[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van
Santillano, by Alain René Le Sage
This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.net
Title: De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano
De Spaansche Avonturier, Deel 1 van 2
Author: Alain René Le Sage
Illustrator: Jean Gigoux
Release Date: May 9, 2007 [EBook #21409]
Language: Dutch
Character set encoding: ISO-8859-1
*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZONDERLINGE LOTGEVALLEN ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
Gil Blas van Santillano
GEDRUKT TER DRUKKERIJ “DE DEGEL,” AMSTERDAM
ALS “klassiek” beteekenen mag: het eeuwig menschelijke in den hoogsten vorm van den eigen tijd, dan plaatsen de Franschen terecht den avonturen-roman van hun 17e–18e eeuwschen schrijver Le Sage: Gil Blas in die rij hunner klassieke werken. Zoo goed als de Spanjaarden hun Don Quichotte en de Engelschen Fieldings Tom Jones; wij onze Sara Burgerhart en Willem Leevend.
Le Sage heeft zich, evenals Molière vóor hem, aangesloten aan de Spaansche romanlitteratuur van de 16e en 17e eeuw. Zijn Gil Blas heeft het uiterlijke van den Spaanschen dolenden ridder en beleeft evenals deze een eindelooze reeks van avonturen. Maar het doel van den schrijver, als hij zijn held aldus door den mallemolen van het leven heenzendt, is niet maar den lezer een boeiende afwisseling te brengen. Op dit zich ontrollende doek wil hij heel het leven schilderen, en in zijn hoofdfiguren den mensch, gelijk die er door wordt aangedaan. “Zijn drama heeft honderd verschillende bedrijven en duizend personen,”—zegt de Fransche criticus Charles Nodier in zijn voorrede tot het werk bij de geïllustreerde uitgaaf van 1836, waaraan wij ook de geestige en fraaie houtsneden voor ònze illustraties ontleend hebben. “Gil Blas”—aldus karakteriseert hij dan verder—“is de mensch in al zijn lotswissel, zijn zwakheden en de hulpbronnen van zijn natuur; in al [VIII]de illusies van zijn geest; al de verknoopingen van zijn denkvermogen; de universeele mensch van Terentius, geplaatst te midden van een samenloop van gebeurtenissen, die er vermaak in schijnen te vinden den draad van zijn droomgespin te volgen. In de Misanthrope had Molière de hoogere kringen ten tooneele gevoerd; Gil Blas brengt er heel de maatschappij op; van dien bandiet die zijn brood bedelt met den mond van zijn buks, tot de hoveling die de vruchten van ’s volks arbeid onder de willekeurige goedkeuring van den vorst uitzuigt. En niet alleen zijn al de sprekende typen van de menschheid in dit werk te vinden, zij staan er ook in, van alle kanten belicht, onder al de afglansingen van het wisselend leven, in zijn omstandigheden, tijd en plaats. Aldus wordt deze roman meer dan een verhaal: een wereldbeschrijving, een ontkleeding van den mensch in zijn zedelijke ontwikkeling.”
De lezer, die deze beide deelen, waarin wij het werk splitsen moesten, gaat aanbijten, weet dus wat hem wacht: meer dan een aangename tijdpasseering; ook een levenskijk op den mensch, zijn handelingen, drijfveeren, in de 18e eeuwsche Fransche samenleving, gelijk een geestig menschenkenner uit die eeuw ze gezien heeft. Wie Rousseau wil leeren begrijpen, en de na hem gekomen Revolutie, vindt in dezen roman van Le Sage een goede inwijding. Mogen velen ervan genieten!
De vertaling van dit werk, vroeger bij een ander uitgever verschenen, hebben wij vanwege onze Redactie aan een grondige herziening doen onderwerpen. Hoe wij aan de illustraties gekomen zijn, die den tekst fleurig onderbreken, [IX]hebben wij al verklapt. De lezer zal het met ons eens zijn, dat zij heel wat beter tusschen een tekst passen, dan moderne “gewasschen” en in halftoon gereproduceerde teekeningen. Zij zijn uit den goeden tijd van Gavarnie.
REDACTIE W. B. [1]
Daar er menschen zijn, die bij het lezen van dit boek, niet zouden kunnen nalaten de ondeugende of belachelijke karaktertrekken, die erin voorkomen, op den een of ander toepasselijk te achten, verklaar ik aan deze slechtgezinde lezers, dat ze daarin verkeerd zouden doen.
Ik stel er prijs op, mijn bedoeling openlijk te belijden; ik heb mij slechts tot taak gesteld het leven der menschen weer te geven zooals het is. Ik roep God tot getuige, dat het niet mijn bedoeling is geweest iemand in het bijzonder af te beelden. Laat geen lezer zich dus iets aantrekken van wat evengoed op een ander kan slaan als op hemzelf; anders zal hij zich leelijk hebben blootgegeven (stultè nudabit animi conscientiam).
Men vindt in Castilië, evenals in Frankrijk, geneesheeren, wier methode het is hun patiënten wat te veel bloed af te tappen. Dezelfde ondeugden en dezelfde deugnieten komen in alle landen voor. Ik kom er rond voor uit, dat ik niet steeds met dezelfde nauwkeurigheid de Spaansche zeden heb beschreven en zij, die op de hoogte zijn van het ordelooze leven der tooneelspeelsters in Madrid, zouden mij voor de voeten kunnen werpen, dat ik harer lieden ongeregelde bestaan in te weinig felle kleuren heb afgeschilderd, maar ik vond het beter ze wat meer getemperd voor te stellen en ze aldus in overeenstemming te brengen met onze zeden.
Na lange jaren de wapenen te hebben gedragen in dienst van de Spaansche monarchie, trok mijn vader, Blas de Santillano, zich terug in de stad waar hij geboren was; daar huwde hij een meisje uit den kleinen burgerstand, die haar eerste jeugd reeds achter den rug had, en tien maanden na hun huwelijk kwam ik ter wereld. Vervolgens gingen zij in Oviédo wonen, waar zij genoodzaakt waren eene betrekking te zoeken: mijn moeder werd kamenier en mijn vader koetsier. Daar zij niets anders bezaten dan hun loon, zou er waarschijnlijk van mijn opvoeding niet veel zijn terecht gekomen, indien ik in die stad niet een oom had gehad, die kanunnik was. Hij heette Gil Perez. Hij was de oudste broer van mijn moeder en mijn peet. Stel u voor een kleinen man van drie en ’n halven voet hoog, buitengewoon dik, met een hoofd dat wegzonk tusschen zijn schouders, dan weet ge hoe mijn oom er uit zag. Verder was het een patertje goedleven en hield hij van goeden sier maken, en zijne gemeente, die lang niet tot de kwaadste behoorde, verschafte hem daartoe de middelen.
In mijn kindsheid nam hij mij reeds tot zich en belastte hij zich met mijne opvoeding. Ik kwam hem zoo bevattelijk voor, dat hij besloot mijn verstand te ontwikkelen. Hij kocht een alfabet voor mij en begon zelf mij het lezen te leeren, iets wat niet minder nuttig was voor hemzelf dan voor mij; want door mij de letters te leeren, begon hij zelf weer eens te lezen, iets dat hij altijd sterk verwaarloosd had; en daar hij zich ernstig op de [6]zaak toelegde, slaagde hij erin vlot zijn gebedenboek te lezen, wat hij tevoren nooit gedaan had. Hij had mij ook nog wel latijn willen leeren, dat was weer zooveel uitgespaard; maar helaas! de arme Gil Perez had er van zijn leven nooit meer dan de allereerste beginselen van geweten; misschien (want stellig wil ik dat niet beweren) was hij wel de domste kanunnik van het heele bisdom. Ook heb ik hooren zeggen dat hij zijn post niet gekregen had om zijn vroomheid; hij dankte deze uitsluitend aan de erkentelijkheid van eenige goede zusters, wier discrete helper hij was geweest en die er in geslaagd waren hem zonder examen in den priesterstand te doen opnemen.

Hij was dus genoodzaakt mij een meester te geven en zond mij naar dokter Godinez, die voor de bekwaamste man van Oviédo doorging. Ik trok zoo goed partij van [7]zijne lessen, dat ik na een jaar of vijf, zes iets begon te begrijpen van de grieksche schrijvers en tamelijk veel van de latijnsche dichters. Ook legde ik mij toe op de logica, die mij leerde veel te argumenteeren. Ik was zoo verzot op een dispuut, dat ik de voorbijgangers aanhield, onverschillig of ik ze kende of niet, om hun mijn argumenten voor te leggen. Soms trof ik personen aan, die daar wel van gediend waren en dan had men ons eens moeten zien disputeeren! welke gebaren, wat een grimassen, wat een verdraaiingen! Onze oogen schitterden van woede en het schuim stond op onze monden; wij leken meer op bezetenen dan op philosofen.
In elk geval kreeg ik daardoor in de stad den naam van een geleerde. Mijn oom was daarover in de wolken, omdat hij dacht dat ik hem dan spoedig niet meer tot last zou zijn. “Gil Blas,” zeide hij mij eens, “de tijd van je jeugd is voorbij. Je bent zeventien jaar en een knappe jongen geworden; wij moeten er op bedacht zijn, dat je vooruit moet komen in de wereld. Ik vind dat je de universiteit van Salamanca moet bezoeken; met het verstand, dat ik in je zie, kan het niet missen of je zult er een goede betrekking vinden. Ik zal je een paar dukaten geven voor de reis, en mijn muilezel, die wel een stuk of tien, twaalf pistolen waard is; je kunt die in Salamanca verkoopen en het geld gebruiken voor je onderhoud totdat je eene betrekking hebt.”
Hij had mij niets aangenamers kunnen voorstellen, want ik brandde van verlangen om wat meer van de wereld te zien. Nochtans had ik genoeg kracht in mij om mijne vreugde te verbergen; en toen ik vertrekken moest, scheen ik zoo bedroefd een oom te moeten verlaten aan wien ik zoovele verplichtingen had, dat ik den goeden man zoo verteederde, dat hij mij meer geld gaf, dan hij gedaan zou hebben, had hij op den bodem van mijn ziel kunnen lezen. Voor mijn vertrek ging ik mijn vader en moeder omhelzen, die mij geene vermaningen spaarden. Zij smeekten mij vooral God te bidden voor mijn oom, [8]als eerlijk mensch te leven, mij niet in kwade zaken te begeven, en vooral niet het goed van anderen te nemen. Na mij verschrikkelijk lang en vervelend te hebben toegesproken, gaven zij mij hun zegen, wat ook het eenige cadeau was dat ik van hen verwachtte. Dadelijk daarop besteeg ik mijn muilezel en trok uit de stad. [9]
Daar was ik dus buiten Oviédo, op weg naar Pegnaflor, in het vrije veld meester van mijzelven, van een slechten ezel en van veertig goede dukaten, ongerekend eenige realen die ik van mijn zeer geachten oom gestolen had. Het eerste wat ik deed, was mijn ezel zijn gang te laten gaan, d. w. z. voetje voor voetje. Ik legde den teugel over zijn hals en de dukaten uit mijn zak halend, begon ik ze in mijn hoed te tellen en over te tellen. Ik was buiten mezelf van vreugde; nooit had ik zooveel geld gezien; ik werd niet moe het te bekijken en te bevoelen. Ik telde het misschien voor de twintigste maal, toen eensklaps mijn ezel midden op den weg bleef stilstaan met de ooren in den wind. Ik dacht dat iets hem aan het schrikken had gebracht, ik keek wat dat zijn kon en zag op den weg een omgekeerden hoed liggen, waarop een rozenkrans met dikke kralen lag, en hoorde tegelijkertijd een huilerige stem roepen: “Edele heer, heb medelijden met een armen kreupelen soldaat; werp als het u belieft een paar zilverstukken in dien hoed, in de andere wereld zult ge er voor beloond worden.” Ik keek naar den kant waar de stem vandaan kwam en zag aan den voet van een struik op een pas of twintig van mij af een soort soldaat, die op twee gekruisde stokken het uiteinde van een musket liet rusten, dat mij nog langer scheen dan een piek, en dat op mijn gelaat gericht was.
Op dit gezicht, dat mij deed beven voor het welzijn der kerk, bleef ik staan, drukte mijn dukaten stevig tegen [10]mijn borst, nam er een paar realen van en terwijl ik den hoed, die bestemd was om de aalmoezen van de bevreesde geloovigen in ontvangst te nemen, naderde, wierp ik ze er één voor één in, om den soldaat duidelijk te toonen, dat ik er erg royaal mee was. Hij was dan ook zeer voldaan over mijn edelmoedigheid en gaf mij zooveel zegeningen als ik schoppen gaf aan mijn muilezel om snel van hem af te komen. Het vervloekte beest stoorde zich er echter niet aan en ging geen stap vlugger; de langdurige gewoonte voetje voor voetje te gaan met mijn oom had hem het galoppeeren geheel doen verleeren.
Ik beschouwde dit als een niet al te best voorteeken voor mijn reis, want ik bedacht dat ik nog lang niet in Salamanca was en dat ik dus nog wel slechtere ontmoetingen zou kunnen hebben. Het leek mij dan ook zeer onvoorzichtig van mijn oom, dat hij mij niet onder de hoede van een muilezeldrijver had gesteld. Hij had dit zeker moeten doen, maar hij had bij zichzelf gedacht dat de reis hem minder zou kosten als hij mij den muilezel gaf en hieraan had hij meer gedacht dan aan het gevaar dat ik misschien op reis zou kunnen loopen. Ik besloot dan ook als ik het geluk mocht hebben Pegnaflor te bereiken, mijn muilezel daar te verkoopen en met een muilezeldrijver naar Astorga te gaan en vandaar naar Salamanca. Hoewel ik nooit van Oviédo was weggeweest, kende ik toch zeer goed de namen der steden die ik passeeren moest, daar ik mij daarvan vóór mijn vertrek op de hoogte had gesteld.
