcheren, tot zelfs onder de poorten van Vlissingen zelf, de inheemsche dracht in zoo bijzondere eer wordt gehouden.


Zoo men de streken waar de nationale kleedij veel, minder of in ’t geheel niet meer gedragen wordt, op de kaart van Nederland aanteekent, dan zal het opvallen, hoe de volledige kleedij alléén nog maar voorkomt in twee scherp afgescheiden centra (zie bl. 1).

Het eene omvat Zeeland, en dan nog hoofdzakelijk alleen de eilanden Walcheren en Zuid-Beveland, en een deel van Staats-Vlaanderen.

Het andere strekt zich uit langs de kust van de Zuiderzee, van Staphorst (in Overijsel) in het Noorden, tot Huizen (in Noord-Holland) in het [103]Zuiden. De eilanden Urk, Marken en Volendam (dat zoo goed als een eiland op het land is) moet men ook tot dat centrum rekenen.

Buiten deze twee zich zeer duidelijk afteekenende streken, wordt het nationale costuum in Nederland nergens meer compleet gedragen. In alle andere streken komt het gedeeltelijk voor, zelfs in de dorpen langs de Noordzee, waar voor Scheveningen, wat de vrouwenkleeding betreft, een soort uitzondering gemaakt zou kunnen worden.


De streken, waar de nationale dracht gedeeltelijk voorkomt, strekken zich om deze centra uit, ook in de groote steden zijn de drachten zoo goed als geheel verdwenen, zoo men tenminste niet de zeer enkele oudere vrouw die nog alleen een eenvoudige muts (de gewone Hollandsche hulle) draagt, of enkele weezen-costumes mee wil rekenen.

In het algemeen kan men echter zeggen dat dit gedeeltelijk costume in het grootste (westelijke) deel van de Provincie Friesland nog gedragen wordt, op enkele van de Noordzee eilanden, in Noord-Holland (in hoofdzaak West-Friesland), op het platteland in Zuid-Holland en Utrecht, de noordelijke Zeeuwsche eilanden, langs der Gelderschen IJsel in den achterhoek van Gelderland, in het land tusschen Maas en Waal en in het noordelijk en westelijk deel van Noord-Brabant. In Groningen, een groot deel van Drenthe en [104]Overijsel, in zuid-oostelijk Noord-Brabant en in Limburg is echter de dracht geheel verdwenen, bijna ieder spoor is er van uitgewischt.


De overgangs-periode van heele op gedeeltelijke dracht, die het geslacht dat thans (1916) ongeveer vijftig jaar is, heeft meegemaakt, wordt door de jeugd uit dezen tijd (1916) overgeslagen. Zelfs in centra waar de drachten om veel redenen nog in zeer groote eere zijn, beginnen enkele jongeren direct met algeheelen afstand van het nationale costume te doen en kleeden zich, niet alleen “op zijn stadsch” maar zelfs naar de laatste buitenlandsche mode, nu deze nieuwere vormen en opvattingen zooveel spoediger tot de landelijke bevolking doordringen dan dit een geslacht geleden gebeurde.

En, waar deze volledige verandering van costumeering, zoo zonder overgangsproces, plaats grijpt, is het begrijpelijk dat voor de nationale drachten het grootste gevaar dreigt om in betrekkelijk zeer korten tijd volkomen te verdwijnen.

C. Over den invloed van den godsdienst, ras, rang, stand en beroep op de Nederlandsche nationale kleederdrachten.

De invloed van den godsdienst op de nationale drachten is een zeer bijzondere. Niet alleen dat de vorm van het costume ook zelfs naar den [105]godsdienst verschillend wordt, zooals dit zeer sterk is op Zuid-Beveland, maar het blijkt dat de godsdienst ook van invloed is op het behoud onzer nationale drachten. Over het algemeen heb ik opgemerkt dat in meer orthodoxe streken—zoowel protestantsche als roomsch-katholieke—de drachten langer bewaard blijven dan in minder godsdienstige, zoodat dus de godsdienstige factor als eene ten goede voor de drachten moet worden aangemerkt.

De invloed van het Ras laat zich ook in den vorm van de costumes nawijzen zooals ik dat reeds hier en daar in dezen text doe. Hierover hebben ook Dr. Jos. Schrijnen, in zijn hoogst belangrijk boek over “Nederlandsche volkskunde”, Prof. J. H. Gallee in zijn werk over “Het boerenhuis in Nederland en zijn bewoners”, en Prof. L. Bolk in zijn verhandeling over “De bevolking van Nederland in haar anthropologische samenstelling”, hun zienswijzen en de resultaten van hun studiën neergelegd.

De rang en stand in de maatschappij heeft in zooverre ook haar invloed op de nationale drachten doen gelden, dat de costumeering rijker en fraaier werd, naarmate de drager in betere sociale omstandigheden verkeerde. Op den vorm van de dracht had dit slechts weinig invloed, men was niet gewend bijzondere kenteekenen, om de standen te onderscheiden, te dragen. [106]

Om deze redenen zijn dus onze nederlandsche nationale drachten echte volks-drachten.

Anders is dit met de gelegenheids-kleedij. Niet alleen dat de vorm en de kleur van de kleeding der kinderen dikwijls van de dracht van de volwassenen onderscheiden is, maar voornamelijk wordt het onderscheid groot tusschen daagsche, feestelijke of rouw-kleedij. Dit is bij al onze nationale drachten min of meer het geval, maar—begrijpelijkerwijze—daar het sterkst, waar de drachten nog volledig door mannen en vrouwen gedragen worden, omdat ook de oude zeden, met die oude drachten, behouden bleven.

De invloed van die zeden en gebruiken, doet zich dan zeer sterk op de kleeding gelden, en komt in de verscheidenheid van die kleedij bij vele gelegenheden tot uiting.

Opmerkelijk is daarbij vooral de bijzondere fraaiheid en ingewikkeldheid van de trouw-costumes, en—hoe zou het anders kunnen—vooral van deze gelegenheids-kleeding van de vrouwen.

Overal wordt bij de costumeering van “de bruid” een zeer bijzondere prachtlievendheid, zoowel in kleur als in bewerking van het costume, ten toon gespreid.

Maar ook het verschil in beroep bracht verschil in kleedij, zonder dat er echter van een consequent doorgevoerde beroeps-kleeding kan gesproken worden. [107]

Zoo is er, bijvoorbeeld op Scheveningen, verschil in de kleeding tusschen de visschers en de dorps-bewoners (die andere bezigheden hebben). Maar over het algemeen is de afwijking van het algemeene type der locale kleeding tengevolge van beroep of stand niet zeer groot. De grootste variatie wordt veroorzaakt door de gelegenheid waarbij het costuum gedragen wordt.


Ten slotte zou nog een afzonderlijk hoofdstuk te wijden zijn aan de weezen-costumes. Ofschoon deze, als uniformen, niet tot de eigenlijke nationale kleedij gerekend kunnen worden, staat daar tegenover, dat het wezen en de vorm van vele dezer drachten toch zoo nauw bij de eigenlijke volksdrachten aansluiten, er zoo zeer uit voortkomen en er zich zoodanig mee hebben vermengd, dat deze meestal toch ook ouderwetsche costumeeringen hier noodzakelijk in het kort besproken moeten worden.

Enkele van deze costumes zijn hier in dit boekje afgebeeld en beschreven, om toch vooral ook niet deze zoo typeerende kleedij te vergeten, die door een groot deel van het publiek zoo goed gekend wordt, en die, naast de werkelijke nationale drachten, toch ook veel aardigs en eigens aan de lokale kleur van enkele Hollandsche steden hebben bijgezet. De mooie Amsterdamsche burgerweesjes, die uit Haarlem, uit Leeuwarden en zoovele andere steden, mochten in dit bestek ook niet vergeten worden. [108]

D. Over de beteekenis van onze Nederlandsche nationale kleederdrachten uit een ethisch en aesthetisch oogpunt.

Het ware zeer verkeerd onze nationale volks-kleederdrachten de maatstaf van een hooger schoonheidsbeginsel aan te leggen. Zij behooren, als een van de vele monumenten van oude geschiedenis en kunst, geheel gelijk gesteld te worden met de kleinkunst, de gebruikskunst, die uit het volk, uit zijn aard, zeden en gewoonten voortkwam, zonder in wezenlijk of direct verband met de hoogste intellectueele waarde en geestelijke idealen van dat (ons) volk te staan.

En omdat ons Nederlandsche volk zich in haar kunstuitingen, zelfs in die van haar beste perioden, steeds meer een volk van particulariseerend gevoel dan van veralgemeenende verstandelijkheid heeft betoond, moet het ook niet verwonderen dat haar volks-kunst, waaronder onze nationale kleederdrachten te rekenen zijn, nooit belangrijker wordt dan wat met wat goede maar boertige smaak, veel werk-kracht en een vroolijke maar oppervlakkige levensbeschouwing bereikt kon worden.

Verheffend schoon zijn daarom onze nationale kleederdrachten niet, maar ze zijn levensvol, soms rijk, soms fijn, maar over ’t algemeen meer aardig, merkwaardig en typeerend dan inspireerend. Zij behooren, gelijk zoovele opmerkelijke maar anders [109]geen hoogere princiepen uitdrukkende meubelkunst en klein-architecteur, tot dat zelfde soort monumenten van onze groote voorgeschiedenis gerekend te worden, waarvan de overblijfselen nog voor een deel in enkele streken van ons land te vinden zijn is in oude buurtjes en grachtjes, huisjes en hoekjes. Als zoodanig hebben zij dus in het werkelijke hedendaagsche leven van ons volk geen beteekenis meer dan die van “curieuse bezienswaardigheid”. Slechts in die gedeelten van ons land waar nog oude of ouderwetsche zeden en gewoonten heerschen, hebben en behouden zij echter alleszins hun reden van bestaan, en .... zijn zij nog de dragers van het levende volks-ideaal.

De schoonste van deze drachten zijn voornamelijk die welke door den Frieschen stam gedragen worden, te weten de costumes in Friesland, Urk, Volendam en in Zeeland. Bij deze alle moet een verfijning van vorm en kleurenkeus geconstateerd worden, die op iets hoogers dan het gemiddelde volks-ideaal wijst, die meer geestelijke ontwikkeling en aspiraties verraadt. Ook de meerdere voortreffelijkheid en schoonheid van dit ras boven de andere bewoners van Nederland verklaart de meerdere belangrijkheid en grooter schoonheid van deze drachten boven de andere.

