[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Het leven van Hugo de Groot, by
J.B. Elwe and D.M. Langefelt
This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org
Title: Het leven van Hugo de Groot
Author: J.B. Elwe
D.M. Langefelt
Release Date: May 2, 2007 [EBook #21269]
Language: Dutch
Character set encoding: ASCII
*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN VAN HUGO DE GROOT ***
Produced by Frank van Drogen, Jeroen van Luin and the
Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
(This file was produced from images generously made
available by the Bibliothèque nationale de France
(BnF/Gallica) at http://gallica.bnf.fr)
Het in 't licht verschynen van de beide echte aftekeningen des koffers, doormiddel van 't welk de beroemde Hugo de Groot, het bange Loevestein ontkomen, en welk Vaderlandsch Gedenkstuk thans berustende is, onder den Heer, Mr. Jacob Klinkhamer, heeft ons aanleiding gegeeven tot het vervaardigen van deeze weinige bladen, bevattende alle de voornaamste levensgebeurtenissen van den gemelden grooten Staats- en Letterheld: wy hebben de Dichters te hulp geroepen om onzen styl te veraangenaamen, en laaten ons voorstaan geene zaaken van belang overgeslagen, en tevens de nietsbetekenende kleinigheden vermeld te hebben; indien dit bevonden wordt zodanig te zyn, hebben wy hoop dat onze arbeid goedkeuring zal verwerven, want by veelen is het leven van onzen Hugo als, aangestipt, terwyl anderen er een zwaar boekdeel van gemaakt hebben.
De tydsomstandigheden welken wy belevenen, hebben ons byna op ieder regel de voorzichtigheid voorgepredikt; wy hebben ons bepaald tot het geeven van een beknopt verbaal van 't gebeurde, zonder over het gebeurde te oordeelen; hier en daar hebben wy den Lezer op den weg gebragt, en hem dan aan zyne eigene krachten overgelaaten;——wy hoopen dat zulks goedgekeurd zal voor den:—men geloove echter niet dat wy om die reden onzen naam verzweegen hebben; wy schaamen ons denzelven niet, ook niet de gevoelens welken wy over den tyd van den grooten Hugo, zo min als die welken wy over onzen tyd koesteren; geenzins; eene reden waarby de Lezer geheel geen belang kan hebben, heeft ons tot dat verzwygen verpligt.
Met eene beknopte beschryving van het koffer te geeven, hebben wy gemeend den Liefhebberen geenen ondienst te zullen doen? dat die beschryving zeer juist is, is ons naderhand door den Tekenaar verzekerd, alzo hy zelf alles naauwkeurig opgenomen, en zyne aantekeningen den Graveerder medegedeeld heeft.
Onder het aanzienlyk getal van voornaame mannen, welken, van tyd tot tyd, op het tooneel van Nederland hunne rol gespeeld hebben, is Hugo de Groot één der uitmuntendsten, en zal, zo lang de Republiek, wier lotgevallen de gantsche wereld zo menigmaal hebben doen verbaazen, zo lang Nederland bestaat, in gedachtenisse blyven by hen, die niet onverschillig zyn omtrent her land dat zy bewoonen, en het navorschen van deszelfs voorledenen en tegenwoordigen staat, voor eene ten hoogsten nuttige, niet alleen, maar ook noodige bezigheid houden—zy die gewoon zyn, den ongelukkigen grysaart, den beroemden Oldenbarneveld, met traanen van medelyden naar het verachtelyke schavot te vergezellen—zy die niet zonder innerlyke ontroering, dien grooten Vaderlander, op den oever des grafs staande, kunnen hooren zeggen: Mannen, gelooft het niet, dat ik een Landtverrader ben, ik hebbe oprecht, en vroom gehandelt, als een goed Patriot, en die zal ik sterven—zy wier hart scheurt, wanneer zy dien bukkenden grysaart, op een stoksken steunende, en met zwakke treden, het blikzemende zwaard, dat opgeheven is om hem te ontzielen, ten gemoete zien waggelen; hem zyne oogen ten hemel zien slaan, onder het uitroepen van deze hartlyke woorden: Jesus Christus zal myn leidsman zyn: Heere God, Hemelsche Vader, ontvang mynen Geest——zy die zig by aanhoudendheid verwonderen, over de zonderlinge bedaardheid van ziel, waarmede die onvoorbeeldige yveraar voor zyn Vaderland, de kortstondige, maar niet te min geduchte reis, naar de eeuwigheid, aangenomen heeft, zy kennen den Letterheld, met wiens lotgevallen wy ons voor een oogenblik zullen bezig houden; zy kennen den grooten Hugo, den tyd- en, gedeeltelyk, ook den ramp-genoot van den voornoemden grysaart; zy zyn gewoon ook hem met traanen van medelyden naar het bange Loevestein te vergezellen, en met een hart, dobberende tusschen hoop en vrees, hem, door een geoorloofde list zyne banden te zien ontkomen: maar de groote man verdient dat ook de gantsche wereld hem kenne; ieder Vaderlander is verpligt het zyne daartoe bytebrengen; dit billykt ons voorneemen, en zal niet minder ons den arbeid aangenaam maaken.
Om een algemeen denkbeeld van 's mans uitmuntendheid te verkrygen, is zeer geschikt het vierregelig versje van W. den Elger, geplaatst onder een afbeeldzel van onzen held, door Van Gunst in 't koper gebragt: dus luidt het:
Onder een ander afbeeldzel, geschilderd door Miereveld, en gegraveerd door Van der Wenne, leest men het volgende versje, van den beroemden G. Brandt, 't welk niet minder den lof van den edelen vluchteling verbreidt:
Vondel schreef onder een derde afbeeldzel, door den beroemden Houbraken, naar 't origineele van gezegden Miereveld vervaardigd, deze versen:
Onder nog een ander afbeeldzel van onzen Held, schreef de geleerde D. Heinsius, een zinryk Latynsch Puntdichtje, 't welk door den Heer Brandt dus vertaald is:
Immers doet dit alles ons denken op een' man, zo groot van verstand als verheven van ziel? en onze Hugo was inderdaad zulk een zeldzaam voorbeeld: de Groot was waarlyk Groot, en had dus dezen zynen eigen naam ook als een' eernaam moge voeren: hem daardoor in den rang der Vorsten te stellen, is niets minder dan vlyery—'t wordt by de Historiekundigen ook geloofd, dat de voorzaaten van onzen Held, zig, door uitmuntende diensten het Vaderland beweezen, den gezegden eernaam verworven hebben, zynde het geslacht van de Groot eigenlyk voordgesprooten uit dat van Kraaijenburg, welks adelyk huis van dien naam, welëer gestaan heeft tusschen Delft en 's Gravenhagen: de gezegde afkomst van het geslacht onzes Helds, wordt bevestigd door deszelfs wapen, 't welk 't zelfde is met dat van den huize Kraaijenburg voornoemd.
Door de uitwerkzelen van den alles vernielenden twist, het monster dat in ons lieve Vaderland zo menigmaal zyne haatelyke rol gespeeld heeft, werden de voorzaaten van onzen Hugo genoodzaakt de wyk te neemen naar het nabuurig Delft, alwaar zy vervolgends, onder den naam van de Groot, de aanzienlykste eeramten bekleed hebben: op de regeringslysten van Delft voornoemd, vindt men, volgends de aantekening van zekeren Aper Melisz. van Melisdyk, getrokken uit een oud register, op den jaare 1485 reeds, Mr. Hugo Hugosz. de Groot, die gestorven is den 8 Mei des jaars 1509: Dirk Huigensz. de Groot, mede een vermaard man, dien wy 't laatst op den jaare 1521 als Burgemeester van Delft vermeld vinden, stierf omtrent den jaare 1530, zonder kinderen van het manlyke geslacht natelaaten, waardoor derhalven de beroemde naam van de Groot welhaast verlooren geraakt zou weezen, ware het niet dat Ermgardt de Groot, dochter van Heer Dirk voornoemd, daarin voorzien hadde; deze in 't huwelyk zullende treeden met den Heere Cornelis Cornets, een man afkomstig uit de Hertogen van Bourgondiën, werd zo sterk door de zucht voor haar beroemd geslacht gedreeven, dat zy den voorgenomen echt niet wilde voltrekken, dan onder beding, dat de zoonen, welken uit haar geboren mogten worden, den naam van de Groot zouden voeren: volgends dit voorbeding werd een zoon van vrouwe Ermgardt, Hugo Cornelisz. de Groot genoemd, zynde de grootvader van onzen Held: deze Hugo voegde de wapens, enz. van beide de geslachten, waaruit hy gesprooten was, Cornets en de Groot, byéén; ook werden de waardigheden, sedert zo veele jaaren herwaards door de voorzaaten van vrouwe Ermgardt bekleed, en die op haaren man, Cornets, niet overgebragt hadden kunnen worden, om dat hy geen geboren Hollander was, nu weder, met algemeene toejuichinge, aan Heer Hugo opgedraagen: en niet alleenlyk de aanzienlykste waardigheden, maar ook de weetenschappen scheenen in dit beroemd geslacht ervelyk te weezen, waarvan wy de spreekendste bewyzen zullen opleveren; wat den laatstgemelden Hugo desaangaande betreft, van dezen wordt gezegd, dat hy was, "een man in de Latynsche, Griexe, en ook Hebreeusche Taalen ervaaren, meer dan die tyden meêbraghten;" hy huwde met Elselingh Heemskerk, (anderen geeven hem nog eene vroegere gemaalin, naamlyk, Maria Steffens,) een telg uit het doorluchtig en aloud Nederlandsch Geslacht van dien naam, waaruit zo veele groote mannen voordgesprooten, en waarvan de nakomelingen nog heden in aanzien zyn: om slechts iets tot lof der Heemskerken te zeggen, wyzen wy den Lezer op den beroemden Jacob Heemskerk, of van Heemskerk, gelyk wy hem ook genoemd vinden, een held, "die door verscheidene togten, in bekende en onbekende landen, en naar de Oostindiën, den Vaderlande veele onwaardeerbaare diensten beweezen heeft, tot dat hy voor Gibralter, in den jaare 1607, zyn doorluchtig leven al vechtende afleide;" onze wereldstad roemt op het bewaaren van 't overschot dezes helds: zyn grafstede, in de Oude-Kerk, prykt met het volgende zinryke versje van den onstervelyken Ridder, P.C. Hooft:
Hugo de Groot, verwekte by vrouwe Elselingh, onder andere kinderen, twee zoons, naamlyk, Jan en Cornelis, beiden mannen, wier roem door onze Vaderlandsche Historieschryvers mede ten breedsten uitgemeeten wordt; volgends Boxhorn, is de laatstgemelde geboren te Delft, in den jaare 1546: in zyne vroege jeugd oefende hy zig te Parys in de Wysbegeerte en de Historiën; van daar vertrok hy naar Orleans, alwaar hy in de rechten studeerde; weder t'huis gekomen zynde, werd hy, in 1575, tot Leeraar in de rechten, op de Hooge School te Leiden, verkoozen; na veele waardige diensten gedaan te hebben, is hy te dier stede overleden, op den verjaardag zyner geboorte, dat is, op den 25 July des jaars 1610, bekleedende toen voor de zesde maal de waardigheid van Rector magnificus der Universiteit: hy was by de geleerdste lieden van zynen tyd, en boven all' by den vermaarden Justus Lipsius, zeer gezien: zyn broeder Jan de Groot was de vader van onzen Held; deze heeft op zyn beurt mede de wetten en 't welzyn der Stad Delft helpen handhaven; ook werd hem de zorg voor Leidens Hooge School aanbetrouwd; hy huwde met Alida van Overschie, mede geboren uit een oud adelyk Delftsch Geslachte: de Ambachtsheerlykheid van dien naam, wordt onder de oudste eigendommen van Delft geteld: een andere zoon van Heer Jan, een jonger broeder van Hugo, 't voorwerp onzer tegenwoordige bemoeijingen, was Willem De Groot: had gezegde Hugo welëer, en 't geen wy nader zien zullen, geschreeven, de Inleiding tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheid, deze verledigde zig ter vervaardiginge van een werk, ten tytel voerende: Inleiding tot de praktyk van den Hove van Holland, eerst in de Latynsche, en daarna in de Nederduitsche Taale; hy droeg hetzelve op aan de Burgemeesteren van Delft: de geestige J. Westerbaan maakte op beide werken een dichtstukje, waarvan dit de laatste versen zyn:
Deze Willem de Groot wordt by uitneemendheid een zeer vroom, nederig, en oprecht man van leven genoemd; welken lof hem ook toegezwaaid is, door den geleerden N. Heinsius, in een Latynsch Vers, door dien Dichter op het afbeeldzel van Heer Willem gemaakt: Hugo's geleerde broeder stierf den 12 Maart des jaars 1662, in den ouderdom van 65 jaaren, en ruim één maand.
