[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Bolivia.--Een in wording zijnde Staat aan
den Stillen Oceaan, by Emile Barbier
This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.net
Title: Bolivia.--Een in wording zijnde Staat aan den Stillen Oceaan
De Aarde en haar Volken, 1907-1908
Author: Emile Barbier
Release Date: March 21, 2007 [EBook #20867]
Language: Dutch
Character set encoding: ISO-8859-1
*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BOLIVIA ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

Te Oruro. Een kudde rustende lama’s in den corral.
Het aes triplex (drievoudig koper) waarmede de dichter der oudheid het hart van den eersten zeevaarder ompantserd achtte, schijnt nog slechts een onvoldoende bescherming, vergeleken bij de wapenrusting, waarmede zich de eerste conquistadores wel mochten hebben omgord, toen zij het waagden, zich blindelings te storten in die ook thans gedeeltelijk onbekende wildernis vol gevaren, die Bolivia heet. Tot het tijdstip, toen generaal Sucre, die met gunstig gevolg de Spanjaarden in Z. Amerika bestreed, na een overwinning op den onderkoning van Lima behaald, dezen staat onafhankelijk verklaarde, 11 Maart 1825, heette Bolivia Opper-Peru, een naam, die volkomen juist de ligging van het land weergeeft. Het is inderdaad een deel van Peru, en de bewoners van het land zijn Incas; maar het is dan toch een soort van arendsnest, hoog boven het eigenlijke Peru gelegen. De gemiddelde hoogte van het boliviaansche plateau is 4000 meter, en de wegen daarheen leiden langs de steile bergwanden van de hoogste toppen der wereld. Door deze ontoegankelijkheid is het bekende gedeelte van Bolivia zelfs nog weinig beschaafd, terwijl een groot gedeelte van het land zelden is bezocht, of geheel onbekend gebleven, zooals bijv. het grondgebied van den grooten Chaco, dat door Argentinië en Paraguay aan Bolivia wordt betwist, en Beni, waarop Peru en Brazilië aanspraak maken. Omtrent de werkelijke uitgestrektheid van het gebied zijn dan ook de boliviaansche aardrijkskundigen het niet eens. De heer Manuel Vicente Ballivian de la Paz heeft in Mei 1692 de oppervlakte van Bolivia (zonder den grooten Chaco) geschat op 1,545,818 vierkante kilometer. Hiervan moeten echter 77,286 kilometer worden [394]afgetrokken voor de departementen Atacama en Antofagasta, die in 1879 door Chili zijn veroverd. Doch zelfs zonder dat gebied is Bolivia zoo groot als Frankrijk, Engeland, Duitschland, Zwitserland, België en Griekenland, met elkaar. Sedert in 1881 met Chili een wapenstilstand is gesloten, ligt Bolivia ingesloten tusschen Chili, Peru, Brazilië, Paraguay en Argentinië, en heeft slechts door Chili en Peru verbinding met den Stillen Oceaan. Wat de bevolking betreft, deze is hier niet, zooals in Chili, geheel samengesmolten met het blanke ras, om geregeerd te worden op de zelfde wijze als europeesche volken. Een zoogenaamde volkstelling kan hier niet anders dan een oppervlakkige schatting zijn. Vele geslachten zullen nog moeten voorbijgaan, eer de twee millioenen Indianen en Cholos van Bolivia inzien, dat zij menschen, en geen kudden vee zijn, om eerst daarna, bij gevorderde beschaving, tot het besef te geraken van hun burgerschap, als leden van een geordenden staat.
In 1854 heette Bolivia 3,326,126 inwoners te tellen. De autoriteiten, die zeker goede reden hadden, de juistheid dezer schijnbaar nauwkeurige opgave in twijfel te trekken, hebben wijselijk een ronde som voor het bevolkingscijfer vastgesteld, en geven als totaal thans 2,500,000 aan, welke als volgt worden verdeeld. Blanken 600,000; Cholos 700,000; gewone Indianen 960,000; wilde Indianen 240,000.
De blanken zijn afstammelingen van Spanjaarden of andere Europeanen. De Cholo is, wat wij onder een mesties verstaan. In theorie is hij half Indiaan, half blanke, feitelijk slechts een half ontbolsterde Indiaan. De Cholos vormen een overgang tusschen de gewone Indianen, welke door de blanken als tamme huisdieren worden beschouwd en behandeld, en de eigenlijke blanke klasse. Het woord eigenlijk is hier in zekeren zin misplaatst; want als een Cholo veel geld heeft, wordt hij tot de blanken gerekend, vooral wanneer hij daarbij de europeesche kleederdracht heeft aangenomen, en dan ziet hij natuurlijk met diepe verachting neer op zijn minder bevoorrechte broeders. Vandaar dat onder de bewuste 600,000 blanken vrij veel welgestelde halfblanken zijn medegeteld. Zij doen volstrekt niet onder voor de bloem der boliviaansche aristocratie, en men zou hen grootelijks beleedigen, wanneer men hen Cholos durfde noemen. Want de Cholos behooren tot de lagere volksklasse, en hun indiaansche afkomst springt onmiddellijk in het oog.
Die Cholo’s dragen een eigenaardig costuum. Vooral de vrouwen, Chola’s genaamd, zien er wonderlijk uit, met haar ronde, grijsachtig witte vilten hoeden, die op omgekeerde soepborden gelijken. Haar dik zwart haar, of liever ruige manen, zijn in ’t midden gescheiden, en vallen als twee gevlochten paardestaarten, aan beide zijden op haar schouder. Ze dragen vrij korte rokken, tot halverwege de kuit. Zes of zeven daarvan over elkaar vormen een wijd uitstaande crinoline, die haar gang iets schommelends geeft. Hooge laarsjes met knoopen, groote kwasten, en bespottelijk hooge hielen voltooien haar toilet. De gewone Indiaan vervangt als ’t ware het tamme lastdier in de mijnen of den stal, en al zijn dieren beter geschikt voor het vervoer van zware vrachten, de mensch is bruikbaarder, waar handenarbeid wordt vereischt. Bij den feitelijken toestand van slavernij, waarin hij verkeert, al moge deze ook door de wet zijn afgeschaft, geniet hij van zijn arbeid geen voordeel. Iemand in eigendom toe te behooren, en dus niet van honger om te komen, dat is al, wat hij begeert. Muilezels, paarden, en lama’s zijn er werkelijk beter aan toe; want zij worden tenminste behandeld en gevoed in verhouding naar de waarde, die zij vertegenwoordigen. Hij gaat altijd blootvoets en in lompen gekleed in dit koude hooggebergte, dat door de eeuwige sneeuw der gletschers is omgeven, en is machteloos overgeleverd aan de luimen van blanken en Cholos, van welke laatste hij geen menschlievende behandeling te wachten heeft. In de steden draagt hij water, en lamamest, de eenige brandstof op de hooggelegen vlakten, of vervoert zware vrachten op zijn schouders.
Te Paz kan men die arme stakkers zich zien verdringen bij de aankomst van vrachtwagens, die in de steile straten niet verder kunnen; ze vechten bijna om kisten en balen, die gemiddeld 120 pond wegen; zonder haken, alleen met touwen van lamavel, binden ze de zware vrachten op hun gekromden rug en dragen ze soms wel een mijl ver, naar een hotel, of naar den winkel van een koopman, die hun hoogstens een paar stuivers betaalt, en als zij meer vragen, hen met een schop of oorveeg afscheept.
Bedden kennen zij niet. ’s Nachts slapen ze in hotels of particuliere huizen, in hun ponchos gewikkeld, als honden op den drempel voor de deur van hun meester. Niemand kan binnentreden, zonder hen te wekken. Dikwijls gaan zij ook tegen elkander aan liggen, om het warm te hebben.
Zij begeleiden van de eene stad naar de andere de troepen lama’s, die beladen zijn met zakken erts of andere koopwaar. Als de karavaan in de stad belast is, wordt hun door den koopman een vrachtbrief medegegeven, waarin de aard en de hoeveelheid der koopwaren vermeld staat, die hun zijn toevertrouwd. Dan gaat ieder zijns weegs en trekt alleen met zijn lama’s de onherbergzame hoogvlakten in, bij instinkt den weg zoekend, onbekommerd om weer of wind, zonder eenig begrip van tijd, zonder de zekerheid, voldoende voedsel te zullen vinden, daar zij geen andere proviand medenemen dan een zakje coca, en met een lang touw, om de lama’s vast te binden. Zoo trekken ze weken en maanden verder, tot ze de plaats hunner bestemming hebben bereikt. De lama blijft, waar hij zich ook bevindt, van zelf staan, als de avond is gevallen. Dan omsingelt de Indiaan met zijn touw de geheele kudde, die zich niet meer zal verroeren eer de zon opgaat. Vervolgens kruipt hij onder den buik van een der goedige dieren, dat hem als een levende deken dient, op den harden grond, die ’s winters bevroren en ’s zomers door de zware regens der tropen doorweekt is. Als de zon opgaat, en het touw wordt weggenomen, staan de lama’s uit eigen beweging op, en trekken weer verder, hier en daar eens even knabbelend van het schrale gras en mos der hoogvlakten. Zonder de minste overhaasting zetten zij kalm hun tocht voort, gevolgd door hun makker, den Indiaan, die onophoudelijk zijn coca kauwt, welke hem in een droomerigen toestand brengt, en beiden, mensch en dieren, stappen zoo, behagelijk hun kaken bewegend, [395]verder. Als een vreemdeling hen voorbijgaat, staan zij met uitgerekten hals stil, en staren hem aan met een strakken, verbaasden blik. ’t Is altijd weer nieuw, die verrassing, van nu eens een werkelijk mensch te zien. Deze Indianen zijn geen menschen, maar beesten; even goedaardig als de lama’s, schoon van verschillend ras, en voor den omgang met deze dieren geknipt.
In de mijnen worden zij door de blanken geëxploiteerd. Het stof, de uitwaseming der zilversulfiden, de zware behandeling van het erts, doen hen in groote menigte bezwijken. Zij komen om van ellende, en men denkt er zelfs niet aan, dat ooit gebrek aan dergelijke arbeidskrachten zou kunnen ontstaan.
Voorloopig zijn er altijd nog genoeg.
Het onderscheid tusschen de gewone Indianen, die met blanken in aanraking komen, en de wilde Indianenstammen, is slechts gering. De laatsten heeten Chunchos. Men zou kunnen zeggen, dat zij tot de gewone Indianen staan als de wolf tot den hond. Zij zijn vreesachtig en niet gevaarlijk, zoolang zij niet worden aangevallen. Hun geduld is onbegrensd. Op de jacht is de list hun eenig wapen, daar de regeering hun het gebruik van wapenen verboden heeft. Zij kennen alleen de uitwerking ervan, door droeve ervaring van de zijde der blanken opgedaan. Om de peruaansche schapen te vangen, die nauw aan de lama’s verwant, maar zeer schuw en wild zijn, en zoo rap als gazellen, graaft de Indiaan midden in de vlakte een kuil van omtrent 10 cM. diepte, en gaat daarin op den rug liggen. Dagen achtereen beweegt hij, in die houding, geregeld nu eens de armen, dan de beenen, als een groote ledepop. De schapen, die verbazend nieuwsgierig zijn, komen, als de vertooning lang genoeg heeft geduurd, eindelijk eens van naderbij kijken. Maar helaas! Als de Indiaan zijn kans schoon ziet,—en hij weet die uitstekend waar te nemen,—grijpt hij het beest bij de pooten, maakt het af, eet het vleesch op, en verkoopt de huid. Deze Indianen ontvluchten, evenals de peruaansche schapen zelf, de beschaving, die zelfs tot deze ontoegankelijke hoogvlakten is doorgedrongen. Zij zoeken een schuilplaats in de warme dalen van het oostelijk Beni-gebergte, waar maagdelijke wouden zijn, of in de uitgestrekte vlakten van den grooten Chaco.
Dat is hun domein, daar voelen zij zich thuis. Al zijn deze streken ongezond, onherbergzaam, woest en een verblijfplaats van wilde dieren, de Chuncho kan er leven in den natuurstaat. Wee den ontdekkingsreiziger, of den man, die hier caoutchouc komt zoeken, als de Indiaan hem hier ontmoet, in het bewustzijn, dat hij de sterkste is. Dan gaat de vreesachtige Chuncho aanvallenderwijze te werk, en wordt dikwijls, door honger gedreven, menscheneter. Zoo kwam de ongelukkige onderzoeker Crevaux met eenige zijner metgezellen om het leven.
Maar (het dient hier tot geruststelling van ondernemende reizigers gezegd) deze Chuncho’s komt men op den openbaren weg in Bolivia niet tegen. Wat de taal betreft, het heet, dat in Bolivia Spaansch wordt gesproken. Het is waar, dat dit de officieele taal is, zooals in Bretagne de Fransche taal daarvoor doorgaat. Maar feitelijk is Bolivia een modern Babel in dit opzicht. De Cholos, die het Spaansch radbraken, en de Indianen, die het niet kennen, spreken verschillende dialecten, die men in twee groepen kan onderscheiden, het quichua en het aïmara. Dit zijn de twee oorspronkelijke talen van het groote Inca-rijk, dat een aanvang nam bij de woestijn van Atacama, Bolivia en Peru besloeg, den equator overschreed, en zich uitstrekte tot het tegenwoordige Columbia.
De boliviaansche kinderen leeren allen in hun jeugd quichua of aïmara, door den omgang met de bedienden en de kinderen uit de volksklasse. Zij spreken het evengoed als Spaansch. De Cholos en de Indianen in de steden spreken een koeterwaalsch, dat min of meer verwantschap met de taal van Cervantes verraadt.
Uit de ligging der streken, waar respectievelijk quichua en aïmara wordt gesproken, hebben ethnologen afgeleid, dat het ras, ’t welk aïmara sprak, oorspronkelijk aan de Quichua-Incas onderworpen was. De quichua-taal is zulk een aaneenschakeling van keelklanken, dat men liefst wat op een afstand blijft van den persoon, met wien men spreekt. Ik ben het dan ook in dit opzicht niet eens met den heer Bellesort, die in “Jong Amerika, Chili en Bolivia” het een schoone en poëtische taal noemt. Philologen bezitten misschien een bijzondere gave van waardeering op dit punt. Op den oningewijde maakt deze spraak veeleer den indruk van een aanhoudend gorgelen en mondspoelen.
De boliviaansche regeering is even ambulant als de Indianen waarover zij den scepter zwaait. Het gouvernement heeft geen vasten zetel.
Van de acht departementen, waarin Bolivia verdeeld is, nl.: Chuquisaca, waarvan Sucre de hoofdstad is, La Paz, Oruro, Cochabamba, Potosi, Santa Cruz, Tarya en Beni, doen de vier eerste niet anders, dan elkander den voorrang betwisten. Al naar de luim van den President der Republiek het medebrengt, trekt het geheele bestuur nu eens naar Sucre, dan naar Paz, dan naar Oruro, en het corps diplomatique volgt dat voorbeeld. In 1865 had een grappig voorval plaats onder den beruchten president Melgarejo, die als een tyran over Bolivia heerschte.