Behalve de aristocratische allure die vooral het Friesche costume haar draagsters geeft, het bijzonder groot-burgerlijke van de Hindelooperdracht, [110]de levens-volheid en natuurkracht, waarvan de Urker en Volendammer kleedij getuigt, wordt in deze het toppunt van evenwichtigheid bereikt in het Zeeuwsche costume, dat meer natuurlijk dan zoovele andere drachten (bijv. Marken, Staphorst enz.) alle voordeelen van de eigenheid van het volk, van het ras, op zijn best en het schoonst tot uiting brengt en als onderstreept.

In de Zeeuwsche drachten (vooral die van Zuid-Beveland en van Walcheren) komt den wil zich van anderen te onderscheiden, hoogere, meer intellectueele idealen uit te drukken, dieper levenskijk te hebben zoo volmaakt en zoo harmonieus tot zijn recht in een even smaakvolle als stijlvolle kleedij, die als geïnspireerd en gecomponeerd schijnt op de bijzondere lichamelijke schoonheid van dit zeeuwsch-friesche ras, dat ongetwijfeld het schoonste, en naar den bouw van het lichaam het meest algemeen-menschelijk-normale deel van het nederlandsche volk is.

Werkt den aanblik van het Nederlandsche nationale costume dan niet altijd verheffend, is het in zich zelf niet altijd even hygiënisch, lijkt het soms meer vreemd en gezocht dan origineel, soms meer bont dan kleur-rijk, soms meer merkwaardig dan mooi, het geeft in zijn groote verscheidenheid een zeer juisten blik op de Nederlandsche volkspsyche. De klein-burgerlijkheid, die een hoofdkenmerk van ons volk is, en die dikwijls tot [111]boerschheid wordt, komt in enkele van die drachten ten zeerste uit, zooals die van Marken, Gelderland en Noord-Brabant. Aan den anderen kant echter zijn er elementen in die volks-kleedij, die zich bijna boven de groot-burgerlijkheid tot een soort regenten-aristocratie verheffen, zooals de provinciale (oude) dracht in Friesland en Zeeland, waar door verfijnden smaak in kleuren en vormen iets hoogers bereikt wordt, al wordt die meer aesthetische werking van deze drachten dan voor een groot deel veroorzaakt door de grootere rasschoonheid van de dragers, en—speciaal van de draagsters.

Wil men deze historische drachten, en wat er thans nog van over is, op deze wijze beschouwen, dan blijken ze even waardevol voor de kennis van de Nederlandsche volks-ziel als de oude meubelen, architectuur en het allergrootste deel van onze nationale schilderschool. Ze zullen altijd hun waarde aan hun oprechtheid en waarheidszin blijven ontleenen, zoowel aesthetisch als ethisch, ze zullen aldoor als een werkelijke afspiegeling van den geest en de idealen van ons volk moeten worden erkend.

En .... staan zij in dat opzicht lager, of zijn zij minder belangrijke of minder “hooge” kunst dan al het andere, wat ons van het voorgeslacht bleef? Ik betwijfel het. De beste uitingen van onzen Nederlandschen volksaard, op het gebied van [112]welke kunst van het verleden of van het heden men het dan ook neme, zijn en blijven, voorzoover het specifiek Hollandsche wat er aan is, toch immers niets anders dan uitingen van “boeren, burgers en buitenlui.”

En onze nationale kleederdrachten behooren werkelijk niet tot de minst-belangrijke van die uitingen van “boeren-kunst”!

E. Litteratuur over de Nederlandsche nationale kleederdrachten.

Alvorens tot een korte beschrijving van die nationale drachten, zooals zij thans (1916) zijn, over te gaan, moge hier een kort overzicht volgen van de publicaties die—voor dezen—over dit onderwerp zijn verschenen. Een blik op de goede, of goed bedoelde beschrijvingen en afbeeldingen van deze drachten, hoe zij waren en zijn, en tevens een woord over de slechte en niet goede afbeeldingen, kan hier hen, die omtrent dit onderwerp meer willen weten, een korte leiddraad geven.

Want beide soort publicaties over onze zooveel bewonderde en tegelijk zoo zeer gesmade en belachelijk gemaakte nationale drachten, moge hier eenige critiek vinden.

In ’t algemeen mag gezegd, dat de goed-bedoelde, zoowel als de slechte beschrijvingen en afbeeldingen van deze costumes, ieder het hunne hebben bijgedragen [113]om de kennis en waardeering in de war te brengen.

Enkele goede, en meer wetenschappelijke, d. w. z. meer juiste beschrijvingen daargelaten, moet het meeste van wat over dit hoogst belangrijke maar uiterst omvangrijke onderwerp werd gepubliceerd, tot de romantische en lyrische proza en poëzie gerekend worden. Bijna steeds waren het slechts phantasieën die men gaf, prent-verbeeldingen, plaatjes, groepjes die wel het schilderachtige, het aardige, lieve en typeerende van het uiterlijke dezer drachten gaven, maar meer ook niet. Zoo is een van de eerste publicaties op dit gebied, de uitgave van J. le Francq van Berkhey uit 1773, meer bezingend dan beschrijvend. Behalve een zeer objectief boekje over Hindeloopen, dat in 1855 te Leeuwarden verscheen, zijn de publicaties van E. Maaskamp uit 1803 en de Karakter-schetsen, kleederdrachten, enz. in 1842 door de Nederlandsche Maatschappij van Schoone Kunsten in Den Haag gepubliceerd, niet anders dan prentenboeken te noemen, waarbij den text meer lyrische ontboezemingen zijn, dan beschrijvingen.

Zoo is het ook met de lithographische platen van Valentijn Bing en Braet von Ueberfeldt, in 1857 uitgegeven, ofschoon hier een paar prenten met goede détails aan zijn toegevoegd.

De vele atlassen, die in de bibliotheek van het Rijks Museum, en in de verschillende oudheidkundige [114]genootschappen bijeengebracht zijn, waaronder de verzameling van F. Muller (Amsterdam 1879) wel een van de voornaamste is, bevatten slechts losse platen, met geen of te weinig beschrijvenden text. De voorstellingen uit den tijd vóór dat de photographie in dienst van deze wetenschappelijke onderzoekingen werd gesteld, zijn allen te “artistiek”, geven te kennelijk slechts den persoonlijken indruk van den lithograaph of teekenaar weer. De meeste van deze voorstellingen zijn dan ook geen objectieve afbeeldingen van bepaalde costumes, het zijn slechts “tafreelen”: “een boer”, “een dienstmeid”, zonder verder te praeciseeren.

De geschiedenis van de nationale kleederdrachten, die uit dit materiaal alléén zou moeten worden samengesteld, zou derhalve een zeer twijfelachtige wetenschappelijke waarde krijgen.

Later begon men echter juister beschrijvingen van de nationale drachten te geven, toen ook de photographische afbeelding bespreking van dit onderwerp in verschillende tijdschriften toeliet.

Een van de eersten die stelsel-matig in dezen te werk ging, was Mr. J. E. van Someren Brand. Reeds in 1893 verschenen opstellen van zijn hand over speciale détails van dit omvangrijke studie-vak, in Elseviers maandschrift. Bijzonder mooi geïllustreerde opstellen verschenen later in ditzelfde tijdschrift, in Buiten, en andere periodieken. Het meest complete en het meest als een wetenschappelijke verhandeling [115]bedoelde werk, is echter de reeds hierboven genoemde standaard-uitgave van Professor J. H. Gallée, over “het Boerenhuis in Nederland en zijn bewoners.”

Een geheel zelfstandige serie platen en een opstel van Professor Gallée zelve, en een over de Anthropologische samenstelling van de bevolking van Nederland, van de hand van Prof. L. Bolk, is aan deze uitgave—die eigenlijk in hoofdzaak over de boerenwoningen gaat—toegevoegd.

Hoe voortreffelijk dit werk echter ook moge zijn, moet toch betreurd, dat Professor Gallée waarschijnlijk niet over de noodige bladzijden voor text en illustratie kon beschikken, om niet alleen het uiterlijk aspect van enkele onzer nationale drachten af te beelden en tè globaal te beschrijven, maar om ook de onderkleeding te hebben kunnen behandelen. Bovendien missen deze prenten, die alle naar photographie genomen zijn, de kleur. En, die kleur is een zoo belangrijke factor in die kleurvolle en kleurige volks-kleedij, dat ze, zonder deze, niet in afbeeldingen in zwart te begrijpen is.

Voor Zeeland publiceerden Dr. J. C. de Man en J. A. Frederiks in 1894 een beschrijving van de Zeeuwsche drachten. Ook verscheen een plaat in kleuren waarop alle Zeeuwsche kleederdrachten, tot een schilderachtige groep vereenigd, staan afgebeeld. Deze plaat werd uitgegeven onder leiding van Mr. J. E. van Someren Brand, den bijeenbrenger [116]van een hoogst belangrijke collectie costumepoppen. Ofschoon deze prent, naar omstandigheden, (lithographie in kleuren naar een kleurlooze photo) zeer belangrijk is, is ze niet voldoende. Het is ondertusschen te bejammeren, dat van de andere provincies niet dergelijke prent-verbeeldingen zijn gemaakt. Deze plaat werd uitgegeven door de Uitgevers Mij. Elsevier, in 1894.

Een nog altijd niet geschreven standaardwerk over onze nationale kleederdrachten zal niet alléén de boven, maar ook de onderkleeren in al haar détails moeten beschrijven en afbeelden, niet alléén in zwart, maar ook (en vooral) in kleur. En niet alléén zal het “effect” dat deze drachten op den beschouwer maken, moeten worden weergegeven, maar vóór alles het wezen, de ware vorm, de constructie van die kleedij in schematische verbeeldingen moeten worden vastgelegd, ondersteund door photo’s naar de dragers en draagsters zelf, opdat ook de wijze van dragen, de habitus der bevolking, hun uiterlijke ras-eigenaardigheden voor het nageslacht duidelijk bewaard mogen blijven.


Tot zoover over de goed-bedoelde en goede publicaties over onze nationale drachten. Thans over de slechte, de verkeerde, zelfs de leugenachtige. En tot deze laatste moeten vooral de duizende prentbriefkaarten gerekend worden die in de laatste tien jaren, in den handel zijn gebracht. [117]Behalve dat deze prentjes slechts “kiekjes”, “plaatjes” te zien geven, zijn de gekleurde uitgaven, die in deze bestaan, meestal in het buitenland vervaardigd, en daardoor in den regel hopeloos verkeerd. Ze accentueeren het bonte, boersche, onbeschaafde, door foutieve op-kleuring nog meer, zoodat deze verkeerde series veel misverstand omtrent onze nationale kleedij in de wereld gebracht hebben.