Ik kwam goed en wel te Pegnaflor en hield stil voor een herberg, die er nogal goed uitzag. Nauwelijks was ik afgestapt of de herbergier kwam mij zeer netjes ontvangen, nam zelf mijn valies op zijn schouder en bracht mij naar een kamer, terwijl een van de knechts intusschen mijn muilezel op stal bracht. De herbergier, een zekere Andreas Corcuelo, was de grootste kletskous van heel Asturie en vertelde even graag zijn eigen zaken als hij begeerig was die van anderen te hooren. Hij vertelde mij [11]zonder de minste noodzakelijkheid dan ook al heel spoedig dat hij lang als sergeant gediend had in dienst van den koning en dat hij nu vijftien maanden den dienst had verlaten en getrouwd was met een meisje uit Castropol, die er wel een beetje bazig uitzag, doch uitstekend voor zijn zaak was. Verder vertelde hij mij nog een menigte andere dingen, die mij in ’t minst niet interesseerden en vroeg mij daarna, meenende daartoe nu het volste recht te hebben, vanwaar ik kwam, waar ik heenging en wie ik was.
Hierop moest ik nu punt voor punt antwoorden, omdat hij iedere vraag zeer gewichtig deed. Hij vroeg mij zoo onderdanig zijne nieuwsgierigheid te willen verontschuldigen, dat ik zijne weetgierigheid wel moest tevreden stellen. Hierdoor geraakte ik in een lang gesprek met hem, vertelde hem mijn plan om den muilezel te verkoopen en waarom ik dat doen wilde. Ik vertelde hem, dat ik met een muilezeldrijver verder wilde gaan, iets wat hij dadelijk zeer goed keurde, mij er op wijzende aan hoeveel gevaren ik nog bloot stond en mij allerlei vreeselijk treurige geschiedenissen van reizigers verhalende. Ik dacht, dat er geen eind aan zijn vertellingen zou komen, maar toch hield hij eindelijk op, mij zeggende, dat, als ik den muilezel wilde verkoopen, hij een eerlijken paardenkooper kende, die hem wel van mij zou willen koopen. Ik zeide hem, dat ik gaarne met dien man kennis zou willen maken en hij ging hem terstond voor mij halen.
Hij kwam spoedig met den man terug, stelde hem aan mij voor en prees vooral zeer zijn eerlijkheid. Wij gingen daarna met ons drieën naar de binnenplaats en mijn muilezel werd voorgebracht. Men liet het dier voor den paardenkooper op en neer draven en deze monsterde het beest van top tot teen. Hij begon met er zeer veel slechts van te zeggen. Ik moest toegeven, dat men er niet veel goeds van kon vertellen, maar al ware hij van den paus geweest, dan zou hij er nog iets op hebben aangemerkt. Hij verklaarde, dat hij alle mogelijke gebreken had, en om [12]mij beter te overtuigen bevestigde hij dit ook tegen den waard, die ongetwijfeld er zijn goede redenen voor had het te beamen. “Wel”, zei daarop de paardenkooper, “hoeveel moet je voor dat beest hebben?” Na den lof dien hij ervan had gezongen en na de bevestiging van Corcuela, dien ik voor een eerlijk man en deskundige hield, zou ik geneigd zijn geweest het dier voor niets te geven. Ik antwoordde daarom, dat ik het geheel aan hem overliet, dat hij het beest dus maar moest schatten en dat ik mij bij die schatting zou neerleggen. Hij antwoordde daarop dat, als ik zijn geweten er bij haalde, ik hem in zijn zwak tastte. Inplaats van echter den prijs te verhoogen tot tien of twaalf pistolen, schaamde hij zich niet mij drie dukaten te bieden, die ik zoo verheugd aannam alsof ik nog bij dien handel had gewonnen.
Na mij zoo voordeelig van den muilezel ontdaan te hebben, bracht mijn waard mij bij een muilezeldrijver, die den volgenden dag naar Astorga vertrok. Deze man vertelde mij, dat hij voor dag en dauw ging vertrekken en dat hij zorg zou dragen mij te wekken. Wij werden het over den prijs van den muilezel en mijn voedsel eens en toen alles tusschen ons geregeld was, keerde ik terug naar de herberg met Corcuelo, die mij onderweg de geschiedenis van dien ezeldrijver begon te vertellen. Hij vertelde mij alles wat men in het stadje van dien man wist. Hij begon mij al tamelijk te vervelen met zijn onbelangrijk gepraat, toen gelukkig iemand hem in de rede kwam vallen. Deze man was vrij goed gekleed en sprak zeer beschaafd. Ik liet die twee dus samen achter en vervolgde mijn weg, zonder eraan te denken dat ik het onderwerp van hun gesprek werd.

Zoodra ik in de herberg kwam, bestelde ik mijn avondeten en daar het vastendag was, bracht men mij eieren. Terwijl men deze klaarmaakte, begon ik een gesprek met de waardin, die ik tot nu toe niet gezien had. Zij zag er nogal aardig uit en haar bewegingen waren zoo levendig, dat ik uit mijzelf wel de gevolgtrekking kon maken, dat [13]de herberg goed beklant was, ook al had de waard mij dit niet gezegd. Toen de omelette klaar was, ging ik alleen aan een tafel zitten. Nauwelijks had ik het eerste hapje in den mond, of de waard kwam binnen, gevolgd door [14]den man die hem op straat had staande gehouden. Hij was als ruiter gekleed, droeg een lang rapier en kon ongeveer dertig jaar zijn. Hij kwam haastig op mij toeloopen en sprak mij aldus aan: “Mijn waarde heer student, ik heb daareven gehoord, dat gij Gil Blas de Santillano zijt, het sieraad van Oviédo en de ster der philosophie! Zijt gij waarlijk die geleerde heldere geest, waarvan de roep zoo groot is hier in het land? Gij moet weten,” zoo richtte hij zich tot den waard en de waardin, “welk een schat gij herbergt, gij ziet in dezen jongeling het achtste wereldwonder.” Vervolgens kwam hij naar mij toe, omhelsde mij en riep uit: “Vergeef mij mijn vervoering, ik ben mij niet meer meester door de vreugde, die gij mij door uw tegenwoordigheid veroorzaakt.”
Ik kon hem niet terstond antwoorden, daar hij mij zoo vastgeklemd hield, dat ik bijna niet kon ademen. Toen ik eindelijk mijn hoofd vrij had, zei ik: “Ik dacht niet, mijnheer, dat mijn naam in Pegnaflor bekend was.”
“Hoe,” antwoordde hij, “niet bekend? wij houden boek van alle gewichtige personen twintig mijlen in het rond. Gij gaat hier door voor een wonderkind en ik twijfel er geenszins aan, of Spanje zal eens even trotsch op u zijn, als Griekenland op zijn wijzen.” Deze woorden werden gevolgd door een nieuwe omarming, die ik mij nog moest getroosten op gevaar af het lot van Antëus te ondergaan. Als ik maar wat meer ondervinding had gehad, zou ik niet het slachtoffer geworden zijn van deze vertooning en van dezen overdreven lof. Ik zou dan wel begrepen hebben, dat ik te doen had met een van die parasieten, die men in alle steden aantreft en die zich bij iederen vreemdeling weten in te dringen om op diens kosten hun buik te vullen; mijn jeugd en mijn gestreelde ijdelheid deden mij echter anders oordeelen. Ik beschouwde mijn vereerder als een hoogst eerlijk man en noodigde hem uit het souper met mij te gebruiken.
“Met zeer veel genoegen,” riep hij uit, “ik ben mijn goed gesternte zoo dankbaar, dat het mij den beroemden Gil [15]Blas de Santillano heeft doen ontmoeten, dat ik natuurlijk zoolang mogelijk van mijn geluk hoop te genieten. Ik heb weliswaar niet veel trek, maar zal mij toch bij u neerzetten om u gezelschap te houden en ik zal dan een paar stukjes eten om u een genoegen te doen.”

Zoo sprekende ging mijn bewonderaar tegenover mij zitten, terwijl men een bord voor hem op tafel plaatste. Allereerst wierp hij zich op de omelet en dat met zulk een gulzigheid, alsof hij in geen drie dagen een stukje had gegeten. Te oordeelen naar de wijze waarop hij er mee omsprong, zag ik wel dat zij spoedig naar binnen gewerkt [16]zou zijn. Ik bestelde een tweede die zoo snel werd gemaakt, dat men hem ons voorzette juist toen wij de eerste op hadden of beter gezegd toen mijn overbuur met eten ophield. Hij werkte al even handig met de tweede, doch vond toch nog tusschen het eten door den tijd mij allerlei lof toe te zwaaien, wat mij erg trotsch op mijn persoontje deed zijn. Intusschen dronk hij terdege, nu eens op mijne gezondheid dan weer op de gezondheid van mijne ouders, die hij gelukkig prees zulk een zoon te hebben. Tegelijkertijd schonk hij mijn glas dan vol en noodigde mij uit met hem te klinken. Ik voldeed hieraan en goed gebuid door zijn lof en den wijn, vroeg ik aan den waard of hij ons geen visch kon bezorgen, daar de omelette bijna half op was. Corcuelo, die zooals blijkt onder een hoedje speelde met den kwartjesvinder, antwoordde mij: “Ik heb nog een heerlijke forel maar zij is zeer duur en veel te lekker voor u.”—“Wat noemt gij te lekker?” zeide toen mijn vleier op verbaasden toon; “hoe komt ge daarbij. Niets is te goed voor mijnheer Gil Blas de Santillano die ten volle verdient als een vorst behandeld te worden”.
Ik was zeer voldaan, dat hij de laatste woorden van den waard boos opnam en hij voorkwam slechts mijn eigen aanmerking. Ik voelde mij beleedigd en zei trotsch tot Corcuelo: “Breng ons uw forel en bekommer je maar niet om de rest”. De waard, die niets liever wilde, ging haar klaarmaken en diende ’r spoedig op. Op het zien van dezen schotel zag ik een innige vreugde blinken in de oogen van den parasiet, die mij natuurlijk weer een groot genoegen wilde doen door op den visch aan te vallen zooals hij het op de eieren had gedaan. Ten slotte moest hij echter ophouden, daar hij tot aan zijn keel vol was. Na zijn genoegen te hebben gegeten en gedronken, wilde hij eindelijk een einde maken aan de comedie: “Mijnheer Gil Blas”, zei hij opstaande van tafel, “ik ben te zeer tevreden over uw goed onthaal om u niet voor mijn vertrek een goeden raad te geven, dien gij naar ’t mij schijnt wel noodig hebt. Pas in het vervolg op voor loftuitingen [17]en wantrouw personen die gij niet kent. Gij zoudt nog anderen kunnen ontmoeten, die zich evenals ik zouden willen vermaken ten koste van uwe lichtgeloovigheid, en die de grap nog verder zouden kunnen drijven. Pas op, dat gij niet hun slachtoffer wordt en denk niet dat gij het achtste wereldwonder bent, al zeggen ze het nog zoo vaak.”
Hierop lachte hij mij in mijn gezicht uit en ging heen.
Zooals licht te begrijpen valt, was ik zeer uit mijn humeur over deze beetnemerij, meer dan ik ooit later door eenigen tegenspoed ben geweest. Ik kon het mezelf maar niet vergeven, dat ik mij zoo leelijk had laten beetnemen of beter gezegd dat mijn trots zoo vernederd was. “Wat” riep ik uit, “de schurk heeft dus met mij gespeeld en den waard eerst uitgehoord. Misschien ook verstaan zij elkaar in dit opzicht. Arme Gil Blas, je moet sterven van schaamte dat ge jezelf zoo leelijk hebt laten foppen en belachelijk maken. Zij gaan natuurlijk hiervan een heel verhaal maken dat zeker tot Oviédo zal doordringen en dat je daar ook in een mal daglicht zal plaatsen. Je ouders zullen er spijt van hebben een dwaas zulke goede lessen te hebben gegeven: inplaats van mij te vermanen niemand te bedriegen, hadden zij mij liever moeten waarschuwen mijzelf niet te laten bedriegen.” Heftig bewogen door deze kwellende gedachten, verteerd van spijt, ging ik naar mijn kamer en naar bed, maar ik kon niet slapen en nauwelijks had ik den slaap gevat of de muilezeldrijver liet mij zeggen, dat hij gereed was en slechts op mij wachtte om te vertrekken. Ik stond direct op en terwijl ik mij kleedde, kwam Corcuelo met de rekening waarop de forel vooral niet was vergeten; en niet alleen moest ik alles tot den laatsten cent toe betalen wat hij mij vroeg, maar bovendien rakelde hij het geval van den vorigen avond nog eens op toen ik hem voldaan had. Na het souper betaald te hebben dat mij zoo slecht was bekomen, ging ik met mijn valies naar den muilezeldrijver en wenschte den oplichter, den waard en de herberg naar den duivel. [18]
Ik was niet alleen met den ezeldrijver; er waren twee kinderen van een familie te Pennaflor, een kleine straatzanger en een jonge burgerman van Astorga die met zijn vrouw, met wie hij juist te Verco getrouwd was, huiswaarts keerde. Wij maakten al spoedig kennis met elkaar en in minder dan geen tijd had ieder gezegd waar hij vandaan kwam en waar hij heenging. De jonggehuwde vrouw was zoo zwart en zoo weinig mooi dat ik er niet veel pleizier in had haar aan te kijken, maar haar jeugd en haar molligheid maakten blijkbaar wel indruk op den ezeldrijver, die besloot zijn best te doen om een wit voetje bij haar te krijgen. Den geheelen dag peinsde hij over een gunstig plan daarvoor en tegen den avond begon hij met de uitvoering ervan. Wij kwamen toen te Cacabelas, waar hij ons terstond bij de eerste herberg deed afstappen. Deze herberg lag buiten de stad en hij kende den waard als een bescheiden en inschikkelijk man. Hij bezorgde ons een afzonderlijke kamer, waar hij ons rustig het avondeten liet gebruiken. Aan het einde daarvan kwam hij echter woedend binnenstormen, roepende: “Voor den duivel, ik ben bestolen! Ik had honderd pistolen in een lederen zak en ik zal ze terugvinden. Ik ga op staanden voet naar den rechtercommissaris van deze wijk, die op dit punt geen scherts verstaat en die u allen zoolang zal ondervragen totdat de schuldige bekend heeft en het geld terug geeft!” Dit zeide hij op een zeer natuurlijk verontwaardigden toon, [19]ging het vertrek uit en liet ons stom van verbazing achter.