Zie daar het geen wy verkoozen vooraf te zeggen; thans zullen wy ons nader bepaalen by onzen grooten Hugo, de eeuwige eer en 't orakel van Delft, welken eertytel hem elders gegeeven wordt; en iets dergelyks van onzen Letterheld geboekt te vinden, is waarlyk niets nieuws, gelyk in het vervolg ten overvloede zal blyken: Professor Baudius noemt hem, de allergrootste, de wonderbaare Grotius, het sieraad en puikjuweel der Hollandsche jeugd; ter gelegenheid dat Claudius Salmasius, den Heer de Groot, na zyn overlyden, met eenige schriften, onder den naam van Simplicium Verinus aanrandde, schreef de schrandere Vondel, in den jaare 1646, desaangaande, aan den Heere Hooft, onder anderen deze regelen:
"onze goede en wyze Grotius is ook al heene; Salmasius kan dit gebeente niet laaten rusten; de Bourgonjons hebben het altydt te Delft op levenden of dooden geladen, Balthazar Gerards op Prins Wilhem, en deeze op Grotius assche:"
het komt ons voor dat uit de zamenvoeging van misdaaden, die de Dichter hier maakt, zonneklaar blykt, welk een hoog gevoelen hy van onzen Hugo gehad moet hebben: de eer van dien Letterheld aanteranden, vindt hy overeenkomstig met den gruwelyken moord, aan den grondlegger van Neêrlands Vryheid gepleegd; terwyl hy tevens den gezegden Held, en den Vader des Vaderlands, nevens elkander plaatst: hoe Vondel over Grotius gedacht heeft, blykt niet minder uit het Dichtstukje, door dien beroemden Dichter den gemelden lasteraar toegezongen; dus luidt het:
Deze voortreffelyke Geleerde, onze Hugo, is dan geboren te Delft, op den tienden van Grasmaand des jaars 1583: nog een kind zynde, gaf hy reeds doorslaande blyken van zyn zonderling vernuft: dus doet de Dichter Duim hem, naar waarheid, tegen zyne kinderen spreeken:
In zyne nachtstudie werd hy echter door zyne zorgelyke moeder verhinderd, waardoor hy genoodzaakt was, zyn Zondagsgeld, gelyk zekere schryver zig uitdrukt, te besteeden, om kaarsen te koopen: nog naauwlyks den ouderdom van elf jaaren bereikt hebbende, werd hy reeds bekwaam gekeurd om naar de Hooge School te Leiden gezonden te worden: in dien kweektuin van geleerdheid arbeidde hy onvermoeid, oefenende zig in de Wysbegeerte, Godgeleerdheid, Rechtsgeleerdheid, Sterreloopkunde en Wiskunst: nog geen jaar lang dus bezig geweest zynde, ontwierp hy drie versen, twee in de Latynsche en één in de Grieksche Taale, die, in 't licht verschynende, de gantsche wereld deeden verstommen: met zyn vyftiende jaar had hy den loop zyner studiën reeds volbragt, en verliet niet alleenlyk Leidens Hooge School, maar ook het Vaderland, gaande (1598) in het gevolg van den Heere Oldenbarneveld voornoemd, naar Frankryk, werwaards die Heer, als Gezant van Hunne Hoog Mogende aan Koning Hendrik den Vierden, vertrok: Oldenbarneveld, de schranderheid en zeldzaame geleerdheid van den zo veel beloovenden jongeling, op hoogen prys stellende, beschikte hem gelegenheid, om voor zyne Majesteit den Koning van Frankryk eene redevoering te doen, in dewelke hy zyne onvergelykelyke geleerdheid en verwonderlyke bekwaamheden, met zo veel luisters ten toon spreidde, dat de Vorst, daardoor verbaasd, tegen zyne aanwezende Hovelingen zeide: Voila le miracle d'Hollande; dat is: Ziet daar het wonder van Holland; dees eertytel, hoe veel betekenende ook, voldeed echter niet aan 's Konings hoogachting, derhalven beschonk zyne Majesteit den jongen redenaar met een goudene keten, waaraan hing 's Vorsten beeldenis, op een medaille van 't zelfde metaal.
Na zig een jaar lang in Frankryk opgehouden te hebben, binnen welken tyd hy ook, te Orleans, den tytel van Doctor in de Rechten verkreeg[2], keerde hy naar zyn vaderland te rug, alwaar zyne bekwaamheden niet minder geacht werden; ten bewyze daarvan, dat hy op zyn zestiende jaar reeds Advocaat voor den Hove van Holland was; en nog geen vier-en-twintig jaaren bereikt hebbende, (in 1607,) werd hy door de Heeren Staaten van Holland, Zeeland en Westfriesland tot Advocaat Fiscaal aangesteld.
Ons bestek verbiedt ons verslag te doen van alle 's mans geleerde schriften, welken hy van tyd tot tyd in 't licht gaf, wy moeten ons alleenlyk tot de hoofdpunten van zyne levensbeschryving bepaalen; des staat ons te melden dat hy zig, in den jaare 1608, in 't huwelyk begaf met Maria van Reigersbergen, dochter van den Heere Pieter van Reigersbergen, Burgemeester der Stad Veere, een man, van wien getuigd wordt, dat hy den Lande, en niet minder den Huize van Nassau, groote diensten beweezen had; welke trouw echter met schande is betaald geworden; want in de Leicestersche tyden is hy ter Stad uitgezet, en heeft vervolgends als balling moeten omzwerven.
In 1613, het dertigste jaar zyns ouderdoms, aanvaardde de beroemde Hugo het gewigtig amt van Pensionaris der Stad Rotterdam:
dus laat de meergemelde Dichter Duim hem, desaangaande, zeggen; dan, geen dier woedende baaren heeft hem kunnen doen bezwyken: hy vond reden om het gemelde moeijelyke amt niet aanteneemen, dan onder voorwaarde, dat het in de magt der Magistraat van Rotterdam niet zou staan, hem immer, tegen zyn' wil, van hetzelve aftezetten: de inwilliging van dit voorbeding, 't welk eene volstrekte beperking van het gezegde vermogen insloot, bewyst andermaal welke gedachten men van onzen Hugo gevoed, en hoe groot het vertrouwen was dat men op zyne bekwaamheid gesteld heeft.
Terwyl men bezig was met deze en geene voorwaarde te beraamen, werd hy, met nog drie andere Heeren, in gezantschap naar het nabuurig Engeland gezonden, ter vereffeninge van eenige geschillen, ontstaan tuschen Jacobus den Eersten, die toen den Britschen Zetel bekleedde, en de Hollandsche Oostïndische Maatschapy, van welke bezending hy zig ongetwyfeld mede by uitneemendheid verdienstelyk gekweeten moet hebben, aangezien hy, niettegenstaande zyne nederigheid, van zig zelven, desaangaande, zulk een hoog gevoelen had, dat hy naderhand betuigde, van die Compagnie wel zoveel verdiend te hebben, dat, al ware het dat alle anderen sliepen, zy voor hem behoorde te waaken: het hevige geschil tusschen de Remonstranten en Contraremonstranten, 't welk, ten dien tyde, ons lieve Vaderland beroerde en dat, niettegenstaande het een kerklyk geschil was, een twist over den Godsdienst, of liever eene betwisting van een vryen Godsdienst, dat zalige genot waarop alle menschen aanspraak hebben; niettegenstaande Christenen met Christenen, allen belyders van een' God van liefde, twistten, oorzaak werd van de smaadelykste en verachtelykste handelwyzen; dat hevige geschil, 't welk wy niet behoeven voor te draagen, aangezien het reeds menigvuldigmaal en met de natuurlykste verwen afgebeeld en dus by ieder bekend is, dat geschil werd door onzen Hugo, by zyne Britsche Majesteit verhandeld, en mede met een goed gevolg:—hy sprak in alles ten voordeele van de Remonstranten.
Zyn gedrag omtrent deze vredelievende menschen, over 't algemeen genomen, bragt hem in groote opspraak; men vond het onbegrypelyk, en althans ten hoogsten te bejammeren, dat een man, die, wegens zyne veele kundigheden, voor iets vreemds in de Natuur mogt gehouden worden, die den onsterfelyken Erasmus in veele opzichten gelyk was; in weinigen hem moest wyken, en in eenigen overtrof; dat zulk een man de Remonstranten toegedaan scheen te weezen: ondertusschen beoogde hy in alles niet anders dan de bevordering der kerklyke eendragt; dit betuigde hy in een' brief aan zynen vertrouwden vriend, Vossius, zeggende: Dat hy eeniglyk, waarvan God zyn getuige was, daarop toelei, dat 'er omtrent de kerklyke verschillen eene gemaatigde vryheid mogt vergund worden, dewyl zonder dezelve de eene scheuring uit de andere moest groeien.
Onder alle de bezigheden en zorgen, welken deze onrustige tyden hem verschaften, vergat hy zyne geliefde studiën niet: de edele Dichtkunst, zulk eene verhevene ziel dubbeld waardig, was zyne verkwikkende uitspanning; ja hy verliet zyne boekoefening niet, hoewel zyne staatsbemoeijingen ook van tyd tot tyd nog vermeerderden, 't geen onder anderen mede veroorzaakt werd door dat de Rotterdamsche Vroedschap hem, in den jaare 1616, benoemde, tot het Collegie der Gecommitteerde Raaden, mits evenwel dat hy het Pensionarisschap tevens bleef waarneemen. Zyn letterarbeid moest hy niet zelden besteeden tot het wederleggen van deze en geene geschriften, en tot het rechtvaardigen van het gedrag, by sommige Regenten gehouden: het beroepen van een Synode, ter vereffeninge der verschillen, was een der voornaamste pointen waarover men het niet eens kon worden, en dat den arbeidzaamen Hugo veel werks verschafte: de meeste Steden van Holland hadden staatswyze beslooten, dat het byeenroepen van zulk eene vergadering niet raadzaam was, en hadden tevens de Magistraaten magt verleend, om meer volk van wapenen, of Waardgelders, tot haare verzekering en tot afweering van daadlykheden aanteneemen: deze resolutie werd door anderen afgekeurd; waarop agt Steden beslooten zig desaangaande te verdedigen, en daartoe gebruikten zy "wel voornaamlyk de pen van onzen de Groot:" deze zag niet dan gevaar in het houden van een Synode, zo wel als in het afdanken der Waardgelders: zyn Exell. Prins Maurits, was in beide opzichten van het tegengesteld gevoelen, meenende dat de Waardgelders erger waren dan de Spaansche Kasteelen, en dat ze af moesten, al het welk wy thans niet breeder kunnen verhandelen; het zy voor het tegenwoordige genoeg, aangeweezen te hebben, wat eigenlyk de oorzaak was, dat onze groote Hugo in ongenade verviel, want die ongenade had niets anders dan het voorgemelde ten grondslage, en had ten gevolge, dat hy, benevens de Advocaat, van Oldenbarneveld, en Hogerbeets, Pensionaris van Leiden, op den 29, (Brand en anderen zeggen den 28,) Augustus des jaars 1618, te 's Gravenhagen in hechtenis genomen werd: ten zelfden dage viel ook het zelfde lot te beurt aan den Heere Ledenberg, Secretaris van de Staaten van Utrecht, die mede naar 's Gravenhagen gebragt werd.
Vermits de gevangenneeming geschied was uit naame van de Staaten Generaal, waren de Staaten van Holland daarover niet weinig gebelgd, aangezien zy alleen de wettige Heeren en Meesters over de gevangenen oordeelden te zyn: men begeerde dat hunne huizen hun ter gevangenisse zouden verstrekken: de Remonstranten waren neêrslagtig, ziende dat hunne voornaamste begunstigers ontwapend waren; de Contra-Remonstranten, integendeel, hieven daarover een triumphlied aan: de vrouwen der gevangenen leverden requesten in, ter verkryginge van 't geen de Staaten van Holland begeerd hadden: de Rotterdammers verlieten hunnen geliefden de Groot niet, zy vorderden van zyne Excellentie, dat hy, by de Staaten Generaal, het ontslag van dien waardigen man zoude bewerken, maar deze gaf ten antwoord: het is myn zaak niet; en ook waren alle andere pogingen vruchtloos.