Toen hij op het toppunt van zijn macht was, kreeg hij het eens weer in den zin, den zetel der regeering van La Paz naar Sucre te verplaatsen, en hij noodigde de verschillende gezanten en consuls uit, hem te vergezellen. Doch de consul van hare Majesteit Koningin Victoria van Engeland nam hiermede geen genoegen. Hij gaf te kennen, dat La Paz hem door zijn regeering als verblijfplaats was aangewezen, en dat hij niet reislustig was gezind.
Melgarejo hield niet van tegenspraak. Hij liet den engelschen diplomaat eenvoudig door vier soldaten achterste voren op een ezel zetten, met den staart van het grauwtje in de hand, en zoo door de straten van La Paz rondrijden tusschen een dubbele rij dreigende bayonetten.
Engeland scheen het wat gewaagd te vinden, de beleediging, een zijner vertegenwoordigers aangedaan, te gaan wreken in een land, dat op 4000 meter hoogte was gelegen, aan ’t eind van de wereld. Het vergenoegde zich ermede, alle betrekkingen met [396]Bolivia af te breken, en in enkele engelsche atlassen werden deze oorden voortaan met den naam van “woeste streken” betiteld.
Wat die verplaatsing van de regeeringsleden nog zonderlinger maakt, is de omstandigheid, dat in Bolivia geen andere reisgelegenheid bestaat, dan de rug van een muilezel. Over de allerhoogste bergen en bergpassen van de wereld tijgt zulk een troepje politici naar een stad, die tien of twaalf dagreizen is verwijderd, om—wetten uit te vaardigen, die nooit zullen worden nagekomen, daar er niemand is, die zou kunnen zorgdragen, dat ze werden uitgevoerd.
De twisten, die ontstaan door den naijver der verschillende plaatsen, welke aanspraak maken op de eer, residentiestad te zijn, waren van ouds de oorzaak van voortdurende omwentelingen. Vandaar dan ook, dat president Alonso, die voor kort nog zijn afscheid kreeg, het geraden vond, een goed heenkomen te zoeken buiten de grenzen van zijn vaderland. In September 1898 had zijn volksvertegenwoordiging het gewaagd, paal en perk te willen stellen aan al dat reizen en trekken, en Sucre voorgoed tot hoofdstad van Bolivia te verklaren. Dit plan vond geen algemeene instemming. La Paz maakte met meer recht, dacht men, aanspraak op die eer, daar het in Chililaya, op den Titicaca, een gewichtig douanenstation bezat, slechts een dagreis van de stad verwijderd. Maar Alonso bleef onverbiddelijk. Aanstonds was het oproer in vollen gang.

Boliviaansche typen uit het platteland en de stad.
La Paz werd nu de zetel der tegenpartij, die zich 2 November 1898 afscheidde, en de “federalistische regeering” werd genoemd. De president, die advocaat was van beroep, zwaaide thans onverschrokken den kommandostaf. Hij plaatste zich aan het hoofd der troepen en trok in korte dagreizen naar Oruro, om daar zijn kamp op te slaan.
Van de grootte der boliviaansche legermacht geven de volgende, in 1897 gepubliceerde cijfers ons een denkbeeld.
De infanterie van Bolivia bestaat uit:
De artillerie bestaat uit:
De cavalerie bestaat uit:
Bij de wagens en ammunitie (20 ruiters).
Totaal: 1000 man.
Allerzonderlingst is het, dat dit leger wordt aangevoerd door een totaal van 1064 officieren, van de 36 generaals af, tot de 130 onderofficieren toe. De statisticus, die deze welsprekende cijfers heeft verzameld, voegt er dan ook de opmerking aan toe, dat het, na den oorlog met Chili, zeer moeilijk was geweest, zich van de overtollige militairen van hoogeren rang te ontdoen; daar hun aanwezigheid altoos gevaar opleverde bij een regeering, die uit den aard der zaak altijd eenigszins wankel is. Een openhartige bekentenis! Aan het hoofd van deze legermacht, en zonder zich dus over gebrek aan aanvoerders te kunnen beklagen, toog Alonso ten strijde, de federalisten tegemoet. Afgaande op den toestand, waarin de laatsten verkeerden, met een ruiterij “die grootendeels te voet ging”, moesten zij noodzakelijkerwijze het onderspit delven; maar ziet—alsof het spel sprak, Alonso werd verslagen, en moest zich naar Chili terugtrekken. De zegepraal van een president zou trouwens ook een ongehoorde zaak zijn geweest. In Bolivia en Peru wordt elke revolutie met gejuich begroet, en eindigt met de overwinning van hen, die haar hebben uitgelokt, tot de verjaagde president op zijn beurt weder de volksgunst heeft weten te winnen en opnieuw de plaats komt innemen, die hem wederrechtelijk is ontroofd.
Van de zes en twintig presidenten, die sedert 1825 in Bolivia elkander zijn opgevolgd, zijn slechts drie gedurende hun ambtsbekleeding gestorven; de overigen zijn of verbannen, of vermoord. Alonso wist tot zijn geluk te ontvluchten, want de stad La Paz, die zich thans den titel van hoofdstad had toegeëigend, ontzag zich niet, al zijn partijgenooten te laten fusilleeren.
Het heet, dat in Bolivia wetten bestaan. Maar deze worden slechts bij tusschenpoozen in toepassing gebracht, en alleen in gevallen, waarbij de machtigste partij geen straf heeft te duchten. Straf toch treft alleen Indianen, nooit heeren, die een gekleede jas dragen.
Het voorgaande is een beknopte, maar getrouwe schets van de toestanden in het hedendaagsche Bolivia. [397]

Indiaansche jonge vrouwen, bezig met haar toilet.
[398]
Onze mededeelingen mogen in zooverre wel van belang geacht worden, als zij kunnen dienen, om elken overmoedigen reiziger te overtuigen van de noodzakelijkheid, een menigte voorwerpen van dagelijksch gebruik mede te nemen, die de leemten moeten aanvullen, welke zich onvermijdelijk doen gevoelen in een omgeving, waar eigenlijk niets is, zooals het zijn moet.
Hieruit behoeft men echter niet af te leiden, dat Bolivia een land is, waarheen geene handelswaren kunnen worden uitgevoerd. Integendeel. Het land is nieuw, en heeft aan alle mogelijke dingen behoefte; het arbeidsveld is dus groot genoeg. Maar men mag zich wel terdege in acht nemen en het terrein verkennen, eer men zich daar in speculaties steekt; want de eenige waarborg, dat men zijn waar betaald krijgt, is de eerlijkheid van den kooper.
Is Bolivia dan dus werkelijk voor den handel niets waard? vraagt men allicht.
Zeer zeker is het dat wèl. Juist omdat elke reis er als ’t ware een ontdekkingstocht is, omdat zelfs de meest ondernemende lieden worden afgeschrikt door de gevaren, daarmede verbonden, behoeft men hier minder mededinging te duchten dan in menig ander land.
Bolivia is zeer veel waard; vooreerst al door de goudmijnen. Goud wordt hier overal verspreid gevonden, het meest in het departement La Paz. De bodem moest echter beter worden onderzocht, om er voordeel uit te trekken. Thans beweert ook zelfs de armoedigste, verloopen Boliviaan, een of andere geheimzinnige lavadero te kennen, of te bezitten. Hij haalt daarbij uit zijn vestzak een onoogelijk klompje erts te voorschijn, dat aan iedereen wordt vertoond, en dienen moet om europeesch kapitaal te lokken. Vooral rijk aan het edele metaal heeten de omstreken van Irooco, Oruro, La Joya, Sepulturas, Sorasora en Machacamarca. Maar wat bij al die mijnen ontbreekt, is het geld om ze te exploiteeren. Wat meer en zekerder winst afwerpt, dan die dikwijls denkbeeldige goudmijnen, zijn de werkelijk bestaande mijnen, waar koper, tin en zilver gevonden wordt.
Te Oruro, het grootste middenpunt, zijn zooveel mijnen, dat hierom alleen de spoorweg verlengd is, die van Uyuni naar Oruro loopt. De voornaamste, die van La Tetilla, Socavon de la Virgen, Itos, Atocha, San José Grande, zijn reeds in werking; andere, zooals Santo Christo, Union Yankee Colorado, Alacranes, Sapos, wachten nog om geëxploiteerd te worden.
Het departement Oruro bezit verder nog de volgende tinmijnen: Avicaya bij Hurmiri, Morococala, San Antonio, Guarmiri bij Vento y Media, en zilvermijnen, Pampa Rosaria, San Francisco en Antequera. Te Pulacayo, te Huanchaca dezelfde rijkdom aan mineralen; te Machacamarca bevinden zich de fabrieken, waar het zilvererts wordt gezuiverd en bewerkt, eer het in staven naar Europa wordt verzonden.
Het departement Potosi voert voornamelijk zilver uit in blokken en staven, dat in het land zelf gesmolten is. Het erts, waarvan het zilvergehalte een bepaalde grens overschrijdt, wordt bij vrachten van 5000 pond vervoerd, daar dit bij een behandeling in het buitenland grootere winsten afwerpt. Niet alle mijndistricten kunnen zich deze weelde veroorloven. Als zij te ver van den spoorweg liggen, is het vervoer met lastdieren te duur. Potosi en Andacava zijn 220 mijlen van den spoorweg verwijderd, en kunnen dus geen erts uitvoeren, te meer, daar er ook gebrek aan muilezels is. Thans is hun aantal niet eens voldoende voor het vervoer van 1000 ton jaarlijks aan gesmolten tin, staven en blokken zilver, en eenig erts.
Ook de volslagen afwezigheid van brandstof in Bolivia is een beletsel voor het smelten van het erts. Dit proces moet dus worden bewerkstelligd door amalgameering, welke behandeling kostbaarder is, meer tijd vordert, en waarbij 20 tot 25% van het gehalte verloren gaat.
Op zeer veel plaatsen wordt tin-oxyde, antimonium en lood gevonden. Ook veel bismuth en koper, en verschillende soorten klei- en porseleinaarde. Zout is er in overvloed, en wat de voortbrengselen uit het dierenrijk betreft, kan Bolivia roemen op zijn alpaca’s, lama’s, de peruaansche schapen, die de vigogne-wol leveren en de chinchilla’s, waarvan de vacht in Europa met goud wordt betaald.
Dit zijn dan ook de eenige voortbrengselen waarvan Bolivia thans moet leven. Wel wagen zich onverschrokken lieden in de omstreken van Beni, Santa Cruz en Tarija, om er caoutchouc te verzamelen, hoewel slechts in geringe hoeveelheden, wegens het ongezonde klimaat, de onveiligheid en het gebrek aan verkeersmiddelen. Om uit deze streken voordeel te trekken, zou men ze moeten zuiveren van de Indianenplaag, wegen moeten aanleggen, en een verbinding tot stand brengen met Madre de Dios, den Amazonenstroom, Para en de europeesche markten. Maar die Hercules-arbeid zal vooreerst nog wel niet worden ondernomen.
Voor den uitvoerhandel komt de laatstgenoemde streek dus voorloopig niet in aanmerking. Maar men zou in verbinding kunnen treden met Oruro, Potosi, Chuquisaca, Cochabamba en La Paz, want voor alle mogelijke artikelen van huishoudelijk gebruik zou men hier een afzet kunnen vinden, altoos op voorwaarde, dat de aangeboden waar in den smaak en binnen het bereik der beurs van de koopers valt, dus eenvoudige zaken, die er op het oog bont en fraai uitzien. Indianen en Cholos weten niets af van de moderne beschaving. Van hun jeugd af aan hebben zij zich tevreden gesteld met chuno (bevroren aardappelen), charqui (in de zon gedroogd vleesch) en coca (een heester, ook honger- en dorstboom genoemd), zoolang zij dit karig voedsel maar rijkelijk konden besproeien met alcohol. De Indiaan heeft slechts twee behoeften, maar hun vervulling is dan ook voor hem levensvoorwaarde. Voor coca en alcohol zou hij een moord begaan. In Bolivia handeldrijven, wil dus zeggen: behoeften scheppen. En dat zal men niet anders bereiken, dan door artikelen aan te bieden, die den kooper niet te duur zijn. Geen aanprijzing van de voortreffelijkheid der fransche fabrikaten zou opwegen tegen de nuchtere waarheid, dat wie maar drie francs bezit, er geen zes kan besteden.
Wat den politieken toestand aangaat, elk departement is een kleine staat op zichzelf. Dit volslagen gebrek aan centralisatie in een zoo jeugdig land leidt [399]tot anarchie, en vermeerdert ten zeerste de moeilijkheden der handelspraktijk. Buiten het rijkstolstelsel houdt elke gemeente er nog een afzonderlijke verordening op na, en in verschillende plaatsen worden op de meest uiteenloopende zaken belastingen geheven, die niet alleen schade doen aan de goede verstandhouding der betrokken gemeenten, maar ook den vooruitgang tegenhouden, daar vreemde kooplieden hierdoor worden afgeschrikt. Zij moeten bijv. in Oruro en Potosi honderd bolivianen betalen voor het recht daar te komen handeldrijven; te Cochabamba en La Paz tweehonderd, en als zij veel stalen bij zich hebben, stijgt die som tot vierhonderd. Te Sucre worden driehonderd bolivianen gevraagd (een boliviaan is ongeveer 2,50 francs), zoodat men gerust kan beweren, dat de boliviaansche autoriteiten den vreemdeling niet met open armen ontvangen. Gelukkig kan men met wat list en overleg nog wel eens tusschen de mazen van dit net van moeilijkheden doorsluipen. De boliviaan is de standaardmunt van Bolivia, en wordt verdeeld in 100 centavos. Er is bijna niet anders dan vuil papierengeld in omloop; goudgeld hebben zij niet. Hun grootste zilvermunt is een stuk van 50 centavos, de helft zoo zwaar als onze vijf-francsstukken.
In Bolivia zijn slechts twee voorname banken, die succursalen hebben in de belangrijkste steden. Het zijn de Banco Nacional de Bolivia, 1 September 1871 opgericht, met een kapitaal van 3 millioen bolivianen, en de Banco Francisco Argandona.
Een van de kleine onaangenaamheden, die de reiziger in Bolivia telkens moet verduren, is de slaafsche bijgeloovigheid, waarmede de Boliviaan gehecht is aan zijn lijfspreuk:
Dia martes,
No te cases,
Ni te embarques,
Ni de tu casa te apartes.
(Op Dinsdag moogt gij niet trouwen, noch aan boord van een schip gaan, noch zelfs u van huis begeven).