Maar niet minder zijn daar de vele reclameplaten schuld aan, en de wijze, waarop zich (vooral de Amerikaansche) reclame van een zoo dankbaar en “dutchy” (lees: mal) motief heeft meester gemaakt als de Hollandsche nationale drachten den niet begrijpenden boodt.

Die verkeerde, en dikwijls opzettelijk verkeerdelijk aangedikte voorstellingen hebben onze nationale kleederdrachten in het oog van den buitenlander (en—terugwerkend, in het oog van vele Hollanders) een zeer slechten roep bezorgd. Zelfs ging een deel van deze verkeerde gedachten op Holland en de Hollanders over.

Dit kon des te makkelijker, omdat de kennis van de algemeene aardrijkskunde, en speciaal van het kleine Nederland, in de groote landen (vooral Amerika, Engeland, Frankrijk) onder het “beschaafde publiek” niet bijzonder ontwikkeld is.

Men is toen, in dat groote buitenland, die boerschheid, onbeschaafdheid en lachwekkende logheid, [118]die men, door die verkeerde voorstellingen, gedwongen werd te zien, voor den geest van Holland en zijn bewoners gaan houden. En dit heeft een juist begrip omtrent en kennis van het ware Holland in de wereld niet bevorderd.

En toch—dit alles had voor een deel vermeden kunnen worden, zoo er een goed standaardwerk over onze nationale kleederdrachten bestaan had. Maar tot nog toe hebben onze nationale kleederdrachten, ofschoon zij evenzeer een levende uiting van den geest der vaderen zijn, nog niet die aandacht der officieele en wetenschappelijke wereld tot zich getrokken, die zij om zooveel redenen werkelijk verdienden.


Hier blijft thans nog de collectie aangekleede poppen te vermelden, die in de verschillende musea in den lande de herinnering aan die nationale drachten levendig zullen houden, als die drachten zelf dan niet meer door de bevolking zullen worden gedragen, en .... als die poppen en hun kleedij tegen dien tijd niet door de mot en andere oorzaken zullen zijn vergaan.

Reeds in 1898 werd door Mr. J. E. van Someren Brand, toenmaals Directeur van het Stedelijk Museum te Amsterdam, een verzameling van ongeveer honderd verschillende nationale costumes tezamen gebracht, die in hooge mate merkwaardig is. Deze belangrijke collectie, die tot September [119]1916 in het Rijks Museum te Amsterdam te zien was en waar zij, om zooveel redenen, op de eenige haar toekomende plaats was, is sinds dien, jammer genoeg, naar het openlucht Museum te Arnhem “uitgewezen.”

Behalve deze collectie zijn minder omvangrijke verzamelingen van meer plaatselijke costumes, op poppen gemonteerd, in de musea van Middelburg, Leeuwarden, Hindeloopen en andere steden opgesteld.

En behalve deze poppen, worden in menige familie enkele ouderwetsche drachten in hun geheel of in gedeelten als kostbare—maar doode—herinneringen aan het voorgeslacht bewaard. Vooral is dit het geval in Friesland, waar echter nu en dan den gewestelijken geest weer levend wordt, zoodat bij bijzondere feestelijkheden deze costumes nog wel voor den dag komen, om te getuigen, dat het gevoel van eigenheid nu en dan nog wakker kan worden.

Maar behalve deze hier in ’t kort opgesomde beschrijvingen en plaatjesachtige verbeeldingen, deze prent-briefkaarten en poppen in nationaal costume en die enkele, in oude kasten en stoffige doozen bewaarde kleedingstukken, is van de nationale drachten in ons land niets over, dan wat er in de verschillende streken nog gedragen wordt, heele, halve, veranderde en onjuiste kleeding, die zoo is, omdat ze zoo is, waar moeielijk eenige [120]juiste en wetenschappelijke critiek op gegeven kan worden en die de eenige reëele bron is voor onze kennis van dit bijzondere monument van echt Hollandsche geschiedenis en kunst.

Een korte inventariseering, van dat, wat heden (1916) nog van die nationale volks-kleedij in werkelijkheid over is, beoogt dit boekje.

F. Wat werd en wordt er voor de instandhouding, de belangen en de kennis van de Nederlandsche nationale kleederdrachten gedaan.

Ten laatste moge hier nog een korte beschouwing volgen over wat er voor onze zoo beroemde Nederlandsche volksdrachten gedaan werd.

In de meeste landen waar eveneens zoo’n belangrijk monument uit het verleden, als wij in onze nationale drachten hebben, is overgebleven, en dat bovendien een monument is, in zich zelf zoo merkwaardig, en dat zóóveel tot de waardeering van ons Hollandsche land, vooral bij den vreemdeling, heeft bijgedragen, wordt van overheidswege alles in het werk gesteld om die volkseigenheid te bestudeeren, te doen voortduren, en ze op allerlei wijze te beschermen.

In Nederland evenwel, de liberale leuze getrouw van “laisser faire, laisser aller”, een land, waar tengevolge van die idee kunst geen regeeringszaak is en dus niet beschermd wordt, werd en wordt “officieel” nog niets voor die nationale kleedij [121]gedaan. Alle pogingen in deze ten goede, gingen en gaan uit van particulieren.

De verzameling poppen, die tot September 1916 in het Rijks Museum op zijn eigenlijke plaats was, werd door particulier initiatief, door particulier geld bijeengebracht. Ook was het zoo met de verzamelingen in de provinciën, waar zich particulieren, vereenigingen of genootschappen te werk stelden. En deze laatsten hebben zeer goed werk gedaan. Maar de regeering deed niets. Ook dat moge een van de vele factoren zijn, dat de nationale drachten in Nederland, om ’t zoo te zeggen, aan zich zelf overgelaten, zoodanig vervormd, veranderd en “gehavend” werden, en per slot geheel zullen verdwijnen, omdat het dragen er van niet van hooger hand werd aangemoedigd, of op een of andere wijze beloond. De pogingen die in dezen van privé-personen en vereenigingen uitgaan, kunnen echter nooit dat gezag en die overtuigende ernst hebben, die een lands-bestuur aan zijn verordeningen of wenschen geven kan. En al deed en doet de vereeniging Nehilennia in Middelburg ook nog zoo haar best (in een streek trouwens waar ’t nog niet zoo heel erg noodig is) deze en dergelijke vereenigingen zullen toch niet bij machte zijn met goed gevolg tegen de wassende wansmaak en vooroordeelen van de zoogenaamde stads-beschaving te strijden.

Een van de beste middelen in deze echter, [122]wordt wel door die Zeeuwsche vereeniging toegepast. Zij speculeert op de ijdelheid van de dragers (meer speciaal van de draagsters) van het nationaal costume. Geen beter middel had zij kunnen bedenken, dan eenige personen in nationale dracht, en daarna diezelfde personen (eenige kinderen) in stads-kleedij te laten photographeeren, Het onderscheid is zóó sterk, dat het de meest van smaak ontbloote mensch treffen moet. Het is, om ’t zoo te noemen, een afschrikwekkend voorbeeld. Zoo aardig en zoo geheel met een eigen cachet als die kinderen er uit zien in hun nationale dracht, zoo leelijk, zoo on-eigen, zoo onbeschaafd zien zij er uit in het “stadsch”. Waarlijk, de boerschheid komt in die kinderen dan eerst werkelijk uit als ze zoogenaamd “beschaafd”, dat is: op zijn stadsch, gekleed zijn, terwijl ze er in hun nationale dracht er heel wat minder boerachtig, minder onbeschaafd uitzien. Met het veranderen van kleeding wordt dus door de boerenbevolking juist het tegenovergestelde bereikt van wat zij bedoelt.

En dàt is het wat van overheidswege aan den volke had moeten en kunnen gedemonstreerd worden, dat het niet vernederend of verachtelijk is om de nationale kleedij te dragen, dat ze niet leelijk, niet onbeschaafd is en niet “achterlijk” maakt, maar dat juist het on-oordeelkundig en smakeloos dragen van de moderne stads-kleedij de dragers en draagsters belachelijk en leelijk [123]maakt. Indien dit aan het volk gedemonstreerd was geworden, zou dit aanschouwelijk onderricht van zeer veel invloed op de nationale drachten gebleken zijn.

Want, vooral bij de vrouwen is de indruk, die zij in hun costuum maken, toch nog maar altijd de hoofdzaak. En die ijdelheidsfactor komt de nationale dracht ten goede. Vooral de mooiste, natuurlijkste en meest rationeele drachten, zooals de Friesche en de Zeeuwsche. Zoolang de vrouwen zelf zullen blijven inzien dat die kappen en mutsen van kant, die gouden sieraden, die keurig geplooide doeken en kleurige beuken, die korte mouwen en lage-halsjes-dracht haar goed kleedt, flatteert; .... en zoolang er mannen zullen zijn, die deze schoonheid zullen opmerken .... en het de vrouwen zullen zeggen .... zal de nationale dracht in eere blijven.

Het bewijs wordt immers reeds door de praktijk geleverd. Geen dame die in Middelburg of Goes gaat logeeren verzuimt het zich in de “zoo flatteerende” Zeeuwsche dracht te doen photographeeren. En, indien een Friesch meisje al de fijnheid en de ingeboren aristocratische allure van haar ras op het voordeeligst wil doen uitkomen .... dan zet ze een oorijzer op, met een fijne kap en de diamanten speld op het voorhoofd, dan doet ze kleurigzijden jurken aan, het prachtige kanten schortje voor, en witte kousen met lage schoentjes aan. [124]

De nationale dracht vindt op die wijze een beschermster in zich zelf en in “de vrouw.”

Maar wat haar het meest ten nadeel komt, is dat ze kunstmatig in het leven wordt gehouden ten bate van het vreemdelingenverkeer. Dan verlaagt ze zich in haar dragers en draagsters tot bedelende comedianten.

En, omdat dit door buitenlanders reeds zeer duidelijk is opgemerkt, heeft dit soort propaganda van de nationale kleedij, die nationale drachten zelf, haar dragers en ook heel Nederland, in het buitenland zeer veel kwaad gedaan. Er zou van overheidswege tegen geageerd moeten worden.