Onze held zat mede niet stil om zyne verlossing te verkrygen, en zyne reeds bezoedelde eer, (wat heeft een braaf man toch waardigers!) te zuiveren, doch mede te vergeefsch; zelfs liet men, om zyn misdryf schynbaar te maaken, zyne papieren uit zyn logement haalen; men verplaatste hem in eene andere kamer, en gaf bevel, dat hy niemand mogt zien.—Hy verviel in ziektens; zyne onvergelykelyke Gemalin wendde alle moeite aan, om by hem te mogen komen, ja ook zelfs met aanbieding van mede gevangen te willen blyven; edel voorwerp!—met hoe veel gronds heeft de Prins der Nederlandsche Dichteren niet gezongen:
Deze braave vrouw, eenen Echtgenoot als de groote Hugo overwaardig, mogt echter het zoete byzyn van haar lieven man niet genieten, ook niet, schoon hy korts daarna zo gevaarlyk ziek werd, dat men hem twee Geneesheeren moest zenden—was dit eene geoorloofde handelwys, of was het wreedheid? de staatkunde zal hier anders oordeelen, dan de menschlykheid: wy oordeelen niet: Prins Maurits heeft gesteld, dat men op het recht niet moest zien, als het gevaar groot was; mogelyk heeft de staatkunde ook stelregels, volgends welken zy de menschlykheid mag doen zwygen! wat hier van zy, onze doorluchtige Gevangene had niemand anders tot gezelschap, dan zynen Dienaar, Willem van de Velde: in eenige ons ter hand gestelde berichten, vinden wy dezen Dienaar, Cornelis van de Velde genoemd, en by Vondel ontmoeten wy nog een andere Dienaar van onzen grooter letterheld, in het volgende vierregelig versje, ten opschrifte voerende: In het Stamboek van Christiaen Kas, Dienaar van zyne Excellentie Hugo de Groot:
Wy zullen ons vergenoegen, met dit alleenlyk aangetekend te hebben.—Op den derden September eerstkomende, werden de gevangenen voor de eerstemaal verhoord, door eenigen uit de vergadering der Staaten Generaal, niettegenstaande de Rotterdamsche Vroedschap begeerd had, dat sommige leden uit de vergadering van Holland daar by tegenwoordig zouden weezen: te vergeefsch ook zeide de Groot, begrypende dat hy niet voor zyn competenten rechter zou staan; dat hy, als geboren in Holland, een dienaar van een Stad van Holland, en gevangen genomen op den grond van Holland, geen Rechters kende dan van Holland; doch, voegde hy, om de bewustheid van zyne onschuld, en de gerustheid van zyn hart te doen blyken, daar by; ik wil des onverminderd, myne daaden voor ieder wel verantwoorden.
Op den gezegden dag werden hem, zo vóór als na den middag zestien vraagen gedaan, die alle voldoende door hem beantwoord werden.
Na dien tyd ontving hy verscheidene bezoeken, en moest weder op veelerleije ondervraagingen antwoorden; veele schynbezwaaren deeden zig voor hem op, die hy, de vryheid verlooren hebbende, niet kon oplossen, waarover hy zig eenige jaaren daarna ook beklaagde, zeggende: ongelukkig zyn ze, die, zonder toegang van Vrienden gevangen zittende, zig tegen zulke slinksche slagen niet kunnen verweeren.
Den 9den November werd het geval in de vergadering der Staaten van Holland in overweeginge genomen, en beslooten, dat 'er eenigen uit die vergadering zouden gecommitteerd worden, om, benevens de Gedeputeerden der andere Provinciën, over de examinatie te staan: onze Held moest wederom een en andermaal op de vraagen van dezen voldoen, en zelfs had men zo weinig medelyden met hem, dat hy genoodzaakt werd, staande eenen hevigen aanval van koorts, voor zyne ondervraagers te verschynen.
Op den 21 February des volgenden jaars, (1619), werden vier-en-twintig Rechters over de Gevangenen benoemd, aan elk van die Heeren werd verleend een bezegelde acte, dat niemant hun over deze zaak iets zou miszeggen of misdoen; en na gedaanen eed van getrouwheid en oprechtheid, leiden zy onderling in elkanders handen ook eenen eed af, behelzende dat zy aan niemand zouden openbaaren, iets "van 't geen in deze handelinge voor haar zoude passeeren."—Zeldzaame voorzorg!—kan eene rechtvaardige zaak...... maar wy verkiezen hier liefst geene aanmerkingen te maaken.—Op den 5 Maart, werd de ongelukkige voor de gezegde rechters gebragt, en den 16 April daaraanvolgende, voor de tweedemaal, door dezelven ondervraagd: wy vinden aangetekend, dat onze Held in dat verhoor verzocht, om zyne Deductie op het papier te mogen stellen; dat hem zulks eindelyk toegestaan werd; maar, (welk een zonderling voorbeding!) dat hy niet meer dan vyf uuren tyds, en niet meer dan één vel papiers daartoe mogt gebruiken: men begrype hoe hinderlyk deze bepaalingen hem hebben moeten weezen; evenwel omhelsde hy die bekrompene vergunning, en vervaardigde een geschrift, over welke inëengedrongenheid en kleinheid van letter, ieder verbaasd stond.
Zo lang hem het gebruik van pen en inkt vergund werd, verliet hy zyne geliefde studie niet, in weêrwil van alle de smartlykheden welken hem drukten, en die eene minder kloekmoedige ziel dan de zyne, zouden hebben doen kweinen.
Eindelyk werd de volle vierschaar over de gevangene Heeren gespannen, en hun vonnis geveld: wy zullen kortheids halven ons alleenlyk by onzen de Groot bepaalen, en denken den Lezer geen ondienst te zullen doen, met de Sententie, over hem uitgesproken, woordelyk over te neemen; dus luidt dezelve:
Alsoo Hugo de Groot, gewesen Pensionaris van Rotterdam, tegenwoordigh gevanghen: De Heeren Commissarissen by de Hoog Mogende Heeren Staten Generaal, tot examinatie van syn Persoon geordonneert; ende daar naar de Heeren Rechteren by de welgemelte hare Ho. Mog. tot vordere kennisse ende judicature van syne saacke gecommitteert, buyten pijne ende banden van ysere bekent heeft; ende de selve Heeren Rechteren voorts ghebleken is, dat niet tegenstaande niemandt gheoorloft en is, den bandt ende Fondamentele Wetten daar op de Regeeringe der Vereenighde Nederlanden gefundeert, ende de selve Landen door Godes genadigen zeghen teghen alle gheweldt, meneen ende machinatien haarder Vyanden ende quaadtwillighen, tot noch toe beschermt zijn, te violeren, ofte te verbreecken: hy Gevangen hem onderstaan heeft den standt van de Religie te helpen perturberen, ende de Kercke Godes grootelijcx te beswaren ende bedroeven; toe dien eynde sustinerende ende in 't werk stellende exorbitante ende voor den Staat van den Landen pernitieuse maximen; ende onder dien krachtich gesustineert ende anderen ingescherpt: ende in publycque vergaderingen, oock by diversche geschriften, propositien ende anders alomme helpen sustineren ende inscherpen heeft, dat elcke Provintie in 't syne alleen toequam de macht omme over de Religie te disponeren, en dat d'andere Provintien haar daar mede niet te bemoeijen en hadden. Dat hy mede toegestaan, ende by diversche gheschriften helpen vorderen heeft, dat verscheyden nieuwe opinien, strydende mette Formulieren van eenicheyt; te vooren in de Ghereformeerde Kercke noyt aanghenomen, nochte Wettelyck geexamineert, tegen alle Kerckelycke ordre in de Kercken hier te Lande zijn inghevoert, ende gedefendeert gheworden. Dat hy Ghevangen daar inne soo verre is gheckomen, dat hy wel wetende dat in de macht van Mannen van Schielandt niet en was, eenighe Placcaten te moghen maacken, hy op der selver Naame inghesteldt, ende gheconcipieert heeft een seecker rigoureus Placcaadt, het welcke uytgegeven is op den een-en-twintighsten Junij sesthien honderd sesthien, op den Name van Bailliu, Schepenen ende Mannen van Schielandt: de welcke wetende dat alle de publycke Kercken in 't selve Bailliuschap ingenomen waren by Predicanten mette voorsz. Nieuwicheden besmet, nochtans by 't selve Placcaat verboden hebben alle byeenkomsten tot oeffeninghe van de waren Ghereformeerde Religie, anders als in de voorsz. Kercken. Verklarende voor verbeurt Huys, Schuyr, Berch, Schip, Schuyt, Velt ofte andere plaatsen daar soodanighe oeffeninghe anders soude moghen werden ghedaan; alwaart schoon soo dat den Eygenaar daar toe gheen consent gegeven en hadde, den welcken ghereserveert werdt alleenelijck zijn regres tegens den Huyrman, ofte den ghenen die d'selfe vergaderinge daar beroepen hebben, oock met impositie van een mulcte van drie hondert gulden, tot laste van den ghenen die daar ghepredickt, Sacramenten gheadministreert, voorghelesen ofte andere Kerckelijke exercitien gedaan: Mitsgaders oock van de ghenen die de vergaderinghe by een geroepen soude hebben, ofte in de plaatse woont daar de selve soude gheschieden, daar voor hy datelijck sal mogen werden verseeckert, ende niet mogen werden ontslagen, aleer d'selve somme sal zijn ghenamptiseert, met ongewoonelijcke clausulen van proceduyren daar in te houden, als dat weygeringe van antwoort sal strecken confessie, ende dat op 't seggen van de Ghetuygen alleen recht gedaan sal werden. Dat hy Gevangen, omme te verhinderen dat daar tegen, nochte tegen het onwettelijck invoeren van de voorsz. nieuwe opinien, gheen remedie en soude werden ghestelt, ofte versien naar behooren, hy ghestadelijck helpen teghenstaan heeft, dat in de Vereenighde Nederlanden gheen Synode Nationaal soude gehouden ofte geaccordeert werden, niet teghenstaande de Coninghlijcke Majesteyt van Groot Brittannien, syn Excellentie ende de meeste Provintien, met vele van de notabelste Leden van Hollandt, oordeelden dat 't selve een seecker ende nootwendigh remedie was tot afweeringhe van alle de voorsz. swaricheden in den standt van de Religie verweckt. Dat hy Gevangen daar toe voorghegeven heeft, dat de Synode prejudiciabel waren 't recht van de Hooge Overicheyt deser Landen: dat in 't stuck van de Synode noch stemminghe noch overstemminghe en viel, ende dattet tegen de Hoocheyt, vry ende gerechtigheyt van den Lande van Hollandt soude strecken, dat men haar, ofte de meeste Leden van dien, teghen haaren danck, een Nationale Synode soude willen overdringhen. Dat hy Gevanghen om 't selve beter te verhinderen, met de Ghedeputeerden van eenighe Steden aparte vergaderinghen heeft ghehouden, om malkanderen te hooren, verstaan ende overkomen, ende dan met ghecomplotteerde eenigheyt, haare stemmen in de vergaderinghen van de Heeren Staten in te brengen. Dat hy Ghevangen sonder last van de Heeren Staten van Hollandt, ende sonder dat hem gebleecken is geweest van eenigen last der Heeren Staten van Uytrecht, ende Over-Yssel, hem vervordert heeft ten huyse van Johan van Olden Barnevelt, op den naam van de Provintien van Holland, Uytrecht ende Over Yssel conjunctim, te schryven seker protest, 't welcke sy oock in de vergaderinghe van de Heeren Staten Generaal inghebracht hebben, daar by sy t'samen teghen alle ordre in de selve vergaderinghe ghebruyckelijck, by forme van complot ghelijckelijck protesteerden tegen de Ghecommitteerden van de andere Provintien, dat sy wesen souden Autheurs ende veroorsaackers van onheylen ende swaricheden, door 't vorderen van de Nationale Synode: Welk protest hy oock te vooren op een onghewoonelijcke wijse in 't Collegie van de Ghecommitteerde Raden van Hollandt inghebracht ende voorghelesen hadde, sonder ordentelijcke resolutie daar op af te wachten. Dat hy Gevangen mede helpen toestemmen, ende mette vorder Gedeputeerden van de acht Steden doordringen ende helpen effectueren heeft, dat tot groote verachtinghe van de Bondtgenoten, den Brief by de Heeren Staten Generaal totte convocatie van de Nationale Synode gheschreven, aan de Heeren Staten van Hollandt ongheopent weder te rugghe ghesonden is gheweest. Dat hy mede helpen instellen heeft den Brief op de Naam van de Heeren Staten van Hollandt, geschreven aan de Konincklijcke Majesteyt van Vranckrijck, daar by gearbeyt werd omme de selve syne Majesteyt inne te beelden teghen de waarheyt, dat de meyninge in 't uitschrijven van de Synode Nationaal was, omme de Hooge Overicheyt, de Edelen ende notable Vasalen van den Landen te benemen haar recht van collatie ofte Patronaatschap. Dat de Heeren Staten Generaal in de uitschryvinge van de selve Synoden usurpeerden den naam van de Staten Generaal, ende daar by de selve Majesteyt versocht werdt, niet te willen toelaten dat eenighe van syne Onderdanen op de selve Synode souden komen, maar veel eer die van