[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Fulco de minstreel, by C. Joh Kieviet
This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.net
Title: Fulco de minstreel
Een historisch verhaal uit den tijd van Graaf Jan I voor jongelieden
Author: C. Joh Kieviet
Release Date: June 16, 2005 [EBook #6748]
Language: Dutch
Character set encoding: ISO-8859-1
*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK FULCO DE MINSTREEL ***
Produced by Jeroen Hellingman and Miranda van de Heijning.


Daar, op een kostbaar rustbed, ligt een knaapje.
Boek-, Courant- en Steendrukkerij G. J. Thieme, Nijmegen. Bladzijde 1
’t Was op een schoonen Augustusavond van het jaar onzes Heeren 1297, dat drie ruiters in gestrekten draf langs den heirweg reden, die naar het slot van den Heer van Heukelom voerde. Ongetwijfeld hadden zij een warmen rit achter den rug, want een wit schuim liep den edelen dieren langs de zijden, en de kleederen der ruiters waren met stof bedekt. Het was een heete dag geweest, zoo heet als het in de hondsdagen maar zijn kan. Het zonnetje had den ganschen dag als een gloeiende bol aan den wolkenloozen hemel geschitterd en hare verzengende stralen naar het aardrijk geschoten. Nu daalde het langzaam ter kimme en stond op het punt van onder te gaan. Toch bleef het nog warm, zelfs drukkend in de lucht, en er bestond grond voor de veronderstelling, dat er wel eens eene donderbui zou kunnen volgen.
Het stof van den uitgedroogden weg vloog dwarrelend van onder de hoeven der twee voorste paarden omhoog en hulde den derden ruiter, die een weinig achteraan reed, in eene zoo dichte wolk, dat het hem bijna onmogelijk Bladzijde 2was geregeld adem te halen, eene omstandigheid, die zijn lot verre van aangenaam maakte. Toch deed hij geen moeite om die stofwolk te ontvluchten en zich bij de andere ruiters te voegen. Een vluchtige blik op de kleeding van het drietal zou reeds voldoende zijn om daarvan de reden te doen kennen; de sierlijke kleederen der voorste ruiters toch laten geen twijfel over, of zij worden gedragen door Heeren van edelen bloede, terwijl de grovere stof, die den derden ruiter omkleedt, den dienstman verraadt. Doch bezien wij hen liever wat nader.
Hoe treft ons de koene blik en de fiere houding van den oudste der edellieden, een schoonen jonkman van hoogstens vijfentwintigjarigen leeftijd, wiens blonde haren krullend te voorschijn komen van onder de roode, met gouddraad gerande muts. Van welk eene fijne stof is zijn korte, rijk geborduurde lijfrok vervaardigd, en welk een tal van edelsteenen flikkert aan den gordel, dien hij om zijn middel draagt, en waaraan een blinkend zwaard, aan het gevest eveneens met kostbare steenen bezet, bevestigd is. In sierlijke plooien golft hem de blauw fluweelen mantel om de schouders; zijne korte broek reikt hem tot niet verder dan halverwege de dijen, en zijne beenen zijn met bruine hozen bekleed. Gouden sporen aan de hielen toonen aan, dat hij niet alleen edelman, maar ook ridder is. De schoone jonkman is koninklijk gekleed, en zijne fiere vorstelijke houding doet die kleeding eer aan. Hij zit keurig te paard: het schijnt bijna, alsof hij met den vurigen schimmel, dien hij berijdt, één wezen vormt.
Uit de tuigage van het ros blijkt evenzoo de rijkdom Bladzijde 3van den edelman. Ook die is versierd met edelsteenen en paarlen, de stijgbeugels zijn van zilver, het donkerroode dekkleed, waarop in zilverdraad het wapen van IJselstein is gestikt, is van kostbaar fluweel. Toch, hoe vorstelijk en rijk de indruk ook moge zijn, dien deze ruiter teweegbrengt, koninklijk bloed stroomt hem niet door de aderen. Het is Heer Gijsbrecht, de eigenaar van het machtige slot te IJselstein, en zijn naam is reeds, niettegenstaande des Ridders jeugd, beroemd in het graafschap. Was hij niet een van de eerste edelen, die van ruiters en voetknechten vergezeld optrok, om den moord in 1296 op Graaf Floris V gepleegd, te wreken? Hoe zeer was hij verontwaardigd over de lage daad, waaraan Gerard van Velzen, Herman van Woerden, Jan van Kuik, en ook zijn eigen oom Gijsbrecht van Amstel zich hadden schuldig gemaakt. Nauwelijks had het gerucht van den vreeselijken moord hem bereikt, of hij verzamelde zijne strijdmacht, en rukte op het slot Kroonenburg aan, waar Gerard van Velzen eene schuilplaats had gezocht. Dáár vereenigde hij zich met de Kennemers en West-Friezen, die aangevoerd werden door Klaas de Grebber, en met de Heeren van Kleef en van Zullen, en viel met onstuimige kracht op het moordslot aan. Weldra stond hij bij de belegeraars bekend als een van de stoutmoedigste ridders van het Graafschap, die bij eene bestorming immer de eerste, bij elken terugtocht de laatste was. Waar het gevecht het heerst, het gevaar het grootst was, daar kon men er zeker van zijn, de fiere gestalte van den jeugdigen ridder te vinden. Van terugdeinzen was bij hem geen sprake. “Voorwaarts, altoos voorwaarts!” was zijne leuze. Voor een groot deel was het aan zijn beleid Bladzijde 4en zijne dapperheid te danken, dat het slot Kroonenburg werd ingenomen en de moordenaars hunne gerechte straf ontvingen. En zoo geducht hij was in den strijd, zoo beminnelijk en innemend was hij in het dagelijksche leven. Van hem kon getuigd worden, dat hij was een ridder zonder vrees of blaam en een sieraad van zijn stand. Rechtvaardig jegens zijne onderzaten, was hij mild voor de armen, en weezen en weduwen een beschermer.