Want met de gebruikelijke onkunde omtrent de Nederlandsche geschiedenis en aardrijkskunde, die in het buitenland zelfs onder de meest ontwikkelde standen heerscht, heeft deze verkeerde “reclame” tot de meest onwelwillende uitleggingen aanleiding gegeven.

Zoo werd mij in Amerika’s hoofdstad, Washington D. C., door een dame, een kunst-kritieken-schrijfster, verweten, dat het Nederlandsche volk het bedel-eiland Marken, tot een schande voor heel de Hollandsche natie “in stand hield”. Volgens haar was dat eiland, met huizen, bewoners en kleedij en al, opzettelijk gemaakt om het den vreemdelingen lastig te maken met bedelarijen. Men moge, in Nederland, zeggen dat die dame niet zeer goed op de hoogte was, maar dat verhelpt [125]de zaak niet. Dat exploiteeren van de nationale kleederdracht als vreemdelingen trekkende curiositeit kan niet anders dan tot misbruiken, en tot de daarbij behoorende misvattingen bij den vreemdeling, leiden. En op die wijze zouden de nationale kleederdrachten een middel worden om Nederland in het buitenland, evenals Italië, den naam te bezorgen, dat het zijn oude monumenten alléén exploiteert als middel om “te bedelen”.

Maar er is iets anders. Dat wat het meest voor de nationale kleederdrachten noodig was, nog steeds het meest noodig is, zoowel voor tijdgenooten, landgenooten, en vreemdelingen, voor heden en vooral voor de toekomst, dat is een volledige afbeelding en beschrijving van die drachten. En het blijkt, dat een particulier zich daar niet toe zetten kan, tenzij hij een klein fortuin en een belangrijk aantal jaren en zeer veel moeiten aan deze inventariseering ten koste legt. Waar de regeering, de gemeenschap in dezen niet het initiatief neemt en royaal (dat is de eenige goede en mogelijke manier) dit werk zelf ter hand neemt of aan een persoon opdraagt, daar zullen de nationale drachten tevergeefs op den rijken, maar tegelijk kundigen dolenden ridder wachten, die zijn geld, tijd en inzicht geven wil om de schoonheid van deze stervende princes .... zooals men met een beetje goeden wil de nationale kleederdrachten van Nederland metaphorisch [126]noemen kan, in woord en beeld aan het nageslacht over te dragen....

Of zal die officieele en particuliere belangstelling en dat initiatief .... echt Hollandsch, ook weer zoo lang op zich laten wachten, totdat het te boek stellen van al die gegevens ..... niet meer mogelijk zal zijn!.... [127]

[Inhoud]

III. De beschrijving van de Nederlandsche nationale kleederdrachten in de verschillende provinciën.

Noord-Holland.

Noord-Holland heeft drie centra van nationale kleedij, die geheel van elkaar gescheiden zijn. Dit zijn: Marken en Volendam, West-Friesland, en het Gooi.

In het overige deel van deze provincie—en vooral in Amsterdam en omgeving, is de dracht zoo goed als geheel verdwenen ofschoon men hier en daar oude vrouwtjes ziet met een kanten-muts, die meestal de zeer eenvoudige Hollandsche hul is, om enkele weeshuisdrachten niet te vergeten. Langs de kust van de Noordzee en op de eilanden is ook niet veel opmerkelijks, behalve op Terschelling.

A. Marken.

Van al de nationale kleederdrachten in Nederland, zijn die van Marken het meest merkwaardig, omdat ze het meest zonderling zijn. Zij vormen een type op zich zelf, die van al de andere drachten zeer afwijkt, zooals ook de Hindelooper dracht in Friesland. Maar ze zijn door de groote verscheidenheid van costumeeringen voor mannen, [128]vrouwen en kinderen, de meest ingewikkelde kleedij, die men bijna kan denken.

Opmerkelijk is, dat zich deze dracht in al zijn verscheidenheid tot op onzen tijd zoo volledig heeft kunnen handhaven, en dat op een eiland, dat zoo zeer van de zee te lijden heeft, uit slechts een paar buurtjes van houten huisjes bestaat, in zijn geheel even over de duizend inwoners telt, en dat—’t ergst van al—zoo dicht bij een groot modern wereld-centrum—als Amsterdam is,—ligt, en dat zooveel door vreemdelingen wordt bezocht.

Alle drachten die op Marken voorkomen, hier te bespreken, is onmogelijk. De voornaamste zijn deze:

1. De zuigeling (zie bl. 6) (van beide geslachten) wordt op bijzondere wijze in hemdjes, jakjes, mutsjes en wollen dekens, als een stijve pop ingebakerd. De kleuren van deze kleedij zijn zeer levendig, meest allen met rood tot hoofdkleur. De stoffen zijn van geweven of gedrukte katoen (sits of cretonne) en de versieringen bestaan uit kant, (echte of machinale-linnen kant) of uit borduringen in kruissteek.

De mutsen, die deze jonge kinderen worden opgezet, bestaan uit drie of vier witte en gekleurde kapjes overelkaar, met een bandje onder de kin vastgehouden.

2. De jongens en meisjes tot zes jaren, zijn [129]hetzelfde gekleed, in kleurige rokjes, die naar onder wijd uitstaan. Beide dragen mutsen van gebloemde stof (meest rood) over witte ondermutsen. Het eenige verschil in de dracht van jongens of meisjes, en waardoor men hen van elkaar kan onderscheiden, is de vorm van het kleurige overmutsje, dat bij den jongen meer een rond kalotje is en van boven, op de kruin, met een rozet is versierd. De mutsen der meisjes zijn uit drie stukken, één middenbaan met twee zijpanden, en missen de kruin-versiering.

Overigens hebben de jongens zoowel als de meisjes beide gekrulde haarvlechten langs de slapen en in den nek.

3. De meisjes-dracht blijft aldus tot hun zesde jaar. Dan krijgen zij een corset of “rijglijf”, (zooals het op Marken heet) een zeer dik en stijf kleedingstuk van meestal bruine baai, rijk geborduurd met bloemen in sterke kleuren (zie bl. 7). Dit rijglijf sluit, met een lange witte feter van achter. Het is zoo stijf, (door de vele balijnen) dat de meisjes-figuren (zie bl. 8) er die eigenaardige houterige, stijve vorm door krijgen, die ook de figuren van de volwassen vrouwen op Marken kenmerkt.

4. De jongens krijgen op hun zesde jaar een broek, (zie bl. 5) in plaats van hun rokken. Die broek is van donker blauwe of bruine baai, in dezelfde wijde vorm als die van de volwassen mannen. Het bovenlijf van den jongen is echter [130]nog ongeveer gekleed als van het meisje, en hij draagt nog het mutsje met de lange krullen.

5. Op zevenjarige leeftijd krijgt de jongen volkomen mannenkleeren aan, bestaande uit een baaitje van blauwe stof, halsdoekje, twee knoopen in de kraag, en een pet of hoedje op.

6. De jonge meisjes krijgen op hun zestiende jaar de kleeren van volwassen vrouwen.

De volledige beschrijving van een dagelijksch Marker vrouwencostuum volgt hier: (zie bl. 2, 3, 4, 5.)

Zij draagt, over het bloote lijf, een linnen (ongebleekt katoenen) hemd met lange mouwen. Aan den hals is een staande boord, die met kruissteek in zwarte wol, met geometrische figuren is versierd. Een dergelijken rand siert ook het eind van de mouwen, om de polsen. Dit halskraagje heet “beffie”. (Zie bl. 1.)

Deze ornamenten blijven steeds bij het Marker costume te zien, zelfs ook als de vrouw geheel aangekleed is. (Zie bl. 1, 2.)

Over het hemd komt de onderbroek met bandjes, van wit katoen, met dikke (blauwe) wollen kousen, die onder de knie worden opgebonden. Over het hemd gaat een mouw-vest van wit katoen, even over de taille reikend, zonder boord, van voren sluitend, met mouwen van gestreept (rood en wit) katoen. Dit mouwvest heet “mouwen”.

Over deze “mouwen” komt het “rijglijf” (zie fig. 4) of het corset, althans een kleedingstuk dat [131]de dienst doet van keurs of corset. Het is van bijzonder zware en dikke constructie, van donker blauwe baai of wol, gevoerd met witte wollen stof. Tusschen deze voering zijn van voren en van achter (niet op zij) balijnen aangebracht. De vorm is die van een keurslijf, het gaat over de schouders, heeft armsgaten, rijkt even over de taille en is van voren iets uitgesneden. Het wordt—van voren—dicht gesnoerd met een lange witte feter.

Het opmerkelijke van dit kleedingstuk, is de rijke ornamenteering met geometrische bloemen in zeer sterke kleuren.

Om de heupen worden “rollen” aangebracht, langwerpige kussens, die de rokken wijd-uit moeten doen staan en het figuur van de draagster moeten verbreden. (Zie bl. 2.)

Over dit rijglijf komt, van voren, de borstlap, een stuk vurig roode baai, vierkant, dat met spelden wordt vastgezet.

Daarover komen “de voorpanden”, een soort bolero-vormig jakje, van voren van vuur-roode baai, terwijl het achterpand van (meest paarsche) satinet is.

Over de broek heeft de Marker vrouw eerst de onderrok aangelegd, een zeer dikke rok van ruig (bruin-rood) baai, van onder afgezet met een gelen band, van voren sluitend, met een grooten zak, rechtsch. Deze rok heet “het ruigje”. [132]

Over dit “ruigje” komt “het schort”, een groote wijde donkerblauwe rok van baai, laken of serge. Het is zeer dicht-ineen geplooid van achter, van voren hangt het rechter, zoodat het, naar onder, het figuur van de draagster zeer omvangrijk maakt.

Over dit schort komt het “boezel”, de boezelaar, van donkerblauw katoen, van boven versierd met een “stuk” van geweven, geruite (blauw-witte) katoen.

Over de “voorpanden” komt de “bouw”, het sieraad van de Marker-vrouwendracht. Het bestaat uit een vierkant lapje, gebloemde sits of satinet, en wordt op de onderkleeding vastgespeld. (Zie bl. 1.)

Over de mouwen komen nog halve overmouwen, die van den pols tot den elleboog rijken, van (meestal) paarsche satinet, met gele boordsels.

Om den hals komt dan nog het halsdoekje, een vierkant, van in blok-versiering geweven (meestal rood) katoenen doekje, dat op bijzondere wijze wordt geplooid, en aan de punten versierd is, met zilveren en koralen kwastjes (akertjes).