Hollandt teghen de Factie der andere Provintien (soo sy dat daar noemen) te assisteren, alle omme de voorschreve Nationale Synode, ende 't remedie tegen de swarigheydt in de Religie voorghenomen, te verhinderen. Dat hy Gevangen daar toe in Enghelandt op het aanmanen van Johan van Olden-Barnevelt, mede ghefondeert heeft de humeuren van de Bisschoppen, omme ten uytersten komende eenige op de Synode te moghen krijghen, die de voorsz. nieuwigheyt niet teghen en waaren. Alles niet teghenstaande alle de Geunieerde Provintien by diversche Recessen, Tractaten Accoorden ende Resolutien, onderlinghe den anderen belooft hebben, ende verbonden zijn, met lijf, goedt ende bloedt te maintineren de Gereformeerde Euangelische Religie, alomme in dese Landen aangenomen, sonder eenige veranderinghe daar inne te doen, ofte ghedoogen ghedaan te worden; ende dat in conformiteyt van de selve in den Jare vijfthienhondert acht-en-tachtigh, alle de Eeden van de Gouverneurs, Oversten, Capiteynen ende Soldaaten, ghedresseert, ende sulcx gearresteert waren, dat sy getrouwigheydt mosten sweeren aan de Heeren Staten Generaal, die by de Unie, ende de hanthoudinghe van de ware Ghereformeerde Religie souden blyven: ende dat in alle Tractaten van 't overgaan van de Steden bedonghen is gheweest, datse souden moeten aannemen de oeffeninge van de voorsz. Religie, sulcks die by de Bondtgenooten alomme aanghenoomen was, Dat hy Gevangen dit alles achtende niet ghenoegh te zijn, hem mede onderstaan heeft den standt van de Politie te helpen turberen, omme daar inne oock alles naar haren appetijdt te mogen bestellen: Dat hy Gevangen daar inne sulcken cours heeft helpen handhaven, dat diversche Persoonen soo Kerckelijke als Wereltlijcke, die klaaghden teghens recht beswaart, gebannen, uitgeleydt ofte geoppresseert te wesen, daar teghen in Justitie niet en hebben moghen werden ghehoort, nochte 't complement van dien ghenieten: maar dat de Magistraten van de Steden ghestijft zijn gheworden, omme de bevelen van de ordinaris Collegien van Justitie dies aangaande niet te gehoorsamen. Ende omme malkanderen daar inne te stijven, ende alle dit voornemen met de authoriteyt van de Heeren Staten te mogen bedecken: dat hy Gevangen daar op ende op andere saacken met de Gedeputeerden van de voornoemde Steden, ter aanmaaninghe van den voornoemden Jan van Olden-Barnevelt, veele ende diversche aparte vergaderingen, ende Conventiculen heeft gehouden, omme malkanderen oock daar inne te hooren, verstaan ende overkomen, ende alsoo haare stemmen met ghecomplotteerde eenigheydt in de vergaaderinghe in te brenghen, ende te formeren resolutien haar daar toe dienstigh: alwaar mede gherecapituleert zijn diversche poincten, soo nu ende dan in de deliberatie van de Staten gebracht, omme daar van een generale conclusie te maken, ghelijck oock dienvolgende ghedaan, ende by den voornoemden Johan van Olden-Barnevelt inghestelt is, ende voorts in een mondelinge gheneraale conclusie ghebracht, de scharpe resolutie van den vierden Augusti 1617, by de welke de bevelen van de ordinaris Justitie teghen haar voorsz. voornemen verleent, verklaardt werden nul ende van onwaarden, ende de Magistraaten van de Steden gestijft die niet te ghehoorsamen: ende voorts gheauthoriseert, omme haar selven te moghen stercken met nieu gewapent Krijghsvolk, by elck van hemluyden te lichten in haren particulieren ende besonderen Eedt, buyten den ghemeynen Eedt van de Bondtgenoten, ende daar by mede alle Officeren, Justicieren, ende die in den Eedt van den Lande van Hollandt zijn, op haaren Eedt geastringeert werden, de selve resolutie te moeten helpen uytvoeren: ende voorts oock gheordonneert, dat alle Oversten, Capiteynen, Officieren ende Soldaaten van 't ordinaris Krijgsvolck ernstelijck belast ende bevolen sal werden, de Heeren Staten van de particuliere respective Provintien haare betaals-Heeren, ende de Magistraaten van de Steeden daar sy in Guarnisoen ghebruyckt werden (niet tegenstaande eenige andere bevelen) getrouw ende gehoorsaam te wesen op peine van cassatie. Waar op ghevolght is dat men de Justitie noch vorder heeft beginnen teghen te staan, ende dat op den Naam van de Magistraat van Haarlem, by openbaare publicatie, met kennisse van hem Gevangen inghestelt, ende by hem gevisiteert wesende, den Hoogen Rade in Hollandt in hare Persoonen voor wederhoorige, ende als ghedaan hebbende tegen haare Eere en Eedt, ende haare Sententien voor nul zyn verklaart gheweest, om datse Justitie gheadministreert hadden aan eenige Persoonen die klaaghden teghen recht geoppresseert te wesen, daar op mede gevolght is dat de Magistraaten van de voorsz. acht Steden, op diversche aanmaninghen haar ghedaan by den voornoemden Johan van Olden-Barnevelt, van wel op haar hoede te wesen, nieuw ghewapent, ende onder Vaandelen ghedresseert Krijgshvolck hebben aanghenomen, ofte die sy te vooren aanghenomen hadden, verandert, ende versterckt, ende dat in elcx heuren particulieren ende bysonderen Eedt, met uytsluytinge van de Generaliteyt ende syne Excell. als Capiteyn Generaal, ende met last de bevelen van de respective Magistraten alleen te ghehoorsamen tegens allen ende eenen yegelijcken, oock selfs teghen de Generaliteyt ende syn Excellentie, als de voornoemde Magistraaten meynen souden by de selve, yet voorghenoomen te werden, dat sy achten souden teghen haar recht ende vryheyt te strecken. Dat hy Gevangen mede aanghenoomen heeft de voorsz. vermaaninge van den voornoemden Johan van Olden-Barnevelt, ende toeghestaan dat tot Rotterdam, gelijcke lichtingen zijn gedaan: ghelijck mede dat in krachte van de voorsz. resolutie Commissarisen naar den Briele zijn gesonden, buiten weten van syn Excellentie als Capiteyn Generaal, om 't ordinaris Krijghsvolck, daar in Guarnisoen legghende, te dringhen tot den voorverhaalden Eedt, ofte die te casseren. Dat hem Gevanghen wel kennelijck is geweest, dat 't voorsz. nieuw Gewaapent Krijghsvolck, niet en is ghelicht gheweest alleen teghen populaire factien, soo om dat de selve mede ghelicht zijn by die van der Goude, ende Hoorn, daar gheen populaire factien en stonden te vreesen, als mede tot Uytrecht, daar de Stadt t'zedert den Jaaren sesthien hondert thien tegen alle populaire factien, met een sterck Guarnisoen was beset, ende dat die van Rotterdam ende Uytrecht haare nieuwe Soldaaten, toeghesonden hebben, om de Stadt van Schoonhooven, daar twee Compagnien van de Gheneraliteyt, in Guarnisoen laaghen, mede voor haare factie te verseeckeren. Gelijck hy Gevanghen mede ghepoocht heeft eenighe van de Vroedschap van Delft te induceren, datse mede nieuw Krijghsvolck souden behooren te lichten, ende dat tot afweeringhe van populaire factien, soo grooten ghetal nieuwe Soldaaten niet van noode en waren, nochte oock datse daaromme ghehouden souden werden buyten den Eedt van de Generaliteyt, ende van den Capiteyn Generaal. Dat hy Gevangen mede helpen delibereren heeft, omme de onkosten ende betaalinghe van 't selve nieuw gelichte Krijghsvolck onder de geintresseerde Steden by repartitie te vinden, ofte oock tot laste van de Generaliteyt te brenghen: daar hy Gevangen nochtans selfs bekent dat de selve ongehouden waren de Staten-Generaal te ghehoorsamen, als de bevelen van de respective Magistraaten van de Steden daar teghen souden wesen. Dat hy Gevangen oock helpen delibereren heeft, omme de Fransche Troupen te casseren, ofte de starcke Compagnien te reduceren, omme met de penninghen van dien de voorsz. nieuwe Soldaaten, te moghen betaalen. Dat hy Gevangen, in krachte van de voorsz. resolutie, den Eedt, van 't ordinaris Krijghsvolk soo mede heeft willen ende helpen duyden, dat die voor al de Staaten van de respective Provintien haare Betaals-Heeren, ende der selver resolutien mosten obedieren ende gehoorsaamen, ende mede van de Magistraaten van de Steden daar sy in Guarnisoen legghen, oock teghen de Generaliteyt ende syn Excellentie als de bevelen van de respective Betaals-Heeren ende Magistraaten anders wesen souden als de bevelen van de Generaliteyt ende syn Excell. omme die van haare factie, soo daar door, als door 't lichten van de nieuwe Soldaaten, Meester te maacken van 't meeste deel van 't volk van Oorloge van de Landen. Dat hy Gevanghen in de voorsz. aparte vergaaderinghen mede toegestaan heeft, dat een verklaringe by hem Gevangen, Haan, ende Hoogerbeetz, ingestelt met advijs van de voorsz. Johan van Olden-Barnevelt, ende op den Naam van die van Haarlem in de Staten van Hollandt ghebracht, ende by de andere Leden van haare factie goedt gevonden is, daar by gheseyt werdt datse niet en sullen ghedoogen dat by de andere Provintien van de Unie in het stuck van de Religie buyten haar consent yet ghedaan soude werden: Dat teghen haare resolutien by de Hooven van Justitie, gheen provisien en souden werden verleent: Dat de middelen van de Landen voor al tot afweeringhe van dien sullen werden ghebruyckt: Dat 't voorsz. Krijghsvolck Eedt souden moeten doen aan de Magistraaten, daar sy in Guarnisoen gheleydt werden om de selve te defenderen, alwaart dat by haar yet bevoolen mochte werden, oorsaacke oft pretext nemende uyt 't stuck van de Religie, ende daar mede sy op onghewoonelijcke wyse haare consenten waaren limiterende, ende in effecte andere Steden, ende Leden, als tot een nieuw verbondt inviterende, de selve mede doende translateren in Franchoys, ende buytens Landts seyndende, daar van hy Gevangen mede communicatie heeft ghehouden met een uytheems Ambassadeur. Dat hy Gevangen over 't besetten van den Brielle met ordinaris Garnisoen van de Generaliteyt, op dat gheen nieuwe Soldaaten daar ghelicht en souden werden, syn misnoegen ghetoont heeft, doende met eenighe andere Ghecommitteerde Raden daar over seer bedenckelijck schrijven, aan den voornoemden Johan van Olden-Barnevelt, ende de Steden van Hollandt, ende naar den Briele deputeren uyten haaren, omme syne Excellentie, daar inne te contrequarreren. Dat hy Gevangen omme haare factie noch vorder te styven met de Ghedeputeerden van de voorsz. acht Steden, goedt gevonden ende ontworpen hebben seeckere procuratie van den veerthienden May, sesthien hondert achthien, by de voorsz. acht Steden verleden op haare Ghedeputeerden, in krachte van de welcke, de selve sonder vorder rapport souden mooghen resolveren, met alsulcke middelen als alreede by der handt ghenoomen, ofte noch te nemen souden zyn, tot feytelijcke teghenstandt, van alle de gheenen die de Synode Nationaal, souden willen vorderen, ofte voornemen omme haare nieuwe ghelichte Soldaten te casseren, dat tegen niemandt anders en konde dienen dan tegen syn Excellentie, ende de Staten Generaal, die tot beide de voorsz. poincten vorderinghe deden. Dat oock de selve Ghedeputeerden in krachte van dien, malkanderen souden mogen versien ende verseeckeren met alsulcke belofte, bystandt, hulpe ende indemniteyt als sy bevinden souden noodich te wesen: streckende alsoo een nieuw verbondt onder malkanderen aangegaan, ende daar toe mede gepoocht is gheweest te trecken de Staten van Uytrecht, op wiens name op den derden Juny sesthien hondert achthien, Stilo veteri, daar naar ghelijcke procuratie is uytgegheven: maar de Magistraat der Stadt Utrecht apprehenderen waar toe die ghevordert werde, en heeft daar inne niet willen consenteren, dan onder expresse limitatie den thienden Junij daar aan volgende daar by ghedaan, dat haare Gedeputeerden de selve niet en souden mogen gebruycken omme tot datelyckheyt ofte extremiteyten te procederen, ofte nieuwe verbonden buyten de gemeene Unie te maken. Ende als de Heeren Staten van Uytrecht bemerckten dat het onderhout ende continueren van haare nieuwe Soldaten ruyneerden den staat van haare Finantien, ende daaromme in Junio sesthien hondert achthien, haare Gecommitteerden in competenten ghetale naa den Haghe gesonden hadden, omme met syn Excellentie op 't casseren derselver te handelen, dat hy Gevangen mette Pensionarissen Haan ende Hoogerbeetz ten huyse van Johan Uytenbogaart, ende metten Secretaris