Iedereen legt u te pas of te onpas dit bezwaar in den weg. De man, die u muilezels zal verschaffen, laat u in den steek en zegt, dat hij ze u vóór Woensdag onmogelijk bezorgen kan. Hij zou trouwens in alle oprechtheid niet de verantwoording op zich willen nemen, u op die wijze in uw verderf te laten loopen. De drijver, die zich volgens contract heeft verbonden u te vergezellen, zal misschien tegen zijn zin op een Dinsdag medegaan, maar gij kunt er op rekenen, dat dan ook elk ongeluk op uw rekening wordt geschoven, en dat gij de schuld krijgt, als een muilezel struikelt, een riem breekt, ja van alles wat oponthoud veroorzaakt. Als men zich aan al die malligheden wilde storen, zou men nooit klaarkomen, ’t Is al lastig genoeg, zijn reisplannen zóó in te richten, dat men alles in het gunstigste jaargetijde kan afdoen. Het meest geschikt is het winterseizoen; dat wil in het zuidelijk halfrond dus zeggen: tusschen Mei en November, als het weêr koud, maar in elk geval droog is. Op een anderen tijd is reizen in Bolivia onmogelijk.
Want in de overige maanden van het jaar, vooral midden in den zomer, vallen elken dag die zware regens, welke men alleen in de tropen en aan den equator kent. De bodem wordt dan letterlijk doorweekt, en de geheele hoogvlakte is niet anders dan één slijkpoel, waarin men bij elken stap zou kunnen wegzakken. In de bergen zwellen de stroomen, en in die verlaten streken, waar nergens een schuilplaats is te vinden, moet de reiziger dan soms een of twee dagen wachten aan den oever eener rivier, eer het water genoeg gedaald is, om den stroom te kunnen doorwaden. Vandaar het spreekwoord, dat waarlijk niet ongegrond is: Nunca carga atraz, nunca rio adelante. (Laat nooit uw bagage achter, en sta nooit stil vóór een rivier). ’t Is waar, wie weet of men de bagage, die men in den steek laat, ooit zal weervinden. En als men heeft stilgehouden bij een rivier, die doorwaadbaar is, kan deze den volgenden morgen wel zóó zijn gezwollen, dat aan oversteken niet te denken valt.
Wanneer ik spreek van het winterseizoen, dan wil dit zeggen, dat de nachten zeer koud zijn. Het land is hoog gelegen, en zelfs in de tropen daalt hier de thermometer ’s nachts geregeld tot 20 graden onder nul. Maar des morgens, als de zon is opgekomen, stijgt de temperatuur soms in drie uren van tien graden vorst, tot 20 graden warmte, en ’s avonds is het juist andersom, zoodat men wel zal doen, zooveel mogelijk voorzorgsmaatregelen te nemen tegen die grillige wisselingen van warmte en koude.
Als men van Oruro, waar de spoorweg die van Antofagasta, aan de kust, naar het hart van Bolivia loopt, eindigt, zich op weg begeeft met het eenige vervoermiddel, dat den reiziger hier ten dienste staat, zijn de afstanden, die men heeft af te leggen om van de eene plaats naar de andere te geraken, ongeveer de volgende. Van Oruro naar Cochabamba ongeveer 205 mijlen, af te leggen in drie of vier dagen, al naar de kracht en het weerstandsvermogen van den ruiter.
Van Cochabamba naar Sucre 350 mijlen, of zes tot acht dagen. Van Sucre naar Potosi 125 mijlen, of drie dagen. Van Potosi naar Challapata, een spoorwegstation, op vier uur afstand van Oruro 250 mijlen, drie of vier dagen. Van Oruro naar La Paz 245 mijlen, drie of vier dagen. Van La Paz naar Chililaya, 75 mijlen, of één dag.
In de haven van Chililaya gaat men aan boord van een kleine stoomboot, die het meer Titicaca in zeventien uren oversteekt, en te Puno, op den anderen oever, kan men per spoor de reis vervolgen naar Arequipa, en vandaar naar de havenplaats Mollendo aan den Stillen Oceaan. Wij spreken hier dus niet van den tocht door oostelijk Bolivia, waarin de departementen Beni, Santa Cruz, Chuquisaca en Tarija gelegen zijn, die aan de andere zijde van den Andes liggen, veel lager dan de ijskoude hoogvlakte aan de zijde, die naar den Stillen Oceaan gekeerd is. Dáár is elke reis een ontdekkingstocht, en het is onmogelijk, zelfs bij benadering, het tijdsverloop aan te geven, waarin een bepaalde afstand zal worden afgelegd. Een andere moeilijkheid, die ook ervaren reizigers dikwijls in verlegenheid brengt, is het aanschaffen van de benoodigde muilezels, en de prijs, die daarvoor mag worden bedongen. Bewoners van Bolivia, die nooit in hun leven een reis hebben gemaakt, [400]geven hoog op van de voortreffelijkheden der muilezels, die bij den postdienst worden gebruikt. In de praktijk heeft men echter aan die raadgevingen bitter weinig. De muilezels, die voor het vervoer van de post worden gebezigd, zijn betrekkelijk goedkoop te krijgen aan de verschillende poststations, waar ze telkens worden verwisseld. Maar het zijn slecht doorvoede, zwakke, ellendige beesten, die met slagen moeten worden voortgedreven, en zeer dikwijls onhandelbaar en weerspannig zijn. Als men alleen reist, is men op genade en ongenade aan hen overgeleverd. En wanneer men dan bijvoorbeeld zoo weinig intiem bekend is met hun gewoonten, dat men afstapt, eer men hun een mantel of deken over den kop heeft gegooid, dan zijn zij zoo vrij, onmiddellijk om te keeren, en in vliegende vaart terug te galoppeeren naar de pas verlaten pleisterplaats, terwijl de ruiter hen verbaasd staat na te staren. Op die hoogte, waar de lucht zoo ijl is, dat iemand, die uit lagere streken komt, er geen honderd schreden kan loopen zonder stil te staan om adem te scheppen, is het alles behalve aangenaam voor een reiziger, op die wijze door zijn muildier te worden in den steek gelaten, terwijl nergens in den omtrek een menschelijke verblijfplaats is te vinden, en hij waarschijnlijk ten overvloede zijn zak met proviand kwijt is, die aan den zadelknop hing. Bovendien huurt men aan de bewuste stations alleen de dieren, en niet den drijver, een gids die voor den vreemdeling onontbeerlijk is.
Men moet dus beginnen met te vragen naar een goeden muilezeldrijver, die bij de kooplieden in de stad gunstig bekend is. Met hem bespreekt men de voorwaarden van het vervoer. Is het aantal dieren en hun prijs vastgesteld, dan wordt een contract opgemaakt, dat als bewijsstuk moet dienen bij de overheid der steden, die men doortrekt, in geval men met den drijver onaangenaamheden krijgt. Zonderling is het, dat in dit land, waar aan de wet slechts een betrekkelijk gezag wordt toegekend, de autoriteiten juist aan deze contracten veel gewicht hechten, en er voor zorgen, dat zij stipt worden nagekomen, als men zich genoodzaakt ziet de hulp der wet in te roepen. Dit gebeurt echter zelden. De muilezeldrijvers hebben over ’t algemeen een goeden naam, en verdienen dien volkomen.

Een troep boliviaansche soldaten.
Wat de prijzen betreft, het tarief is niet geregeld, en men kan de lijst niet raadplegen, zooals men een spoorboekje zou doen. Alles hangt af van de meerdere of mindere inschikkelijkheid van huurder en verhuurder. Het is het beste, de som voor het geheele traject in eens vast te stellen. Hoe meer muilezels men bespreekt, des te lager wordt de prijs gesteld. En dan komt het ook nog aan op de hoeveelheid bagage, die men medeneemt. Minstens drie muilezels zijn noodig voor elken reiziger, een voor hemzelf, een voor zijn gids, dien hij natuurlijk ook betaalt, en een derde voor het vervoer van bedden en mondvoorraad.
Van Oruro naar Cochabamba betaalt men 10 à 12 bolivianen per ezel. (1 boliviaan = 2.50 frs.) Midden in den winter rijdt, als het droog is, een allertreurigste rammelkast eenmaal in de week heen en weer tusschen deze beide steden, en een plaats daarin komt op 20 à 25 bolivianen. Van Cochabamba naar Sucre kost een muilezel omtrent 30 bolivianen, evenveel als men hier voor een plaats in een dergelijk vervoermiddel als het bovengenoemde betaalt. Van Sucre naar Potosi is de prijs ongeveer dezelfde, als van Oruro naar Cochabamba, en van Potosi naar Challapata van 20 tot 25 bolivianen.
’t Is dikwijls moeilijk, in Potosi muilezels te krijgen, en daarom voordeeliger, de dieren in Sucre dadelijk voor Challapata te huren, en vooral precies af te spreken, hoe lang men in Potosi denkt te blijven. Want zulke rustdagen geven dikwijls aanleiding tot ongenoegen, daar de muilezeldrijvers er volstrekt niet op gesteld zijn, het voer van hun beesten, dat hier zeer duur is, voor niets te besteden.
Van Challapata reist men in vier uur naar Oruro, met den trein, die driemaal per week daar aankomt uit Antofagasta en Uyuni. Tusschen Oruro en La Paz bestaat een geregelde omnibusdienst, behalve in den ergsten regentijd. Dat vervoermiddel rijdt geregeld tweemaal per week, en legt den weg af in drie dagen. De prijs bedraagt 25 bolivianen. De bagage wordt op een kar vervoerd tegen 25 bolivianen de 100 kilo. Van La Paz kan men ook elken Vrijdag met een wagen voor zes of zeven bolivianen naar Chililaya komen en betaalt dan vijf bolivianen voor 100 kilo vracht. [401]

Te Oruro. Een karavaan lama’s, die met zakken erts zullen worden beladen.
Men ziet uit het voorgaande, dat het reizen in Bolivia niet altijd van een leien dakje gaat. Wij zijn aan die primitieve toestanden niet gewend, en het is ieder geraden, zich hier niet te wagen eer hij zich op allerlei gebeurlijkheden heeft voorbereid. Koffers en kisten mogen hier bijvoorbeeld wel verbazend sterk zijn, en moeten natuurlijk met een waterdichte stof zijn bekleed. Want om van de stortregens maar niet te spreken, de muilezels glippen bij voorkeur uit midden in een rivier.
Het gewicht der verschillende stukken bagage mag niet meer dan 60 kilogram bedragen, want zij moeten altijd twee aan twee op den rug der dieren worden geladen; en 120 kilo is al een tamelijk zware vracht voor een muilezel, die vier of vijf dagen achtereen dien last heeft te torsen over steile bergpaden, en van zeven uur ’s morgens tot tien uur ’s avonds in touw is. De muilezels aan den equator, en die van Midden-Amerika zijn minder sterk dan de boliviaansche, en kunnen niet meer dragen dan 100 kilo. Daar nemen de drijvers dan ook geen vrachten aan die boven de 50 kilo wegen. Daar 50 kilo over ’t algemeen het maximum is voor vrachtgoed, dat per muilezel wordt vervoerd, is het ’t voorzichtigst, dat gewicht in geen geval te overschrijden.
Daar het vervoer per ezel goedkooper is, willen sommige kooplieden geen vrachten ontvangen, die meer wegen dan 36 kilo; want een ezel heet officieel 72 kilo te kunnen dragen. In bijzondere gevallen, als de goederen niet kunnen verdeeld worden, gebruikt men wel zeer sterke ezels, die echter ook duur moeten worden betaald, en het is ook daarom ’t verstandigst, zich in dit opzicht naar landsgebruik te schikken.
Voorts heeft men noodig: een goed zadel, compleet tuig, zakken, die aan den zadel worden bevestigd; mondvoorraad, een veldbed met matras, dekens, en warme kleeren. Wat de mee te nemen proviand betreft, daarbij mag niets worden vergeten. Brood, zout, suiker, spijzen en dranken, een licht kooktoestel en andere benoodigdheden voor het gereed maken der spijzen zijn onontbeerlijk. Want onderweg is niets te krijgen; men is al blijde, als men bij ’t vallen van den avond een plekje vindt, waar men eenigszins voor de koude is beschut en zijn leger kan spreiden. En thans kunnen wij onze reis aanvaarden.
Door den berg van zand, die Antofagasta en Mejillones omringt, kronkelt als een ijzeren slang een spoorweglijn, die in Antofagasta begint, in Oruro eindigt, en 900 kilometer lang is. ’t Is de mijnspoorweg van de beroemde Huanchaca maatschappij, die groote hoeveelheden zilvererts naar de kust vervoert, benevens natriumnitraat, boorzure kalkzouten, zwavel, en een steeds toenemend aantal mineralen, die den rijkdom uitmaken der provincie Antofagasta en het boliviaansche gebied, dat daaraan grenst.
Och, och, die smalle spoorweg, met zijn nauwe waggons! Drie dagen lang moet men, van zes uur ’s morgens tot zes uur ’s avonds, de marteling verduren daarin beklemd te zitten op ongemakkelijke banken, in een boemeltrein, die alleen Maandag, Woensdag en Vrijdag wordt aangehaakt achter de goederenwagens, die de waren naar Uyuni en Oruro vervoeren, om van daar per muilezel naar Potosi, Sucre en Cochabamba te worden gebracht.
Behalve de spoorweg van Mollenda over Arequipa naar het Titicaca-meer, is deze lijn van Antofagasta de eenige weg, die naar Bolivia leidt. Een treurig begin!
Om zes uur ’s morgens komt een kar aan ’t hotel de bagage der ongelukkige reizigers afhalen. Er wordt groote haast gemaakt; want men mag wel [402]vroeg bij de hand zijn, om toe te zien, dat alles behoorlijk meekomt en een geschikt plaatsje uit te zoeken. De reis gaat in drie gedeelten, elk van een dagreis, en elken dag moet men opnieuw een kaartje nemen. De maatschappij komt niet op het praktische denkbeeld, een doorgaand biljet uit te geven van Antofagasta naar Oruro. Gelukkig, dat zij ten minste de zorg voor de bagage in eens voor haar rekening neemt. Daarvoor is men al heel dankbaar.
“Een eerste klasse, Calama.”
“Dertien piasters, veertig.”
“Goed”. Ik leg veertien piasters neer.
“Hier hebt u vijftig centavos terug.”
“Maar ik moet zestig hebben.”
“Dat weet ik wel, mijnheer, maar ik heb geen klein geld.”
“Ik ook niet. Aan een spoorwegloket moest u toch geld van een piaster terughebben.”
“Wilt u ’t kaartje nemen of niet? Niet? Dan moet u maar zien, dat u ergens wisselt; ik neem ’t kaartje terug.”
Men dient zich te schikken in het geval, als men tenminste een dragelijk plaatsje in een waggon wil vinden.
’t Is geen kleinigheid, in dit land, waar niemand zich om iets bekommert, de spoorwegbeambten uit hun slaperigen toestand wakker te schudden. Zelfs het vooruitzicht op een drinkgeld (fooien zijn trouwens aan de kust van den Stillen Oceaan niet in zwang) is niet bij machte hen uit hun onverschilligheid op te wekken. Als een kanonskogel voor hun voeten viel, zouden zij nog geen merkbare ontsteltenis toonen. Het is hier wel voorgekomen, dat een reiziger, die niet vlug van begrip was, zijn bagage eerst had ingeschreven, toen de trein vlak voor zijn neus vertrok. Dat treft niet, als men twee dagen moet wachten op den volgenden.