Bij dit costume draagt de Marker vrouw in huis, of zondags, muilen (van zwart leer), in de week klompen.

Gaat zij met slecht weer (of ’s winters) uit, dan heeft zij over dit costuum nog een jakje van donkerblauw baai of laken, met lange mouwen en schootje (of taille), aan den hals vierkant uitgesneden. [133]

De hoofdbedekking is niet minder ingewikkeld.

De haren worden van achter afgeknipt, de rest wordt tot twee vlechten gedraaid, die, langs de slapen, van onder de muts uitkomen. Van voren draagt zij ponny, gelijk afgeknipt haar, dat met de vingers aldoor naar boven wordt gekruld, als een luifeltje boven de oogen. (Zie bl. 1.)

Over de haren gaat eerst een wit katoenen muts met platten bol.

Om den bol van die muts wordt een stijve band gelegd om den vorm te bewaren. Over deze ondermuts worden twee stroken van rood baai gewikkeld, en een ander lint, waarop zwarte ornamenten in kruissteek. Die drie stroken moeten ieder op hun juiste plaats gehouden worden door spelden.

Over deze onderlaag komt de overkap van fijn ballist en (van voren) een strook van kant, zóó, dat de roode baai en de zwarte ornamenten door die dunne stoffen heen schijnen.

De geheele vorm van deze muts wordt door de verschillende plooiïngen, stijve stoffen en spelden in een cilinderachtigen vorm gehouden.

Aldus is, in het kort omschreven, de gewone Marker-vrouwendracht.

De kleur is over het algemeen voor de rokken donkerblauw, het bovengedeelte van de kleeding, vanaf de heupen, vertoont niet dan zeer sterke kleuren, waarbij rood in alle nuances de hoofdkleur is. [134]

Bij rouw verdwijnt al dat rood, het wordt paarsch bij lichte rouw of blauw, en zwart bij zware rouw. De vorm der kleeding blijft in al zijn onderdeelen evenwel dezelfde.

Bij trouwplechtigheden is het costume van de bruid, wat de vorm betreft, wèl gelijk aan dat van de gewone vrouwendracht, maar is de kleur in hoofdzaak gestemd op wit. Wit is de feestkleur bij de Marker-vrouwendracht, en bij dat alles wordt het bijzondere van die gelegenheidsdracht nog verhoogd door de bijzondere zorg die er besteed wordt aan de plooiïngen van de (witte) boezelaar. Die plooiïngen worden bij de meeste nationale kleederdrachten bijzonder verzorgd, ook door de Marker-vrouwen. Zelfs in hun gewone daagsche dracht is de (donkerblauwe) boezel meestal zeer zorgvuldig op de strijkplank bewerkt.

7. De mannen-dracht op het eiland Marken (zie bl. 5) wijkt in zooverre van de dracht van het nabije Volendam af, dat, ofschoon het baaitje ongeveer gelijk is, de das anders is, niet de eigenaardige bonten muts van de Volendammers gedragen wordt, maar steeds de ronde vilten hoed, en dat de baaien broek niet zoo wijd (ofschoon toch nog wijd genoeg) maar niet zoo lang is. Bij de Volendammers vallen de wijde broekspijpen neer tot bij de grond. Op Marken worden de mans-broeken bij de knieën nauwer, en rijken [135]niet verder dan even over de knie, zoodat ze de onderbeenen en de blauwe kousen doen zien.


Het opmerkelijke van deze nationale Marker-dracht is, dat ze over het algemeen niet den indruk van werkelijke schoonheid maakt, hoofdzakelijk omdat het menschelijke figuur er in zoo hooge mate in door wordt ontsteld. Die platte bovenlijven, daardoor lang lijkende armen, uitermate breede heupen, betrekkelijk korte rokken, en daar onderuit de dunne beenen..... dat alles werkt niet zeer aesthetisch, maar het is in hooge mate eigendommelijk en schilderachtig door de kleur.

Daar komt bij, dat het Marker-menschenras niet tot het fraaiste van Nederland behoort. Het schijnt, dat zij in overdaad van opvallende kleeding willen goed maken, wat de natuur hen ontzegde.

De kinderen echter zien er zeer pitoresk uit, maar ’t is een zeer vreemd-aandoende, onwezenlijke schilderachtigheid, daar men aan wennen moet.

Bijzonder is het echter zeer zeker dat deze dracht in heel haar ingewikkeldheid, lastige snit, moeilijk te verwerken materiaal, en veelvuldige versiering met borduurwerk geheel door de Marker-vrouwen zelf vervaardigd wordt, voor zichzelf zoowel als voor haar kinderen.

Die bijzondere moeizaamheid, bij het maken, zal dan ook de reden zijn, dat zij het eenmaal [136]verkregen resultaat met zooveel zorg bewaren.

In ieder Marker-huisje is een zoogenaamde “pronkkamer”, waar in een hoek, meestal boven een laag kastje, een aantal spanen doozen, met kanten dekkleedjes bedekt, staan opgestapeld, waarin die kleeren worden bewaard. Ieder kind, ieder meisje, iedere vrouw heeft zoo’n paar van die doozen, en de huisvrouw houdt alles netjes, door dien stapel van haar rijkdom soms met koperwerk, doekjes met kant en bloemen te versieren.

Er spreekt uit die dingen bewijs genoeg, hoe zeer die nationale kleedij op Marken, zelfs heden ten dage (1916), nog uit den volkswil voortkomt.

B. Volendam.

Tegenover Marken, aan de vasten wal, maar toch zelf zoo goed als een eiland, ligt Volendam, dat tot vóór vijf-en-twintig jaar weinig bekend, weinig bezocht en als afgesloten van de buitenwereld was. Opmerkelijk is dat, ofschoon zoo dicht bij Marken, alles in Volendam anders is, ook de volksdracht. Voornamelijk zal dit liggen in het verschil van godsdienst. Op Marken is men protestant, heel Volendam is roomsch-katholiek. Zelfs wordt het nationale costume in Volendam uitsluitend door de roomschen gedragen.

Op Marken treft het stijve, bijna fanatieke van het volk en zijn dracht, in Volendam is het [137]een en al zwierige levenslust, in het volk zoowel als in zijn kleedij, zeden en gewoonten.

Ongetwijfeld is de Volendammer-dracht het meest van alle Nederlandsche drachten in het buitenland bekend. (Zie bl. 891011.) De Volendammer-dracht is als het type van den Hollander en de Hollandsche idee geworden, natuurlijk zeer ten onrechte. Maar de buitengewone gezonde stoerheid die uit de kleedij spreekt, en vooral ook uit zijn dragers, de levens-volheid bij de vrouwen, de quasi ironische ongeneerdheid bij de mannen, hebben misschien in het buitenland tot die generaliseering aanleiding gegeven.

Hoe het zei, de Volendammer-dracht is heel wat “menschelijker” dan die van Marken.

En bestaat hier geen, of geen merkbaar verschil tusschen de dracht der kinderen en die van de volwassenen?

De vrouw is gekleed in lang withemd met korte mouwen. Daarover komt de wollen half lange borstrok. Daarover het “rompje”, zonder mouwen, even over de taille rijkend, van voren sluitend met haak en oogen.

Een corset draagt de Volendamsche niet, en, omdat ze tot een stevig, gezond ras behoord, blijft haar figuur, de vorm van taille, buste en heupen normaal, ondanks de (dikwijls) te dikke rokken-tooi.

Over het rompje komt de kra-lap of krop-lap. [138]Deze bestaat uit twee vierkante lappen, met een uitsnijding voor den hals, over de schouders aan een kant met haak en oogen vastgezet, van onder, door banden aan de punten, om het lijf vastgebonden.

Deze krop-lap is van gebloemde stof, meest katoen. De ornamentjes zijn echter zeer klein, meestal kleine bloemetjes op een witten ondergrond.

Over deze krop-lap komt het kletje, een kort jakje van donkerblauwe stof, met half lange mouwen, vierkante uitsnijding aan den hals (waardoor vóór en achter de krop-lap te zien komt) en van voren sluitend.

’s Zondags wordt het effect nog verhoogd door een dunnen doek van (witte of gebloemde) tule, die tusschen het kletje en de krop-lap gestoken wordt. (Zie bl. 11.)

Over het hemd komt de onderbroek, daarover de gestreepte rok (van gestreept katoen), daarover de donkerblauwe baaiënrok, dan de dikke wollen streep-rok, dan de bovenrok. (Zie bl. 8, 9.)

Deze laatste is ’s Zondags van witte, zeer dikke baai, met vertikale strepen in fel rood en groen versierd. (Zie bl. 9.)

Alle rokken gaan rechts dicht.

Over dit alles komt de boezelaar van dezelfde stof als het kletje, met een rand van boven, van geruit-geweven katoenen stof, welke zondags van zijde is en allerlei kleurige versieringen heeft. [139]

Ook dit schort wordt mooi in de plooi gestreken, zooals bij de Marker vrouwen.

De rokken van de Volendamsche zijn niet zoo kort als die van de Marker vrouw. Zij loopt in huis (over de matten) op haar donker-blauwe kousen, op straat (zondags) op muilen van leer, door de week op klompen.

De hoofdbedekking bestaat uit het hulletje, van witte kant, dat over een zwarte onderkap is getrokken. De haren zijn geheel afgeknipt als bij een jongen. Van achter komt, in den nek, een opkrullend randje haar onder de muts uit.

Soms draagt de Volendamsche dan nog om den hals een wollen das met (blauwe) blokken geweven.

Ook de hals-snoer van bloedkoralen met gouden slot, dat van voren sluit, wordt niet vergeten.

Het Volendamsche vrouwen en meisjes costume is in de week eenvoudiger. Dan wordt, in de plaats van het kletje, een gestreept wollen jakje gedragen, meestal grijs-paarsch of blauw van kleur, met kleine ornamentjes. De boezelaar is dan dikwijls wit .... dit laatste is reeds een verbastering van de ware dracht.


Het mannen-costume van de Volendamsche visschers (zoowel als van de eendenfokkers en kaasboeren) bestaat uit een rood baai hemd met mouwen, tot de knieën rijkend. Van voren heeft [140]dit hemd een boordje, genaamd “het befje”, waarin twee gouden knoopen worden gedragen.

Daarover een gestreept baaitje tot de heupen. Daarover de “gezondheid”, een soort buikgordel, die met bretels, genaamd “galgen’, wordt opgehouden.