Ledenbergh, beraamt hebbende redenen ende middelen waar mede men de vordere Gecommitteerden van Uytrecht soude mogen moveren ende disponeren omme haaren last dien aangaande niet te openen, ende daar af rapport ghedaan hebbende aan den voornoemden Johan van Olden-Barnevelt: Dat hy Gevangen daar naar mette voorsz. Pensionarissen, sonder last van syne Principalen daar toe te hebben, hem laten vinden heeft by de voorsz. Ghecommitteerden van Uytrecht ten huyse van Daniel Tresel, expresselyck daar toe vergadert, ende de selve met vele scherpe pernicieuse ende voor den staat ende ruste van de Landen ondienstige middelen ende motiven, ende oock belofte van assistentie, ghepersuadeert heeft, omme haren last aan syn Excellentie niet te openen, maar weder te keeren naar Uytrecht, tot groot ghevaar ende prejuditie van die Staat ende Stad: Dat hy in de selve motiven de Heeren Staten Generaal ende syne Excellentie ghetaxeert heeft voor parthyen, quaatwillighen, daar men met couragie moste teghen gaan, ende de middelen van de Landen voor al daar toe gebruycken: Dat 't casseren der nieuwe Soldaten de voorsz. quaatgunstighen goeden moet soude gheven, ende een irreparabel prejuditie voor haar factie maaken, oock vol peryckels was van in meerder ghevaar te vallen, ende de andere gheinteresseerde Steden t' onvrede te maken, dat men mette ordinaris Garnisoen niet vast en ginghe, datse in desen couragie mosten thoonen: Dat de gheinteresseerde Steden ende Leden van Hollandt haar de handt souden bieden ende de saacke met ghemeender handt helpen uytvoeren, ende met alle moghelycke devoiren onbeweeghlyck daar by blyven. Dat die van Hollandt sulcke ordre op haare Finantien souden stellen, dat die van Uytrecht daar af verlichtinghe souden voelen, ende dat de selve oock sulcke ordre souden stellen op de Soldaaten van haare repartitie, dat se weten souden wie te betrouwen, ofte niet te vertrouwen souden wesen: alles niet teghenstaande hy Gevangen bekent, in syn gemoet de openinge van den voorsz. last, een goedt ende bequaam middel gheacht te hebben, om vele swaricheden te ontgaan. Ende als de Heeren Staten Generaal, syn Excellentie hadden versocht, ende eenighen uyten haaren ghecommitteert, omme naar Uytrecht te gaan, ende de cassatie der voorsz. nieuwe aanghenomen Soldaten, ende het inwillighen van de Synode Nationaal, ende eenighe andere saacken daar te bevorderen, dat hy Gevanghen by weynighe uyt den Heeren Edelen, ende de Gecommitteerde van drie Steden, ende van weynighe Gecommitteerde Raden, die tot sulcks gheenen last van hare Principalen en hadden, hem heeft laten deputeren, om neffens den Pensionaris Hoogerbeets ende anderen naar Uytrecht te gaan, omme de Heeren Staten aldaar, ende de Magistraat van de Stadt aan te bieden assistentie van raadt ende daadt: ende indien Syne Excellentie ende de Gecommitteerden van de Generaliteyt souden willen poogen de cassatie der nieuwe Soldaten aldaar te doen, sonder consent van de Staten van Uytrecht, 't selve datelijck te helpen beletten: Bekennende heure intentie gheweest te zyn, de intentie van de Heeren Staten van Uytrecht te seconderen, ende by de ordinaris Soldaten te doen seconderen, daar toe mede nemende brieven aan de Kryghs-Oversten van 't ordinaris Kryghsvolck, staande op de repartitie van Hollandt, geminuteert by den voornoemden Johan van Olden-Barnevelt, noch in de Vergaderinghe (soo die was) niet gelesen, waar by de selve aangheschreven werde, dat sy ghehouden ende verbonden waren haare Betaalsheeren, midtsgaders de Heeren Staten van de respective Provintien, daar inne sy zyn ofte gebruyckt werden, gehouw, getrouw ende gehoorsaam te wesen, ende de selve te assisteren in 't onderhouden ende doen onderhouden van alle derselver resolutien, sonder daar teghens yet te moghen doen ofte te attenteren, nochte gedoogen ghedaan ofte geattenteert te worden. Dat hy Gevanghen in haaste tot Uytrecht ghekomen wesende, ende aldaar in aparte vergaderinghe geconsulteert hebbende metten voornoemden Ledenbergh, op de middelen ende presentatien die men de Heeren Staten aldaar soude moghen voorhouden, omme de cassatie der nieuwe Soldaten ofte Waardgelders niet toe te staan, maar de selve te verhinderen, dat hy Gevanghen met Hoogherbeetz ende andere syne Complicen daar naar in de vergaderinghe van de Heeren Staten haare propositie hebben ghedaan, ende assistentie van raadt ende daat belooft als vooren, ende oock van ghelycken ghedaan by de Magistraat van de Stadt, selfs met bedenckelicke redenen in regard van de Heeren Staten Generaal, ende syne Excellentie. Alles daar toe streckende omme deselve te encourageren, ten syne datse sonder haar consent de nieuwe aanghenomen Soldaten niet en souden laten casseren. Ende als syn Excellentie ende de Gecommitteerden van de Staten Generaal aldaar mede ghekomen waren, ende haare propositie, volghende haaren last hadden ghedaan, dat hy Gevanghen hem heeft laten employeren, omme inne te stellen de antwoordt aan de selve, op den Naam van de Heeren Staten van Uytrecht te gheven, daar inne hy de Ghecommitteerden voorsz. niet en heeft willen erkennen in de qualiteyt als Gecommitteerden van de Heeren Staten Generaal, aan de welcke nochtans sy haare credentie overgelevert, ende haare propositie ghedaan hadden. Dat hy Gevangen tot Uytrecht hem mede bemoeyt heeft mette saacken van de State van 't Lant van Uytrecht, ende in aparte vergaderinghen daar over ghestaan, daar aan den Capiteyn Hartevelt gegheven werde 't Commandament over de nieuwe Soldaten. Dat hy mede gepoogt heeft in 't particulier een van de Burghemeesteren van Uytrecht te disponeren totte continuatie der nieuwe Soldaaten: Oock metten Commandeur in deliberatie gheleydt wat men doen soude indien syn Excellentie tot feytelijcke cassatie wilde procederen. Dat hy ghearbeyt heeft om de Heeren Staten aldaar tot feytelycke teghenstandt van dien te beweghen, radende dat sy aan haare Poorten goede Wacht houden, ende op haar verseeckertheyt wel letten souden, oock op haar Stadhuys, ende daar eenighe Schutters doen waacken: ende verstaande dat den Capiteyn Hartevelt swaricheyt maackte teghen de Heeren Staten Generaal ende syn Excellentie te dienen, dat hy Gevangen daar op gheseyt heeft, dattet een rechte poltronnie ende groote ontrouwicheyt was, die niet strecken en konde tot reputatie ofte dienst, hem daar over seer verwonderende. Dat hy Gevanghen om 't ordinaris Krijghsvolck van de Generaliteyt mede tot teghenstant als vooren te beweghen, deselve voorghehouden heeft haaren Eedt, ende die alsoo willen duyden, datse niet gehouden en waren de Generaliteyt ende syn Excellentie te obedieren in 't ghene strecken soude teghen de bevelen van de Staten van Uytrecht, maar ter contrarien de bevelen ende resolutien van hare betaals-Heeren ende van de Staten van Uytrecht te volbrengen ende doen volbrengen, sonder daar tegen te doen ofte attenteren, ofte ghedoogen ghedaan te werden, dreyghende de selve datmense niet betalen en soude, indien sy yet daar teghen deden. Dat hy ende syne Complicen haar niet ontsien en hebben den Commandeur te bevelen niemant anders als haar, ende de Staten van Uytrecht te pareren: ende omme syne intentie totte voorsz. tegenstant wel te bethoonen, dat hy Gevangen even daachs voor het casseren der nieuwe aanghenomen Soldaten voornoemt, de Brieven die sy aan de Kryghs Oversten van 't ordinaris Kryghsvolck hadden, noch overgelevert hebben, omme de selve ten minsten stille te doen staan. In welcken ghevalle den voornoemden Ledenbergh ende anderen, voorgaven haar saacke wel te boven te konnen komen, mette ordre die sy seyden over haare nieuwe Soldaten ghestelt te hebben. Dat mede hy Gevangen den selven nacht communicatie metten Commandeur heeft gehouden, ende met hem ghedelibereert by wat middelen men soude konnen beletten, dat syne Excellentie geen meer Kryghsvolck in de Stadt en dede komen, ende omme ten dien eynde, goede Wacht aan de Poorte van Amersfoort te houden, noemende te wesen ghewelt, indien Syn Excellentie daar toe de Poorten wilde doen openen. Alle welcke proceduyren daar toe ghestreckt hebben, om niet alleen de Stadt van Uytrecht in een bloedtbadt, maar oock de Staat van de Landen, ende de Persoon van syne Excellentie in 't uyterste ghevaar te brenghen, daar door, ende door alle syne vordere machinatien ende conspiratien gevolgt is; datter Staaten in Staaten, Regieringe in Regieringe, ende nieuwe verbonden in, ende teghen de Unie opgherecht, generale perturbatie in den staat der Landen, in 't Kerckelycke ende Polityck ghekomen, de Finantien uytgheput, ende de Landen op ettelycke milioenen aan kosten gebracht, gheneraale dissidentien, ende dissensien, onder de Bondtgenoten, ende Ingesetenen van de Landen inghevoert: De Unie verbroocken: De Landen tot haar eyghen defensie onbequaam gemaackt, ende in pericule ghebracht zijn van te moeten vervallen, tot eenighe schandelycke handelinghe, ofte tot haaren gheheelen onderganck; die daaromme, in een Welghestelde Regeeringhe niet en behooren gheleeden, maar anderen ten exempel ghestraft te werden. SOO IS 'T, Dat de Heeren Rechteren voornoemt, met rype deliberatie van Rade, doorghesien, ende overwoghen hebbende, alle 't ghene ter materie dienende is, ende heeft mogen moveren, doende recht in den Name, ende van weghen de Hoochgemelte Heeren Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden, den selvighen Gevangen gecondempneert hebben, ende condempneeren hem mits desen, tot een eeuwige gevangenisse, ende indien-volgende gebrocht te worden in een verseeckerde plaatse, by de Hooghgemelte Heeren Staten Generaal te ordonneren, ende aldaar syn leven lang gehouden en bewaart te worden; ende verklaren alle syne Goederen geconfisqueert. Aldus ghedaan in de Vergaderinge van de voorsz. Heeren Rechteren in 's Gravenhage, ende gepronuncieert den 18. May, anno 1619.
Zie daar een zeer aanmerkelyk stuk—welk een drom van beschuldigingen!—en dat ten laste van een man zo groot als De Groot!—De aankanters tegen het huis van Oranje kennen deze Sententie genoegzaam van buiten: de Hemel weet hoe veel duizende maalen dezelve in onze dagen niet wel geleezen en herleezen is!
Zeide de meergemelde groote Dichter, Vondel, in zyne Opdragt van Hippolytus aan den getrouwen Hollander, (onzen De Groot naamlyk,) niet te recht:
Met groote aandacht en blyken van eene zonderlinge gerustheid van ziel, werd het vonnis door den gevangenen aangehoord; alleenlyk keerde hy zyn hoofd om, wanneer 'er iets geleezen werd, dat, naar zyn oordeel, met de waarheid niet overëenkwam: naderhand schreef hy in zyne gedrukte verantwoording, dat 'er in de Sententie veele pointen stonden, die nooit by hem bekend, maar wel uitdrukkelyk ontkend waren, en gesteld met uitlaating van de noodige omstandigheden, en met byvoeging van ongegronde gevolgen, uit zyne woorden getrokken; ja zelfs dat 'er eenige opstonden, daar hy nooit op gehoord was: wanneer men dit zeggen van onzen Held nagaat, is zeer gemaklyk te begrypen, wat de drangreden geweest is tot de bovengemelde zeldzaame voorzorg, omtrent de verkozene Rechters genomen; welke voorzorg, trouwens alleenlyk tot nadeel der gevangenen, uit het oog verlooren werd, in de uitschryving van een' Biddag, die den 17den April gehouden stond te worden; want in die uitschryving werden de gevangenen niet weinig beschuldigd, regelrecht strydig met het gemaakte verbond, van daaromtrent niets te zullen openbaaren, gelyk dan ook door veele Predikanten geweigerd werd, gezegde uitschryving van den Predikstoel den volke voor te leezen; schoon zy om die weigering van hunne kostwinning ontzet werden.
Op den 5den Juny eerstvolgende, des avonds, tusschen elf en twaalf uuren, werd Hugo naar het bekende Loevestein gevoerd, met bevel, dat niemand by hem mogt komen, zelfs ook zyn oude vader niet: voords werd hem 24 stuivers daags toegelegd, welk sober tractement echter door zyne heldhaftige Gemaalin geweigerd werd, alzo zy voorneemens was, den haar zo dierbaaren gevangenen op haare eigene kosten te onderhouden.