Eindelijk is alles in orde; mijn koffer staat in den goederenwagen; de trein fluit, en langzaam stoomen wij tegen de helling op.
Twintig minuten later is Antofagasta slechts een verwarde mengeling van zwarte plekken op het lichte oeverzand, de schepen op den oceaan zijn niet van vliegende vogels te onderscheiden, en wij krijgen Playa Blanca in ’t gezicht. Playa Blanca is de plaats, waar de Huanchaca-maatschappij het erts laat bewerken, dat naar de kust wordt vervoerd. Een groote fabriek, op vijfhonderd meter afstand van den oever, en tegen de heuvels de woningen der arbeiders in de buurt van het directiegebouw. Hier ziet men reusachtige reservoirs voor zoetwater, dat 315 kilometer ver uit de bergen wordt geleid, en eveneens voor het opgepompte zeewater, dat gebruikt wordt bij de behandeling der zilversulfiden. Huanchaca, op een hoogte van 4500 meter in Bolivia gelegen, dicht bij Pulacayo, is het middelpunt van de belangrijkste zilvermijnen der wereld. Tot nog voor korten tijd behandelde men daar het erts door amalgameering met kwik. Dit was het eenige middel om het metaal te zuiveren, want Bolivia bezit geen kolenmijnen, en de omstreken van Uyuni en Huanchaca zijn te hoog boven de zee gelegen, dan dat er bosschen konden worden gevonden, om de noodige brandstof te leveren. Aan smelting viel dus niet te denken. Daarom werd de fabriek van Playa Blanca opgericht, die door den spoorweg verbonden was met Antofagasta, waar het zilvererts wordt behandeld volgens de meest moderne methoden. Maar om redenen, die voor oningewijden in het duister liggen, schijnt het, dat deze fabriek, die wel een tentoonstelling van machinerieën gelijkt, op veel te grootsche schaal is opgezet, zoodat zij de maatschappij meer schade dan voordeel aanbrengt. “Het grootste geluk, dat de maatschappij kan overkomen”, zeide mij een bekend ingenieur, “zou een vulkanische uitbarsting zijn, die dat geheele Playa Blanca door een vloedgolf liet verzwelgen. Het is op veel te groote schaal aangelegd. Men heeft hier eene fabriek voor de behandeling van zilvererts; maar de grondstof ontbreekt. De mijnen van Pulucayo en Huanchaca, die het meest opbrengen, leveren niet eens genoeg om een vierde deel van al deze machines in werking te stellen. En een machine, die niet wordt gebruikt, is dood kapitaal.”
De trein rolt gestadig verder, tusschen hooge bergen van zand. Van Valparaiso af is dat nu al hetzelfde; zand, zand—anders niet. ’t Is de Quebrada agua negra; het Ravijn der Zwarte Wateren. Zwart water? Waarom zwart? zou men zeggen. Om over de kleur van ’t water te kunnen oordeelen, zouden we water moeten zien. En zoo dat hier ooit geweest is, dan was dat zeker in de dagen van den zondvloed. De toegang tot de hoogvlakte zou met meer recht het Ravijn der Dorheid kunnen worden genoemd. De mensch komt soms op zonderlinge invallen. Die naam is zeker bedacht door een van dorst versmachtend reiziger. De Quebrada agua negra ligt achter ons, maar wij reizen door een zandwoestijn tot Calama, waar de trein van avond zal stilhouden.
’t Is hier wel een ander gezicht, als men uit het raampje van den waggon kijkt, dan bij ons in Frankrijk! Aan alle zijden die uitgestrekte zandvlakte, waardoor de trein voortschuift met een slakkengang, dien hij van het spoorwegpersoneel schijnt te hebben afgekeken.

Een kabelspoorweg in een soda-raffinaderij.
Nu en dan houden wij stil bij houten loodsen, die met den naam van stations worden bestempeld. Als men rondziet in de pampa, begrijpt men niet wat die halten beduiden in een streek, waar geen levend wezen schijnt verblijf te houden. Maar die stations zijn gelegen bij plaatsen, waar natriumnitraat of andere delfstoffen worden behandeld. Deze geheele woestenij is door de cateadores (mijnontginners) grondig onderzocht, en er wordt zooveel mogelijk partij van getrokken. De oogenschijnlijk zoo dorre en eentonige streek bevat onmetelijke rijkdommen, die uit den schoot der aarde aan het licht worden gebracht door lieden, die met menschen alleen het uiterlijk voorkomen gemeen hebben, en wier geestvermogens verstompen onder onafgebroken, zwaren lichaamsarbeid.
Eerst komen wij bij Portezuelo, waar de salpeter-streek begint; het is dertig kilometer van Antofagasta gelegen en 158 meter boven de zee. Daarna Cuevitas; op 83 kilometer afstand en 893 meter hoogte; vervolgens Cerillos, 109 kilometer van Antofagasta en 1024 meter boven de zee, en eindelijk Salinas, 128 [403]kilometer van de kust verwijderd, op een hoogte van 1341 meter.
De nood maakt den mensch vindingrijk, en in het gebrek aan water moet hier volstrekt worden voorzien. Het water, dat hier in geringe hoeveelheden in deze salpeterwoestijn wordt gevonden, is brak en ondrinkbaar. Tegenover het station Salinas bevindt zich een inrichting, die een nadere beschouwing wel waard is; want zij is misschien eenig in haar soort. Hier wordt het water door de zon gedistilleerd. Uit een put midden in de pampa pompen mannen het troebele water op naar groote, ondiepe bassins, die een uitgestrekte oppervlakte beslaan, en bedekt zijn met hermetisch gesloten glazen ruiten, die een weinig naar binnen gebogen zijn. Het proces is eenvoudig. De tropische zon doet het water in de bassins verdampen en die damp zet zich om in waterdroppels, welke langs de binnenzijde van het glas afglijden in buizen, die naar een reservoir leiden. De reusachtige uitgestrektheid van het terrein gaf den vindingrijken ingenieur gelegenheid, deze distillatie op zoo groote schaal te doen plaats hebben, dat de som van al die waterdroppels dezelfde hoeveelheid zuiver water verschaft, die een goede pomp zou leveren. Van groote afstanden komen de menschen dan ook hier heen om drinkwater. Na Salinas duurt de eentonige zandwoestijn nog steeds voort, en men komt voorbij Central en Sierra Gorda, waarheen nog altijd het erts vervoerd wordt uit de beroemde zilvermijn van Caracoles, die van 1870 tot 1885 haar bloeitijdperk beleefde, en millioenen heeft opgebracht, doch thans is uitgeput.
Na Sierra Gorda begint men toch de grenzen der zandvlakte te onderscheiden, en in de verte rijzen bergtoppen op. Weldra glijden wij heuvelhellingen voorbij, die in de avondzon allerlei zonderlinge kleurspelingen vertoonen. Hier is groen de overheerschende tint; daar rood; daar geel. Het zijn sulfiden en oxyden, welke deze hoogten die eigenaardige kleur verleenen. Langzaam klimt de trein tegen de fraaigetinte heuvelhellingen op. De zon gaat achter de hooge bergen onder, een frissche koelte begint te waaien, en daar de menschen in deze streken van elk hulpmiddel gebruik maken, dat de natuur hun biedt, zien we thans karren voorbijrijden, van hooge masten voorzien, die als schepen met volle zeilen voortstevenen. Ook de werklieden van den spoorweg maken gebruik van dit hulpmiddel, om des te spoediger het station, waar zij overnachten, te bereiken.
Eindelijk zien we, om zes uur des avonds, het groen van enkele bremstruiken. We hebben de oase van Calama bereikt, 2265 boven de zee, en 238 kilometer van Antofagasta gelegen. Na tien uren in den trein te hebben doorgebracht zou een goede nachtrust ons wel te pas komen.
Calama is een allertreurigst armoedig plaatsje. Bij onze aankomst wordt ons, op onze vraag naar het beste hotel, een zeer verdacht uitziende posada aangewezen. Maar wij kunnen toch moeilijk den geheelen nacht heen en weer wandelen op het perron, en de trein gaat eerst morgen verder. Calama verheugt zich ook niet, zooals Antofagasta, in een klimaat waarin oranjeboomen bloeien. We zijn hier op een hoogte van omtrent 2300 meter; dat maakt nog al verschil.
Na een maaltijd uit onzen meegebrachten voorraad blikjes, met brood, dat van morgen versch was, maar door het ijler worden der lucht zoo bros als beschuit is geworden, deelen wij met onze medereizigers de paar vuile stroomatrassen, die tot onze beschikking worden gesteld. ’t Is hier alles behalve comfortabel. De bewoners van Calama betrachten zeer nauwgezet het: “Wat gij wilt dat anderen u zouden doen, doet hun ook alzoo.” Maar om te beginnen stellen zij zelf geen heel hooge eischen. Achter het planken beschot doen zekere onverstaanbare keelklanken vermoeden, dat onze buren behooren tot dat edelaardige volk, de weldoeners der menschheid, die ons de Yorkshire ham hebben geschonken. Om acht uur zijn we allen, door vermoeienis overmand, in slaap.
Om halfvijf ’s morgens reeds doet het gefluit van den trein ons opspringen. We zijn er niet rouwig om, dat we in onze rust worden gestoord, en blijde, dat we om zes uur verder trekken.
Voor 1879 behoorde Calama en de geheele woestijn, die thans achter ons ligt, aan Bolivia. Chili, dat op dat tijdstip op gespannen voet was met Peru zoowel als Bolivia, veroverde Antofagasta op 14 [404]Februari 1879, en heeft het sedert dien tijd behouden. Antofagasta was Bolivia’s eenige haven, de eenige verbinding welke het bezat met de buitenwereld. De Bolivianen verdedigden zich dan ook met mannenmoed; maar de tegenwoordige toestand van het leger in aanmerking genomen, is het wel te begrijpen, dat in die dagen de beroemde slag bij Calama, waarbij de chileensche troepen onder kolonel Emilio Sotomayor eenige boliviaansche vrijwilligers in de pan hakten, voor Bolivia een tweede Waterloo werd. Na die nederlaag zou Bolivia zeker gemakkelijk door Chili zijn geannexeerd, maar de overwinnaars bleven op hun lauweren rusten, en stelden zich tevreden met de bezetting van het plaatsje Calama, dat thans, na het aanleggen der spoorlijn, nog slechts 5 à 600 inwoners telt. Later, toen Chili ook de Peruanen, die Bolivia te hulp kwamen, had verslagen, maakte het zich van een grooter gedeelte van Bolivia meester, tot voorbij Ascotan, en geraakte daardoor in het bezit van een uitgestrekt terrein, dat rijk was aan calcium-boraten en delfstoffen van allerlei aard.
In Calama herhaalde zich aan het loket de geschiedenis van den vorigen dag.
“Een biljet eerste klasse Uyuni, als ’t u blieft.”
“Drie en twintig piasters, tachtig centavos,” zegt een stem.
“Goed”. Ik leg vier en twintig piasters neer.
Het kaartje komt voor den dag, maar geen geld.
“Ik krijg nog twintig centavos van u”.
“Jawel, mijnheer; maar ik heb geen geld terug.” Waarop precies dezelfde woordenwisseling volgde als gisteren te Antofagasta.
De trein staat stil. Nu zijn we in Cere; weer midden in de woestijn. In de verte, rechts, blaast de vulkaan San Pedro rookwolken uit, bij geregelde tusschenpoozen, juist als een stoommachine.

Boliviaansche vagebonden, aan de grens gevat.
Wij stijgen steeds hooger. Na Cere volgt Conchi, 3500 meter hoog gelegen, aan het riviertje de Loa. Die Loa, waarvan men in Chili met veel ophef spreekt, is maar een bescheiden stroompje, dat elf maanden in het jaar als een rustige beek voortvloeit tusschen honderd meter hooge rotswanden, ontstaan in verwijderde tijdperken, toen deze woestenij geschapen werd.
Na Conchi gaat de trein over een 144 meter lange brug, die deze beide steile rotswanden met elkander verbindt. Het is een echt moderne constructie, licht en luchtig op het oog, maar ijzersterk van bouw. De reiziger, die op het achterbalkon van den laatsten wagen staat, kan toch een lichte huivering niet onderdrukken, als hij honderd meter beneden zich het water in de diepte ziet vloeien. De overzijde is echter spoedig bereikt, en opnieuw houdt ieder zich uitsluitend bezig met de gewichtige vraag, of hij al of niet de sorroche zal krijgen.
Die sorroche, in Chili puna genaamd, is een soort bergkwaal, een aandoening van de ademhalingswerktuigen, veroorzaakt door de ijlheid van de lucht. Ieder heeft natuurlijk aan de kust allerlei middeltjes daartegen opgedaan. De een zweert bij ether; de Engelschen beginnen maar vast zich te versterken met ferme hoeveelheden gin en cognac. Ons bevalt nog het beste, van tijd tot tijd wat ammonia op te snuiven.
Er worden akelige staaltjes van verteld; sommige menschen hebben het zoo benauwd, dat het bloed hun uit neus en ooren spuit; anderen worden zeeziek, en weer anderen hangen met het hoofd uit het raam als een visch op het droge naar adem te snakken. Midden onder die verhalen vliegt de kurk van een fleschje ether met een knal uit de opening. Dit komt door de vermindering van den luchtdruk, die hier niet zoo sterk is, als te Antofagasta, waar de flesch werd gevuld.
Na in vele bochten om den voet van den San Pedro te zijn gelaveerd, houdt de trein stil bij het station van dien naam, op 3233 meter hoogte, waarboven zich de reusachtige rookpluim van den steeds werkenden vulkaan verheft. De voorzichtigsten onder [405]het reisgezelschap, die geen lust gevoelen, zich te wagen aan de onsmakelijke poespas, die ons hier allicht zal worden voorgezet, ontbijten met de meegenomen proviand. Anderen vallen met groote graagte aan op het zoogenaamde “buffet van San Pedro”, waar ze zich te goed doen aan een veelkleurig mengelmoes van aardappelen, rijst, tomaten en andere groenten, gekruid met specerijen en zwemmend in een verdacht uitziende geelachtige saus, waarin stukken niet bijzonder smakelijk vleesch drijven. ’t Is het nationale lievelingsgerecht van Bolivia, chupe genaamd.
Tweehonderd meter van het station zijn in den berg de reservoirs uitgehouwen, waardoor Calama en Antofagasta van water worden voorzien. Terwijl de overige reizigers aan ’t smullen zijn, gaan wij ze bekijken. Het zijn groote, met cement bekleede bassins, waarin het water der stroomen, die door de eeuwige sneeuw van den San Pedro worden gevoed, moet worden opgevangen. Jammer genoeg, en een bewijs te meer van de algemeene achteloosheid en onverschilligheid hier te lande is het, dat de ingenieurs, die dit grootsche werk, een watertoevoer naar Antofagasta van een afstand van 314 mijlen, tot stand brachten, zich hebben vergist. Toen het werk voltooid was, bespeurde men, dat het water van de Rio San Pedro, ’t welk zij hadden afgeleid, bestanddeelen bevatte, die het ongeschikt maakten, zoowel om als drinkwater gebruikt te worden, als voor wasscherijen dienst te doen. Men had hiervoor het water van de Rio Polapi moeten kiezen, een ander riviertje, dat eveneens op den San Pedro ontspringt, en zich uitstort in de Rio Loa.