Dit kleedingstuk is meestal van blauwe wol of baai.

Een onderbroek van gekleurd keper, sluitend met knoop, en bandjes onder de knie, die de zwarte kousen ophouden.

Daarover komt de bovenbroek van zwarte “pij”, met drie zakken, en twee groote zilveren knoopen van voren, genaamd klapstukken.

Over dit costume draagt hij in de week het polka-baaitje, een kort hesje met mouwen.

’s Zondags draagt de Volendammer over de gezondheid de gestreepte baai, een vest zonder mouwen, met dubbelen overslag. Om den hals een doek, genaamd karwas, (zie bl. 8) die tusschen de gestreepte baai wordt gestoken. Daaroverheen het “blempje”, een jas met mouwen, dat van voren sluit. In den winter gaat daarover de blauwbaai, een zwart jasje met mouwen en dubbelen overslag.

De lapel is blauw, omdat dit de omgeslagen blauwe voering is. Om de kraag en de lapel is een fluweel boordje, genaamd het katje.

Daarbij worden ’s zondags schoenen gedragen, door de week klompen. [141]

Op het hoofd een pet of ruige muts, met groene lintjes van achter. (Zie fig. 8, 9.)

Al deze kleedingstukken worden door de Volendammer vrouwen gemaakt.

C. West-Friesland.

Van de West-Friesche dracht is niets meer overgebleven, dan de kap en het oorijzer, en eenige typeerende lijfssieraden, die door de vrouwen gedragen worden, benevens een algemeene costumeering, die niet heelemaal stadsch, noch heelemaal boersch is, niet nieuwerwets, noch werkelijk antiek. Zij levert een van de beste voorbeelden hoe de nationale kleedij veranderen kan tot iets wat niet te qualificeeren is, en het werkelijk nationale nog alléén in de hoofdbedekking bestaat. (Zie bl. 12, 13.)

Deze dracht vindt men in West-Friesland, Drechterland en de Streek tusschen Hoorn en Enkhuizen.

In Zaanland is niets meer van de oude drachten over, daar getuigen nog slechts de oude houten huisjes en hun bij uitstek merkwaardige groene kleur van de vroegere eigenheid van dit land.

De kap, genaamd de Noord-Hollandsche (zie pl. 12), wordt gedragen over het door een bandje bijeengebonden haar. Eerst een zwarte en dan een witte ondermuts, deze laatste van kant en met zwart lint geboord. Daarover gaat het oorijzer, [142]een ongeveer vijf-centimeter breede strook van goud, eindigend in vierkante met filigraan bewerkte zijstukken, genaamd: “de pooten”. Daarover komt de bovenmuts, zeer dikwijls van echte kant, van voren een breede strook, naar achter een nog breedere, zeer sterk en mooi regelmatig geplooide “Kappekant-strook”. De bol wordt gevormd door zeer fijne blauwe tule.

Het oorijzer en de onderkap schijnen dus door de blauwe tule heen, wat een zeer rijk effect maakt. Het oorijzer wordt vastgehouden, en aan de bovenmuts gespeld door de kapspelden, die achter de pooten zitten. Naast de pooten, op het voorhoofd, komen de veertjes, kromme gouden naalden, die onder de bovenmuts gestoken worden en gedeeltelijk het voorhoofd bedekken. Naast deze steekt men zwarte “toertjes”, valsche, zwarte, kleine krulletjes.

Op het voorhoofd dragen de oudere vrouwen een voornaald, van goud, rijk met diamanten bezet.

Om den hals komt de ketting van zeer dikke bloedkoralen, met gouden slot van voren. Bij den hals wordt een gouden doekspeld gedragen en om den hals, naar beneden afhangend met een kruisje, de kruize-ketting. (Zie bl. 12, 13.)

Bovendien dragen velen een gouden horlogeketting die tot aan het middel rijkt.

Het geheele kapsel is een zeer fijne en ingewikkelde [143]constructie van kant, naalden en veeren, rijk bezet met diamanten.

In de ooren draagt men gouden hangers (bagge). Deze dracht is zeer kostbaar.

De eenvoudiger West-Friesche dracht bestaat uit de gewone Hollandsche hul, (zie bl. 13) die over eene zwarte ondermuts wordt gedragen. Deze muts lijkt veel op de gewone Volendamsche muts, de punten worden echter naar voren gedragen, in Volendam hangen die meer naar beneden of naar op zijde.

Over deze Hollandsche hul draagt men in heel West-Friesland de boeren-hoed, het schuit-hoedje. (Zie bl. 13.) Het is van zeer bijzonder, schuitvormig model, van zeer fijn wit stroo, heeft zondags een witte (zijden) rand, in de rouw een zwarte, door de week een rand in alle kleuren (roze).

Deze West-Friesche kap wordt weliswaar thans (1916) nog vrij veel gedragen, maar de wijze van dragen is verschillend. De oudere vrouwen laten de achterste strook meer hangen, de jongere zetten deze meer naar boven, dat staat “vlugger”. Vele jonge vrouwen dragen die kap echter reeds niet meer, of alleen ’s zondags.

D. Het Gooi.

Het Gooi vormt, zoowel geographisch als volks-kundig een zeer bijzonder deel van de provincie Noord-Holland. [144]

Wat de kleederdrachten betreft, sluit het zich niet direct bij Holland, maar meer bij Gelderland en Utrecht aan, terwijl op de grens-scheiding tusschen deze verschillende streken, het meer dan bijzondere visschersdorp Spakenburg een oase op zichzelf is, die tot geen van deze gewesten te rekenen is.

Het eigenlijke Gooi echter, bestaat, voor zoover de kleederdrachten betreft, uit de drie dorpen, Laren, Blaricum en Huizen. Hilversum, dat geographisch wél tot het Gooi behoort, telt in dezen echter niet mee, omdat men er geen resten van een nationale dracht vindt. Des te belangrijker zijn de drie eerstgenoemde dorpen.

I. Laren.

Weinig plekjes van ons land zijn in de internationale artisten-wereld zoozeer bekend, als Laren. Maar of die vermaardheid, zelfs ook maar voor een deel, te danken is aan de opmerkelijke kleederdracht en het eigene van de oorspronkelijke bevolking van dit dorp, zou te bezien staan.

Zeker is het, dat Antoon Mauve, toen hij om gezondheids-redenen dit oord van gezonde lucht noodgedwongen “ontdekte”, daar niet kwam om de eigenheid van de bevolking, maar het meest door de schoonheid van het landschap werd aangetrokken. Zijn nakomelingen en navolgers zijn—[145]meest allen—even blind voor die volkseigenheid gebleven als hun grooten meester. Vandaar dat ook in Laren zich het bijzondere verschijnsel voordeed dat, te midden van een kunstenaarskolonie, een bevolking leefde waarvan het uiterlijk iedere “begrijpende” kunstenaar zou hebben geïnspireerd. Voor de Laarder artisten bleven de Laarder inboorlingen echter niets dan “plekken-kleur”. Het menschelijke en de diepere beteekenis, de psychologiesche redenen voor de bijzondere uiterlijke verschijning van die landelijke bevolking, is blijkbaar aan deze moderne artisten voorbijgegaan.

En toch, hoe merkwaardig is niet die Laarder inheemsche kleedij, hoe merkwaardig is niet het ras dat ze draagt, hoe opmerkelijk zijn niet de typen, en is niet heel dit volk dat zoozeer zijn eigenheid bleef bewaren, ondanks de steeds sterker wordende overstrooming van moderne-villabouw, “Sommerfrischler” en “inter-nationalistisch kunst-snobbisme” met al zijn verderfelijken en onnatuurlijken aankleve.

Dat Laarder volk heeft een zeer bijzonder Hollandsch type. Het paart de gemoedelijkheid en kracht van het Hollandsche element aan het fiere, en bijna aristocratische van het Friesche ras. Dat blijkt vooral uit de burgerlijke voornaamheid van de oudere vrouwen, met hun zielvolle gezichten, hun hooge gestalte, en de prachtige maar eenvoudige deftigheid van den vorm en de [146]kleur van hun eigenaardige dracht, de gouden kettingen, de geplooide doeken, en het geheel bekroond door de vierkante muts, die het eigenaardig ras-type nog te meer accentueert.

En dat bijzondere cachet wordt nog des te meer geconserveerd, omdat slechts de Roomsche bevolking dit costume draagt. Er is dus wisselwerking tusschen levensopvatting-uit-geloof en volks-dracht, zooals dat trouwens bij alle nationale drachten in Nederland en elders duidelijk op te merken is.

De kleedij van een Laarder vrouw (zie bl. 18, 19) bestaat uit: Een hemd met heel lange mouwen, daarover borstrok van keper, daarover romp of corset van blauw-keper, van voren dicht, zonder eenige verdikking (met kussentjes) aan de heupen. Daarover komt de gewone krop-lap (kralap). Over de (open) broek met bandjes (onder de knie) komt de blauw baaienrok, daarover de zwarte (katoen) moiré-rok, daarover de zwarte bovenrok en het (lange) jak van dezelfde stof, beide soms van zijde, satijn of thibet, in effen zwart, blauw of bruin.

De rokken zijn alle van voren plat, op zij twee platte plooien, van achter met rimpels. (kleine plooitjes.) Dan komt de boezelaar, die heelemaal rond het lichaam gaat, van achter tegen elkaar sluit. Ze is meestal van zijde, aan de kanten geboord met satijnlint. [147]

’s Winters en ’s zomers is het costume hetzelfde. Het jak is aan den hals uitgesneden, zoodat de kroplap te zien komt, en de mouwen zijn wijd, met hooge poffen aan de schouders. Daarover gaat de overdoek, van zwarte of blauwe zijde, met bonte kleuren met franje, netjes geplooid, van voren en van achter vastgespeld in de taille. Om den hals komt een ketting van vier rijen bloedkoraal, het gouden vierkante slot in den nek, van achter.

En dan de muts, bestaande uit zwarte ondermuts over het haar, dat niet afgeknipt is, maar plat is weggekamd. Daarover het oorijzer van zilver of goud, in hoofdvorm gelijk aan den oorijzer-vorm van Staphorst tot Nunspeet, en zóó gedragen dat de “speld” onder aan de wang komt, zijdelings van den mond, zooals op Urk en op Staphorst. Daarover de vierkante muts, een vergroot-soort Hollandsche hulle, waarvan echter de punten niet afhangen, maar weer naast het hoofd, naar boven, zijn opgespeld, waardoor het geheel een vierkanten vorm krijgt, het geheele hoofd als in een cubus-vorm van kant vervat schijnt, een zeer mooie en eigenaardige vorm-geving.