Zie daar dan den grooten Hugo binnen den omtrek der muuren van een kamer bepaald—welk eene ommekeer!—van pas herinneren wy ons de woorden waarmede de laatstgenoemde Dichter zynen Palamedes ten tooneele doet verschynen:
De Commandeur van het Slot, zynde de Luitenant Jacob Prounink, genaamd Deventer, had bevel, dat de Huisvrouwen der gevangene Heeren in de keuken zouden mogen kooken; dat de Dienstmaagd de spyzen bovenbrengen en weder afhaalen mogt, mits door den Commandeur in- en uit-gelaaten te worden, en dat de Huisvrouwen tot Workum of Gorkum mogten reizen, om het noodige te koopen: korten tyd daarna werden de vrouwen nog nader bepaald, naamlyk in diervoegen, dat ze by haare mannen opgeslooten mogten blyven, zo lang zy wilden, maar niet van hun afgaan, dan met consent: ook werd den Commandeur gelast, voor het bepaalde geld van 24 stuivers daags, zelf de gevangenen te moeten spyzigen; waarop de braave Reigersbergen zeide, dat haar man niet gewoon was zo soberlyk te leeven; dat men, ingevalle de meening van de Heeren was, hem de keel toe te binden, en van gebrek of ongezondheid te laaten vergaan, hem dan alzo lief had mogen handelen, gelyk men den Advokaat gedaan had: recht manlyke taal! uitmuntende vrouw! overwaardig dat het verstandige gedeelte uwer sexe u bewondere, gelyk het u bewondert—zouden myne leezers hiervan onkundig kunnen weezen? te berucht zyn, om my by het schitterendst vernuft van onzen tyd; by de schranderste vrouw, het voorbeeld van gezond verstand, doordringend oordeel, levendige verbeelding, ongeveinsd hart, vrolyken en arbeidzaamen aart, om my by het pronkjuweel van Neêrlands geleerde vrouwen te bepaalen; te berucht zyn de werken van de groote Elizabeth Wolff, geboren Bekker, die ontelbaare lauwers, en nog onlangs eenen voor alle ander vernuft onverkrygbaaren krans behaald heeft; te veel worden de werken dier voorbeeldige vrouwe geleezen, dan dat men niet zou weeten, hoe breed de lof van Hugo's Gemaalinne door haar uitgemeeten wordt: dus zingt zy onder anderen in haar Walcheren,[4]:
Het antwoord dat Reigersbergen haare vrienden gaf, toen dezen haar aanspoorden tot het verzoeken van pardon voor haar' man, welk verzoek zelfs door den Raadsheer Vosbergen, op begeerte van zyne Exellentie, ondersteund werd, is door de gemelde groote Dichteres, in de volgende verzen gebragt,[5]:
Wy zullen terstond de geleerde Elizabeth nog eens van de kloekmoedige Maria hooren zingen.
De fiere uitdrukking, door de laatstgenoemde, wegens het spyzigen van haaren man, gebruikt, veroorzaakte veel moeite, om van Prounink verlof te verkrygen, dat zy naar den Haag mogt gaan, om haare bezwaaren by H.H.M. intebrengen, eindelyk gelukte dit evenwel, en de roemwaardige vrouw bragt, niet zonder veel loopens en biddens, ten wege, dat zy met haare vyf kinderen, vier of vyf weeken op het Slot zou mogen blyven, en twee of drie maal daags af- en toe-gang hebben; dat ze ook van de keuke, en de kinderen en dienstboden van slaapplaatzen zouden voorzien worden; mitsgaders dat 'er dagelyks een geneesheer uit Gorkum, by De Groot, die door de koorts in 't bed gehouden werd, mogt komen: zie daar schreeuwende gunstbewyzen!—dan men kon dezelven ligtlyk toestaan, want de gevangene had nog genoeg te lyden: sterk drukt de bovengemelde groote Dichteres zig desaangaande uit, in een' brief van Arnold Geesteranus aan Maria van Reigersbergen (Bladz. 45), daar zy Arnold deze woorden laat schryven:
Bevreesd dat Hugo, door middel van touw en rappe handen, zyn lyden zou ontvluchten, had men reeds beslooten, de kleine vengsters zyner gevangenis nog digter te maaken, "waardoor hy meer benaauwing van licht en lucht, ten nadeele zyner gezondheid zou gehad hebben," maar zyn Geneesheer wist zo veel dringends, nopens zyne zwakheid te zeggen, dat men hem de genade bewees, om het lieve daglicht te mogen zien, en de gezonde werking van versche lucht te mogen genieten: ô ja, de groote Hugo, het uitmuntend mensch, werd tot zo verre van den medemensch, waarschynelyk vry minder groot, begenadigd, dat hy in 't algemeene geschenk van God mogt deelen: hy mogt den dageraad zien aanbreeken—maar zuchtende: hy mogt de avondschemering al 't aardsche zien bedekken—maar klaagende—des niettegenstaande werd de mensch door den mensch begenadigd.
Men denke echter niet dat zyn ryk verstand hem geene onuitputtelyke bron van troost zou verschaft hebben; ongetwyfeld zyn 't slechts oogenblikjes geweest, dat de mensch het roer in handen gehad heeft, en zekerlyk is 't getal dier oogenblikjes nog verminderd door de toegenegenheid zyner geleerde vrienden, waaronder boven allen te tellen zyn, de Heeren Van Maurier, Scriverius, Erpenius en Vossius, die heimelyk briefwisseling met hem hielden: Vossius vermaande hem, dat hy moest denken aan zynen naam, en aan de gulde spreuk van Seneca:
Men kon niet weeten, schreef die geleerde man, wat God nog met hem voor had—voorwaar uitmuntende troostwoorden in de ooren des verstandigen; wat weet ik, zegt deze, ik die het algemeene plan niet kan overzien..... maar wy moeten by onzen Hugo blyven.
Dezelfde Vossius zond hem nu en dan eenige boeken, zulks deed ook Erpenius, die te Gorkum geboren was, en aldaar een zuster had, getrouwd met zekeren Adriaan Daatselaar, welke op verzoek van den Heere Erpenius, de gevangene Heeren De Groot en Hogerbeets, getrouwlyk met raad en daad bystond: alles wat, ten behoeven van de gezegde Gevangenen, uit Holland naar Loevestein, of vandaar herwaards overgezonden werd, kwam eerst aan het huis van Daatselaar; dus ook het koffer, waarin de boeken, bovengemeld, van wegen Erpenius gezonden werden, en door middel van welk koffer de beroemde Hugo, op aandrang van zyne Gemalinne, uit het bange Loevestein ontsnapt is; te beter gelukte deze list, om dat dezelve niet te overhaast in 't werk gesteld werd, want men ondernam niets, voor dat het af- en aan-brengen van het boekenkoffer als eene gewoonte geworden was; niets voor dat men het koffer niet meer opende, om te zien wat 'er in was, 't geen in den beginne telkens gedaan was geworden.
Veel viel 'er intusschen nog voor, zo over het verkoopen der verbeurd verklaarde goederen van den Gevangenen, als over het uitgeeven van deszelfs afbeeldzel, al het welk door anderen breedvoerig beschreeven is, en niet tot ons plan behoort; Prounink bleef ook bestendig zyn best doen, in het onredelyk behandelen van den ongelukkigen De Groot; terwyl evenwel de braave Maria, niet zonder groote moeite, vergund werd, eens ter week om nooddruft te mogen uitgaan, of te zenden.
Onze Held bragt zyn' tyd door met leezen en schryven, en ook somtyds met het naloopen van een' dryftol, ter bevorderinge of onderhoudinge zyner gezondheid—Onder zynen Loevesteinschen arbeid, muntte uit, het reeds door ons genoemde werk, Inleiding tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheid, en, Het bewys van den waaren Godsdienst, dat hy met deze verzen sloot:
Een gedeelte van den gezegden arbeid bestond ook daarin, dat hy zynen Dienaar van den Velde, in de Latynsche Taale, en de gronden, der Rechtsgeleerdheid onderwees; en deze moeite is voorwaar met den allerzonderlingsten uitslag bekroond; want by vervolg van tyd, huwde die braave dienaar met de Dienstmaagd van Mevrouw van Reigersbergen, genaamd Elsje van Houwening, welke, gelyk welhaast blyken zal, een voornaam hulpmiddel geweest is, ter ontkominge van den ongelukkigen Hugo; van den Velde, verwierf den tytel van Advocaat voor het Hof, ja heeft zelfs de eer gehad, van den uitersten wille zyner Hoogheid Fredrik Hendrik, te schryven.
Na onze Held nu byna twee jaaren op de voorgemelde wyze doorgebragt had, viel het oog van zyne schrandere Gemalinne op het koffer van den Heere Erpenius, en zy sloeg haaren man voor, om zig, onder den naam van boeken, met hetzelve, naar den vriend Daatselaar, te laaten brengen: men stelle zig voor de verbaasdheid die onzen Held bevong, toen de kloekmoedige Maria hem dezen voorslag deed:
Dus laat de meergemelde Dichter, Duim, hem, in dit tydsgewricht, spreeken: indien alles was, gelyk het moest weezen, was het antwoord der schrandere vrouwe, dan zou men te eerder achterdocht opvatten: om kort te gaan, men besloot te beproeven, of het koffer groot genoeg was; en, bevonden hebbende dat de Gevangene
"'er ter naauwer nood, niet uitgestrekt of in de lengte, maar gekromd en in bochten, in liggen konde, bezocht men daarna, of hy, in die benaauwdheid liggende, zyn adem kon scheppen, en hoe lange hy 't, in gevalle van stilte of tegenwind, daarin zou kunnen uithouden. Vervolgens beval hy zyne huisvrouw, eenigen tyd op de kist te gaan zitten, om te zien of hy, als 'er onderwegen by geval iemand op ging zitten, zulks zoude konnen verdraagen:"
een uurs zandlooper, schryft men elders, liet zy tweemaal uitloopen, hangende haare klederen voor 't sleutelgat;
"zy, merkende onder het zitten op de kist, dat haar man zig nu en dan verroerde, en zyne beenen optrok of uitstrekte, waarschouwde hem, dat zy zulks kon voelen. Na dat men dit alles verscheidene maalen in 't heimelyk, zonder weeten van Knecht of Dienstmaagd, beproefd, en naar wensch bevonden had, besloot men de zaak, in Gods naam, te waagen:"
Willem en Elsje werd nu den aanslag ontdekt, die beiden hunne hulp van harten toezeiden: by Daatselaar was de noodige voorzorg gebruikt, en de huisvrouw van Prounink, was, door haar, geduurende eenigen tyd, eene en andere kleinigheden te schenken, ingenomen; want men nam de gelegenheid waar, dat Prounink zelf, naar Heusden vertrokken was, om de Compagnie, waarover hy tot Capitein aangesteld was geworden, te ontvangen, dus men alleenlyk de toestemming van deszelfs vrouw noodig had, om het koffer, naar gewoonte, te doen scheep brengen.
Alles dus voorbereid zynde, verscheen den bepaalden dag, (22, Brand zegt 13 Maart 1621); de groote Hugo vleide zig neder in het koffer, en begaf zig dus uit de eene gevangenis, in eene nog veel engere, om door dat middel, de vryheid, die natuurlyke schat van den mensch, hem te jammerlyk ontnomen, weder te krygen: een nieuw Testament verstrekte hem ten hoofdkussen, en dus kan men zeggen, dat Hugo zyn hoofd gerust op God's woord nederleide; ook had hy niet te vergeefsch op zyn' Schepper vertrouwd: met het aanbreeken van den dag, waarop de geoorloofde list in 't werk gesteld zou worden, viel hy op zyne kniën, en bad, dat de Almagtige zynen toeleg wilde zegenen: de verhooring van zyne bede was by God bepaald; het koffer werd, na ontvangen verlof, met behulp van eenige der wachten, aan boord gebragt, echter niet zonder groot gevaar voor den benaauwden Hugo, van ontdekt te zullen worden; Elsje had de zorg op zig genomen, om met de kleine gevangenis over te steeken, en stapte derhalven kloekmoedig mede op 't schip: zie daar onze Held ten deele verlost: men begrype wat 'er in 't hart van de edele Reigersbergen moet omgegaan weezen: treffend was haar gedrag, na zy de nieuwe gevangenis van haaren beminden Hugo geslooten had: hoor de bovengeroemde onvergelykelyke Dichteres dat gedrag verhaalen:
De groote Agrippyner heeft mede niet vergeeten, dat edele voorwerp te vereeuwigen; dus zingt hy in een Dichtstukje, ten tytel voerende, Hugo De Groots verlossing, aan Mevrouw Maria van Reigersbergh:
Dezelfde Prins der Nederlandsche Dichteren, maakte op de vlucht van onzen Held, het volgende geestig dichtje:
Had Mevrouw Van Reigersbergen zig kloekmoedig gedraagen, niets minder kan van het trouwhartige Elsje gezegd worden: verscheidene zwaarigheden, die allen den aanslag zouden hebben kunnen doen mislukken, zo wel by 't inscheepen, staande den overtogt, als by het overbrengen van den dierbaaren vracht, uit het schip naar het huis van Daatselaar, had zy te boven te komen; in alles gedroeg zy zig zo schrander als onverschrokken, en ten loon daar voor smaakte zy het genoegen, van haaren Heer weder in genoegzaame vyligheid te mogen zien.