Wij dachten hier niet aan een list omdat wij elkander nog niet voldoende kenden om voor elkaars eerlijkheid te kunnen instaan. Ik verdacht den kleinen straatzanger van de misdaad en deze dacht het waarschijnlijk van mij. Bovendien waren wij allemaal jeugdige dwazen. Wij kenden geen van allen de formaliteiten, die in zulk een geval in acht moeten worden genomen en wij geloofden dat wij allen gearresteerd zouden worden. Bevreesd vluchtten wij dan ook de kamer uit, sommigen de straat op, anderen den tuin in. Ieder zocht zijn heil in de vlucht en de jonge man uit Astorga, al even bevreesd door de gedachte aan het onderzoek, ging aan den haal zonder zich om zijne vrouw te bekommeren, evenals eertijds Eneas. De drijver die, zooals ik later vernam, hartstochtelijker van natuur was dan zijn beestjes, ging hierop zijn goed bedachte list aan de jonggetrouwde vrouw vertellen, zoodoende profiteerende van de hem gunstige gelegenheid. Deze Asturische Lucretia, niet erg ingenomen met de boeventronie van haar verleider, verzamelde al haar krachten, bood hardnekkig tegenstand en begon luidkeels te schreeuwen. De patrouille, die toevallig dicht bij de herberg was, waar overigens haar hulp wel meer ingeroepen werd, ging naar binnen en vroeg naar de oorzaak van dat hulpgeschreeuw. De waard, die in zijn keuken aan het zingen was en net deed of hij niets hoorde, was gedwongen den commandant en zijn mannen naar de kamer te brengen, waaruit de kreten kwamen. Juist op tijd, want de Asturische kon niet langer tegenstand bieden. De commandant, een ruw man, zag nauwelijks wat er gaande was, of hij gaf de verliefden drijver eenige slagen met zijn hellebaard, hem daarbij uitscheldend in woorden, die het schaamtegevoel zeker niet minder kwetsten dan de handeling zelve, welke hem deze woorden in den mond legde. Maar dat was nog niet alles, hij greep den schuldige en bracht hem voor den rechter tegelijk met de aanklaagster, die, niettegenstaande haar gehavende kleeding, zelve straf voor deze [20]aanranding wilde gaan vragen. De rechter hoorde haar aan en na haar nauwlettend te hebben gadegeslagen, oordeelde hij, dat de beschuldigde geen genade kon erlangen. Hij deed hem op staanden voet ontkleeden en in [21]hare tegenwoordigheid geeselen; verder beval hij, dat indien de man van de Asturische vrouw den volgenden morgen niet terug zou zijn, twee boogschutters haar naar Astorga zouden brengen op kosten van den beschuldigde.

Wat mij betreft, die misschien het bangst van allen was, ik liep het veld in, over bouwlanden en door heidestruiken, sprong over greppels en slooten, die op mijn weg lagen, en kwam eindelijk in een bosch aan. Ik wilde me juist tusschen dicht struikgewas verbergen, toen twee mannen te paard mij den weg versperden. “Werda”, riepen zij en daar ik door mijn schrik niet terstond kon antwoorden, kwamen zij op mij toe, hielden me ieder een pistool voor en eischten, dat ik zou zeggen wie ik was, waar ik vandaan kwam en wat ik in dit bosch wilde doen, waarschuwende niets voor hen te verbergen. Op deze wijze van ondervragen, die mij dezelfde scheen als het ondervragen van den rechter, waarop de muilezeldrijver ons getracteerd had, antwoordde ik, dat ik een jonge man was uit Oviédo en naar Salamanca reisde. Ik vertelde hem verder aan welk een schrik men ons had blootgesteld en dat ik uit vrees daarvoor op de vlucht was gegaan. Zij barstten in lachen uit op het hooren van mijn verhaal, dat mijn onnoozelheid duidelijk aan den dag legde en een van hen zei mij: “Wees gerust, vriendje, kom met ons mee en vrees niets, we zullen je in veiligheid brengen.” Bij deze woorden deed hij mij achter op het paard stijgen en wij drongen dieper het bosch in.
Ik wist niet, wat van deze ontmoeting te denken, doch stelde er mij geen kwaad van voor. “Als deze lieden dieven waren,” dacht ik bij mijzelf, “zouden ze mij bestolen en misschien vermoord hebben, ’t zullen dus een paar goede jongelieden zijn uit deze streek, die medelijden met mij hebben en mij naar hun huis brengen.” Ik verkeerde niet lang in het onzekere, want na een tijdje gereden te hebben, zonder dat er een woord gesproken werd, hielden we stil aan den voet van een heuvel en stegen af. “Hier wonen wij nu,” zei een van de ruiters, maar hoe ik ook [22]keek, ik zag nergens een huis of hut of iets, dat op eene woning geleek. Intusschen opende een van de mannen een houten valluik, dat bedekt was met kreupelhout en dat den ingang van een lange onderaardsche, afdalende gang verborg. De paarden gingen hier uit eigen beweging in, alsof zij eraan gewend waren. De ruiters namen mij mee naar binnen en lieten het valluik door middel van daartoe aangebrachte touwen neer en zoo zat de waardige neef van oom Perez gevangen als een rat in een rattenval. [23]
Ik zag nu met wat voor lieden ik te doen had en men kan begrijpen dat mijn vroegere vrees door deze kennismaking verdween om plaats te maken voor een veel grooteren angst. Ik vreesde mijn leven en mijn dukaten te zullen verliezen en beschouwde mijzelf al als een offerdier, dat men naar het altaar voert. Meer dood dan levend liep ik tusschen mijn geleiders, die, ziende dat ik beefde, mij tevergeefs trachtten gerust te stellen. Toen wij ongeveer tweehonderd pas gedaan hadden, steeds hoeken omslaande en naar beneden loopende, traden wij een soort van stal binnen, verlicht door twee aan het gewelf hangende lampen. Er lag een goede voorraad stroo en verscheidene tonnen gierst. Twintig paarden zouden hier best gestald kunnen worden, maar er waren slechts de twee paarden die wij medebrachten. Een oude neger, die er intusschen nog tamelijk krachtig uitzag, bond ze vast aan de ruif.
Wij verlieten daarop den stal en gingen naar een keuken, bijgelicht op onzen weg door eenige lampen, die juist genoeg licht gaven om het lugubere van deze plaatsen te laten zien. Een oude vrouw was bezig stukken vleesch waarschijnlijk bestemd voor het avondeten, in pannen te bakken. De keuken was behangen met het gewone keukengerei en dichtbij zag men een bergplaats ruim voorzien van allerlei voorraad. De keukenmeid was even over de zestig en in haar jeugd zeker erg blond geweest, want hoewel zij nu wit was, hadden hare haren toch nog eenige [24]nuancen van de vorige kleur behouden. Haar gelaat was olijfkleurig, zij had een puntige opgewipte kin en erg invallende lippen; een groote arendsneus boog zich tot op haar mond en hare oogen waren rood met purperen glans.
“Hier brengen wij je een jongeling,” zei een van de ruiters tot deze schoone engel der duisternis en zich vervolgens tot mij wendende en ziende dat ik geheel bleek en ontdaan was van schrik, zeide hij: “Vriendje, je behoeft voor niets bang te zijn, er zal je geen leed hoegenaamd geschieden. Wij hadden een knechtje noodig om onze keukenmeid een beetje te helpen; wij hebben jou ontmoet en dat is een buitenkansje voor je. Gij komt hier in de plaats van een jongen, die voor veertien dagen gestorven is. Hij had een zeer zwak gestel, maar gij lijkt flinker en zult niet zoo gauw sterven. Weliswaar zult gij het daglicht niet meer zien, maar ter vergoeding daarvoor zal het je hier aan niets ontbreken. Gij zult je leven slijten met Leonarda, die een goede vrouw is en gij zult alles hebben wat je hartje begeert. Ik zal je eens laten zien, dat je hier niet bij arme lui bent.” Daarop nam hij een fakkel en gebood mij hem te volgen.
Hij bracht mij naar een kelder, waarin ik een groote menigte flesschen zag en aarden potten, alle goed gesloten en vol uitmuntenden wijn. Vervolgens leidde hij mij door verschillende vertrekken. In enkele ervan waren stukken linnen opgestapeld, in andere stukken zijde.
Verder zag ik heel veel goud en zilver en allerlei vaatwerk met wapens erop. Daarna bracht hij mij in een groot vertrek, dat verlicht werd door drie vensters van gedreven koper en dat toegang gaf tot verschillende andere kamers. Hier deed mijn geleider mij opnieuw allerlei vragen, hoe ik heette, waarom ik Oviédo verlaten had en meer van dien aard en toen ik ze alle beantwoord had, zeide hij tot mij: “Je bent een zondagskind, Gil Blas, dat je juist ons getroffen hebt, nu je toch uit je vaderstad waart vertrokken om eene goede betrekking te vinden. Ik heb het je al gezegd, gij zult hier een heerenleventje [25]leiden in weelde en overvloed. Gij zult rollen door het goud en zilver. Bovendien zijt gij hier absoluut veilig, want dit hol is zóó verborgen, dat de speurhonden van de politie het wel nooit zullen ontdekken. Ik en mijn kameraden alleen kennen den toegang. Ik ben kapitein Rolando en aanvoerder van de geheele bende; de man dien gij bij mij hebt gezien, was een van de manschappen.” [26]
Toen Rolando dit alles verteld had, verschenen er zes andere mannen in de zaal. Het was de luitenant met vijf manschappen, allen beladen met buit. Zij droegen twee groote draagkorven vol suiker, kaneel, peper, vijgen, amandelen en rozijnen.
De luitenant begon te spreken tot den kapitein en zeide hem, dat hij die manden met buit weggenomen had van een kruidenier van Benavente en dat hij diens muilezel ook gestolen had. Na aldus rekening en verantwoording van zijn tocht te hebben gegeven, werd de buit naar de provisiekamers gebracht. Daarna dacht men slechts aan vreugde en vermaak, men plaatste een groote tafel in het salon en zond mij naar de keuken, waar Leonarda mij op de hoogte bracht van wat ik te doen had. Ik boog voor de noodzakelijkheid, daar mijn noodlot het van mij eischte, begroef mijn smart diep in mijn binnenste en begon deze eerlijke, brave menschen te bedienen.
Ik bracht eerst het buffet in orde, plaatste er zilveren kopjes op en verscheidene flesschen van dien heerlijken wijn, dien Rolando zoo geprezen had. Vervolgens zette ik twee schotels ragoût klaar en terstond gingen de roovers aan tafel. Zij begonnen met een flinken eetlust te eten, terwijl ik achter hen bleef staan om hen te bedienen en wijn in te schenken. Ik deed dit zoo naar hun genoegen, dat zij mij allerlei complimentjes maakten, terwijl de kapitein hun mijne geschiedenis vertelde, wat hen blijkbaar zeer vermaakte. Vervolgens vertelde hij allerlei [27]lof van mij, doch ik was voorgoed van ijdelheid genezen en ik hoorde het dan ook onverschillig aan. Toen begonnen zij mij allen te prijzen en zeiden dat ik geknipt was voor schenker en honderdmaal beter was dan mijn voorganger. En daar Senora Leonarda dat ambt na zijn dood had waargenomen, ontnamen zij haar van nu af die waardigheid om mij er mede te bekleeden. Zoo volgde ik deze oude Hebe op als een tweede Ganymedes.
Een groote schotel met wild, die na de ragoût werd opgediend, verzadigde verder de roovers, die onderwijl een stevig glaasje dronken en spoedig in een vroolijke stemming kwamen en veel lawaai maakten. Zij begonnen allen tegelijk te praten, deze vertelde een geschiedenis, gene tapte een ui, weer een ander schreeuwde of zong, zoodat men elkaar niet kon verstaan. Eindelijk had Rolando dit tooneel lang genoeg geduurd en met een stentorstem gebood hij het gezelschap stilte.
“Mijne heeren,” zeide hij op bevelenden toon, “luister naar hetgeen ik u te zeggen heb. Inplaats van elkander doof te schreeuwen, zouden wij beter doen als verstandige menschen te praten. Er valt mij iets in. Zoolang wij elkander kennen, zijn wij nog nooit zoo nieuwsgierig geweest te vragen van welke familiën wij zijn en door welke lotgevallen wij ons beroep hebben gekozen. Het komt mij voor, dat dit wel de moeite waard is bekend te maken. Laten wij elkaar dus vermaken met dit te verhalen.” Met vele buigingen van vreugde begroetten de luitenant en de anderen dit voorstel, alsof zij iets moois te vertellen hadden, en de kapitein begon aldus:
“Mijne heeren, gij moet weten dat ik de eenige zoon ben van een rijk burger uit Madrid. De dag van mijn geboorte werd door de familie gevierd met onbeperkte vreugd. Mijn vader, die reeds bejaard was, was buitengewoon verheugd bij het zien van zijn erfgenaam en mijne moeder voedde mij zelf. Mijn grootvader van moederszijde leefde toen nog; het was een goedaardige grijsaard, die zich nergens meer mee bezighield als met zijn [28]rozenkrans en het vertellen van zijn krijgsdaden, want hij had lang de wapenen gedragen en beroemde er zich dikwijls op, in het vuur te zijn geweest. Ongemerkt werd ik de afgod van deze drie menschen; onophoudelijk hadden ze mij in hun armen. Uit vrees dat de studie mij in de eerste jaren te veel zou vermoeien, liet men mij dien tijd doorbrengen met allerlei genoegens. Mijn vader zeide, dat kinderen zich eerst in den tijd dat hun verstand wat gerijpt is, ernstig aan iets moeten gaan wijden. In afwachting van die rijpheid, leerde ik lezen noch schrijven, maar daarom verkwistte ik mijn tijd toch niet. Mijn vader leerde mij honderd soorten van spelen. Ik was volleerd in kaartspel, kon de steenen werpen en mijn grootvader leerde mij liederen over de militaire expedities, die hij had medegemaakt. Elken dag zong hij mij dezelfde coupletten voor en wanneer hij drie maanden lang tien of twaalf verzen had herhaald, kon ik ze zonder fouten opzeggen en bewonderden mijne ouders mijn geheugen. Niet minder tevreden schenen zij over mijn verstand, als ik, profiteerend van de vrijheid die ik had om te zeggen wat ik wilde, een van hen in de rede viel, om tegen alles en allen in te praten. ‘Och, wat is het een lieve jongen!’ riep mijn vader dan uit, mij ontroerd aanziende. Mijne moeder overlaadde mij dan ook met liefkoozingen en mijn grootvader schreide van genoegen. Ook deed ik waar zij bij waren de onbeschaamdste dingen; zij vergaven mij alles, zij aanbaden mij. Intusschen was ik twaalf jaar geworden en had ik nog geen onderwijzer gehad. Men gaf mij er een; maar tegelijk ontving hij nauwkeurige bevelen mij te onderwijzen zonder hardhandigheid; men vergunde hem alleen mij af en toe te bedreigen om mij een beetje vrees in te boezemen. Deze vergunning was niet erg heilzaam, want òf ik lachte om de bedreigingen van mijn onderwijzer, òf ik ging met tranen in de oogen mijn leed klagen bij mijn moeder of mijn grootvader en maakte hen wijs dat hij mij erg mishandeld had. En al ontmaskerde de arme drommel mij ook, dan was hij er nog niet beter [29]aan toe, maar ging door voor een woesteling, men geloofde mij toch altijd eerder dan hem. Zelfs schramde ik mijzelf eens; ik ging toen schreeuwen alsof ik vermoord werd; mijn moeder liep toe en joeg den meester onmiddellijk weg, hoewel hij den hemel tot getuige riep, dat hij mij niet had aangeraakt.