’s Winters wordt over dit costume een schoudermantel gedragen, (schoe-mantel) van zwart thibet, met blauw baai gevoerd, en een naar achteruitstaande, stijve kraag, met haak en oog onder de kin, soms met linten vastgestrikt. De [148]vorm doet aan de schoormantels van de Scheveningsche vrouwen denken. (Zie aldaar.) Dat is het typische, echte, Laarder vrouwen-costume, dat in zijn eenvoudige vormen en meestal op zwart, donker-blauw of paarsch en bruin gekleurde hoofd-tinten slechts verlevendigd wordt door de gouden (kruize) ketting, de bloedkoralen om den hals en de eigenaardige vierkante muts.

Maar dat alles verkrijgt eerst zijn ware eigendommelijkheid, door het bijzondere menschen-ras, dat deze dracht getrouw blijft, een ras dat niet uitmunt door lichamelijke schoonheid, zooals het Zeeuwsche, Urker of Friesche, maar dat vooral den indruk van burgerlijke deugdelijkheid geeft.

Er wordt in Laren nog een ander soort muts gedragen, de meer nieuwerwetsche, de zoogenaamde ronde muts, die niet anders is dan de Hollandsche hul, waarvan de punten een weinig meer naar boven-voren steken, en de kromming boven het voorhoofd wat ronder is dan bij de Hollandsche hul. Overigens is ze van hetzelfde type. Bij de ronde muts wordt het gewone verboerschte stads-costume gedragen.

De mannen-dracht van Laren heeft niets opmerkelijks.

II. Blaricum.

Ook in Blaricum is de dracht tweeledig. Enkelen dragen nog het ouderwetsche jak met de kroplap, [149]zichtbaar op de borst (zie fig. 20) en de vierkante muts, zooals in Laren. Anderen dragen de stadskleeding en de “kap”.

Die kap is bijna van dezelfde constructie als de West-Friesche. (Zie fig. 12.)

Opmerkelijk is ook weer, dat in Blaricum slechts de Roomschen de nationale dracht nog dragen, evenals in Laren. In het nabije Huizen evenwel, dat geheel protestant is, dragen de Roomschen geen nationaal costume.

Ook in Eemnes, dat protestant is, wordt de ronde muts anders (strakker) gedragen dan in Blaricum.

De “kap” zit aldus in elkaar:

Over het “gespleten haar”—d.w.z. het haar dat met een scheiding in het midden is gekamd, komt de zwart zijden ondermuts. Daarop worden aan de voorzijde drie zwarte valsche krulletjes (aan iederen kant) gespeld, aan een elastiek dat om het hoofd gaat en de zwarte ondermuts vasthoudt. Daarover worden de (gouden) naalden—met een elastiekje—vastgezet. Dan wordt aan de overmuts (kap) het oorijzer vastgespeld aan de “boeken”, tusschen de muts en de blauw zijden bol, (zie West-Friesche kap) en dit wordt in zijn geheel zoo op het hoofd gezet. Dan worden de naalden achter de boeken gestoken en de spelden er ingezet.

Bijzonder opmerkelijk is bij die dracht al het goud wat erbij hoort. De kapspelden en naalden [150]en de oorbellen zijn alle zonder diamanten, alléén van in filigraan bewerkt goud (in tegenstelling met West-Friesland). Om den hals komt de koralen ketting, bij de vierkante trek-muts een vierkant slot (pukkel-slot) of (plaatjes-slot), met vier rijen bloedkoralen, het slot van voren. Bij de kap is het slot rond. Dan draagt men een broche (van goud), genaamd de borst-speld. Dan een gouden ketting, waaraan gouden kruisje, dat tot midden op de borst komt, dikwijls met een schuifje, genaamd boot. Dan daarbij nog een lange losse (horloge) ketting van goud, en het horloge in de ceinture, welke laatste een gesp heeft. Ook op de schoenen zijn gespen. Deze worden echter thans niet meer in Blaricum gedragen.

Het costume dat, naar den vorm, (bij de kanten kap) verboerschte stadsdracht is, heeft verschillende kleuren, varieerend tusschen blauw, bruin, geel en groen, en zwart in de rouw, altijd van effen stof.

III. Huizen.

Zeer bijzonder zijn de drachten in het geheel protestantsche Huizen, het visschersdorp aan de Zuiderzee. (Zie bl. 21, 22, 23.)

Het is zeer zeker een nationale dracht, die in Huizen gedragen wordt, maar het is er een die niet van ouden vorm of snit is, maar wellicht nog niet zoolang geleden oudere modellen heeft verdrongen. Daar ze echter zeer algemeen is, en [151]zeer getrouw wordt in stand gehouden, is het een nationale dracht, den Huizers (of liever de Huizerinnen) eigen. Het eenige echte oude van dit costume is echter slechts de kap, die in wezen en vorm volkomen van alle andere Nederlandsche mutsen-vormen afwijkt.

Dus ook in Huizen is in hoofdzaak slechts het vrouwen-costume belangrijk, ofschoon de dracht der Huizer-visschers niet zoo stads-boersch is als die van de plattelands-boeren, en meer kenmerkend dan deze. De invloed van Marken, Volendam en Urk is op die mannendracht merkbaar, ze behoort tot dezelfde familie van deze visschers-kleedij. Maar de wijde broek ontbreekt tegenwoordig, ze is meer, wat de pijpen betreft, van het gewone model. Overigens is ze van den bekenden vorm met een klep, en versierd met zilveren knoopen, juist zooals de mannen op Urk die dragen. (Zie bl. 23.)

Het vrouwen-costume van Huizen kan aldus beschreven worden: (Zie bl. 22, 23): Over het hemd komt een borstrok en een lijfje, daarover een jak, in de laatste twintig jaren met zeer wijde mouwen, die poffen, boven de schouders uit, hebben. Dat jak is zeer bijzonder van vorm, met zeer fijne plooitjes in de taille, aan de armsgaten, aan de polsen, en zeer kort, even over de taille rijkend. (Zie bl. 22, 23.) Het is van effen kleur in een stof waar bloemetjes in zijn geweven, [152]meestal bruin, bruin-paarsch of zwart. (Zie bl. 24.) De rokken bestaan uit: gestreepte onderrok, (soms twee stuks), één witte rok, een zwarte bovenrok. Alle rokken gaan links dicht; de bovenrok is van thibet (of: paramat), van zeer dunne stof, van voren recht, van achter met zeer vele (rimpels) plooitjes. Van onder wordt er een strook van 25 cm. breedte tegengenaaid. Daarover gaat de boezelaar (schulk), van gewoon friesch (blauw) bont, ’s zondags paarsch of andere kleur. Daarover komt een losse ceinture met losse banden, die van voren over het schulk afhangen. Die ceinture gaat met haak en oog van voren dicht. (Zie bl. 22, 23.)

Men draagt ’s zondags lage verlakte schoenen, en in de week muilen of klompen.

Door de week worden de mouwen opgestroopt, zoodat de meisjes en vrouwen bloote armen hebben, ’s zondags draagt men de mouwen lang.

Dit costume, dat voor meisjes en vrouwen gelijk is, wordt niet door de kinderen gedragen.

De meisjes, tot hun vijftiende jaar, dragen jurken met korte mouwen, die van boven zeer sterk geplooid zijn. Dit noemt men pijpmouwen. Tot aan den hals wordt dan over de kleeding heen een wit boezelaar gedragen. (Zie bl. 21.) Over de armen, gebreide pols-mouwen.

Om den hals draagt men een slot met 5 rijen granaten-koralen. Het slot van voren. Soms komt [153]daar nog een gekleurd zijden das bij, dat echter onder de koralen en het slot gedragen wordt. De uitstekende puntjes, van voren, zijn dan het voornaamste dat men in ’t oog wil doen vallen.

De mutsen van de Huizer kinderen en vrouwen zijn het meest variëerend.

De kinderen dragen, in de week, tot hun 14 of 15de jaar een pik-muts, dat is een soort cornet of tip-muts, die geheel gehaakt of gebreid is van witte katoen of wol, en van achter over den nek, afhangt. Deze mutsen worden gestreken, zoodat ze eenigzins stijf staan, en in de eigenaardige golvende plooiïngen blijven behouden die men hen heeft gegeven. Het haar wordt daarbij door deze meisjes los gedragen. Ze dragen ’s zondags een rond strooiën (zwart) hoedje, versierd met een pluim, die als een hane-kam over den bol van de hoed is gelegd. Van voren twee spelden of broches. (Zie bl. 21.)

Tusschen hun veertiende en achttiende jaar dragen de jonge meisjes een plooi-muts, bestaande uit een bol van witte kant, rings-om versierd met een rand (van een hand breedte) van plooitjeskant, die fijn geplooid is om het gezicht, in den nek in grootere plooien afhangt. Die plooitjeskant omsluit en overhuift het gezicht, wat nog erger het geval is met de oorijzer-muts, die de meisjes en vrouwen boven de achttien jaar dragen. (Zie bl. 24.) Het haar wordt “gespleten”—[154]dat is met een scheiding in het midden gekamt, en bijeengebonden tot een knotje achter in den nek. Daarover gaat een zwarte ondermuts, daarover de witte over- of oorijzer-muts. Soms wordt ’s Zondags een witte ondermuts gedragen, gewerkt met zwarte zijde.

Over de ondermuts komt het oorijzer, van gelijken vorm als langs de heele Zuiderzee-kust van Staphorst af tot hier (Huizen) toe gedragen wordt. De spelden komen aan de slapen—dus weer anders dan in Laren, maar zooals in Nunspeet.

De oorijzer-muts zelf is van witte tulle met randen van kant, en de lange kanten slippen worden links en rechts aan het oorijzer bij de slapen opgespeld. Vandaar dat deze muts, van voren gezien, een zeer bijzondere lijn-vorming geeft, en, van terzijde bekeken, zoo groot en vooruitstekend is, dat het gezicht van de draagster er als het ware in wegschuilt. Dit is evenwel van zeer bijzonder aesthetische werking. (Zie bl. 24.)