Afbeelding (in twee Plaaten) van een koffer, waar mede
hugo de groot van Loevestein naar Gorinchem, volgends alöude
Overleveringen zou zijn Getransporteerd, in den toestand zo als dezelve
thans binnen Amsteldam, berustende is, onder den Heer Mr jacob
klinkhamer, die de Aftekening daar van, op gedaan versoek, heeft
toegestaan, in de maand December des Jaars 1783.Wat betreft het koffer, waarin onze Held zyne gevangenis ontkomen was, en welke de Lezer op de nevensstaande plaaten, zeer uitvoerig vertoont wordt; de Heer, Mr. Jacob Klinkhamer, vleit zig dezelve te bezitten, en het is met Zyn Ed. gunstige toestemming, dat de Kunstschilder J.C. Schultz, daarvan twee juiste aftekeningen vervaardigd heeft: de Heer J.C. Philips, door wiens bekwaame hand de gezegde tekeningen in 't koper gebragt zyn, heeft ons de volgende beschryving daarvan medegedeeld.
"Het koffer is gemaakt van boekenhout; heeft een boogswys dekzel, zynde van buiten geheel overtrokken met dun zwart leder, en beslagen met eene menigte van dunne, smalle, eizerene banden: de sluiting bestaat in twee binnensloten, en één buiten- of hang-slot.
"Van binnen is het koffer met wit linnen bekleed, zynde het zelve, naar gewoonte, aan het dekzel, met elkander kruissende linten belegd.
"Men ziet dat de tyd, en het gebruik, of herhaalde overvoeringen, het een en ander merkelyk beschadigd hebben; veelen der eizerene banden zyn geheel of gedeeltelyk weg; doch men kan derzelver plaatsen, door een roestige vlek, meer of min gewaar worden: van het bekleedzel, zo wel binnen als buiten, zyn hier en daar geheele lappen uitgevallen.
"De rand van het dekzel is aan den voorkant, byna in 't midden, (mogelyk door toeval,) sterk voorwaards gebogen, en steekt daar ter plaatse wel een duim breed over; zo dat men 'er 't hangslot niet heeft kunnen aandoen.
"In den bodem is een vry groote kwast uitgevallen; dus kon door deze zo wel als door den afgebogen rand, luchts genoeg inkomen; te meer daar de bodem des koffers niet vlak op den grond staat, als hebbende onder een soort van slede, van byna twee duimen hoogte:"
——dit spreekt ons voorgaande verhaal wel niet volstrektlyk tegen, maar evenwel kan het aanleiding tot bedenkingen geeven; wy laaten daaromtrent ieder zyne vryheid, en den eigenaar van het Vaderlandsche rariteit in het onbetwiste bezit daar van.
"De lengte van het koffer is buitenswerks vyf voet en byna vier duim:"
(by een ander vinden wy deze lengte bepaald op twee duim korter dan vier voet:)
"de breedte is twee voet en ruim één duim; de hoogte tot op 't midden van het dekzel, twee voet en ruim twee duim; alles Rhynlandsche maat."
't Zal hier niet oneigen zyn den Lezer te doen hooren, hoe de groote Hugo zelf, deze zyne gelukkige tweede gevangenis beschouwd heeft: hy schreef in vervolg van tyd een aanspraak aan dezelve, in Latynsche verzen, welken in de volgende Nederduitsche vertolkt zyn:
Men zegt, (wy begeeren alles onpartydig aan te tekenen,) dat het koffer nog lang by een' Heer van aanzien bewaard, en fraai beschilderd is geweest, met het opschrift: Dees kist heeft Loevestein den Huig geligt: daarmede komt overëen 't geen de Heer Brand het koffer doet zeggen:
Hoe die Heer aan het koffer gekomen is, zegt zeker schryver, weet men niet, maar wel dat het langen tyd door De Groot's ouders, te Delft bewaard, en naderhand ten huize van zyn' broeder Willem vermist is, waarover onze Hugo groote spyt toonde te hebben.
Wat betreft het schilderen, waarvan wy boven spraken, 't zelve wordt door ons koffer, volgends opgaaf van den Graveerder, geheel onaanneemelyk, zo niet logenachtig gemaakt:—dezen dank heeft men ten minsten aan den Heere Mr. Klinkhamer, dat wy thans weeten dat men het koffer, waarin de beroemde Hugo, uit het bange Loevestein ontkomen is, waarschynelyk nimmer geschilderd heeft:—laat ons thans tot het hoofdvoorwerp onzer bemoeijingen wederkeeren.
Het ontbrak hem ten huize van Daatselaar, aan geene goede trouw en hartlyken bystand; langen tyd aldaar te vertoeven was geheel ongeraaden, en onvermomd zig voor het oog van ieder te vertoonen, was niet minder gevaarlyk; men vond dan onderling goed, dat de edele vluchteling zig in een metzelaars gewaad zou vermommen: zekeren metzelaar, Jan Lambertsz, werd de onderneeming toevertrouwd, en tot reisgezel van De Groot verkoozen, van welken last de goede man zig ook zo kloekmoedig als voorzichtig kweet; hy bezorgde den vluchteling het noodige gewaad, gaf hem een metzelaars maatstok of rei in de handen, die, ter oorzaake van derzelver blankheid, hier en daar met wat kalk besmeerd werden, en trok met hem, des morgens, omtrent 11 uure, op weg; De Groot betuigde, in 't uitgaan, dat hy zeer ontsteld, was, en naauwlyks op zyn beenen staan konde; "want hy vreesde", voegt zeker schryver 'er by;
"dat hy, moetende voorby een' boekverkooper gaan, alwaar toen eenige Predikanten en andere lieden, in 't voorhuis stonden, van den een of den ander, gekend en verraaden mogt worden;"
doch men gaf hem moed, en zeide dat hy maar onbeschroomd voord moest stappen.
Na veel sukkelens kwam hy te Waalwyk, alwaar hy slechts twee uuren vertoefde; vervolgends op Antwerpen reed, terwyl Lambertsz te rug keerde, en een bode van goede tyding werd: onze Held reed den gantschen nacht door, en kwam, na eene en andere wederwaardigheid, behouden te Antwerpen aan; begeevende zig aldaar terstond naar het huis van den geweezenen Rotterdamschen Predikant Grevinkhoven, met wien hy welëer als met eenen broeder verkeerd had.
Men kan ligtlyk begrypen hoe Prounink gesteld was, by de ondekking van al het gebeurde: op zyn vraag aan Mevrouw De Groot, waar haar man was, laat men die moedige Gemaalin antwoorden; Myn vriend, dat vogeltje is u ontvlogen, maar 't kooitje is 'er nog; terstond valt hy met eenige soldaaten in een; schuit vaart over naar Gorkum en bewerkt dat het huis van Daatzelaar, schoon het reeds nacht geworden was, bezet werd; doch deeze en ook alle andere poogingen om den vluchteling te ontdekken, waren vruchtloos: op Loevestein wedergekeerd zynde, deed hy ook aldaar alle mogelyke navorschingen, dan men kon hem niet meer zeggen, als men zelven wist. Het eerste gevolg van het manmoedig bedryf van Mevrouw De Groot, was, dat zy, benevens haare dochter Cornelia, omtrent veertien dagen lang opgeslooten bleef, zelfs zonder dat de meid afkomen mogt om spyzen gereed te maaken; "doch na drie dagen," dit vinden wy aangetekend,
"ontving ze een tarwen koek op de tafel, en in dezelve zat een brief verborgen, die haar kennis gaf van haar mans gelukkige aankomst te Antwerpen; want onze De Groot, was geenzins in gebreken gebleeven, van ten eersten zyn verblyf aan zyn ouden Vader, en aan zyne gemeenzaamste vrienden in Holland te berichten":
hy schreef ook aan zyne Excell. Prins Maurits, die, toen hy hoorde op welk eene wyze De Groot gevlucht was, van de moedige Reigersbergen zeide: Ik dacht wel dat dat zwarte varken ons nog eens zou bedriegen[7]: "'t Is my leet", zeide hy in zynen brief aan dien grooten oorlogsman,
"dat eenige persoonen my soo wangunstig syn, dat zy uwe Excelentie hebben konnen beletten, soo goeden voornemen te effectueren; 't welck my ten langen laetsten heeft doen denken op middelen om my selven te helpen; 't welck ik vertrouwe dat uwe Excellentie my niet anders als wel sal afnemen; considererende hoe natuurlyck alle menschen, jaa selfs den beesten is, de lust tot vryheit."
Voords verzocht hy, zyne getrouwe diensten te gedenken, als mede wie de vader was geweest van zyne huisvrouw, by welke hy vyf kinderen had, ontbloot van 's vaders goederen, staat en winsten; en hoopende, dat zyn Excell. niet zou gedoogen, dat zyn voorsz. huisvrouw en kinderen eenige verdere bezwaarenissen werden aangedaan: niet minder hartlyk schreef hy aan Prins Hendrik, en aan hunne Hoog. Mogende, de Heeren Staaten Generaal; aan welken hy onder anderen zeide:
"Het valt my wel hardt, myne Heeren, dat ik soo veel tegens myne vryheit en in myne goederen heb moeten lyden, en nog lyden moet, wel verzekert zynde in myn conscientie, dat ik, na de kennis die ik van de zaken gehadt heb, goede advysen en raedt gegeven heb tot slissing van de zwaarigheden, ontstaan voor en al eer ik tot den dienst ben beroepen geweest, altyt vertoonende alle getrouwigheid tegen myne Meesters de Magistraat van Rotterdam, en de gehoorsaamheit aan myne Heeren de Staten van Hollandt en Westvrieslandt. Maer al het quaet dat my aangedaan is, en nog zou mogen aengedaen worden, zal my nimmermeer afkeeren van de liefde, die ik altyt hebbe gedragen, en naer myn klein vermogen betuigt tot myn Vaderlandt, voor welkers vryheit, rust en voorspoedt, ik den Almogenden altyts bidden zal, en dat tot dien einde 't Hem gelieve," enz.
—deeze betuiging omtrent de liefde voor zyn vaderland, heeft hy ook met 'er daad bevestigd; want aangaande zyn verblyf te Parys, leezen wy, dat hy altoos eene byzondere drift toonde,
"om synen Vaderlande en syne Landsluyden, wanneerse yets aen dat Hof te doen hadden, met raedt en daedt, en door de gunst die hy hadt by eenighe van 's Koningks Bewintsluyden te dienen en hunne belanghen, te bevorderen; hoewel hem niet onbekendt was, dat sy, die in dat Ryk de saeken der Algemeene Staeten waernaemen, geen dingh onbesogt lieten, om 't hart des Konings teeghen hem te verbitteren: maar",
voegt deeze schryver 'er by,
"vergeefs was al hunnen arbeydt by eenen Prins, ten vollen onderricht van alles wat 'er in de Jaeren 1618 en 1619, in Hollandt was omgegaen: Jae ook zelfs verhaelt men, dat hy sich verwonderde over de deught van dien man, die, soo quaelyk in syn Vaederlandt gehandelt zynde, echter niet afliet van het te begunstighen en de onderdaenen syne genegenheit te bewysen, en ook zelfs op allerhande wysen, hem mooghelyk, wel te doen:"
—Lodewyk moge zig daerover verwonderd hebben, 't komt ons echter voor dat het niet zeer te bewonderen is, dat een man als onze Hugo, zo edel van ziel, en zo doorgeoefend van verstand, schootvry geweest is voor de aanvallen der wraak.
Zo dra zyne vrienden vernamen, dat hy zig te Antwerpen bevond, gingen eenigen derzelven hem wel rasch bezoeken; ook werd hy van de voornaamste mannen in geleerdheid dagelyks in geschrifte begroet, over zyne ontkoming: onder die allen muntte uit, de beruchte Leuvensche Hoog-Leeraar, Erycius Puteanus: "Laet ze zich alle vry verwonderen," dus schreef deeze aan den edelen vluchteling, volgends de vertaaling van K. Brand:
"De Groot was niet geheel in de kist: in de kist was 't lichaam, in 't schip de kist, in den stroom 't schip; en in dit alles en buiten dit alles scheent gy my te zyn; gy hadt de geheele werelt vervult. Uw lichaam kon dan in den kerker bewaart worden, uw verstandt niet."—"Laet zich derhalven anderen beklaegen,"
dus luidt een verder gedeelte van dien brief,
"dat ze nae geleden schipbreuk naekt en bloot bleven zitten, en hunne goederen verlooren hadden, gy hebt by u zelven alle goederen, geen roof of geweldt onderworpen. Gy zyt Grotius, gy zyt groot, en dat 's genoeg, om u te doen verstaan dat u niets ontbreekt":
——Krachtig drukte de geleerde man zig uit over den aart eener Republiek, en vooral over den toenmaaligen toestand van de onze, wy zwygen van den tegenwoordigen toestand derzelve: "Al de outheit", zeide hy,
"roept, laat 'er een Heer, laet 'er een Koning zyn: immers uw ongeluk roept ons toe, dat 'er geen staet van menschen buiten gevaer is, daer 't volk gaende wordt; geen haven zonder schipbreuk; daer alle goddelyke en menschelyke zaeken over hoop storten; wat is daer toorn? wat is daer haet? waer is daer rust of heil? Zoo veel waters als 'er is, zoo veel viers en brants is 'er overal. Ik zou wel zeggen, dat die zee door de helsche Geesten aen brandt is geraekt".