Zoo ontdeed ik mij van al mijne leeraren, totdat er een kwam, van de soort, die ik noodig had. Dat was een student van Alkala. Een uitmuntend mensch voor huisleeraar. Hij hield van vrouwen, het spel en de kroeg, in betere handen kon ik niet vallen. Hij begon eerst mijn verstand met zachtheid te bewerken, daarin slaagde hij en won daardoor het vertrouwen van mijn ouders, die mij aan hem overlieten. Zij hadden geen reden daarover berouw te hebben; vroegtijdig maakte hij mij volleerd in wereldkennis. Door mij mede te nemen naar alle plaatsen waar hij gaarne kwam, wekte hij zulk een leerlust bij mij op, dat ik op het latijn na, bijna een alwetend jongmensch werd. Zoodra hij zag dat ik zijn voorbeeld niet meer noodig had, ging hij zich ergens anders aanbieden.
Had ik in mijn kindsheid thuis erg vrij geleefd, zoo werd dit heel anders toen ik begon meester te worden over mijne daden. In den kring van het gezin nam ik de proef met mijne onbeschaamdheid. Ik bespotte elk oogenblik mijn vader en mijn moeder. Zij lachten slechts om mij; en hoe grievender ik hen beleedigde, hoe aangenamer zij het vonden, Intusschen gaf ik mij over aan allerlei uitspattingen met jongelieden van mijn slag en daar onze ouders niet genoeg geld gaven om zulk een heerlijk leven voort te zetten, stal elkeen thuis, wat hij krijgen kon en daar dit nog niet voldoende was, begonnen wij des nachts te stelen, wat niet weinig méer inbracht. Ongelukkig kreeg de politie er de lucht van. Zij wilde ons laten arresteeren, maar men waarschuwde ons voor dit booze plan, wij vluchtten en begonnen de groote wegen te exploiteeren. Van dien tijd af, mijne heeren, is God zoo genadig geweest, mij in mijn beroep oud te laten [30]worden, ondanks de gevaren die er aan verbonden zijn.”
De kapitein zweeg en de luitenant nam het woord. “Mijne Heeren,” zeide hij, “eene opvoeding, die precies het tegenovergestelde was van die van signor Rolando, heeft het zelfde resultaat gehad. Mijn vader was slager in Toledo; met recht ging hij door voor den grootsten woesteling in de buurt en mijn moeder was niet zachter van aard. In mijn jeugd wedijverden zij als het ware in het afrossen van mij. De minste fout, die ik beging, werd door de ruwste straffen gevolgd. Al vroeg ik hen vergiffenis met tranen in de oogen en had ik berouw over hetgeen ik gedaan had, men vergaf mij niets en sloeg mij meestal zonder reden. Wanneer mijn vader mij sloeg, dan ging mijn moeder meedoen, inplaats van tusschenbeide te komen. Deze behandeling vervulde mij met zulk een afkeer van het ouderlijke huis, dat ik het verliet vóór ik veertien jaar was. Ik ging den weg naar Aragon op en trok al bedelende naar Saragossa; daar voegde ik mij bij een troep landloopers, die een tamelijk gelukkig leven leidden. Zij leerden mij voor blind doorgaan, mank te schijnen, op de beenen zweeren en gezwellen aan te brengen, enzoovoorts. Als tooneelspelers, die zich voorbereiden, maakten wij ons des morgens klaar verschillende karakters voor te stellen. Ieder betrok zijn post en na ons des avonds vereenigd te hebben, maakten wij ’s nachts pleizier ten koste van hen, die medelijden met ons hadden gehad. Nochtans verveelde ik mij bij deze lieden en wilde met eerlijker menschen leven; ik voegde mij bij eenige fortuinzoekers. Zij leerden mij goede slagen te doen, maar wij moesten spoedig Saragossa verlaten, omdat wij ongenoegen kregen met een rechter, die ons altijd beschermd had. Elk ging zijn eigen weg. Wat mij betreft, ik voelde in mij den lust tot gewaagd spel en voegde mij bij een troep moedige mannen, die de reizigers schatting lieten betalen en ik bevond mij zoo wel bij hunne manier van leven, dat ik sedert geen andere bezigheid heb willen zoeken. Ik ben mijne ouders dus zeer dankbaar, mijne [31]heeren, dat zij mij zoo mishandeld hebben, want wanneer zij mij wat zachter hadden opgevoed, dan zou ik thans ongetwijfeld niet meer zijn dan een ongelukkige slager, inplaats waarvan ik de eer heb uw luitenant te zijn.”
“Mijne heeren,” zei nu een jonge dief, die tusschen den kapitein en den luitenant zat, “zonder verwaandheid mag ik zeggen dat de verhalen, die wij zooeven gehoord hebben, niet zoo ingewikkeld noch zoo zonderling zijn als het mijne; ik ben zeker, dat dit u zal bevallen. Ik dank het levenslicht aan eene boerin uit de buurt van Sevilla. Drie weken nadat zij mij ter wereld had gebracht (zij was jong, flink en een goede voedster), stelde men haar voor min te worden bij een voornaam kind, een eenigen zoon die pas in Sevilla geboren was. Mijne moeder nam het voorstel gaarne aan; zij ging het kind halen. Men vertrouwde het haar toe en eenige gelijkenis tusschen hem en mij vindende, vatte zij het plan op mij voor het voorname kind in de plaats te schuiven, in de hoop dat ik dezen goeden dienst te eeniger tijd wel zou erkennen. Mijn vader, die niet nauwgezetter was dan een ander boer, vond het goed, zoodat na van luiers te hebben verwisseld, de zoon van don Rodriges de Herrera onder mijn naam naar een andere min werd gezonden en mijne moeder mij voedde als de zijne.
Wat men ook zeggen moge over het instinkt en de kracht van het bloed, zoo slikten de ouders van den kleinen edelman toch gemakkelijk de verwisseling. Hun voornemen was een volmaakt edelman van mij te maken, maar ik deed mijne onderwijzeres weinig eer aan: ik had weinig lust in de oefeningen en nog minder smaak in de kennis die men mij wilde bijbrengen. Ik speelde veel liever met de lakeien, die ik steeds in den stal of in de keuken opzocht. Het spel was niet lang mijn overheerschende passie; reeds toen ik zeventien jaar was, verveelde ik mij elken dag. Ik viel ook alle vrouwen in huis lastig. Ik hechtte mij vooral aan een keukenmeid, die ik mijne eerste zorgen wel waard achtte. Dat was een groote boerenmeid, wier [32]dikke wangen en omvangrijk middel mij zeer bevielen. Ik maakte haar met zoo weinig omslag het hof, dat don Rodriges het zelfs bemerkte. Hij berispte mij daar bitter over en verweet mij de laagheid mijner neigingen, en uit vrees dat het gezicht van het beminde wezen zijne berispingen te niet zouden doen, zette hij mijne prinses buiten de deur.
Dat mishaagde mij en ik besloot mij te wreken. Ik stal de juweelen van de vrouw van don Rodriges en na mijne schoone Helena te hebben opgezocht, die naar een waschvrouw in de buurt was gegaan, schaakte ik haar op klaarlichten dag, opdat iedereen ervan hooren zou. Ik ging verder, ik bracht haar naar haar land, waar ik haar plechtig trouwde, zoowel om Herrera nog meer te grieven als om aan deftige kinderen een mooi voorbeeld te geven. Drie maanden later hoorde ik, dat don Rodriges gestorven was. Dit liet mij niet onverschillig, want direct begaf ik mij naar Sevilla om mijn erfgoed op te eischen, maar daar vond ik alles veranderd. Mijne moeder was overleden en stervende had zij de indiscretie begaan alles te bekennen in tegenwoordigheid van den pastoor en andere getuigen. De zoon van don Rodriges had reeds mijn plaats, of liever de zijne, ingenomen en hij was met des te meer genoegen erkend, waar men ontevredener was over mij; toen ik dus niets meer van dien kant te hopen en geen pleizier meer in mijn dikke vrouw had, voegde ik mij bij eenige fortuinzoekers, met wie ik mijne strooptochten begon.”
Toen de jonge dief zijn geschiedenis verteld had, zeide een ander, dat hij de zoon van een koopman uit Burgos was; dat hij in zijn jeugd gedreven door eene vrome devotie, de soutane had aangenomen en in een zeer heilige orde was getreden. Nu begon men over andere dingen te spreken. Zij bespraken allerlei plannen voor een volgenden strooptocht en na het eindelijk over een bepaald plan te zijn eens geworden, stonden allen van tafel op en gingen ter ruste. Ieder van hen stak een kaars op [33]en ging naar zijn eigen kamer, terwijl ik kapitein Rolando volgde om hem bij het ontkleeden behulpzaam te zijn. “Wel, Gil Blas,” zeide hij, “gij ziet nu hoe wij leven. Wij zijn altijd vroolijk en blij en haat en afgunst kennen wij niet; wij hebben nooit ruzie met elkaar en zijn onderling inniger verbonden dan kloosterlingen. Zooals ge dus ziet, zult ge hier een heerlijk leventje krijgen, want gij zult wel geen gewetensbezwaren hebben bij dieven te zijn. Ziet men eigenlijk wel iets anders dan dieven in de maatschappij? Neen, mijn beste jongen, alle menschen houden ervan zich het goed van anderen toe te eigenen; dit is allen ingeboren, alleen de wijzen waarop men het doet, verschillen. De veroveraars bijvoorbeeld nemen den grond van hun buren, voorname personen leenen geld en geven het niet terug. Bankiers, rentmeesters, wisselhandelaars, beambten, zoowel groote als kleine, zijn niet erg nauw van geweten. Wat de heeren van het gerecht aangaat, daarover spreek ik maar liever niet; het is maar al te goed bekend waartoe zij in staat zijn. Toch moet ik bekennen, dat zij menschelijker zijn dan wij, want wij ontnemen vaak het leven aan onschuldigen, terwijl zij vaak dat van een schuldige redden.” [34]
Na op deze wijze zijn beroep verdedigd te hebben, ging de kapitein naar bed, terwijl ik naar het salon terugkeerde om de tafel af te nemen en alles op te bergen.
Vervolgens ging ik naar de keuken, waar Domingo (dit was de naam van den ouden neger) en Signora Leonarda mij met het souper wachtten, Hoewel ik niet den minsten eetlust had, ging ik toch bij hen zitten. Ik kon echter geen hapje door mijn keel krijgen en daar ik er erg bedroefd en terneergeslagen uitzag, begonnen deze twee oudjes mij te troosten, echter op een wijze, die beter geschikt was om mij wanhopig te maken, dan om mijn smart te verlichten. “Waarom ben je zoo bedroefd, mijn jongen?” zei de oude vrouw. “Je moest je eerder verheugen hier te zijn. Je bent nog jong en onervaren en zoudt spoedig in de wereld verloren zijn geweest; gij zoudt er vast en zeker losbandige jongelieden hebben aangetroffen, die je tot allerlei uitspattingen zouden verleiden, terwijl je onschuld hier in veilige haven is.” “Leonarda heeft gelijk,” zeide de oude neger met een zware stem, “en men zou er nog bij kunnen voegen, dat er slechts moeiten en smarten in de wereld zijn. Je moogt den hemel wel danken dat je zoo ineens verlost bent van al die gevaren en ellenden der wereld.”