Opmerkelijk is nog—vooral voor de zeden en gewoonten van de Huizers, dat een bruid (zie bl. 22) een japon draagt van bruine stof, maar dat haar wijde schort van hemelsblauwe fijne wol is, met een lint van zijde, ook in die kleur. Dit blauwe schort wordt maar éénmaal gedragen, nl. bij het aanteekenen ten stadhuize. Bij het trouwen is de bruid geheel in het zwart, ook haar schort is aldus. Maar het blauwe schort [155]blijft bewaard totdat het eerste kindje geboren is. Dan wordt het tot een doopjurk gemaakt, waarmede het kind ook nog ’s Zondags ter kerke gaat, of die bij volgende doop-plechtigheden gebruikt wordt.

E. De Noordzee-kust en de eilanden.

Veel bijzonders valt er niet op te merken van de visschersdorpen langs de Noordzee-kust, behalve van Scheveningen. Ook in Zandvoort, dat een oudere plaats is, bleef een weinig van de nationale dracht over in de Hollandsche hul, waarvan echter de badgasten een soort vermoderniseerde imitatie gaan dragen, nu ze door de eigenlijke visschersbevolking afgeschaft schijnt.

De wereld verandert!!!.....

IJmuiden en Wijk aan Zee, zijn geheel moderne plaatsen. In Egmond en Bergen draagt men de West-Friesche dracht.

Op Texel is niets van de oude drachten over, zoomin als op Wieringen of op Vlieland.

Op Terschelling echter bleef een oude dracht gehandhaafd, die nog zeer merkwaardig is, al bestaat ze bijna uitsluitend uit een hoofdbedekking van eigenaardigen vorm, met afhangende stroken. (Zie bl. 14.) Die kap noemt men zwarte kap, daaronder draagt men een witte, genaamd: “het mutske”. De verdere kleedij bestaat er uit een [156]lijf met schoot in ouderwetschen vorm, in allerlei kleur, jak genaamd. Daaronder komt de rok van merinos (vroeger thibet). Het voorschoot noemt men scheldoek. (Zie Hindeloopen).

Deze dracht, die hoofdzakelijk merkwaardig is om haar geheel, wordt thans nog alleen door de vrouwen van middelbaren leeftijd gedragen; de jeugd doet dit niet meer.

Vroeger droeg men op dit eiland een zilveren oorijzer, met gouden voor- en zij-naalden.

F. De meeren en polders.

In de drooggelegde Meeren en Polders van Noord-Holland, wordt geen nationaal costume gedragen. Toen na de drooglegging van de Haarlemmermeer verschillende families uit alle deelen van Nederland zich daar kwamen vestigen, droegen zij de kleedij van hun geboortestreek. Thans zijn die—zoo verscheidene—costumes geheel verdwenen.

G. De groote steden.

In Haarlem en Amsterdam is het nationale costume geheel verdwenen. Dat neemt niet weg dat zelfs onder den rook van Amsterdam, aan de Amstelveenschen Weg, onder Sloten, en aan den overkant van het IJ, de Hollandsche hul toch nog vrij veel door de oorspronkelijke boerenbevolking [157]gedragen wordt. Het eenige, wat werkelijk oud is, wat in de stad, in deze overbleef, nu zelfs ook de ouderwetsche bakers niet meer bestaan, is het zoo beroemde costume van de Amsterdamsche burgerweezen. Maar ook die dracht, hoe schilderachtig, hoe verfijnd en hoe gracieus ook, zal misschien spoedig verdwijnen, daarmede nog meer Amsterdam’s eigen cachet ontnemend.

En niet ten onrechte is die dracht zeer bekend, want ze behoort tot de mooiste die uit het verleden tot ons kwam. (Zie bl. 16, 17.)

Het costume voor de kinderen, de jongere meisjes, en de volwassenen (17 jaar) is verschillend, hoofdzakelijk door de kap, die bij de ouderen van doorzichtige tule of kant is, en het oorijzer (van zilver) te zien geeft. Verder hebben de ouderen een omslagdoek, waarvan de eigenaardige plooiïng en wijze van dragen, bijna volkomen overeenkomst heeft met de doek van de Zeeuwsche drachten.

Als zoodanig kenmerkt dit costume zich dan ook als bij uitstek van Hollandsch maaksel.

Tot voor kort droegen de meisjes merkwaardige kapjes en omslagdoeken, die thans door meer moderne, maar minder fraaie capes vervangen zijn. De kleinere meisjes dragen witte schorten, waarvan het model in de laatste tijden ook verandering onderging. Die eigen-gereide vervormingen zijn erger voor een nationale dracht, dan [158]de totale afschaffing. Daar komt bij, dat de meisjes zelf in de laatste jaren, in de week, deze dracht niet met de noodige zorg dragen, en zich daardoor minder aantrekkelijk voordoen dan ze zouden hebben kunnen zijn. Zij ook hebben meegewerkt deze dracht in discrediet te brengen. De hoogst onredelijke critiek van buitenstaanders over het “gevangenis-pak van deze arme kinderen” heeft het andere gedaan. Tegen domheid vechten zelfs de goden te vergeefs.

Mocht dit zoo bijzonder aantrekkelijke costume echter uit Amsterdam’s straten verdwijnen, dan zullen zij veel missen, die nooit, op een mooie Zondagmorgen, dat rijtje rood-wit-zwarte meisjes in hun uiterst aesthetische kleedij, dat typische poortje in dit stukje Oud-Amsterdam hebben zien uitschreiden.

De jongens-dracht is, half zwart, half rood, door haar snit echter weinig opmerkelijk.

Ook Haarlem heeft zijn burgerweezen, ook in een oude dracht, ook rood, zwart en wit, maar ze is niet zoo fraai als de Amsterdamsche, ze is ietwat stijver, vooral de muts en de omslag-doek van de meisjes. (Zie bl. 15.)

Behalve het Burgerweeshuis heeft Amsterdam nog een paar andere weeshuizen, de Oranje-appel, het Maagdenhuis enz., waar de dracht van de verpleegden een zekere historische oorsprong heeft, maar thans te veel ontsteld is. [159]

Utrecht.

In Utrecht is alléén iets van de nationale kleedij over, in de streken die aan het Gooi en Gelderland grenzen. De groote streek waar nog de nationale dracht in eere is, en die zich langs de kust van de Zuiderzee van Staphorst tot Huizen uitstrekt, gaat ook over de noord-oostelijke hoek van de provincie Utrecht. Daar vindt men dan ook in Soest en omgeving, Hoogeland, en vooral in Spakenburg en Bunschoten nog zeer belangrijke resten van de oude kleedij.

Soest en Hoogeland (zie bl. 25) sluiten zich bij Laren aan, en vormen een groep apart, waar de zoogenaamde vierkante muts (zie bl. 26) het voornaamste kenmerk van is. Overigens is de kleedij met omslagdoeken in (soms) kleurige zijden, en de gouden (kruize) kettingen ongeveer gelijk aan wat men in Laren ziet. Maar opmerkelijk en zeer bijzonder is de dracht in Spakenburg.

Spakenburg.

Die twee dorpen, Bunschoten en Spakenburg, liggen als een eiland in een wijd plat uitgestrekte landstreek, bijna zonder boomen, zich tusschen Nijkerk en Eemnes uitstrekkend, de Eem-vlakte, ten noorden begrensd door de zee, ten zuiden door het land en de bosschen van Baarn, links door het Gooi en rechts door de zandgronden [160]van Gelderland. In die kale uitgestrektheid, tegen den zeedijk, ligt het oude visscherdorp Spakenburg, waar de traditie van de oude kleederdracht nog zoo fraai is bewaard gebleven.

In hoofdzaak zijn het wèliswaar de vrouwen en kinderen wier kleeding belangrijk is, maar toch ook hebben de mannen nog niet geheel hun oude dracht vergeten, welke—wat zeer begrijpelijk is—zeer aan die van Marken, Urk en Volendam doet denken, ofschoon veel minder dan de dracht die de mannen van Huizen dragen.

De vrouwen-kleeding geeft, op het eerste gezicht, het meest den indruk van die van Marken, voornamelijk omdat ze zoo kleurig is. Maar het blijkt dat ze, wat constructie betreft, zich toch geheel bij de drachten van de Zuiderzee-kust aansluit, zoowel wat de lijfs-kleeding als de muts aangaat.

Opgemerkt dient, dat de twee dorpen, Bunschoten en Spakenburg, één geheel vormen, en dat de drachten en de huizen daar volkomen gelijk zijn. Spakenburg is het visschersdorp dat met een kanaaltje van een paar honderd meter met Bunschoten, dat meer in het land ligt, verbonden is.

De dracht van een Spakenburgsche (of Bunschotensche) kan aldus omschreven worden: (Zie bl. 27, 28, 29.)

Het haar wordt opgestoken, met een zwart [161]bandje vastgebonden, dat van boven het voorhoofd tot onder het achterhoofd gaat. Daarover komt de zwarte ondermuts, daarover de witte gehaakte of gebreide ondermuts, die plat tegen het hoofd aanligt, en niet uitsteekt. (Zie bl. 28, 29.) Daarover de witte kanten muts, die ietwat naar voren steekt, een randje van kant heeft, en van onder een weinig wordt omgebogen. (Zie bl. 27 en 29.) Dit soort muts lijkt op de (oorijzer) mutsen van Huizen, (zie aldaar) maar is veel kleiner, en ze lijkt eveneens op de muts van Harderwijk en Nunspeet, maar iets grooter. Het type is bijna hetzelfde. Oorijzer en belletjes worden niet gedragen. (Zie bl. 27 en 29.)

De lijfs-kleeding bestaat uit een hemd met korte mouwen, een hemdrok van zelf-gereide stof, (zie Staphorst) zwart met blauwe voering, rijkend tot het middel. Daarover den slippen-kolder, een soort buis met schootjes, geen mouwen. Onder deze kolder een witte onderdoek, om den hals. De hemdrok is voorzien van half lange mouwen, die van friesch (rood) bont zijn, en te zien blijven als de kleeding geheel voltooid is. (Zie bl. 27, 28, 29.) Daarover komt de krap-lap, in Bunschoten die van zeer bijzonder model is. Ze is korter dan gewoonlijk, gaat niet tot de taille, zooals gewoon, maar slechts tot halverwege de borst, maar ze is zeer breed, zoodat ze buiten de schouders uitsteekt, en daardoor als het ware [162]kappen om de schouders vormt, die het geheele figuur breed en vierkant maken, en het bijzondere van de geheele dracht vormen, omdat er de aandacht zoo dadelijk door getrokken wordt. (Zie bl. 27.) Over die krap-lap, die van witte stof, (katoen) met zeer kleurige (roode) bloemen versie