Een moderne boerderij op de hoogvlakten van Bolivia.
Wij moesten zorgen, ons plaatsje in den waggon weer op te zoeken, wat ons lang niet gemakkelijk viel, al hadden we maar een 250 meter te loopen tot aan den trein. De sorroche plaagde ons nu reeds geducht. We kwamen buiten adem bij den waggon, alsof we lang achtereen hard geloopen hadden. Iets later kreeg een der reizigers een ergen aanval; hij bloedde uit neus en ooren en leed herhaaldelijk aan brakingen. Een vier en twintig uren zou dat zoo wel aanhouden, dacht men. Wij trachtten er maar niet op te letten, want de sorroche is besmettelijk, evenals de zeeziekte.
De weg blijft steeds stijgen rondom den vulkaan, wij rijden langs stroomen basalt-lava. Daarop volgt plotseling, zonder overgang, een aschvlakte, die bezaaid is met geweldige steenklompen. Ze zijn zoo dicht opeengehoopt als hagelkorrels, maar ze smelten niet, ze liggen daar bij duizenden opgestapeld. Die vlakte zal alles behalve een aangename verblijfplaats zijn, als de San Pedro, na jaar en dag rookwolken te hebben uitgeblazen, eens weer tot een uitbarsting komt. Bij Polapi, op 3772 meter, houden we vijf minuten stil. Dan volgt Ascotan, op 3956 meter, waar we tien minuten ophouden. Men krijgt een [406]gevoel, alsof de locomotief ook last van sorroche moet hebben, en eens even moet uitblazen. Ascotan is het hoogst gelegen punt van den spoorweg. Wij laten San Pedro achter, en zien vóór ons den vulkaan Ollagué, van Ascotan gescheiden door een uitgestrekte vlakte van calcium-boraat. Welke schatten rusten hier, 3900 meter boven de oppervlakte van den Oceaan, die in verwijderde tijdperken ook hier haar golven heeft voortgestuwd. In de verte gelijkt het een sneeuwveld, of nog meer op een zilveren watervlak, dat spiegelt in de zon. Het is inderdaad een soort van meer, maar het is gevuld met een troebele stof, zooals water waarin zeer veel zout is opgelost. Wee den ongelukkige, die zich op de oppervlakte zou wagen; hij zou onmiddellijk wegzinken.
Des nachts bevriest die uitgestrekte plas, en bij het aanbreken van den dag kunnen lama’s en schapen hem oversteken. De mensch weet echter een beter gebruik te maken van wat hem hier geboden wordt. Bij het station Cebollar, 388 kilometer van Antofagasta gelegen, bevindt zich de werkplaats, waar deze delfstof wordt bearbeid. Men schept als ’t ware het bovenste van den plas af, en laat de weeke pap, die zestig percent water bevat, in de zon drogen. Als de stof vast genoeg is, wordt zij in poreuze blokken, die op witten puimsteen gelijken, per spoor naar Antofagasta vervoerd, om vandaar den Oceaan over te steken.
In de omstreken van Arequipa in Peru, op de hellingen van den vulkaan Misti, bestaat een dergelijk meer van calciumboraat. Maar inplaats van het in de zon te laten drogen, waarbij nog een aanzienlijke hoeveelheid vocht in de stof achterblijft, wordt het hier gecalcineerd, tot het boraxgehalte veertig à vijfenveertig percent bedraagt. Daar de stof, op deze wijze behandeld, veel minder zwaar weegt, maakt dit een aanmerkelijk verschil in transportkosten en is de winst dus veel grooter.
Uit deze boorzure kalkzouten wordt het boorzuur en de borax getrokken, die in de nijverheid zulk een belangrijke rol spelen, vooral bij het bleeken van stoffen.
Zwavel wordt hier ook aangetroffen, maar is tot nog toe weinig geëxploiteerd, daar de vlakte tusschen San Pedro en Ollagué moeilijk te bereiken is. Men zal hier echter binnenkort ook fabrieken van zwavelzuur oprichten, daar deze stof juist in dit aan mineralen zoo rijke land onontbeerlijk is, terwijl het tot nu toe uit Europa werd aangevoerd.
Een fransch ingenieur heeft, naar ik vernam, een eenvoudige wijze ontdekt om deze kostbare stof te vervaardigen op de plek zelve, waar de zwavel gevonden wordt. Hij moet zelfs aan het chileensche gouvernement hebben aangeboden, hun zijn ontdekking bekend te maken, op voorwaarde dat men hem een modelfabriek zou laten oprichten, waarbij hij zich het recht voorbehouden zou, de machines te leveren voor particuliere ondernemingen, die zijn methode wenschten te volgen.
Bij het station Ollagué zeggen we Chili vaarwel. Hier is sinds 1881 de nieuwe grens van Bolivia, 435 kilometer van Antofagasta gelegen. Verder kan Chili niet gaan, zonder Argentinië in ’t harnas te jagen. Het zou zich gaarne meester maken van Lipez, dat honderd mijlen verder naar het Oosten ligt dan Ascotan, en waar belangrijke zilvermijnen zijn. In dat geval zou Bolivia met zijn duizendtal soldaten niet veel kunnen uitrichten. Maar Argentinië houdt een oog in ’t zeil, en Chili dient op zijn hoede te zijn.
Nu zijn we dus in Bolivia, op de hoogvlakte van het binnenland. We hebben de eerste schreden gezet op de Andes. Veel later eerst zullen wij die onmetelijk hooge bergwanden zien verrijzen, aan de andere zijde der uitgestrekte puna, de kale vlakte zonder eenig spoor van plantengroei, die een oppervlakte van achthonderd vierkante mijlen beslaat, op een gemiddelde hoogte van 4000 meter.
Om acht uur des avonds komen we aan te Uyuni, dat 610 kilometer van Antofagasta verwijderd is. Veertien uren achtereen hebben we in den trein gezeten. We voelen ons te zeer geradbraakt om iets anders te doen, dan te snakken naar voedsel en een beter bed dan gisteren te Calama. Gelukkig vinden we hier een hôtel, dat aan een Franschman behoort, en waar we een goed avondmaal en een zindelijke slaapplaats kunnen krijgen. We beschouwen den heer Gobilard als onzen weldoener, en zegenen zijn gelukkigen inval om in deze streek een fatsoenlijk logement op te zetten.
Den volgenden morgen herhaalt zich aan het loket te Uyuni hetzelfde tooneel van den vorigen dag. Ik ga in ’t vervolg een zwaren zak kleingeld meetorsen op reis. Al slijten mijn zakken dan ook dubbel zoo snel, beter dat de kleermaker er wat aan verdient, dan dat ik mij op deze manier moet laten foppen.
Vóór 1892 ging de trein niet verder dan tot Uyuni. Slechts een afzonderlijk lijntje, het eigendom van de Huanchaca-maatschapprj, liep van hier naar Pulacayo, waar zich de mijnen der compagnie bevonden. Deze weg, waarlangs Pulacayo in twee uren wordt bereikt, loopt tusschen hooge bergketenen. Gelukkig telde de maatschappij onder haar voornaamste aandeelhouders ook den heer Aniceto Arce, een der weinige presidenten van Bolivia die niet werden vermoord, en die de algemeene achting zijner medeburgers genoot. Aan zijn invloed is het te danken, dat de lijn werd doorgetrokken tot Oruro; daar de mijnen der laatstgenoemde plaats met die van Huanchaca in verbinding stonden. Als president Arce niet wegens persoonlijke beweegredenen er voordeel in had gezien, die spoorweglijn te laten aanleggen, zou Bolivia zich zeker nog in lang niet hebben verheugd in het bezit van dit verkeersmiddel. Dit is weer een nieuw voorbeeld van boliviaansche politiek; alle vooruitgang hangt hier af van het onmiddellijk belang eener bevoorrechte groep, en men kan zich licht voorstellen hoe treurig de toestand van het volk is onder een dergelijk bewind, terwijl bovendien twee millioen van de inwoners niet eens de landstaal spreken, maar verschillende indiaansche dialecten. Van Huanchaca naar Potosi, en van Potosi naar Sucre is men thans wel verplicht, zijn weg per muilezel voort te zetten. Doch aan hoevele gevaren zijn de reizigers op zulke tochten niet blootgesteld! Het eerste traject neemt van vier tot zes dagen, het tweede minstens drie, en de weg naar Sucre, dat tusschen hooge bergen ligt ingesloten, is woest en eenzaam. Afgezien van het gevaar, zich een longontsteking [407]op den hals te halen in dit klimaat, bestaat ook altoos kans op een aanval van Indianen of struikroovers; of de reiziger kan door het geweld van een der bergstroomen met muilezel, bagage en al worden medegesleurd, om verpletterd te worden tegen een rots, als hij niet reeds den dood heeft gevonden in het woest schuimende water, zooals het lot is geweest van een Duitscher, die op weg naar Cochabamba den Pilcomayo overtrok. Dit zijn geen ingebeelde gevaren! Er worden verschrikkelijke voorbeelden aangehaald. Een fransch reiziger geraakte hier tusschen draaikolken, en had zijn leven slechts aan een gelukkig toeval te danken. Een fransche attaché had het ongeluk, dicht bij Huanchaca zijn been te breken, en moest vier uren alleen in de sneeuw blijven liggen, terwijl de Indiaan, die zijn gids was, hulp ging halen. De Duitscher, van wien ik daareven sprak, is in den Pilcomayo verdronken. En hoevele onbekenden vonden niet in deze streken den dood, wier lijken somtijds de Rio de la Plata komen afdrijven naar den Oceaan, om spoorloos te verdwijnen.
Maar thans zetten wij onze reis naar Oruro verder voort. Van het landschap valt niet veel nieuws te vermelden. Nog steeds, zoover het oog reikt, de puna, een eentonige drassige vlakte. Maar hier vertoont zich toch een spoor van dierlijk leven. Hier en daar staan lama’s, met uitgerekten hals en wantrouwigen blik, den trein aan te staren, dien zij als hun mededinger mogen beschouwen. Want de kudden lama’s, die de puna doortrekken, heeten in den volksmond ferrocarril de Bolivia (spoorwegen van Bolivia). Ze schijnen met hun levendige oogen en schranderen blik den Europeaan spottend te tarten, en te vragen: “Ongelukkig schepsel, wat komt gij hier doen op deze hoogten, waar slechts wij zonder moeite kunnen ademhalen?” Hun bovengenoemden bijnaam hebben de lama’s gekregen, omdat zij met de ezels de eenige goedkoope, en dus bereikbare vervoermiddelen zijn in dit land. De zachtaardige dieren, geduldig als de os, matig als het kameel, waarmede zij den hals, de kop en de dubbele maag gemeen hebben, snelvoetig als het hert, waarop zij door vorm van pooten en lichaamsbouw gelijken, maken den grootsten rijkdom van Bolivia uit. In de steden of dorpen, voor de deur der kooplieden, bevestigt men met leeren riemen, die rondom hun lijf worden gewonden, de vrachten, welke zij soms over afstanden van 500 tot 600 mijlen hebben te vervoeren, en die hun niet worden afgenomen, eer zij de plaats hunner bestemming hebben bereikt.
Het reizen op de boliviaansche hoogvlakte is op den duur grenzeloos eentonig en vervelend. Met groote blijdschap begroeten wij dan ook, na elf uren sporens, het eindstation Oruro. Oruro is een leelijke stad, maar ons niettemin op dit oogenblik van harte welkom. We zijn nu 924 kilometer verwijderd van Antofagasta, en hebben dien weg in drie dagen afgelegd.
Oruro telt ongeveer achtduizend inwoners, waaronder zich zeker niet meer dan driehonderd beschaafde blanken bevinden. De overigen zijn Indianen en Cholo’s, die in de mijnen werken, en muilezeldrijvers. Oruro bestaat slechts door zijn zilvermijnen. Eenzaam te midden van een woestijn gelegen, zonder drinkwater, blootgesteld aan felle koude en wind, in een uiterst dorre en onvruchtbare streek, zou de stad zonder haar mijnwerken nooit de plaats bekleeden, die zij thans inneemt. Oruro is als eindstation van den spoorweg ontegenzeggelijk de voornaamste handelsstad van Bolivia; veel gewichtiger dan Uyuni. Behalve door de mijnen, bloeit het ook door den handel in allerlei waren, die de groothandelaars van hier naar alle oorden van het land in groote hoeveelheden verzenden. Oruro heeft directe verbinding met Cochabamba; indirect is het met Sucre en Potosi en zelfs met La Paz verbonden. Hier voorzien zich ook de vele mijnexpedities, die door geheel Bolivia worden uitgezonden, van al wat zij noodig hebben. Daardoor is Oruro, ondanks het geringe aantal beschaafden, die het onder zijn inwoners telt, toch de belangrijkste stad van het land.
Maar zoodra men er zijn zaken heeft afgedaan, heeft men er ook verder niets te zoeken, want de stad bezit geen de minste aantrekkelijkheid. Men doet werkelijk het best, zoo spoedig mogelijk een muilezeldrijver te huren, en zich op weg te begeven naar Cochabamba. Het type van den arriero of muilezeldrijver, aan wien men voorloopig zijn lijf en have gaat toevertrouwen, is zeker wel ongewoon in de oogen van een groote-stadsbewoner. Gewoonlijk is hij sterk gebouwd, taai en gehard door zijn levenswijze, met een schranderen oogopslag en een olijfkleurige huid, vol groeven en rimpels. Bestand tegen vermoeienis, honger, dorst, koude en hitte, slijt hij zijn leven op den rug van zijn muildier, en vervoert zonder ophouden vrachten van groote waarde, dikwijls staven zilver en goud. Jaren achtereen houdt hij dit leven vol, zonder dat er ooit reden bestaat om hem van de geringste oneerlijkheid te beschuldigen. Toch zou men op het eerste gezicht geneigd zijn, hem voor een geduchten boosdoener te houden. Onder zijn grijzen vilten hoed heeft hij een zakdoek om het hoofd gebonden. Hij is in een ruimen poncho van donkerbruine lamawol gehuld, en draagt een bouffante van dezelfde stof om den hals. Uit een der kappen van zijn groote wijde laarzen steekt het heft van een lange navaja, waarvan hij zich zoowel ter verdediging bedient, als voor huishoudelijk gebruik. Dikwijls trilt zulk een stevige kerel onder zijn warme deken, niet van koude, maar van de koortsen, die hij heeft opgedaan in de ongezonde streken van Bolivia, waarheen hij reizigers heeft begeleid. Voor het vertrek dient men er vooral op aan te dringen, dat de muilezels op den dag van de afreis vroeg bij de hand zullen zijn. Want op zulk een afscheidsdag is de boliviaansche muilezeldrijver niet zeer nauwgezet in het nakomen zijner verplichtingen. Hij bezit in elke stad een groot aantal goede vrienden, die den avond voor zijn vertrek een afscheidsfeest plegen te geven, en zich daarbij weinig om den dag van morgen bekommeren, noch om de onaangename gevolgen van dit uitstel voor den reiziger, die de diensten van hun vriend behoeft.