Ik duldde dit gesprek zonder eenige tegenspraak, daar het toch niets zou gebaat hebben mij er boos om te maken. Zelfs geloof ik, dat zij om mij gelachen zouden [35]hebben als ik kwaad was geworden. Eindelijk ging Domingo, na goed gegeten te hebben, naar zijn stal en Leonarda nam een lamp en leidde mij naar een soort gewelfde kelder, die dienst deed als kerkhof voor de overleden roovers, die hun natuurlijken dood stierven en waar ik een soort krib zag, die meer op een doodkist geleek dan op een bed, “Dit is nu jou kamer, mijn beste jongen,” zei zij mij met de hand onder de kin streelend; “de jongen die hier vóór jou diende, heeft er zijn heele leven in gehuisd en ligt er nu ook nog begraven. Hij is in den bloei van zijn jeugd gestorven, maar jij moet verstandiger zijn en zijn voorbeeld niet volgen.” Toen gaf zij mij de lamp en keerde weer naar haar keuken terug. Ik zette de lamp op den grond en wierp mij op het bed, niet zoozeer om te rusten als wel om mijzelf geheel aan mijn overpeinzingen over te geven. “O, mijn God,” zei ik, “is er een lot zoo droevig als het mijne? Men verlangt van mij dat ik afstand zal doen van het zonnelicht en alsof het nog niet genoeg was op achttienjarigen leeftijd levend begraven te worden, vernedert men mij nog tot het dienen van roovers en moet ik ’s nachts bij de dooden verblijven!” Bij deze gedachten, die mij vreeselijk mistroostig schenen en het inderdaad ook waren, begon ik hevig te snikken. Ik vloekte den inval van mijn oom om mij naar Salamanca te sturen en verweet mijzelf bevreesd te zijn geweest voor het gerecht van Cacabelos; ik wilde dat ik op ’t oogenblik erdoor ondervraagd werd. Maar bedenkende dat al dat gejammer niets baatte, begon ik over middelen te peinzen om te ontvluchten en ik begon mijzelf moed in te spreken, zeggende: “Is het dan volstrekt onmogelijk van hier te ontvluchten? De roovers slapen en de oude keukenmeid en de neger zullen ook spoedig in diepe rust zijn. Zou ik nu met behulp van deze lamp den uitgang niet kunnen vinden, waarlangs ze mij binnenbrachten? Intusschen ben ik misschien niet sterk genoeg om alleen het valluik op te lichten, maar komaan ik kan het probeeren, dan heb ik mij ten minste niets te verwijten. [36]Mijn wanhoop zal mij kracht geven en misschien slaag ik er in.”
Ik vormde dus een groot plan. Toen ik meende dat Leonarda en Domingo sliepen, stond ik stilletjes op, nam de lamp en verliet het onderaardsche hol, terwijl ik mij aan alle heiligen van het Paradijs aanbeval. Eerst na veel moeite gelukte het mij, den weg te vinden in dit doolhof van gangen, maar ik kwam eindelijk toch aan den stal en aan den weg, dien ik zocht. Langzaam ging ik vooruit naar het valluik, terwijl mijn hart van vreugde en vrees tegelijk heftig kloppen. Halverwege de gang echter, stuitte ik op een ijzeren hek, dat stevig gesloten was en waarvan de staven zóó dicht bij elkaar waren, dat men nauwelijks de hand er doorheen kon steken. Ik had dit beletsel niet gezien bij het binnenkomen omdat het hek toen open was. Intusschen beproefde ik de stangen, bekeek het slot nauwkeurig, trachtte het zelfs te forceeren, toen ik plotseling eenige krachtige slagen tusschen mijn schouders ontving. Ik gaf een luiden gil zoodat het onderaardsch gewelf ervan weergalmde, en mij omdraaiende zag ik den ouden neger, die in de eene hand een dievenlantaarn had en in de andere een bullepees, waarmee hij mij had geslagen. “Arme kleine schelm,” zei hij, “wou je ontvluchten? Je behoeft er niet aan te denken mij te verschalken, want ik had je heel goed gehoord. Je dacht zeker het ijzeren hek open te vinden, is ’t niet? Maar ge kunt er van opaan, dat het voortaan altijd gesloten is. Wanneer wij hier iemand tegen zijn zin houden, moet hij geslepener zijn dan gij om ons te ontsnappen.”
Op mijn geschreeuw waren twee of drie van de roovers wakker geworden en opgesprongen. En denkende, dat het de dienaren van den heiligen Hermandad waren, die hen overvielen, riepen ze in allerijl hun kameraden. In minder dan geen tijd waren allen op de been, grepen hun degens en karabijnen en snelden naar de plaats waar Domingo en ik stonden. Toen zij echter de reden van het gerucht vernamen, maakte hun onrust plaats voor uitbundig gelach. [37]“Hoe nu, Gil Blas,” zei een van hen, “je bent nauwelijks een paar uur bij ons en wil je ons nu reeds verlaten? Gij schijnt wel een vreeselijken afkeer te hebben van afzondering en ge moet er maar nooit aan denken Karthuizer monnik te worden. Ga nu maar gauw slapen, voor dezen keer komt ge er af met de slagen, die Domingo je gegeven heeft, maar als je ’t ooit in den zin krijgt weer zoo iets te probeeren, kun je er staat op maken dat we je levend villen.” Hierop ging hij heen en ook de andere roovers trokken zich in hun kamers terug, nog hartelijk lachende over mijn poging tot ontsnappen. Ook de oude neger keerde zeer voldaan naar den stal terug en ik ging weer naar mijn kerkhof, waar ik den nacht verder met zuchten en huilen doorbracht. [38]
Ik dacht de eerste dagen van verdriet te zullen sterven. Ik leidde een treurig bestaan, maar gelukkig vermaande mijn goede genius mij voortaan te veinzen. Ik deed dus juist of ik minder bedroefd was en begon te lachen en te zingen, hoewel ik er in ’t minst niet den lust toe had. Ik huichelde echter zoo goed, dat Leonarda en Domingo erdoor verschalkt werden en dachten dat de gevangen vogel aan zijn kooi wende. Ook de roovers dachten hetzelfde daar ik mij zeer opgewekt toonde als ik hen bediende en mij in hun gesprekken mengde door een of andere aardigheid te tappen als er gelegenheid toe was. Mijn vrijmoedigheid, verre van hun te vervelen, vermaakte hen zeer, “Gil Blas,” zei de kapitein mij op een avond toen ik weer vroolijk was, “gij doet zeer verstandig door die zwaarmoedigheid te bannen; ik houd veel van je opgewektheid en je grappen. Men kent iemand niet terstond op het eerste gezicht en ik had je waarlijk niet zoo geestig en vroolijk gedacht als ge nu blijkt te zijn.”
Ook de anderen prezen mij om het hardst en spoorden mij aan zoo voort te gaan met hen vroolijk tegemoet te komen; ten slotte schenen zij mij toe zoo tevreden over mij te zijn dat ik, gebruik makende van hun goede stemming, hen aldus toesprak: “Veroorlooft mij, mijne heeren, dat ik u den bodem van mijn ziel blootleg. Sedert ik hier ben gevoel ik mij een geheel ander mensch dan vroeger. Gij hebt mij verlost van de vooroordeelen van mijn opvoeding en ik heb onmerkbaar mij uwe zienswijze eigen gemaakt. Ik gevoel veel lust in uw beroep en ik sterf bijna [39]van verlangen om een van de uwen te zijn en alle gevaren van uwe tochten te deelen.” Het geheele gezelschap juichte deze toespraak toe. Men prees mijn goeden wil; daarna werd er met algemeene stemmen besloten, dat men mij nog eenigen tijd hen zou laten bedienen om mijne roeping op de proef te stellen en dat men mij vervolgens de plaats zou geven die ik vroeg en die men niet kon weigeren aan een jongmensch, dat toonde zulk een goeden wil te hebben.
Ik moest dus voortgaan met mijn rol van huichelaar en mijn ambt van schenker nog eenigen tijd uit te oefenen. Ik leed natuurlijk vreeselijk onder dien toestand want ik verlangde slechts roover te worden om uit te kunnen gaan zooals zij en vleide mij ook met de hoop, dat ik hen vroeg of laat zou kunnen ontsnappen. Deze hoop hield den moed er bij mij in, doch het wachten viel mij ontzettend lang en meermalen trachtte ik Domingo te verschalken. Hiertoe was echter geen kans want hij was veel te waakzaam; geen honderd Orpheussen zouden dezen Cerberus hebben bekoord. Bovendien was ik steeds bang ontdekt te worden zoodat ik niet al het mogelijke deed om hem te bedriegen. Hij hield mij voortdurend in het oog en ik moest veel te voorzichtig zijn om mijzelf niet te verraden. Ik wachtte dus den tijd af waarop de roovers mij bij hun troep zouden inlijven en ik wachtte er met zooveel ongeduld op alsof het mijne benoeming tot een hoog ambt gold.
Gelukkig brak dat gelukkige oogenblik na zes maanden aan. Kapitein Rolando sprak op zekeren avond tot de roovers: “Kameraden, wij moeten het aan Gil Blas gegeven woord gestand doen. Die knaap bevalt mij, hij schijnt mij geschikt onze voetstappen te drukken en ik geloof dat wij er een flink medelid van zullen maken. Wij moesten hem morgen met ons medenemen om lauweren te verwerven op onze tochten. Wij moeten zorgen hem tot onzen eigen roem op te voeden.” De roovers waren het allen eens met hun kapitein; en om te toonen, dat ze mij reeds als een der hunnen beschouwden, behoefde ik van dit oogenblik af hen [40]niet meer te bedienen. Zij herstelden juffrouw Leonarda in de betrekking, die men haar ontnomen had om er mij mee te belasten. Ze lieten mij van mijn kleeding ontdoen, die uit een eenvoudige, versleten priesterrok bestond, en ze tooiden me met de achtergelaten kleederen van een edelman, kort tevoren bestolen. Na dit alles hield ik mij gereed voor mijn eersten veldtocht. [41]
’t Was op het einde van een Septembernacht, dat ik met de roovers het onderaardsche gewelf verliet. Ik was evenals zij gewapend met een karabijn, twee pistolen, een zwaard en een bajonet en ik bereed een vrij goed paard, dat men aan denzelfden edelman ontnomen had, wiens kleeren ik aan had. Ik had zóó lang in de duisternis geleefd, dat de aanbrekende dag me in den beginne verblindde; maar langzamerhand begonnen mijn oogen zich aan het daglicht te gewennen. We gingen langs Pont-Ferrada, en legden ons in hinderlaag in een klein bosch, dat aan den grooten weg naar Léon grensde en in een gedeelte waar wij zonder zelf gezien te worden, alle voorbijgangers konden bespieden. Daar wachtten we tot het fortuin ons een goeden slag te slaan gaf, toen wij eensklaps een geestelijke van de orde der Dominikanen bemerkten, die, tegen de gewoonte dier goede paters in, een slechten muilezel bereed. “God zij geprezen,” riep de kapitein lachende, “daar is het meesterstuk voor Gil Blas. Hij moet dien monnik berooven; nu zullen we eens zien hoe hij er dat afbrengt.” Alle roovers oordeelden, dat ongetwijfeld deze zending mij toekwam en maanden mij aan er mij goed van te kwijten. “Heeren,” zei ik tot hen, “gij zult tevreden zijn; ik zal dien priester zóó berooven tot hij zoo naakt is als mijn hand en ik zal u zijn muilezel hier brengen.”
“Neen, neen,” zei Rolando, “dat is de moeite niet waard; breng ons slechts de beurs van Zijne Eerwaarde; dat is alles wat we van je eischen.” [42]
“Ik zal dus,” hernam ik, “onder de oogen mijner meesters mijn proefstuk leveren; ik hoop, dat ze mij met hun goedkeuring zullen vereeren.”
Daarop verliet ik het bosch en stuurde op den geestelijke af, den hemel smeekende mij de daad te vergeven, die ik ging verrichten, want ik was nog niet lang genoeg bij de roovers om dit zonder tegenzin te bedrijven. Ik had op dat oogenblik wel graag willen ontsnappen, maar het meerendeel der roovers was nog beter bereden dan ik; als ze mij hadden zien vluchten zouden ze mij dadelijk achtervolgd hebben en spoedig ingehaald of misschien zouden ze hun karabijnen op mij gelost hebben, waarbij ik me zeer slecht zou hebben bevonden. Zoo’n roekeloosheid mocht ik dus niet wagen; ik ging naar den pater toe en vroeg hem zijn beurs, terwijl ik den loop van mijn pistool voor zijn neus hield. Dadelijk bleef hij staan en nam me van het hoofd tot de voeten op, hij was niet erg geschrokken, maar voegde mij toe: “Mijn kind, gij zijt nog erg jong; je begint reeds vroeg een slecht bedrijf uit te oefenen.”
“Pater”, antwoordde ik, “hoe slecht het ook moge zijn, zou ik willen het reeds vroeger te zijn begonnen.”
“O mijn zoon,” hernam de goede geestelijke, die zich wel wachtte de eigenlijke beteekenis mijner woorden te begrijpen, “wat zegt gij? welk een verblindheid! laat ik u eens duidelijk den ongelukkigen toestand uitleggen.... ”
“O, pater,” hernam ik haastig, “geen zedepreeken als het u belieft, ik kom hier niet om sermoenen aan te hooren; daar is het trouwens niet om begonnen: ik wil geld.”—“Geld?” vroeg hij verwonderd; “gij schijnt een slecht oordeel te hebben van de Spaansche weldadigheid als gij meent, dat menschen van mijn stand geld noodig hebben om door Spanje te reizen. Bedrieg u niet. Men ontvangt ons overal vriendelijk; men herbergt en voedt ons, en men vraagt slechts gebeden in ruil. Daarom hebben wij nooit geld bij ons; wij geven ons over aan de Voorzienigheid.” “O, neen,” viel ik hem in de rede, daar geeft ge u niet aan over; ge hebt altijd van die lieve goudstukjes bij u om [43]nog zekerder van de Voorzienigheid te zijn. Maar, mijn vader,” ging ik verder, “laat ons eindigen, mijn kameraden, die daar in het bosch zijn, worden ongeduldig; gooi dadelijk uw beurs op den grond, of ik dood u.”
Bij deze dreigende woorden, scheen de geestelijke toch voor zijn leven bevreesd te zijn. “Wacht”, zij hij, “ik zal je tevreden stellen als het dan toch eenmaal moet. Ik zie wel, dat bij jullie de welsprekendheid nutteloos is.” Dit zeggende trok hij van onder zijn kleed een groote kemelsleeren beurs te voorschijn, die hij op den grond liet vallen. Daarop zei ik hem, dat hij zijn weg kon vervolgen, wat hij mij niet tweemaal zeggen liet. Hij drukte de flanken van zijn muilezel die mijn oordeel over hem, (want ik vond hem niet beter dan die van mijn oom) logenstrafte door eensklaps een goeden draf er in te zetten. Terwijl hij zich verwijderde, steeg ik af; ik raapte de beurs op, die mij heel zwaar leek, daarna steeg ik weer op en bereikte snel het bosch, waar de roovers me met ongeduld wachtten om me te feliciteeren, alsof de overwinning die ik behaald had, mij veel had gekost. Ternauwernood lieten ze mij den tijd van het paard af te komen, zóó haastten zij zich mij te omhelzen, “Goed, Gil Blas,” zei Rolando, “gij hebt daar iets buitengewoons verricht. Ik heb je gedurende je tocht voortdurend gade geslagen, ik heb op je houding gelet; ik voorspel je, dat je een uitstekende straatroover zult worden, of ik weet er niets meer van.” De luitenant en de anderen juichten deze voorspelling toe en verzekerden mij, dat ik haar zeker een of anderen dag tot waarheid zou maken. Ik bedankte hen voor de goede opinie, die ze van mij hadden en beloofde hun alles te doen om deze te handhaven.