De Groot, liet niet na deezen brief te beantwoorden[8], en in dat zyn antwoord te toonen dat de Hoogleeraar niet ten onrechte van hem gezegd had, gy zyt groot! "Wie," zeide hy,
"kon vryheit hoopen uit een engen kerker; of 't scheppen der open lucht, uit eene benautheit, die naulyks een luchje voor d'ademende ziele wou doorlaeten?"
—Van zyne Gemaalinne spreekende, zeide hy:
"Zy alleenlyk kennis hebbende dat ik was uitgedraegen, en den uitslag, die nog onzeker was, met beangsten gemoede overleggende, deedt een wensch, die niemant verwacht zou hebben van een Egaa, die haren man op 't hertelykst bemint, dat haer man op 't verste van haer mogt zyn. My, toen eerst verstaende van hoedanig een vrouw ik was gescheiden, viel haer afzyn zoo lastig, dat ik my liever wederom in de gevankenis had begeven, dan haer lang te missen."
—Moedig bepleitte hy de eer van zyn vaderland, tegen het boven bygebragte zeggen van den Hoogleeraar, daar op betrekkelyk: "Ook mag het," zeide hy,
"den Vaderlande niet geweten worden, 't geen in 't Vaderlandt geschiedt. De dertig Tyrannen waren Athenen niet,—Cicero achtte de geenen, die zyn huis onder de voet geworpen, en hem des levens onwaerdig verklaert hadden, niet het volk van Rome, maar 't schuim des volks te zyn."
—Het zeggen van Augustus: Die den tegenwoordigen staat der regeeringe niet wil veranderen, is een eerlyk man en goed burger tevens, oordeelde hy eenen Cato waardig te weezen:—om reden wederhouden wy ons, anders zoude het hier de plaats zyn iets op onze tegenwoordige staatsgesteldheid aantemerken.
Lieten de Geleerden onzen held niet onbegroet, de Dichters waren niet minder yverig, om zyne zonderlinge ontkoming, in hunne verzen te vereeuwigen: een Dichtstukje, dat op 's mans afbeelding vervaardigd werd, sluit dus aartig:
Onder anderen kwam ook in 't licht de volgende regelen, by wyze van een antwoord van de kloekmoedige Maria, aan den misnoegden Commandeur van Loevestein:
Het slot van dit dichtstukje, komt zeer wel overëen met het tweeregelig versje van Brand, door ons Bladz. 74 opgegeeven.—Den vyfden dag na zyne aankomst te Antwerpen, verzocht de Heer D. Kempenaar, hem, dat hy iets in zyn stamboek geliefde te schryven, gelyk hy deed, in vier Latynsche regels, welken aldus vertaald zyn:
Na den raad zyner goede vrienden ingenomen te hebben, verkoos hy Parys tot zyn verblyf, alwaar hy door de voornaamste Raaden des Konings, en vervolgends ook door zyne Majesteit zelve, met de uiterste vriendschap en blyken van toegenegenheid ontvangen werd: dit gaf aanleiding tot verscheidene valsche geruchten, onder anderen ook dat hy den Roomschen Godsdienst stond aan te neemen, waartegen hy verzekerde, dat hy zig hield aan die kerk, waarvan hy vóór zyne gevangenis een lid geweest was; betuigende ondertusschen, dat hy de Roomsche leer omhelzende, in Frankryk; grootere amten en waardigheden zou kunnen deelachtig worden, dan in zyn vaderland.
De rust welke onze Held nu genoot, maakte hy zig ten nutte, en begaf zig, met vernieuwden lust, aan de studie: reeds op den derden dag na zyne aankomst aldaar, bezat hy bedaardheid van geest genoeg, om zyne onvoorbeeldige Gemaalinne, zyne overkomst, in versmaat, bekend te maaken; in dit zoetvloeijend dichtstuk, waarin het hart alleen spreekt, drukte de groote Letterheld zig dus uit:
Het eerste zyner werken, dat hy, na 't verkrygen van zyne vryheid in 't licht gaf, was zyne verantwoording van de wettige regeering van Holland: zie hier, hoe zeker schryver, van dit werk spreekende, zig uitdrukt:
"d'Algemeene Staeten hier van verwittight zynde, en niet onkundigh, dat in dit Boek hunne konstenaeryen, en het geweldt, Hollandt aangedaan, ontdekt wierden, hebben, dewylse niets anders hadden, om de waerheit daar in uitgedrukt teeghen te spreeken of te wederlegghen, gebruykende hunne voorlangh gewoone geweldenary, den selven vervolght met bannissementen: welke krachteloose blixem, als hy, door de bescherminghe des Alderchristelyxten Koninghs, die hem in syne beschuttinge hadt genoomen, was verdweenen, is daer door niets anders te weeghe gebraght, als dat de Groot geruster en veyligher heeft konnen leeven; dat de winst der Boekverkooperen, die deese Boeken verkoghten, is verdubbelt, en de nieuwsgierigheit der leezeren soo geweldigh aangewassen, dat, de ooghen van veele Regenten verlicht zynde, derselver gesagh niet alleen in 't publyk, maer ook ter Vergaderingh der Staeten selve, en dat meer is, teeghen d'Algemeene Staeten selfs is doorgedronghen":
By een zeer scherp plakaat, werd dit boek niet slechts strenglyk verboden, maar ook verklaard voor fameux, séditieux en schandeleux libel, en boven dien werd de schryver verklaard strafbaar aan lyf en goed, toe alle plaatsen en tyden daar hy zou mogen gevonden worden, zonder dat eenig verloop van jaaren hem daarvan zou kunnen bevryden: de tyding van deeze gebeurtenis kwam hem te Parys wel haast ter oore, en was vermogend genoeg om 's mans hart te ontstellen: ondertusschen dacht men in Frankryk niet gunstig over dat gedrag der Nederlanderen; de President Jeannin, was van gevoelen dat hy zig over de onbillykheid daarvan, by geschrifte moest verklaren; een ander zeide: als men de vernuften straft, zo groeit hunne achtbaarheid; de Gezant Maurier schreef hem uit 's Gravenhage, onder anderen, het volgende:
"Wat het Plakaat betreft, gy weet wat men zegt van de Excommunicatie van Rome, die men krachtlooze blixem noemt; ook weet gy dat de geenen waar mense tegen uitwerpt, daarom niet minder welvaarende zyn;"
deeze hartlyke troost was ten hoogsten aangenaam, maar gaf echter geene geruststelling; die moest van eenen anderen, van een vermogender kant komen; zyne Majesteit alleen kon dezelve den doorluchtigen balling bezorgen, en deeze werd ook, in een breedvoerig smeekschrift, daarom verzocht, niet zonder de hoogste voldoening daarop te ontvangen, want Lodewyk verklaarde in 't openbaar, dat hy de Groot wèl en gunstig begeerde te behandelen, "gelyk wy voorheen gedaan hebben," zeide zyne Majesteit, "om de achting, die wy voor hem hebben, ter oorzaake zyner vroomheid, en uitneemende weetenschap, waarvan wy wel onderricht zyn geweest, door veele groote Persoonaadjen van onzen Raad."
"Zo is 't", dus luidde het slot deezer openbaare verklaaring;
"Zo is 't, dat wy ten overvloede verklaard hebben, en verklaaren by deezen tegenwoordigen brief, getekend met onze hand, dat wy genomen en gesteld hebben, gelyk wy neemen en stellen in onze speciaale Sauvegarde en bescherming, den Persoon van den voornoemden de Groot, zyn huisgezin, goederen, en alle dingen hem toebehoorende in dit ons Koningryk; doende verbod aan alle perzoonen van wat natie, qualiteit en conditie dezelven zouden mogen weezen, van hem te misdoen of te miszeggen, of ook iet te bestaan en te attendeeren tegen zyn persoon, het zy directelyk of indirectelyk, op hoedanige wyze of maniere, en onder wat protext of dekmantel zulks zoude mogen zyn, op lyfstrafe.
"Belastende aan alle onze Rechters, Amtlieden, Landdrosten, Archers of Lyfwachten, en anderen, hem de sterke hand en hulpe te bieden, en niet toe te laaten, dat hem eenig ongelyk of injurie aangedaan worde, procedeerende tegen de genen, die hier tegen zouden durven handelen, als tegen verbreekers van onze Sauvegarde, op poene als vooren; en doende in zulker voege, dat de voornoemde de Groot moge leeven in alle zekerheid onder onze authoriteit en bescherming."
Brand zegt, dat de gemelde verantwoording wel schielyk verbooden, maar nooit wederlegd is geworden.—De groote Hugo schreef, staande zyn verblyf te Parys, onder anderen, ook nog zyn Onderzoek van de Pelagiaansche Leerstukken, waarin by ruiterlyk voor de zaak der Remonstranten uitkwam; want hy toonde in dat geschrift aan, dat de Leer der gezegde Kerkgemeente, niet Pelagiaansch was, maar met het gevoelen der oudste en zuiverste Leeraars overeenkwam.
De diensten welken hy, staande zyn verblyf aan het Fransche Hof, zyne landgenooten bewees, zyn indedaad niet gering geweest; trouwens een man als onze de Groot was ook in alle opzichten te groot, dan dat zyn leven niet eene aanëenschakeling van roemwaardige bedryven zoude geweest zyn; Prins Fredrik Hendrik was zelfs één van de geenen welken hem desaangaande dankbaarheid verschuldigd waren: een missive van dien doorluchtigen Persoonaadje, in de Fransche taale aan Hugo geschreeven, onder dagtekening van den 4 Augustus 1621, begint met deeze woorden:
"Ik dank u voor de goede diensten die gy my, by eenige Raaden des Konings gedaan hebt[9], en bid u daarin te volharden, zo wel by gemelde Raaden, als by anderen, waaromtrent gy zulks noodig zult oordeelen; zyt verzekerd dat ik u desaangaande myne erkentenis zal toonen, in alle gelegenheden, waarin ik u van eenigen dienst zal kunnen weezen:"
—"Ik wenschte", dus luidt een verder gedeelte van dien brief;
"Ik wenschte in staat te zyn van u alhier nuttig te kunnen zyn in uwe zaak, ik zou my daarin met al myn hart van myne verpligting kwyten; maar gy weet, dat de gelegenheid der zaake zodaanig is, dat noch ik, noch uwe andere vrienden u daarin niet kunnen dienen, zo als wy wel zouden wenschen; ik hoop dat de tyd daarin eenige verandering zal ten wege brengen, en dat ik u, ten eenigen tyde, in deezen Lande, zal mogen wederzien, zo hoog geacht, zo algemeen geëerd, als uwe zeldzaame talenten verdienen; het welk my niet minder genoegen zou doen smaaken, dan ik gesmaakt heb, by het verneemen van uwe ontkoming; ondertusschen," enz.
Deed Fredrik Hendrik recht aan 's mans ongemeene bekwaamheden, Lodewyk de Dertiende was daarin evenmin nalaatig; niet alleenlyk zeide hy hem mondling: de Groot, gy zyt een treffelyk man, en ik wil u wel doen, maar had zulks ook reeds werkelyk getoond door hem, na hem eene aanzienlyke vereering gedaan te hebben, een jaarlyks tractement van 3600 guldens toeteleggen: in het koninglyk besluit desaangaande genomen, en dat zyne Majesteit eigenhandig ondertekende, vindt men, dat de koning hem dat pensioen toestond, om hem by zig te houden, hebbende in achting genomen de verdiensten, bequaamheit en zonderlinge geleertheit van den Heer de Groot.
Na, gelyk wy boven, (bladz. 82) gezien hebben, de onvoorbeeldige Reigersbergen, weder op vrye voeten was gesteld worden, en na eenige vergeefsche pogingen ter verdere verlossinge van haaren halsvriend aangewend te hebben, toefde zy niet om zig ook weder in het bezit van dien onwaardeerelyken schat te stellen; zy stak naar Frankryk over: het trouwhartig Elsje was door te sterke banden aan haare Meesteresse verbonden, dan dat zy dezelve niet op de reis vergezeld zou hebben; Parys ontving ook die lofwaardige Dienstmaagd binnen haare muuren, en werd door veelen bewonderd; onder anderen toonde de President Jeannin, inzonderheid, groote begeerte om haar te zien, en zeide, toen hem zulks mogt gebeuren: Ma fille! Dieu vous benira; dat is: Myn Dochter! God zal U zegenen.
Den geruimen tyd van elf jaaren, bragt onze Held in het Lelieryk door, in welken tyd hy meer dan ééns aangezocht was geworden, zo door Christiaan den Vierden, Koning van Deenemarken, als door Gustavus den Grooten, Koning van Zweeden, en anderen, om in derzelver Ryken aanzienlyke amten te bekleeden, maar hy hield nog altoos het oog op zyn Vaderland gevestigd, en hoopte zekerlyk nog eens in deszelfs boezem zyne verloorene rust te zullen wedervinden; gedeeltelyk tot dat einde had zyne Gemaalinne reeds een reis derwaards gedaan, doch geheel zonder vrucht: de gezegde hoop verkreeg echter van tyd tot tyd voedzel, schoon dezelve ook wel eens weder geheel uitgeblus