Tegen zeven uur ’s morgens wordt onze uitrusting nog eens goed nagezien, en als het zadel en tuig, de mondvoorraad en verdere reisbenoodigdheden in goede orde zijn bevonden, begeven we ons op weg. Het is acht uur als wij de laatste huizen van Oruro achter ons laten.
De zon der tropen brandt veel te fel en verschroeit [408]onze europeesche huid. We beginnen maar vast, ons gezicht met vaseline in te smeren, om niet reeds den eersten dag totaal te verbranden.
Het gaat op een sukkeldrafje, den gewonen stap van den muilezel, die zoo geregeld is, dat men op vlakken bodem met zijn horloge in de hand de afgelegde afstanden precies kan nagaan. Zes of zeven mijlen in het uur is zijn gewone gang.
Ongeveer dertien mijlen van Oruro zien we links in de verte een paar grauwe huisjes, het zijn woningen van Indianen, en het groepje, dat ze vormen, wordt San Juan genoemd. Een vijftal kilometers verder komen we aan de Rio Paria. Een breede bedding van zand, en bijna geen water. Wij zullen de bedding der rivier volgen, die ons als weg dient. Thans gaat dat gemakkelijk genoeg, onze muilezels loopen slechts tot even boven de hoeven door het water. Maar als we hier reisden in de maanden tusschen November en Maart, dat is dus in den zomer, zou het er geheel anders uitzien. Dan smelt de sneeuw, en vallen zware regens; de rivieren zwellen, de geheele hoogvlakte is een meer van slijk, en de Rio Paria een geweldige stroom, dien men niet dan met levensgevaar kan doorwaden. Dicht bij den oever zien we een groep mijnwerkerswoningen. De mijnen van Rio Paria behoorden voor het grootste deel aan den verdwenen president Alonso, die zich bijtijds heeft teruggetrokken. Men had nog eenigen tijd de hoop gekoesterd, dat hij het goede voorbeeld van President Arce, die den spoorweg tot Oruro doortrok, zou volgen en de lijn verlengen tot aan Rio Paria, maar de revolutie sloeg die verwachtingen den bodem in.
We trekken onder deze en dergelijke overdenkingen getroost verder, zachtjes door het water plassend, het lastdier voorop; dan de muilezeldrijver, die den weg wijst, en eindelijk mijn persoon, als een priester, die wordt voorgegaan door zijn dienaren.
Op eens stroomt de rivier tusschen hooge, steile rotswanden; de Quebrada of engte van Condorchinoca. Ik ben blijde, dat ik dien naam hoor, want na dien pas zullen we mogen stilhouden, om te middagmalen. Het is nu een uur; van acht uur af hebben we al te paard gezeten, en ik verlang geducht om eens af te stappen. We gaan een omheinde plek binnen, waar een klein gebouwtje staat. Terwijl de gids aan ’t uitpakken is van onze eetwaren, neem ik de soort pleisterplaats in oogenschouw, waar we zullen rusten. Vier wit gekalkte muren; als tafel een hoop harde klei in het midden, en verder niets dan vuil op den grond. Ziedaar in ’t kort alle gemakken vermeld, welke hier in zulke schuilplaatsen in ’t gebergte ten behoeve der reizigers worden aangetroffen.

Het oversteken eener rivier over een hangende brug.
Volgens de zeden der Incas is het den Indianen niet geoorloofd, den vreemdeling een schuilplaats of een dronk water te weigeren. Eieren zijn overal te krijgen, en dat is gelukkig; men weet dan tenminste, wat men eet, en kan het menu aanvullen met den voorraad, dien men zelf heeft meegebracht. [409]

Cochabamba gelijkt het meest van alle plaatsen in Bolivia op een europeesche stad.
Na een uur rustens begeven we ons weer op weg. Nu gaat het de bergen op. ’t Beste wat ons te doen staat, is, de teugels slap te laten hangen, en het muildier maar rustig zijn gang te laten gaan, hooger klimmend, steeds hooger, tot de avond begint te vallen.
Na elke tien stappen staat het beest stil, om adem te scheppen. Het zou niets helpen, of men het al trachtte aan te sporen. We zijn op het plateau van Costa Colorada, 4900 meter boven de zee, en de lucht is hier zóó ijl, dat we bijna geen adem kunnen halen. Als we ’t waagden, uit medelijden met het zwoegende muildier, of omdat ons het aanhoudend in den zadel zitten vermoeit, af te stappen, zouden we geen twintig schreden kunnen gaan, zonder neer te vallen, en hoogst waarschijnlijk niet eens kracht genoeg hebben om weer op te stijgen, zonder de hulp van onzen gids. In de verte wijst deze ons thans, in de schemering, een hoogen berg, die voor ons oprijst.
Van nacht om vier uur zullen we dien moeten beklimmen. ’t Is al over zes, en wij dalen langs de andere zijde van de Costa Colorada af, in nacht en duisternis. De schemering duurt hier slechts zeer kort. We kunnen geen drie pas voor ons uitzien. Op eens zegt de gids: “Hier zijn we;” en we treden een dergelijke pleisterplaats binnen als die van heden middag. Het is Huaillas, waar we den nacht zullen doorbrengen. We hebben sedert we Oruro verlieten, 65 mijlen afgelegd, en hopen, als we gegeten hebben en de gids mijn bed heeft gespreid, een welverdiende rust te genieten. Het spreekt van zelf, dat ik doe, wat ik iederen reiziger in deze streken in gemoede meen te moeten aanraden, en mij alleen ter ruste leg in het achterste, afgescheiden gedeelte der barak, waar ik een zwaar voorwerp voor de deur zet. Als er geen deur geweest was, zou ik mijn gids hebben gevraagd, dwars voor den ingang der hut te gaan liggen. Men weet nooit wat er gebeuren kan.
Om drie uur ’s nachts moeten we alweer te paard stijgen, als we om zeven uur de plaats zullen bereiken, waar we willen overnachten. Dit is het zwaarste gedeelte van de reis, als men den tocht in drie dagen wil volbrengen. De omgeving is precies dezelfde als gisteren; het gaat berg op, berg af, tot in ’t oneindige. Iemand heeft Bolivia eens de rommelkamer genoemd, waar alle ongebruikte bergen van de wereld zijn weggestopt. Geen vergelijking kan juister zijn.
Waar onze weg die eerste uren tusschen drie en vijf, voor het aanbreken van den dag, langs voert, weet ik niet recht. Een tijdlang volgen we de bedding van een stroom in een nauwe kloof, zoo donker, dat ik niets kan onderscheiden dan den witten hoed van den gids voor mij. Des morgens vroeg zijn we boven op den berg, dien we gisterenavond van Costa Colorada uit konden zien, en de ijskoude wind blaast hier fel. Om acht uur, dertig kilometer na Huaillas, houden we even op te Challa, om de muilezels wat te laten rusten, en dan zetten we, nog steeds stijgend, onzen weg voort.
Reeds hebben we de grens, waar de eeuwige sneeuw begint, overschreden, en nog gaat het hooger. Eindelijk, om half elf, als we een hoogte van meer dan 5000 meter hebben bereikt, komen we op een met sneeuw bedekte vlakte. De wind snijdt ons in ’t gezicht en doet ons verstijven van koude, terwijl de weerkaatsing van het zonlicht op de sneeuw ons de oogen verblindt.
Dit zijn de hoogten van Tapacari. En nu mogen we dan eindelijk afdalen naar het plaatsje Tapacari zelf, dat we als een wit stipje in de verte zien [410]schitteren in de zon, 2500 meter in de diepte. We hebben maar een schraal ontbijt genuttigd en hopen, dat het niet te lang zal duren eer we dat beloofde land hebben bereikt! Over een uur of anderhalf uur misschien?
IJdele hoop! Eerst om twee uur ’s namiddags mogen we verwachten in het plaatsje te zullen aankomen. Men verliest alle begrip van afstanden en verhoudingen te midden van die hooge bergen, die ons aan alle zijden als een reuzenpanorama omgeven.
Aan onzen voet strekt zich thans het dal van Tapacari uit. De sneeuw begint langzaam aan te verdwijnen. Dan komen we aan een steenachtig gedeelte, waar de bodem een roode kleur vertoont. En eindelijk zien we weer plantengroei en groene struiken, die we in Chili reeds hadden vaarwel gezegd.
De weg slingert zigzagsgewijze, en schijnt daardoor nog tweemaal zoo lang. Het wordt twaalf uur, één uur, en evenals gisteren bij het stijgen beginnen we te denken, dat hier aan het dalen nooit een einde zal komen.
De gids schijnt ons ongeduld te bespeuren, en zegt, dat we er nu spoedig zullen zijn. Maar de begrippen van een Boliviaan omtrent tijd en afstand verschillen hemelsbreed van de onze.
Eindelijk! ’t Is twee uur. Van drie uur af zitten we in den zadel, en we verlangen vurig, iets te eten te krijgen in het soort herbergje, waar we hier onderkomen vinden. Maar bij den eersten hap, dien ik in den mond wil steken, kan ik ’t niet meer uithouden van walging en afkeer; want geen vier schreden van ons af zit de eigenaar van dit fraaie etablissement op een hoop vuil en houdt zich onledig met het zwarte haar van zijn dochtertje van ongedierte te zuiveren. Ieder oogenblik doet hij een vangst, die hij met veel smaak verorbert, precies zooals de apen in den dierentuin.
Overal in Bolivia ziet men de menschen in dat opzicht het voorbeeld volgen, hun door de dieren gegeven. In La Paz verdrijven de indiaansche vrouwen, die groente aan de markt brengen, zich den tijd, terwijl ze op haar klanten wachten, met deze betrekkelijk onschuldige bezigheid. De Europeaan, die ze verbaasd staat aan te staren, komt haar even zonderling voor als zij hem, en zij gaan rustig voort, elkander of zich zelf van die ongenoode gasten te bevrijden.
Om drie uur, als we wat hebben gerust, zetten we onzen weg voort door de bedding der Rio Tapacari. ’t Is nog een heel eind weegs. Om zeven uur, in pikdonker, houden we stil, na op dezen rit van zestien uren 85 kilometer te hebben afgelegd.
Des morgens om half elf, den volgenden dag, zijn we in Parotani, tien mijlen verder dan ons nachtverblijf, en verlaten de Rio Tapacari, om het dal van Cochabamba binnen te trekken. De weg is hier prachtig, en het landschap doet soms aan Auvergne denken. We zijn hier op een hoogte van 2500 meter, we rijden in de schaduw van lommerrijke boomen en ruiken bloemengeuren, zoodat de tijd ons niet lang valt, en we om twaalf uur, eer we er aan denken, onze rustplaats hebben bereikt.
Na ons middagmaal trekken we verder, door het plaatsje Hacolio, dat al even vuil is als Tapacari, al is het de hoofdplaats der provincie. De bewoners laten al het vuil midden op straat liggen, maar hebben wel tijd om feestelijke toebereidselen te maken voor een kerkelijke processie. Ze dragen hun heiligen rond door de straten, waar men het niet kan uithouden van den stank. De priesters mochten die Indianen wel eens leeren, dat reinheid ook een Christelijke deugd is.
Tegen vier uur komen we op den grooten weg naar Cochabamba. Hier ontmoeten we Indianen en kudden lama’s, waarnaar kleine halfnaakte Cholo-kinderen kijken, die aan den weg zitten.
’t Is aangenaam, eens weer levende wezens tegen te komen, en te voelen dat men bewoonde streken nadert. Eindelijk en ten laatste hebben we Cochabamba bereikt.
Cochabamba (in het quichua beteekent cocha: meer, en bamba of pampa: vlakte) wil dus zeggen vlakte der meren. Er worden inderdaad in het dal van dien naam verschillende meren aangetroffen. Cochabamba is werkelijk geen onaardige stad. ’t Is bepaald de eenige plaats in Bolivia, die eenigszins een europeesch voorkomen heeft, wat ons hier wel als iets zeer zonderlings moet treffen, wanneer men in aanmerking neemt, hoe ver het van de beschaafde wereld is gelegen, en hoe uiterst moeilijk het te bereiken is. Het echter, zooals sommige bereisde Cochabambineezen doen, voor een miniatuur-Parijs te verklaren, komt mij wat overdreven voor. De bewoners, die zich mogen verheugen in dezen welluidenden naam, welke bepaald in een komische operette geen slecht figuur zou maken, zijn ongeveer 25000 in getal; en omtrent vier duizend van hen leven op europeeschen trant.
Cochabamba is de sleutel, die toegang verleent tot de provincies Beni en Santa Cruz.
Deze twee groote departementen hebben geen andere plaats, waar zij hun werktuigen en andere noodzakelijke dingen kunnen aanschaffen. Hier worden ook uit het binnenland caoutchouc, coca, en kostbare houtsoorten heengebracht, die verder worden gevoerd naar de kust van den Stillen Oceaan en van daar naar Europa. Cochabamba is dus uit den aard der zaak een belangrijke stapel- en uitvoerplaats. Het heeft dit op Oruro voor, dat het ook handel kan drijven in zijn eigen producten, want het departement, waarvan het de hoofdplaats is, is door zijn landbouw het rijkste van Bolivia. Overigens valt ook in Cochabamba niet veel merkwaardigs te zien. De menschen zijn er vuil, zooals overal in dit land. Wie hier, als vreemdeling, vraagt naar een gelegenheid, waar men een bad kan nemen, wekt ongeveinsde verbazing, zoowel te Oruro als te Cochabamba. In de laatste plaats wordt men naar Calacala verwezen, een dorpje, dat drie mijlen van Cochabamba ligt, en waarlangs een riviertje stroomt. Daarin kan men, als het niet is uitgedroogd, baden, in gezelschap van paarden, honden en muilezels. En dan moet men bovendien niet bang zijn voor de kou; want de temperatuur van het water in de open lucht is hier niet hoog. Te Sucre werd mijn vraag naar zulk een gelegenheid met een medelijdend schouderophalen beantwoord, en Potosi ligt veel te hoog, dan dat men daar het kostbare water zou willen verspillen aan [411]iets zoo lichtzinnigs en overbodigs als een bad. Als men eindelijk na maanden reizens te La Paz aankomt, is men al heel blij, een inrichting te vinden, waar de badkuipen precies het model vertoonen van het noodlottige bad, waarin Murat werd vermoord.