Nadat zij mij te meer hadden geprezen waar ik het minder verdiende kwam het hun opeens in den zin den buit te bezichtigen, waarmede ik was terug gekeerd. “Laten we eens zien, wat er in de beurs van den geestelijke is,” zeiden zij. “Zij zal wel goed gevuld zijn,” vervolgde een hunner, “want die goede paters reizen niet als pelgrims,” [44]De kapitein wikkelde de beurs los, opende haar en haalde er twee of drie handenvol kleine koperen medailles uit, waartusschem eenige scapuliers. Op het gezicht van zulk een vreemdsoortigen buit, barstten de roovers in een onbedaarlijk gelach uit.
“Lieve God”, riep de luitenant uit, “wij zijn wel veel verplicht aan Gil Blas, die als proefstuk een zoo heilzamen roof voor ons heeft gedaan.” Deze aardigheid wekte andere op van hetzelfde allooi. De booswichten begonnen zich over dit onderwerp vroolijk te maken. Meer dan één pijl schoten ze af, die ik hier niet kan herhalen, maar die ten volle de laagheid hunner zeden kenmerkte. Ik alleen lachte niet. ’t Is waar, dat die spotters mij er den lust toe benamen, door zich ten mijnen koste te vermaken. Ieder gaf me een steek en de kapitein voegde me toe: “Mijn hemel, Gil Blas, ik raad je in gemoede je niet meer met monniken in te laten; zij zijn te slim, te sluw voor jou”. [45]
Wij bleven het grootste gedeelte van den dag in dat bosch zonder een enkelen reiziger te zien, die voor den geestelijke zou kunnen betalen. Eindelijk gingen wij er uit om naar het onderaardsche gewelf terug te keeren, onze heldendaden besprekende en het belachelijk geval, dat nog steeds het onderwerp van ons onderhoud uitmaakte, toen we in de verte een koets ontdekten met vier muilezels bespannen.
Het rijtuig kwam in flinken draf op ons af en werd begeleid door drie mannen te paard, die mij goed gewapend schenen en goed voorbereid ons te ontvangen indien we moedig genoeg waren hen aan te vallen. Rolando liet de troep stilhouden om daarover te beraadslagen en de uitslag was, dat tot den aanval werd besloten. Dadelijk stelde hij ons op, zooals hij dat goedvond en we gingen slagvaardig op de koets af. Niettegenstaande de toejuichingen die ik in het bosch had ontvangen, voelde ik mij geweldig beven en weldra werd mijn geheele lichaam zóó door koud zweet bedekt, dat ik me niets goeds voorspelde. Tot overmaat van geluk liep ik aan het hoofd der troep, tusschen den kapitein en den luitenant, die mij daar hadden geplaatst om mij maar dadelijk aan het vuur te gewennen. Rolando, die mijn angst bemerkte, keek me van terzijde aan, en zei op kwaden toon: “Luister, Gil Blas, denk er aan je plicht te doen, ik waarschuw je, als je terugwijkt jaag ik je een kogel door je hoofd.”
Ik was te zeer ervan overtuigd, dat hij zou doen wat hij zei, om die waarschuwing in den wind te slaan; daarom [46]beval ik slechts mijn ziel aan God, daar ik nu den eenen kant niet minder had te vreezen dan den andere. Intusschen kwamen de koets en de ruiters al dichterbij; zij zagen welk soort lui wij waren, en daar zij ons plan aan onze houding raadden, hielden zij op geweerschotsafstand stil. Zij hadden evengoed als wij, karabijnen en pistolen bij zich. Terwijl zij zich gereed maakten ons het hoofd te bieden, stapte er uit de koets een welgemaakt, rijk gekleed man. Hij steeg op een los paard door een der ruiters bij den teugel gehouden en stelde zich aan het hoofd der anderen; tot wapen had hij slechts zijn zwaard en twee pistolen. Hoewel ze slechts vier tegen negen waren, want de koetsier bleef op den bok, gingen zij met een zekerheid vooruit, die mijn angst nog verergerde. Ik liet echter niet na, hoewel over alle leden bevend, mij gereed te houden tot vuren; maar om de dingen te vertellen, zooals ze zijn, moet ik bekennen, dat ik mijn oogen sloot en mijn hoofd afwendde, toen ik mijn karabijn afvuurde, zoodat de manier waarop ik aftrok, mij die daad niet op het geweten laadde.
Ik zal niet uitweiden over die handeling: hoewel ik er bij tegenwoordig was, zag ik niets en mijn angst, die mijn verbeelding benevelde, verborg mij het vreeselijke van het schouwspel zelve, dat mij schrik aanjoeg. Alles wat ik ervan weet, is, dat na een groot gerucht van geweervuur, ik mijn metgezellen luidkeels hoorde roepen: “Victorie! Victorie!” Bij dien uitroep verdween de verstijving, die zich van mijn zinnen had meester gemaakt, en zag ik de vier ruiters levenloos op het slagveld liggen. Van onze zijde hadden we slechts één doode; een onzer ruiters had een kogel in de rechterknieschijf gekregen. Ook de luitenant was gewond, doch slechts heel licht, daar de kogel slechts de huid had geschaafd.
Rolando rende eerst naar het portier van de koets, waarin eene dame was van vier- à vijfentwintig jaar, die hem heel mooi toescheen, niettegenstaande den treurigen toestand, waarin hij haar zag. Ze was tijdens het gevecht [47]flauw gevallen en verkeerde nog in dien toestand. Terwijl hij er slechts aan dacht haar aan te kijken, dachten wij aan den buit. Wij begonnen met ons van de paarden der gestorven ruiters te verzekeren, want die dieren, door het geluid der schoten geschrokken, waren van den weg afgegaan na hun geleiders te hebben verloren. Wat de muilezels betreft, deze waren pal blijven staan, al had de koetsier gedurende het gevecht zijn zetel verlaten om zich te redden. Wij stegen af om ze uit te spannen en wij belastten ze met verschillende koffers, die we voor en achter de koets vonden vastgesjord. Daarna nam men op order van den kapitein, de dame, die nog niet tot zich zelve was gekomen en zette haar te paard, ondersteund door een roover, die een der sterksten was en het best bereden; toen namen wij de dame, de muilezels en de paarden mee en lieten de koets en de beroofde dooden op den weg liggen. [48]
Het was reeds langer dan een uur donker toen we aan het gewelf kwamen. Allereerst brachten wij de dieren op stal, waar we genoodzaakt waren ze zelf aan de ruif vast te binden en ze te verzorgen, daar de oude neger reeds drie dagen het bed moest houden. Niet alleen dat het pootje hem hevig had aangegrepen, maar ook de rheumatiek had zich aan al zijn ledematen meegedeeld. Niets bleef hem over dan zijn tong, die hij dan ook gebruikte om zijn ongeduld door allerlei vloeken te kennen te geven. Wij lieten den ellendeling vloeken en schelden en gingen naar de keuken, waar we al onze aandacht wijdden aan de dame, die reeds omgeven scheen door de schaduwen des doods. Wij deden alles om haar uit haar bewusteloosheid te doen ontwaken en we hadden het geluk hierin te slagen. Maar toen ze weer bij kennis was en zich in de armen van verscheidene onbekende mannen bevond, voelde zij haar ongeluk en huiverde. Haar oogen drukten de hevigste smart en wanhoop uit en zij sloeg ze ten hemel als om zich daar te beklagen over de schandelijke daden, waarmee zij werd bedreigd; toen, plotseling overweldigd voor de verschrikkelijke beelden, viel zij opnieuw flauw en haar oogleden sloten zich, waarop de roovers dachten, dat de dood hun prooi ging ontrukken. De kapitein achtte het beter haar aan haar zelf over te laten inplaats van haar met nieuwe hulpbetuigingen te plagen en liet haar toen naar het bed van Leonarda dragen, waar hij haar op goed geluk alleen liet. [49]
Wij gingen toen naar het salon, waar een der roovers, die chirurg was geweest, de wonden van den luitenant en den ruiter onderzocht en ze met zalf insmeerde. Hierna wilde men zien wat er alzoo in de koffers was. Eenige waren met kant en linnengoed gevuld, andere met kleeren; maar de laatste die men opende, bevatte eenige zakken geld, wat den heeren belanghebbenden bijster beviel. Na dit onderzoek dekte de meid de tafel, schepte op en bediende. Wij praatten eerst over de groote overwinning, die we hadden behaald, waarop Rolando tot mij het woord richtte: “Beken, Gil Blas, dat je erg bang bent geweest.” Ik antwoordde dat ik dat graag wilde toestemmen, maar dat ik als een dolend ridder zou strijden als ik slechts twee of drie tochten had meegemaakt. Daarop nam het geheele gezelschap het voor mij op, zeggende, dat men het mij moest vergeven, dat de handeling zoo plotseling was geweest, en ik me nog niet zoo slecht van mijn taak had gekweten.
Vervolgens ging het gesprek over op de muilezels en paarden, welke we juist in het gewelf hadden meegevoerd. Er werd besloten, dat we den volgenden morgen nog vóór het aanbreken van den dag, allen naar Mansilla zouden gaan, waar men waarschijnlijk nog niet van onzen aanslag had hooren spreken, om daar de dieren te verkoopen. Na dit besluit genomen te hebben, zetten we ons avondeten voort; daarna gingen we weer naar de keuken om de dame te zien, die we nog in denzelfden toestand vonden, zoodat we dachten, dat zij den nacht niet zou halen. Niettegenstaande zij ternauwernood scheen te leven, waren er toch nog enkele roovers, die niet nalieten een wellustigen blik op haar te werpen en blijk gaven van een brutale begeerte, die zij stellig zouden voldaan hebben, indien niet Rolando er hen van had terug gehouden, door hen er op te wijzen, dat ze tenminste moesten wachten tot de dame bijkwam uit haar neerslachtige bewusteloosheid, die haar elk gevoel benam. Het respect, dat ze voor hun kapitein hadden, hield hun wulpschheid [50]in bedwang; zonder dat zou niets de dame kunnen redden; zelfs haar dood zou misschien nog niet haar eer verzekerd hebben.
Wij lieten die ongelukkige vrouw in den toestand waarin ze was, terwijl Rolando zich tevreden stelde met Leonarda haar verzorging op te dragen, waarna ieder zich in zijne kamer terugtrok. Wat mij betreft, inplaats van in te slapen zoodra ik in bed lag, hield ik me voortdurend met het ongeluk der dame bezig. Ik twijfelde niet of zij was eene voorname persoonlijkheid, en dat deed mij haar lot nog treuriger schijnen. Ik stelde mij sidderend de verschrikkelijke dingen voor, die haar wachtten, en ik voelde er mij even hevig door getroffen alsof bloedverwantschap of vriendschap mij aan haar hadden verbonden.
Eindelijk, na haar lot beklaagd te hebben, droomde ik over de middelen om haar eer te beschermen tegen het gevaar waarmee deze werd bedreigd, en mij uit het hol te redden. Ik bedacht, dat de neger zich niet kon verroeren en dat sinds zijn ziekte, de keukenmeid den sleutel van het hek had. Deze gedachte prikkelde mijn verbeelding, en deed bij mij een plan rijzen, dat ik goed overdacht; daarna ondernam ik dadelijk de uitvoering ervan op de volgende wijze:
Ik veinsde kolieken te hebben, door eerst te klagen en te kermen; daarna begon ik te schreeuwen. De roovers ontwaakten en waren weldra bij me; ze vroegen wat me scheelde om zoo te schreeuwen, waarop ik hun antwoordde, dat ik een verschrikkelijke koliek had, en om hen beter te overtuigen, begon ik te tandenknarsen, grimassen te maken, ineen te krimpen en op een vreemde wijze me om en om te wentelen. Daarna hield ik me plotseling bedaard alsof mijn pijnen mij een oogenblik met rust lieten; een oogenblik later begon ik opnieuw in mijn armoedig bed te springen en mijn armen heen en weer te zwaaien. In één woord, ik speelde zóó goed komedie, dat de roovers, hoe slim ook, zich lieten foppen en werkelijk dachten, dat ik hevige krampen gevoelde. Maar [51]daar ik mijn rol zoo goed speelde, werd ik op vreemde wijze gekweld; want van het oogenblik dat mijn liefdadige makkers zich verbeeldden dat ik leed, kwamen ze allen erbij en haastten zich mij eenige verlichting te brengen: de een brengt me een flesch brandewijn en laat er mij de helft van uitdrinken, een ander geeft me tegen mijn zin een lavement van zoete amandelolie en weer een ander gaat een doek warmen en komt hem dan heet op mijn buik leggen. Al riep ik ook om genade, zij schreven mijn kreten aan mijn koliek toe en gingen door me te doen lijden door werkelijke pijnen, om mij te ontdoen van een, die ik niet had. Eindelijk kon ik het niet meer uithouden, was genoodzaakt hun te zeggen, dat ik geen krampen meer voelde en dat ik hun smeekte mij alleen te laten. Zij hielden op mij met hun middeltjes te vermoeien en ik wachtte me wel mij nog meer te beklagen, uit angst nogmaals hun hulp te moeten ondergaan.
Dit tooneel duurde bijna drie uur.
Daarna maakten de roovers, ziende, dat de morgenstond niet meer ver was, zich gereed om naar Mansilla te gaan. Ik nam een nieuwe list te baat: ik wilde opstaan om hun te doen gelooven, dat ik grooten lust gevoelde mee te gaan: maar zij beletten mij dat, terwijl Rolando mij toevoegde: “Neen, neen, Gil Blas, blijf hier, mijn jongen, de koliek zou kunnen terugkomen. Je zult een volgenden keer met ons meegaan; voor vandaag moet je den heelen dag rust houden; je hebt het noodig.”
Ik durfde niet langer aandringen uit vrees, dat men dan aan mijn verzoek zou voldoen; ik scheen dus alleen teleurgesteld niet van de partij te kunnen zijn, wat ik zoo natuurlijk deed, dat ze allen het hol verlieten zonder het minste vermoeden van mijn plan. Na hun vertrek, hield ik het volgende gesprek met mijzelf: “Zoo, Gil Blas, nu komt het er op aan door te zetten. Schep moed om te voltooien, wat ge zoo gelukkig zijt begonnen. Deze zaak schijnt me niet lastig toe: Domingo is niet in staat zich tegen je onderneming te verzetten en Leonarda kan je [52]niet beletten haar uit te voeren. Vat deze gelegenheid aan om te ontsnappen, gij zult misschien nooit meer een gunstiger vinden.”
Deze overwegingen gaven me vertrouwen: ik stond op, nam mijn degen en mijne pistolen en ging eerst naar de keuken; maar alvorens er binnen te gaan, bleef ik staan om te luisteren, want ik hoorde Leonarda praten. Zij sprak tot de onbekende dame, die weer was bijgekomen, en die haar ongeluk ziende, wanhopig was geworden en schreide. “Ween maar, mijn kind, stort maar tranen en spaar je zuchten niet,” zei de oude tot haar. “Je ontsteltenis was gevaarlijk; maar nu is er niets meer te vreezen, nu je gehuild hebt. Je smart zal wel langzamerhand verdwijnen en ge zult u gewennen hier met die heeren te leven, die nette lieden zijn. Gij zult beter behandeld worden dan een prinses; zij zullen vol attenties voor je zijn en je elken dag hun genegenheid doen blijken. Veel vrouwen zouden in je plaats willen zijn.”

Ik gaf Leonarda geen tijd meer iets te zeggen, maar ik trad binnen, hield haar het pistool voor en dwong haar door bedreigingen den sleutel van het hek te geven. Zij was door mijn handelwijze ontsteld en daar zij, hoewel reeds op leeftijd, nog voldoende aan het leven was gehecht, durfde zij mij het gevraagde niet weigeren. Toen ik den sleutel in handen had, richtte ik het woord tot de bedroefde dame, en zei: “Mevrouw, de hemel heeft u een bevrijder gezonden, sta op en volg mij, ik zal u geleiden tot waar gij naar toe wilt gaan.” De dame had daar wel ooren naar en mijn woorden maakten zoo ’n indruk op haar, dat zij al haar moed bij elkaar raapte, opstond, zich aan mijn voeten wierp en me smeekte haar eer te beschermen. Ik hief haar op en verzekerde haar, dat ze op mij rekenen kon. Daarna nam ik een touw, dat ik in de keuken vond en met behulp van de dame bond ik Leonarda aan den voet van een zware tafel en dreigde met den dood, indien zij den minsten gil slaakten. De goede Leonarda, overtuigd dat ik woord zou houden als ze me [53]durfde weerstreven, koos de partij van me te laten doen wat ik wilde. Ik stak een kaars aan en ging met de onbekende naar de kamer waar het goud en zilver lag. Ik stak zooveel geldstukken in mijn zakken, als deze slechts konden [54]bevatten; en om de dame te noodzaken er ook van te nemen, overtuigde ik haar, dat ze slechts haar eigendom terugnam, wat ze dan ook zonder gewetenswroeging deed. Toen we een goeden voorraad hadden, gingen we naar den stal, waar ik alleen met geladen pistool binnentrad. Ik rekende er op, dat de oude neger, niettegenstaande pootje en rheumatiek, mij niet rustig mijn paard zou laten zadelen en optuigen en ik had het besluit genomen hem voor goed van zijn kwalen te genezen indien hij kwaad wilde, maar gelukkig was hij zoo afgemat van de pijnen, die hij had doorstaan en nog doorstond, dat ik mijn paard uit den stal haalde, zonder dat hij ’t zelfs scheen te bemerken. De dame wachtte mij aan de deur. Wij gingen snel de gang door, die uit het hol leidde, kwamen aan het hek, openden het en kwamen eindelijk aan het valluik. Wij hadden veel moeite het op te lichten, of liever, het verlangen ons te redden gaf ons kracht, en wij slaagden.
De dag brak reeds aan toen we uit dien afgrond waren. Wij wilden er zoo spoedig mogelijk vandaan en daartoe steeg ik te paard, de dame ging achter mij zitten en we sloegen in galop het eerste weggetje, dat we zagen, in; zoo waren wij weldra buiten het bosch. Wij kwamen op een open vlakte, die verschillende wegen doorsneed; wij namen er een op goed geluk. Ik stierf van angst, dat hij naar Mansilla zou leiden en we dan Rolando en zijn makkers zouden ontmoeten, wat best kon gebeuren. Gelukkig werd mijn vrees niet bewaarheid, want we kwamen aan de stad Astorga te twee uur ’s middags. Ik zag menschen, die ons met bijzondere aandacht gadesloegen, als ware ’t voor hen nieuw een vrouw te paard achter een man te zien zitten. Wij stapten af aan het eerste het beste hotel, waar ik allereerst een patrijs en een konijn aan het spit liet braden. Terwijl men mijn bestelling uitvoerde en ons middagmaal gereed maakte, geleidde ik de dame naar een kamer om wat met elkaar te praten, wat we onderweg niet hadden kunnen doen, daar we ons [55]te veel hadden moeten haasten. Zij heette dona Mencia de Mosquera, betuigde mij haar dankbaarheid voor den dienst, dien ik haar had bewezen en zei mij, dat ze mij niet voor een metgezel der roovers kon houden, na de edelmoedige daad, waardoor ik haar van hen verlost had. Om haar die goede opinie over mij te doen behouden, vertelde ik haar mijne geschiedenis. Daardoor won ik haar vertrouwen en zij vertelde mij welke ongelukken haar getroffen hadden, zooals ik dit in het volgend hoofdstuk zal mededeelen. [56]
Ik ben geboren in Valladolid en heet dona Mencia de Mosquera. Don Martin, mijn vader, werd in Portugal aan het hoofd van een regiment gedood. Hij liet mij zoo weinig na, dat ik, hoewel eenige dochter, een tamelijk arme partij was. Nochtans ontbrak het mij niet aan minnaars. Verscheidene van de aanzienlijkste edelen van Spanje vroegen mij ten huwelijk. Hij, die mijn aandacht trok, was don Alvares de Mello. Hij was werkelijk beter dan zijne mededingers. Bovendien had hij geest, was bescheiden, moedig en eerlijk. Ook kon hij doorgaan voor den meest galanten man ter wereld.
Eenige dagen na ons huwelijk ontmoette hij op een afgelegen plaats don André de Baëza, die een van zijn mededingers was geweest. Zij kregen twist met elkander en vochten het uit met den degen. Dit kostte don André het leven; en daar deze de neef was van den vrederechter van Valladolid, een bruusk man en doodsvijand van het huis Mello, meende don Alvares niet spoedig genoeg de stad te kunnen verlaten. Hij kwam direct naar huis, waar hij mij vertelde wat er gebeurd was, terwijl er een paard werd gereed gemaakt. “Waarde Mencia,” zeide hij vervolgens, “wij moeten scheiden, dit is helaas noodzakelijk. Gij kent den vrederechter; laten wij ons nergens mede vleien, hij zal mij krachtig vervolgen.” Hij was zoo bedroefd, dat hij niets meer kon zeggen. Ik deed hem geld en edelsteenen medenemen, vervolgens omhelsde hij mij en een kwartier lang schreiden wij samen. Eindelijk kwam men zeggen dat het paard gereed was. Hij rukte zich van [57]mij los, vertrok en liet mij achter in een onbeschrijfelijken toestand; ik zou gelukkig zijn geweest als ik van droefenis was gestorven, wat een leed en moeiten zou de dood mij bespaard hebben. Eenige uren later vernam de rechter zijn vlucht. Hij liet hem door de gerechtsdienaren van Valladolid vervolgen en spaarde niets om hem in handen te krijgen. Mijn echtgenoot wist echter veilig te ontkomen, zoodat de rechter zich genoodzaakt zag zijn wraak te beperken en zich tevreden te stellen met de goederen van den man, wiens bloed hij had gewild. Hij deed dit zoo goed, dat alles wat don Alvares bezat, verbeurd verklaard werd.
Ik bleef in een zeer treurigen toestand achter; en had nauwelijks genoeg om van te leven. Ik verminderde mijn leefwijze en hield slechts één dienstbode. Den geheelen dag weende ik om de afwezigheid van mijn dierbaren echtgenoot van wien ik geen enkele tijding ontving. Hij had mij toch beloofd bij ons droevig afscheid omtrent zijn lot te onderrichten, waar ter wereld zijn slecht gesternte hem ook leiden mocht. Zoo gingen zeven jaren voorbij zonder dat ik over hem hoorde spreken. De onzekerheid omtrent zijn lot maakte mij zeer droevig. Eindelijk hoorde ik, dat hij gevallen was bij een veldslag in het rijk van Fez. Een man die kort geleden uit Afrika teruggekeerd was, deelde mij dit mede, en verzekerde mij, dat hij don Alvares de Mello uitstekend gekend had. Hij had met hem in het Portugeesche leger gediend en hem zien vallen in den strijd. Dit verergerde slechts mijne droefheid en deed mij besluiten nimmer weder te huwen. In dien tijd kwam don Ambrosio Mesio Carillo, markies Guardia, in Valladolid. Hij was een van die oude heeren, die door hunne galante en beleefde manieren hun leeftijd doen vergeten en de vrouwen weten te behagen. Eens vertelde men hem bij toeval de geschiedenis van don Alvares en de beschrijving, die men hem van mij gaf maakte hem verlangend mij te zien. Om zijne nieuwsgierigheid te bevredigen, haalde hij een van mijne bloedverwanten over mij bij haar te noodigen. [58]Hij was daar, zag mij en ik behaagde hem ondanks de droeve uitdrukking van mijn gelaat; doch wat zeg ik, ondanks? misschien was hij wel getroffen door mijn treurig en verlangend uitzien, die hem een bewijs van mijn trouw waren; mijne melancholie wekte misschien zijne liefde op. Ook zeide hij mij dikwijls dat hij mij als een wonder van standvastigheid beschouwde en zelfs dat hij het lot van mijn echtgenoot benijdde, hoe betreurenswaardig dit ook was. In een woord, hij was getroffen toen hij mij zag en behoefde mij geen twee maal te zien om te besluiten mij te trouwen.
Hij riep de bemiddeling in van mijn bloedverwante om mij zijn plan te doen aannemen. Zij trachtte mij te overreden, dat ik nu niet langer mijne bekoorlijkheden moest begraven, dat ik lang genoeg getreurd had over een man met wien ik slechts enkele oogenblikken vereenigd was geweest en dat ik partij moest trekken van de gelegenheid die zich aanbood, dan zou ik de gelukkigste vrouw ter wereld zijn. Hoe zij ook sprak over zijn edel karakter en zijn groote goederen, zij kon mij niet overtuigen, de weinige neiging of liever de tegenzin dien ik in een tweede huwelijk voelde, na al de ongelukken van het eerste, was het eenige dat mij terughield. Mijn bloedverwante betrok mijne geheele familie er in en mijne armoede, die dag aan dag nijpender werd, droeg er niet weinig toe bij om mijn tegenstand te doen overwinnen.
Eindelijk bezweek ik voor den aanhoudenden drang en huwde den markies van Guardia, die mij medenam naar een zeer mooi kasteel bij Burgos. Hij vatte voor mij een zeer hevige liefde op; in alles bespeurde ik den lust om mij te behagen, hij voorkwam mijne geringste wenschen. Nooit heeft een echtgenoot zooveel oplettendheid voor zijn vrouw gehad, nooit was een minnaar zooveel inschikkelijk voor zijn maitresse. Ware ik in staat geweest iemand lief te hebben na don Alvares dan zou ik hem hartstochtelijk hebben bemind. Ik kon zijn teederheid slechts vergelden met de reine gevoelens van erkentelijkheid. [59]
Ik verkeerde in dien gemoedstoestand, toen ik eens vanuit het raam mijner kamer in den tuin een soort van boer bemerkte, die mij oplettend aankeek. Ik dacht dat het een tuinjongen was en lette weinig op hem. Maar toen ik den volgenden morgen weer aan het venster ging zitten, zag ik hem op dezelfde plaats en hij scheen mij weder scherp aan te kijken. Dit trof mij. Op mijn beurt keek ik hem nauwlettend aan en na eenigen tijd meende ik de trekken van den ongelukkigen don Alvares te herkennen. Deze gelijkenis bracht in mijn zinnen een onbegrijpelijke verwarring en ik slaakte een luiden kreet. Gelukkig was ik toen alleen met Inès, de vrouw die het meeste mijn vertrouwde was. Ik zeide haar welk vermoeden mijn verstand verbijsterde. Zij lachte er slechts om en meende dat een lichte gelijkenis mij bedrogen had. “Stel u gerust, mevrouw, wat kan doen vermoeden dat hij hier is als boer, is het zelfs wel waarschijnlijk dat hij nog leeft? Om u gerust te stellen, zal ik in den tuin gaan en met dien man spreken en u dadelijk komen vertellen wie hij is.” Kort daarna kwam zij zeer ontroerd binnen en zeide: “Mevrouw, uw vermoeden is maar al te gegrond. Gij hebt don Alvares in eigen persoon gezien; hij heeft zich bekend gemaakt en vraagt u om een geheim onderhoud.”