In muziek hebben de Bolivianen bijzonder veel liefhebberij. Elken morgen worden de bewoners van Cochabamba gewekt door de vroolijke klanken der militaire muziek. Een half uur lang duurt dat oorverdoovend geschetter, en ’s avonds voor het ter ruste gaan wordt opnieuw een deuntje geblazen. Verder speelt de militaire muziek bij alle mogelijke gelegenheden een rol; bij begrafenissen, zoowel als bij processiën of feestelijke gelegenheden. En daar de Bolivianen blijkbaar van stemmingsmuziek nooit hebben gehoord, en het hun minder om den aard der melodieën, dan om het ontwikkelde klankvolume te doen is, moet men zich hier volstrekt niet ergeren of verbazen, als bij wijze van marche funèbre een wijsje van Offenbach wordt ten beste gegeven. Toen ik op een goeden dag in mijn hotel zat te schrijven, dat vlak tegenover de kerk was gelegen, had ik reeds vóór het begin der plechtigheid het geheele garnizoen, met muziek incluis, het kerkgebouw zien binnentrekken. Ik moet bekennen, dat ik zelfs toen nog ietwat verwonderd was, de mis te hooren begeleiden door een bloemlezing uit de melodieën van de opera “la Mascotte”. Toen het belletje klingelde, barstte het orkest verheugd los met: “Les présages, les songes, ne sont pas des mensonges”,—en zoo ging dat voort tot het einde van de plechtigheid toe.
Te Cochabamba bestaat een allerzonderlingste gewoonte onder de schildwachten, die er ’s nachts op post staan. Om te bewijzen, dat zij klaar wakker zijn, moeten die goede zielen om de twee minuten, zoo hard zij kunnen, schreeuwen: “Estoy despierto”. (Ik ben wakker). Den geheelen nacht door hooren de menschen, die in de buurt wonen, dat eentonige geroep, dat even geregeld terugkeert als het slaan van een uurwerk.
Voor menschen, die steeds op nieuwe sensaties belust zijn, is het bepaald een buitenkansje. Maar als men bedenkt, dat het in den oorlog zaak is, de schildwachten zoo stil en onbemerkt mogelijk hun plaats te laten innemen, opdat ze den vijand kunnen bespieden, zonder door hem te worden overvallen, dan vraagt men zich af, wat er wel gebeuren zal, en hoe het moet afloopen, als zulke soldaten plotseling ontheven worden van de verplichting, zich en anderen door dat geregeld terugkeerende gebrul uit den slaap te houden.
De boliviaansche militairen, die zich voor de best geoefende soldaten ter wereld houden, zullen niet licht dergelijke overwegingen bij zich voelen opkomen. Zij zijn trotsch op hun voorbeeldige gehoorzaamheid aan de krijgstucht, en geen bevel kan hun te onredelijk zijn, om het niet, strikt en zonder nadenken, letterlijk op te volgen. Men hoort, wat dat betreft, merkwaardige verhalen van de wijze, waarop President Mariano Melgarejo, die gedurende zes jaren als een tiran over Bolivia heerschte, zijn bevelen wist te doen gehoorzamen. Melgarejo, die altijd min of meer onder den invloed was van sterken drank, had eens op een dag den franschen consul bij zich ten eten gevraagd. Sprekend over de voorbeeldige gehoorzaamheid van zijn troepen, kreeg hij het plotseling in den zin, eens een staaltje daarvan te toonen.
“Heidaar,” riep hij uit het venster de soldaten toe, die op het plein voor het paleis de wacht hielden, en hij wenkte hen om boven te komen.
Zij deden, zooals hun bevolen was. Juist in die dagen werd een balkon gebouwd voor de vensters der tweede verdieping van het paleis, waarvan de balustrade nog niet geplaatst was. Melgarejo liet zijn manschappen op een rij plaats nemen voor de open vensters, die op het balkon uitkwamen en kommandeerde met luider stem: “Voorwaarts marsch.” De soldaten stapten dapper vooruit, zonder zich erom te bekreunen, dat hun na drie schreden de dood of verminking wachtte. Melgarejo riep niet: “Halt!” en de voorste rij viel dan ook beneden op de steenen te pletter.
Dat de volgenden hun lot niet deelden, hadden zij te danken aan den franschen consul, die met stentorstem: “Halt” riep, om ten minste het leven der anderen te redden.
Die zelfde Melgarejo, van wien in de volksalmanakken vermeld staat, dat zijn gruwzame, bloedige regeering duurde van 28 December 1864 tot 15 Januari 1871, moest vluchten, toen de revolutie uitbrak, en werd kort daarna te Lima door zijn eigen schoonbroeder vermoord. Hij schijnt een man te zijn geweest, die aan bloeddorstige wreedheid een ongelooflijke stoutmoedigheid paarde. Op den 27sten Maart 1865 had generaal Manuel Isidore Belzu, die, na tien jaar lang zijn ambt te hebben bekleed, heelshuids het presidentschap had neergelegd, Melgarejo, die hem in December van het vorige jaar had verdrongen, in de omstreken van La Paz op de vlucht geslagen. Het leger, dat op de hand van Belzu was, begroette hem reeds weer als hun nieuwen president, toen Melgarejo zich alleen naar La Paz begaf, en zich aan het paleis liet aandienen, onder voorwendsel, dat hij generaal Belzu zijn degen wilde overreiken.
Hij wordt bij den president toegelaten en begroet hem met den in Bolivia gebruikelijken vredekus, waarbij men elkander omhelst en wederkeerig op den rug klopt. Op eens haalt Melgarejo een geladen revolver voor den dag, en schiet Belzu, terwijl hij hem omarmd houdt, door het hoofd, terwijl de troepen buiten, in de meening dat de beide vijanden zich met elkander verzoenen, “leve Belzu” roepen. Met het bloedige lijk van zijn slachtoffer in de armen vertoont Melgarejo zich op het balkon, en roept met luider stem de soldaten toe: “Wie zal leven, Belzu of Melgarejo?” “Melgarejo!” roepen de verschrikte troepen en buigen opnieuw voor den tiran, die hen reeds drie maanden met ijzeren vuist had geregeerd. Na deze misdaad wist Melgarejo zich tot 1871 staande te houden. Van de Engelschen hield hij niet, en zooals wij reeds vermeldden, speelde hij den engelschen consul een leelijke poets. Met Frankrijk was hij bijzonder ingenomen. In den oorlog van ’70 liet hij op een avond, toen hij weer zwaar beschonken was, de troepen onder de wapenen komen, en hield een toespraak, waarin hij verklaarde, dat Frankrijk in gevaar was en hij het zijn plicht achtte, zich op te maken om het ter hulp te snellen. Eenige [412]zijner officieren vroegen zich onder elkander af, hoe dit plan dan wel zou worden ten uitvoer gebracht. Maar tegenover een man als Melgarejo viel aan tegenspraak niet te denken. Hij liep altijd met een geladen revolver rond, en zag er geen bezwaar in, de menschen als honden neer te schieten bij het minste verzet. Des morgens trekt dus het geheele leger, met artillerie en cavalerie, de bergen op, die La Paz omringen. Op het hoogste punt aangekomen, schaart Melgarejo zijn troepen in slagorde en opent het gevecht met den denkbeeldigen vijand. Men schiet een paar uren raak, zonder iemand te treffen, tot de president langzaam aan van zijn roes is bekomen en vreedzaam met zijn legermacht naar La Paz terugkeert, in de overtuiging, dat hij Frankrijk een grooten dienst heeft bewezen. Zes jaar lang hielden de Bolivianen het uit onder dezen president, wiens luimen zij geduldig verdroegen. Men verwondert zich bijna over het feit, dat zij hem ten slotte toch zijn kwijt geraakt.

De weg van Cochabamba naar Sucre is ver van gemakkelijk.
Cochabamba, in het dal van dien naam gelegen, dat de voortzetting is van het Tapacari-dal, wordt omgeven door een halven cirkel van hooge bergketens, waarachter de provincie Beni ligt, een bijna woeste streek. Beni is een tropisch land, met weelderigen plantengroei, en wordt slechts bezocht door de enkele reizigers, die er caoutchouc komen zoeken. De andere zijde van deze bergketens, waarboven zich de 6000 meter hooge Tunari-top verheft, is naar den Atlantischen Oceaan gekeerd. Muildieren zijn ook hier het eenige vervoermiddel. ’t Is het maagdelijk woud met al zijn gevaren: moerassen, koortsen en gevaarlijke dieren, zooals slangen, jaguars en luipaarden.

De straten hebben een voorkomen dat aan Spanje herinnert.
Zij, die zich in deze streken hebben gewaagd, zoeken nog steeds naar geschikte wegen voor het vervoer der caoutchouc. Thans kent men geen beter middel, dan door in platte booten de rivieren af te varen. De Madre di Dios, de voornaamste dezer stroomen, stort zich uit in de Amazonenrivier. Maar haar loop wordt dikwijls onderbroken door stroomversnellingen en daardoor moet zoowel de boot als de lading telkens aan den oever worden gebracht en voorbij deze onbevaarbare plaatsen worden vervoerd.
Het leven der caoutchouc-zoekers in Beni is vol ontberingen en gevaren, en zij kunnen zeker zijn een afschuwelijken dood te zullen vinden, wanneer zij wilden ontmoeten, die belust zijn op menschenvleesch en weten dat hun aantal groot genoeg is, om de vreemde indringers weerstand te kunnen bieden. Meer naar het zuiden ligt het departement Santa Cruz, waarheen wij later een reis denken te ondernemen, daar dit (altijd bij wijze van spreken), gemakkelijker te bereiken valt van uit Argentinië en Paraguay. Nog zuidelijker liggen de departementen Chuquisaca met de hoofdstad Sucre, [413]en Tarija, die over ’t algemeen weinig verschillen van Beni en Santa Cruz.
Op de grens tusschen Chuquisaca en Tarija ligt het gebied van den grooten Chaco, nog onbekend, en dat berucht is geworden door den moord, hier gepleegd op den franschen onderzoeker Crevaux en zijn metgezellen. Crevaux was uitgegaan op een onderzoekingstocht in den grooten Chaco, vergezeld van een gewapend geleide, dat hem door de boliviaansche regeering was medegegeven. De ongelukkige man vermoedde weinig, hoe valsch en trouweloos deze lieden zich zouden gedragen. Hij werd het slachtoffer van zijn goedgeloovigheid. Drie dagen nadat hij de wildernis was binnengetrokken, verlieten zij hem en maakten zich, met hun aanvoerder aan het hoofd, uit de voeten. Alleen en verlaten, werd de kleine groep aangevallen, en bijna allen kwamen om het leven. Van Crevaux werd niets meer vernomen, en men vermoedde, dat hij was opgegeten door de wilden, die hem hadden vermoord. Slechts zeer weinigen van de onverschrokken lieden, die zich in deze streken wagen, om door insnijdingen in de schors van den boom, die de hars levert waaruit caoutchouc wordt vervaardigd, deze kostbare stof te bemachtigen, worden rijk bij dit gevaarlijk werk. Toch zouden deze streken ontzaglijke winsten kunnen afwerpen, als zij wegen bezaten en de beschaving er doordrong, zoodat men zich hier kon wagen zonder levensgevaar. Thans dient al die moeite en opoffering van enkelen slechts om een klein getal handelaars te verrijken.
De reis van Oruro naar Cochabamba was niet gemakkelijk; doch die van Cochabamba naar Sucre is nog veel bezwaarlijker. En als men inlichtingen vraagt, kan men zeker zijn een antwoord te zullen krijgen, waarvan ieder woord een vergissing of onwaarheid is. De meesten beweren, dat er geen weg bestaat, en dit zou men ook opmaken uit het feit, dat de post brieven naar Sucre over Oruro vervoert, ’t geen negen dagen tijd neemt, terwijl Sucre niet meer dan zes dagreizen van Cochabamba verwijderd is. De postrijders reizen echter dag en nacht door, en kunnen dus den langen omweg hierdoor eenigszins goedmaken.
Om acht uur begeven wij ons uit Cochabamba op weg, en kunnen eerst, kalm op onzen muilezel gezeten, genieten van het gezicht op den hoogen Tunari, waarvan de besneeuwde top, de trots der Cochabambineezen, overal in den omtrek zichtbaar is. De gastvrije stedelingen hebben onze zakken volgestopt met allerlei benoodigdheden voor de reis, o. a. ook aguardiente quinado, (kinine-brandewijn), een geschenk van een voorzichtig apotheker, die ons Europeanen welgezind is. “’s Morgens en ’s avonds vooral geregeld gebruiken,” riep hij mij na. ’t Is het beste voorbehoedmiddel tegen de derdendaagsche koorts, en het is werkelijk geen prettig vooruitzicht, zes dagen lang door een streek te trekken, waar deze ziekte heerschende is. De goedaardige apotheker heeft mij er nog een flesch coca-elixer bijgegeven, en dat is niet te versmaden. De koude kip, de wijn, het koffie-extract, de suiker, de blikjes, alles is blijkbaar in orde.

Indianen en Cholo’s op een feestdag in de omstreken van Cochabamba.
Om elf uur honden we stil te Angostura, gebruiken iets, en gaan weer op weg. Om één uur zijn we in Clissa, waar we toevallig een zonderlinge vertooning bijwonen, een buitenkansje, dat niet alle reizigers te beurt valt.—Op het marktplein te Clissa werden juist de muilezels afgespannen van een [414]ongelukkig karretje, waarin vier personen waren gezeten, die wel de moeite waard zijn om nader te worden omschreven. De eerste stelde zich, met veel vertoon van waardigheid, aan ons voor als de particuliere secretaris van den President der Republiek. Hij had groot gelijk, zijn waardigheid niet onder stoelen en banken te steken, want men zou hem op het oog voor een haveloozen voddenraper hebben gehouden. Dat mijnheer de secretaris van gemengd ras was, daaraan behoefde men niet te twijfelen. Zijn tint deed denken aan tabakssap en was te geel voor een neger. Men zag maar al te duidelijk zijn verwantschap met het gele ras, die bij den echten leelijken boliviaanschen Cholo niet valt te miskennen. Afgaande op het spreekwoord: zoo heer, zoo knecht, zou men niet geneigd zijn door den aanblik van zijn secretaris een bijzonder gunstige meening op te vatten van Alonso, den tegenwoordigen president van Bolivia.
Naast hem zaten een paar lange magere mestiezen, twee broeders, die zich afgevaardigden uit het district Beni noemden, waardige vertegenwoordigers van de onbeschaafde streek, die hen zond. De vierde was een journalist uit Cochabamba, die zich mocht verheugen in den liefelijken naam van Abélard. Het was blijkbaar een politieke tournée, waarop het viertal uit was.
Toen ze waren afgestapt en verdwenen in een der armoedige huizen, waar zeker een feestmaal voor hen was aangericht, verzamelden zich op het marktpleintje een menigte lieden, in lompen gekleed, en op bloote voeten, die op een rij gingen staan, op bevel van een paar anderen, die iets beter waren gekleed. Op onze navraag bleek, dat dit de nationale militie was.
Als de sansculotten van 1792 tot hun stoute daden werden aangespoord door gebrek en ellende, en zich vooral beklaagden over gemis aan behoorlijk schoeisel, dan zal die nationale garde van Clissa hun vijanden, de Chilenen, zeker glorierijk verslaan. Hun schoenen zullen hun in elk geval geen beletsel zijn om er duchtig op los te marcheeren; want zij doen het er zonder. De Clissasche schutterij verheugde zich ook in het bezit van muziekinstrumenten. Twee ezelsvellen over een cognacvaatje zonder bodem gespannen, dienden als trom; een soort pansfluit uit stukken riet van verschillende lengte werd niet onverdienstelijk bespeeld door iemand, die als pijper optrad, en een gedeukte hoorn voltooide het orkest, dat een leven maakte als een oordeel. De aanvoerders van deze troepen hadden de teekenen hunner waardigheid eerlijk samen gedeeld; de een droeg een sabel, waarvan de ander dapper de scheede zwaaide. Zij wekten blijkbaar de bewondering van de indiaansche schoonen, die in het stof in de zon zaten te blakeren, met haar bonte rokken wijd uitgespreid. Wij hoopten nog half, dat er een politieke toespraak zou worden gehouden; maar er werd enkel hoera geroepen, toen na twee uren wachtens de secretaris, die niet heel vast meer op zijn beenen stond, weer in het rijtuig stapte.
Tegen het vallen van den avond kwamen we te Arani, onze eerste rustplaats. Den volgenden dag wachtte ons een bergtocht van 65 kilometer, en dus gingen we om zeven uur al weer op weg. Om twaalf uur, op 4000 meter hoogte, rusten we in eene vervallen hut, op een plaats die Janchillani heet. Den geheelen namiddag gaat het weer bergop, bergaf, langs diepe afgronden, tot we om zes uur bij een armoedige schuilplaats van Indianen komen, Rumicorral genaamd, onze tweede pleisterplaats. ’t Is er treurig en verlaten, en geducht koud; maar we moeten het hier toch voor lief nemen, want zestig kilometer verder eerst ligt de volgende plek, waar we onder dak kunnen komen. Dat is Misqui, ’t welk we, thans dalende, den volgenden dag om vijf uur bereiken. Ik had gedacht, hier een groote stad te vinden, want de Bolivianen zijn gewoon, van hun steden sprekend, verbazende bevolkingscijfers te noemen, doch bij onze aankomst bemerk ik, dat Misqui slechts een armzalig plaatsje is, met een honderdtal havelooze inwoners, die in hutten van leem en klei zijn verzameld. Ik hoor, dat de bevolking zoo gedund is door de derdendaagsche koorts. We zijn hier in het dal van den Misqui, een zijstroom van den Rio Grande, die zich in de Madre di Dios uitstort. Al deze valleien zijn zeer ongezond. En de schijnbare rijkdom aan rivieren heeft niet veel te beteekenen; daar al deze stroomen gedurende tien maanden van het jaar zoo goed als droge beddingen zijn, waarin een weinig troebel water vloeit tusschen de steenklompen, die in den regentijd door den stroom zijn medegevoerd. Want dan wordt dat onschuldige beekje een woest schuimende bergstroom, die boomen en rotsblokken meesleept in zijn vaart. Zooals we tusschen Oruro en Cochabamba een geheelen dag de bedding volgden van de Rio Paria en de Rio Tapacari, zullen wij na Sucre het bed van den Pilcomayo doortrekken. De Bolivianen hebben met hun rivieren niet veel op, daar zij allen schijnen te lijden aan een soort van watervrees. Uit den mond van allerdeftigste (hoewel licht chocoladekleurig getinte) heeren en dames, die, naar de nieuwste parijsche mode uitgedost, op de wandelplaatsen te Sucre, La Paz en Cochabamba ronddrentelden, hoorde ik telkens de oprecht gemeende waarschuwing: “U moet u in Bolivia vooral niet wasschen; ’t water is hier slecht. Als u zich wascht, doet u stellig een verkoudheid op!” Ze schenen voor de verkoudheid weinig minder bang dan voor ’t water zelf.
Een vermakelijk intermezzo was mijn bezoek bij den pastoor van Misqui, die hier toevallig onder deze halve wilden is verzeild en gaarne gastvrijheid verleent aan vreemdelingen, die uit verre streken komen. Hij woont op het marktplein. Een groote wijde poort, zonder deuren, in een leemen muur, die bezig is langzaam te verbrokkelen, en waar het stof in grauwe wolken af vliegt, verleent toegang tot een soort binnenplaats, den corral, die op een slecht onderhouden boerenerf gelijkt. Links en rechts, voor en achter vuil, niets dan vuil. In den hoek staat de vuurpot, waarop gekookt wordt, tusschen hoopen aarde, waarop de pan moet steunen, en de muur daarachter is zwart van rook en roet. Op den corral komt een groot vierkant vertrek uit, waar we bij het binnentreden een zonderlinge mengeling van allerlei voorwerpen ontdekken. Links moeten een hoop schapenvellen en dekens van lamawol, opgestapeld [415]op een leemen uitbouwsel aan den wand der kamer, een bed voorstellen. Langs de muren, op den grond, liggen geboorte- en sterfregisters en de geheele “burgerlijke stand” van Misqui tusschen ledige flessen, zadels, tuig en allerlei voorwerpen voor huiselijk gebruik. In een hoek van het smerige hol staat een groote tafel vol boordevolle glazen chicha, een geelachtig, dik, troebel vocht, dat over de tafel loopt en in straaltjes op den grond droppelt. ’t Is een gegiste drank, een soort cider, bereid uit versche maïskorrels, dus op een andere wijze dan de chicha van Chili, die uit druiven wordt geperst en veel heeft van zoeten wijn. De pastoor, een forsche kerel van tegen de zestig jaar, met een echten Inca-kop, komt den welkomen gast welwillend tegemoet, terwijl de geheele karavaan lastdieren achter ons het portaal binnentrekt. Hij is omringd door een krioelenden troep kleine kinderen, en een aantal havelooze vrouwen. De Indianen, die als honden op de binnenplaats liggen te slapen, worden wakker, en allen dringen om ons heen om ons te begroeten. We moeten volstrekt dadelijk een glas chicha drinken, hoewel onze oorspronkelijke tegenzin in dit brouwsel niet is verminderd, sedert we hebben vernomen, hoe het wordt toebereid. De vrouwen uit de volksklasse, die de maïskorrels pellen, bijten ze daarna met de tanden door. Als men die dames ooit van nabij heeft waargenomen, kan men dit niet bepaald een appetijtelijke methode noemen. De Bolivianen nemen het daarmee zoo nauw niet. Zij beweren, dat het gistingsproces den drank voldoende zuivert, en de Europeaan, die zijn gastheer zou beleedigen, als hij den aangeboden welkomstdronk weigerde, moet dit maar op gezag gelooven, en mag nog van geluk spreken, als in den intiemen huiselijken kring niet de patrillo rondgaat, een verbazend groote glazen kroes, die twee of drie liter kan bevatten, en waaruit het geheele gezelschap beurtelings een teug neemt. Terwijl het kleine grut, dat de pastoor ons als zijn neefjes voorstelt—(daarmede neemt men het ook al niet nauw in Bolivia, waar elke pastoor vijf of zes huishoudsters en een dozijn neefjes erop nahoudt)—gezellig uit oom’s glas meeproeft, en zoo vriendelijk is, dat van den reiziger voor hem te ledigen, maken de moeders van dat drukke troepje het middagmaal gereed. Als ik alleen geweest was, zou ik dien poespas, die mij midden in den vuilen rommel werd voorgezet, niet hebben kunnen aanroeren. Maar omringd door argelooze lieden, die zich om strijd beijveren, u de beste stukjes toe te stoppen, moet men zich in zulk een geval maar schikken in zijn lot, en tenminste voor den schijn meedoen, al draait ons het hart in het lijf om, bij ’t gezicht van een tafellaken zóó vol vlekken, dat er zeker geen schoon plekje aan is te vinden, groot genoeg om met een tienstuiverstukje te bedekken.
Den morgen na dit bezoek verlieten we voor het aanbreken van den dag Misqui, en hielden des middags slechts even stil te Aiquile; want de vierde dagreis is lang. Vervolgens kwamen we nog voorbij Quiroga en Chinguri, om zeer laat, bij maneschijn, in ons nachtverblijf Aguada aan te komen. Men ziet in Bolivia van een weg wel het begin, maar van het einde is men zelden zeker, en het was lang niet aangenaam, na tien of twaalf uren achtereen te hebben doorgereden, nog steeds te vergeefs te moeten uitzien naar een plaats, om zijn hoofd neder te leggen. Tusschen Aguada en Sucre zagen we boomgaarden en boerderijen, die beter verzorgd en onderhouden waren dan eenige inrichting van dien aard, die wij nog op onzen tocht door dit land hadden gezien. Zij behoorden aan den voormaligen president Arce. Dat is een echte markies van Carabas; we hoorden, dat al de grond tusschen Aguada en Sucre zijn eigendom is, en Sucre ligt nog twee dagreizen van hier verwijderd. Een paar mijlen voorbij Aguada zagen we aan de rechterzijde van den weg zijn landhuis liggen, La Constancia. ’t Was een eenvoudig huis, schilderachtig gelegen, in een prachtigen tuin, vol oranje- en citroenboomen, bananen, palmen, zeldzame bloemen; kortom, de geheele plantenschat der tropen was hier vertegenwoordigd. En door die groene vallei, die zich, zoover het oog reikt, aan den voet van het hooggelegen lustverblijf uitstrekt, fladderden bonte tropische vogels; geheele zwermen papegaaien vlogen, verschrikt door den stap der muilezels, omhoog, en verscholen zich in het gebladerte. Niets herinnerde hier aan de kale hoogvlakten, de treurige verlatenheid van het landschap, dat ons reeds sedert we Antofagasta verlieten omgaf. Doch dit plekje is dan ook geheel eenig in Bolivia. Weldra deed een woud van reuzencactussen, wel tien of vijftien meter hoog, en de hobbelige bodem, bedekt met groote steenen, door de overstrooming eener naburige rivier hier neergeworpen, ons opnieuw gevoelen, dat we wel degelijk nog in Bolivia waren.
Om halftwee kwamen we aan den Rio Grande, een rivier, die in snelle vaart tusschen hooge rotswanden stroomt. President Arce, die zeer goed inzag, van hoe veel gewicht het was, als Cochabamba en zijn landgoed met Sucre waren verbonden, verkreeg niet alleen, dat de spoorweg naar Oruro werd verlengd, maar ook, dat over de Rio Grande een brug werd gebouwd. Op een der pilaren staat dan ook zijn naam met dien van den ingenieur vermeld.
Den vijfden avond sliepen we in Caparari, en na nog een langen dag reizens kwamen we des avonds laat aan in Sucre, de hoofdstad van het departement Chuquisaca.
Na zes dagen in den zadel te hebben gezeten, verheugden we ons op een rustigen nacht, want we waren zoo voorzichtig geweest, vooruit een kamer te bestellen in het hôtel van den heer Tavel. Tot mijn verbazing vond ik mijn bed echter nog niet opgemaakt, en hoorde van den waard, dat dit geen vergissing was, maar dat al de lakens van het hôtel ongelukkig in de wasch waren.
Het hielp niets of ik mij boos maakte; de heer Tavel trok de schouders op en vond, dat ik heel goed lakens had kunnen meebrengen.
Er zat niets anders op, dan te berusten; ik schoof mijn bed van den muur en trachtte mij over het gemis aan behoorlijk beddegoed heen te zetten.
Dat wegschuiven van het bed is hier een noodzakelijke maatregel. In Oruro reeds trof mij in elke slaapkamer der zoogenaamde hôtels de aan den muur geplakte waarschuwing: “Het is verboden, tegen den wand te spuwen”. Het schijnt, dat hier de reizigers [416]geen genoeglijker tijdverdrijf kunnen bedenken, dan, achterover in hun bed gelegen, kunstig kringetjes te spuwen tegen de muren en den zolder. ’s Lands wijs, ’s lands eer. Een andere eigenaardigheid der hôtelkamers hier te lande is de aanwezigheid van een langen paardestaart, die aan het toilet is opgehangen, en waarin een paar niet altijd zindelijke kammen zijn gestoken. De reiziger aan de kust van den Stillen Oceaan behoeft zich de moeite niet te geven, toilet-benoodigdheden mede te nemen. Dáárvoor zorgt het hôtel, al vindt het lakens overbodige weelde!
Sucre, dat vóór Bolivia’s onafhankelijkheidsverklaring Chuquisaca heette, telt 12 à 15000 inwoners, waaronder ongeveer 4000 beschaafde. Het is genoemd naar generaal Sucre, die in het begin der 19de eeuw zich met goed gevolg verzette tegen de spaansche heerschappij in Z. Amerika. Doch al hebben de Bolivianen dit juk weten af te schudden, van eenig streven naar werkelijken vooruitgang ontdekt men bij hen geen spoor. Van hun bekrompenheid kan men zich een denkbeeld vormen, wanneer men in een der plaatselijke nieuwsbladen (el Tiempo) een stuk leest, onderteekend door een in zijn omgeving gunstig bekend en geacht journalist, die heftig te velde trekt tegen het plan, een spoorweg in de provincie te laten aanleggen, en in zijn verontwaardiging zoo ver gaat, te beweren “dat het beter zou zijn, zoo in deze streken het gesis van slangen werd vernomen, dan het fluiten van een trein”.
Het is volstrekt niets ongewoons, onder de advertenties, die drie vierde van zulk een blad beslaan, berichten aan te treffen in den trant van het volgende, dat wij overnemen uit La Industria.
“De firma Y, handelaars in koloniale waren, maken aan hun klanten bekend, dat zij, die vóór 31 Juli niet hun achterstallige schulden voldoen, van af dien datum hun naam zullen zien gepubliceerd in dit blad, met vermelding van de som, die zij verschuldigd zijn. Hierbij voegen wij de lijst onzer klanten, die ondanks gerechtelijke vervolging onzerzijds, nog steeds in gebreke blijven, hun verplichtingen jegens ons na te komen”.
Daarop volgde een twintigtal namen.
Zulke advertenties geven te denken!
Evenals Potosi en La Paz, waarheen wij ons thans op weg begeven, is Sucre, om zoo te zeggen, een eindpunt voor den handel met Europa, en niet zooals Oruro of Cochabamba, een stapelplaats en tusschenstation.

Cochabamba. Het voornaamste plein van de stad.
De handel der drie eerstgenoemde steden beperkt zich tot den invoer van waren, die zij behoeven voor eigen gebruik.
Vandaar dan ook die heftige strijd om den voorrang en de eer, residentiestad te zijn. De laatste maal heeft La Paz het gewonnen. Doch de groote kooplieden van Sucre zullen zeker niet rusten, eer zij den President der Republiek, met zijn geheelen stoet van ambtenaren en soldaten, hebben bewogen, weer in hun midden terug te keeren en de stad door meerdere weelde toenemende welvaart te bezorgen. Want als Sucre het van de Indianen alleen zou moeten hebben, zag het er al zeer treurig uit.
[353]