Daar ik don Alvares dadelijk kon ontvangen aangezien de markies naar Burgos was, gelastte ik de dienstbode hem in mijn kamer te brengen langs een geheime trap. Bedenk hoe groot mijn ontroering was. Ik kon het gezicht van een mensch, die recht had mij te overstelpen met verwijten niet verdragen en viel flauw zoodra hij binnenkwam. Hij en Inès hielpen mij dadelijk en toen zij mij weder bijgebracht hadden, zei Alvares mij: “Mevrouw, stel u toch gerust, laat mijne tegenwoordigheid geene marteling zijn, ik ben niet voornemens u het minste leed te doen. Ik kom niet als vertoornd echtgenoot u rekenschap vragen van de eens gezworen trouw en uw tweede huwelijk als een misdaad aan te schrijven. Ik weet dat dit het werk is van uwe familie. Ook heeft men in Valladolid het gerucht van mijn [60]dood verspreid en dit hebt ge met te meer grond kunnen gelooven daar geen enkele brief van mij u van het tegendeel overtuigd heeft. Ten slotte weet ik hoe gij sedert onze wreede scheiding geleefd hebt en dat de noodzakelijkheid, eerder dan de liefde u in de armen van den markies heeft geworpen.” “Mijnheer”, viel ik hem weenend in de rede, “waarom wilt gij uwe echtgenoote verontschuldigen, daar gij leeft is zij schuldig. Waarom ben ik niet meer in den ellendigen toestand van vroeger, ik zou dan tenminste in mijne ellende de troost hebben u weder te zien zonder te blozen.”
“Mijn waarde Mencia”, hernam don Alvares, “ik beklaag mij niet over u; en verre van u den schitterenden staat te verwijten, waarin ik u wedervind, zweer ik, dat ik er den hemel voor dank. Sedert den dag van mijn vertrek uit Valladolid, heb ik steeds de fortuin tegen mij gehad, mijn leven is een aaneenschakeling geweest van ongelukken en tot overmaat van ramp heb ik u nooit tijding kunnen zenden. Al te zeker van uwe liefde, stelde ik mij onophoudelijk den toestand voor, waarin mijne noodlottige teederheid u gebracht had; ik stelde mij donna Mencia voor in tranen; gij waart mijne grootste bekommering. Nochtans heb ik u na zeven jaren van lijden, u meer dan ooit beminnend, willen terugzien. Ik heb dezen lust niet kunnen bedwingen en ben vermomd naar Valladolid gegaan, op gevaar af herkend te worden. Daar heb ik alles vernomen. Maar geloof niet dat ik van plan ben uw geluk door mijne tegenwoordigheid hier te verstoren; ik eerbiedig uwe rust en nu ga ik verre van u de treurige dagen van mijn leven doorbrengen.”
“Neen, don Alvares, neen,” riep ik bij deze woorden uit, “de hemel heeft u niet voor niets hierheen gevoerd en ik zou eene tweede scheiding niet te boven komen; ik vertrek met u, alleen de dood kan ons scheiden.” “Geloof mij,” hernam hij, “blijf met don Ambrosis leven; maak u geen deelgenoot van mijne ongelukken; laat mij ze alleen dragen.”
Hij zeide mij nog vele dergelijke dingen, maar hoe meer [61]hij zich van mijn geluk scheen te willen scheiden, hoe minder ik genegen was er in toe te stemmen. Toen hij mij vastbesloten zag hem te volgen, veranderde hij eensklaps. “Mevrouw”, zeide hij, “is het mogelijk dat gij mij nog genoeg bemint om de ellende te verkiezen boven den welstand van thans? Laat ons dan in Bétancos gaan wonen, in het rijk van Galicië, daar ben ik veilig. Al zijn mij al mijne goederen ontnomen, toch heb ik mijne vrienden nog niet verloren; er zijn nog getrouwen overgebleven die mij in staat hebben gesteld u te ontvoeren. Ik heb een karos laten komen naar Zamara, heb ezels en paarden gekocht en ben vergezeld van drie vastberaden Galiciërs. Laat ons van de afwezigheid van don Ambrosis profiteeren; ik zal de karos laten voorrijden en wij vertrekken onmiddellijk.” Ik stemde toe. Don Alvares snelde naar Zamara, kwam binnenkort terug met zijne drie ruiters en ontvoerde mij te midden mijner vrouwen, die niet wetend wat te denken van deze ontvoering, verschrikt vluchtten. Alleen Inès wist er alles van, doch zij weigerde haar lot aan het mijne te verbinden, daar zij een kamerdienaar van Don Ambrosius liefhad, wat wel bewijst dat de gehechtheid van onze getrouwste bedienden niet bestand is tegen de liefde.
Ik steeg dus met don Alvarez in den karos, nam alleen mijne kleederen mee en eenige juweelen, die ik voor mijn tweede huwelijk reeds bezat. Wij reisden twee dagen en nachten door om niet door Ambrosius en zijne lieden te worden achterhaald en ontmoetten niemand. Reeds waren wij geruster en hoopten dat de derde dag eveneens zoo zou voorbijgaan. Don Alvarez vertelde mij het treurig ongeval dat aanleiding had gegeven tot het gerucht van zijn dood en hoe hij na vijf jaren slavernij de vrijheid had herkregen, toen wij gisteren de dieven ontmoetten, waar gij bij waart. Hem met zijne lieden hebben zij gedood en om hem zijn de tranen, die ge mij ziet weenen. [62]
Na dit verhaal barstte donna Mencia in tranen uit. Verre van haar te willen troosten door gesprekken in den geest van Seneca, liet ik haar den vrijen loop geven aan haar verdriet; ik schreide zelf ook, zoo natuurlijk is het dat men meegevoelt met de ongelukkigen en vooral met eene bedroefde schoone. Ik wilde haar juist vragen welke houding zij dacht aan te nemen in den toestand, waarin zij zich bevond en wellicht zou ze mij daarover hebben geraadpleegd, indien ons onderhoud niet ware onderbroken; we hoorden in het logement zooveel leven, dat dit onwillekeurig onze aandacht trok.
Dit gerucht werd veroorzaakt door de komst van den baljuw, gevolgd door twee gerechtsdienaars en verscheidene boogschutters. Ze traden de kamer binnen, waar wij ons bevonden. Een jongeman, die hen vergezelde, kwam het eerst op mij toe en begon van nabij mijn kleeding te monsteren. Hij had niet veel tijd noodig haar te bekijken. “Bij Sint Jacob!” riep hij uit, “ziedaar mijn wambuis; het is even gemakkelijk te herkennen als mijn paard. Gij kunt dien vent op mijn woord gevangen nemen; ik ben er niet bang voor mij aan een herstelling van zijn eer bloot te stellen; ik ben er van overtuigd, dat het een der roovers is, die hier een onbekende schuilplaats hebben.”
Bij dit gesprek, waardoor ik vernam dat die jonge man de bestolen edelman was, van wien ik ongelukkigerwijze de geheele plunje aan had, bleef ik verstomd, verlegen en uit het veld geslagen staan. De baljuw, die door zijn ambt [63]uit mijn verlegenheid eerder eene slechte gevolgtrekking moest afleiden dan een goede, vond dat de beschuldiging niet zonder grond was; en veronderstellende, dat de dame eene medeplichtige kon zijn, liet hij ons beiden afzonderlijk gevangen zetten. Die rechter was niet een dergenen, die schrik aanjagen door hun uiterlijk: hij zag er zacht en lachend uit. God weet, of hij daarom beter was! Zoodra ik in de gevangenis zat, kwam hij er ook met zijn twee fretten, d. w. z. zijn gerechtdienaars; zij kwamen met een vroolijk gezicht binnen als hadden zij er een voorgevoel van, dat zij goede zaken gingen doen. Zij vergaten hun goede gewoonte niet en begonnen met me te fouilleeren. Wat een buitenkansje voor die heeren; zij hadden misschien nog nooit zoo ’n goeden slag geslagen. Bij elke handvol geldstukken, die ze te voorschijn haalden, zag ik hun oogen van vreugde schitteren. Vooral de baljuw scheen buiten zichzelf. “Mijn jongen,” zij hij tot me op een toon vol zachtzinnigheid, “wij doen onzen plicht; maar vrees niet, indien ge niet schuldig zijt, zal men u geen kwaad doen,” Ondertusschen ledigden ze zachtjesaan al mijn zakken en namen me zelfs af, wat de roovers me gelaten hadden, nl. de veertig dukaten van mijn oom. Maar daar bleef het niet bij: hun gretige, onvermoeide handen betastten me van het hoofd tot de voeten; ze draaiden mij naar alle kanten en ontkleedden me geheel om te zien of ik geen geld onder mijn hemd had zitten. Ik geloof, dat ze me graag mijn buik hadden geopend om te zien of daar niets meer in was. Nadat ze zich zoo goed van hun taak gekweten hadden, ondervroeg de baljuw mij. Ik vertelde onomwonden alles wat mij was overkomen. Hij liet mijn verklaring opschrijven; daarna vertrok hij met zijn lieden en mijn geld en liet me spiernaakt op het stroo achter.

“O menschenleven!” riep ik uit, toen ik me alleen en in dien toestand zag, “wat zijt ge vervuld van vreemde avonturen en teleurstellingen! Van dat ik uit Oviédo ben gegaan, ondervind ik slechts tegenspoeden: nauwelijks ben [64]ik aan het eene gevaar ontsnapt of ik val in een ander. Toen ik in deze stad kwam, dacht ik niet, dat ik zoo spoedig kennis met den baljuw zou maken.” Terwijl ik deze nuttelooze beschouwingen hield, deed ik dat vervloekt wambuis en de rest der kleeding, die me zooveel ongeluk had gebracht, weer aan; daarna zei ik tot mezelf om me [65]moed in te spreken: “Kom, Gil Blas, wees ferm, denk er aan, dat na dezen tijd er wellicht een gelukkiger aanbreekt. Past het je wel in een gewone gevangenis te gaan wanhopen, na zoo ’n pijnlijke proef van geduld te hebben doorstaan in dat hol? Maar, helaas!” hernam ik droevig, “ik vergis me. Hoe zou ik hier kunnen uitkomen? Men heeft er me juist alle middelen toe ontnomen, daar een gevangene zonder geld, gelijk is aan een vogel, wiens vleugels men heeft afgeknipt.”
Inplaats van den patrijs en het konijntje, die ik aan het spit had laten braden, bracht men mij een klein bruin brood met een kruik water, en men liet mij in mijn cel mijn leed verkroppen. Ik bleef er volle veertien dagen zonder iemand te zien, dan mijn cipier, die mij elken morgen mijn provisie kwam vernieuwen. Zoodra ik hem zag, begon ik tegen hem te spreken, ik trachtte een gesprek met hem te beginnen om me een beetje uit mijne verveling op te wekken; maar dat personnage gaf geen antwoord op al wat ik tot hem zei; ’t was me niet mogelijk een enkel woord uit hem te krijgen; zelfs kwam en ging hij meestal weer zonder mij aan te zien. Den 16den dag kwam de baljuw en zei tot me: “Eindelijk, mijn vriend, zijn je rampen ten einde, ge kunt u verheugen; ik kom je een aangename tijding mededeelen! Ik heb de dame, die bij je was, naar Bargos laten brengen; voor haar vertrek heb ik haar ondervraagd en haar antwoorden zijn in je voordeel. Gij zult vandaag vrijgelaten worden, tenminste als de muilezeldrijver met wien ge van Pennaflor naar Cacabelos zijt gekomen, zooals ge me hebt gezegd, uwe verklaring bevestigt. Hij is in Astorga, ik hem om hem gestuurd en verwacht hem elk oogenblik; indien hij uw verhaal als waar verklaart, herkrijgt gij dadelijk uw vrijheid.”
Deze woorden verheugden mij, want ik dacht van nu af buiten gevaar te zijn. Ik bedankte den rechter voor de korte en goede rechtvaardiging die hij mij wilde laten wedervaren; ternauwernood had ik uitgesproken of de muilezeldrijver trad binnen vergezeld van twee boogschutters. [66]Ik herkende hem dadelijk; maar die beul van een muilezeldrijver, die ongetwijfeld mijn valies met den geheelen inhoud had verkocht, en die vreesde genoodzaakt te zijn het geld, dat hij ervoor ontvangen had, terug te moeten geven indien hij toegaf mij te herkennen, zei brutaalweg dat hij niet wist wie ik was en dat hij me nooit gezien had.
“O! schelm,” riep ik uit, “beken liever dat je mijn armzalige kleeding hebt verkocht en vertel de waarheid. Kijk me goed aan, ik een der jongelieden, die ge bedreigdet met een gerechtelijk onderzoek in de buurt van Cacabelos en die ge zoo angstig maakte.” De drijver antwoordde op kouden toon, dat ik van een voorval sprak, dat hij in ’t geheel niet kende en daar hij tot het einde toe volhield dat ik hem onbekend was, werd mijn bevrijding tot een volgenden keer uitgesteld. “Mijn beste jongen,” zei de baljuw, “ge ziet wel dat de ezeldrijver uwe verklaring niet bevestigt; ik kan je dus, hoe graag ook, nog niet in vrijheid stellen.”
Er bleef dus niets anders over dan mij met nieuwen moed te wapenen, nogmaals te vasten met water en brood en den stilzwijgenden cipier weer te zien. Wanneer ik eraan dacht, dat ik me niet uit de klauwen der justitie kon redden, hoewel ik niet de minste misdaad had begaan, dan bracht die gedachte me tot wanhoop en betreurde ik het roovershol. Ik zei tot mezelf: “Goed beschouwd, had ik het daar minder onaangenaam dan hier; ik at en dronk er goed van met de roovers, onderhield me prettig met hen en leefde in de zoete hoop op ontvluchting; terwijl ik hier niettegenstaande mijn onschuld, misschien al gelukkig zal zijn als ik hieruit kom om naar de galeien te gaan.” [67]
Terwijl ik mijn dagen met dergelijke vroolijke gedachten doorbracht, werden mijn avonturen zooals ik die in het verslag had verteld, door de geheele stad bekend. Verscheidene personen wilde me uit louter nieuwsgierigheid zien; de een na den ander kwam voor een klein venstertje staan, dat het licht in mijn cel doorliet, en als ze me zoo eenigen tijd hadden begluurd, gingen zij weer weg. Ik was over die nieuwsgierigheid verstomd; van dat ik gevangen was gezet, had ik nooit iemand aan dat venster zien verschijnen, dat op een plaats uitzag, waar stilte en verschrikking heerschten. Daarom begreep ik, dat ik opzien baarde in de stad; maar ik wist niet of ik e