De ruiter aan zijne zijde is, hoewel niet zoo kostbaar, toch op gelijke wijze getooid als Heer Gijsbrecht. Uit het wapen van IJselstein, dat op zijn lijfrok en ook op het dekkleed van den zwarten hengst, dien hij berijdt, gestikt is, raadt gij, dat hij tot het Huis van Heer Gijsbrecht behoort. Het is Jonker Jan van Asperen, de schildknaap van Gijsbrecht. Hij telt ongeveer zeventien jaar, en al kan men hem geen schoonen jongeling noemen, toch is hij flink gebouwd. Uit zijne trekken spreekt meer moed en woeste kracht, dan schranderheid, uit zijne donkere oogen meer drift, dan geest. Toch is hij eerlijk en trouwhartig; voor zijn Heer zou hij gaarne zijn leven wagen. De gouden sporen vinden we bij hem niet; hij is dus nog geen ridder, waarvoor hij dan ook nog wel wat te jong is.
De derde ruiter, die zich soms met een grappig gezicht het stof van de lippen blaast, is, zooals we reeds opmerkten, een dienstman. Zijn naam is eenvoudig Fulco, en zijne kameraden noemen hem nog al eens Fulco den Minstreel, welken naam hij te danken heeft aan zijne schoone stem en aan de vele liederen, waarop hij hen op feestdagen dikwijls onthaalt. Hij is een vroolijke jongen van ongeveer twintig jaar, die de grootste heldenstukken Bladzijde 5met onverstoorbare kalmte verricht. Heer Gijsbrecht houdt hem in hooge eere en is, wanneer hij, zooals nu, op reis gaat, het liefst door hem vergezeld. Hij weet, dat Fulco zijn volle vertrouwen waardig is, en bovendien dankt hij hem het behoud van zijn leven. Nooit zal hij het vergeten, hoe Fulco zich, bij de belegering van Kroonenburg, door een dichten drom van vijanden heensloeg om hèm te redden, toen hij zich in de hitte van den strijd vergeten en te ver tusschen de vijanden gewaagd had. Van alle kanten drongen dezen op hem aan, en ongetwijfeld zou hij het leven verloren hebben, indien Fulco hem niet met gevaar van zijn eigen leven verlost had. En Fulco is zich bewust, dat hij bij zijn Heer een potje breken kan, maar nooit komt de gedachte bij hem op daarvan misbruik te maken. Hij gedraagt zich steeds zooals het een goed dienaar betaamt. Zoo ook nu. Hoeveel last hem het opgejaagde stof ook veroorzaken moge, hij denkt er niet aan zich ongevraagd bij de andere ruiters te voegen. Gelukkig wendde Heer Gijsbrecht zich tot hem, en riep:
“Wel, hoe heb je het met de warmte, Fulco?”
“Als een jong speenvarkentje aan het braadspit, Edele Heer. Ik begin bijna te sissen.”
“En je bent bijna onzichtbaar ook, jongen. Zie eens, Jonker, is het niet alsof je Fulco door de wolken zag vliegen?”
“Ha, ha!” lachte Jonker Jan. “De wolken hangen gelukkig nog al laag bij den grond, Fulco. ’t Zou er anders slecht voor je uitzien.”
“Alsof het er nu mooi voor mij uitzag, Jonker. ’k Geloof, dat mijne tong wel voor heirweg te gebruiken is.”
Bladzijde 6“Kom naast ons rijden, Fulco,” gebood Heer Gijsbrecht. “We mochten je anders nog uit het gezicht verliezen.”
Die uitnoodiging behoefde niet herhaald te worden. “Pfff, wat een warmte en wat een stof!” zuchtte Fulco, en met een knipoogje tegen den Jonker en een blik op de tasch, die hij aan den zadel had hangen, liet hij er op volgen: “’k Wed, dat ik wel twee bekers wijn noodig zou hebben, om al het opgezamelde stofweg te spoelen. Mijne keel is er droog van.”
“En één, om wat af te koelen op den koop toe,” vervolgde Jonker Jan, terwijl hij het knipoogje van Fulco beantwoordde.
De jonge edelman glimlachte.
“Een poosje geduld nog,” zeide hij. “Binnen een half uur bereiken wij den zoom van het woud, dat we door moeten trekken. Daar vinden we dan tegelijkertijd water voor onze paarden, die ook wel eene verfrissching noodig hebben, en een zachten mosgrond om ons een oogenblik op neer te zetten. Maar lang kunnen we toch niet toeven, want het is al laat en we hebben nog een flinken rit vóór ons.”
“Uwe Edelheid heeft gelijk,” zeide Jonker Jan. “’t Wordt al vrij donker, en we moeten minstens nog twee uur rijden. ’t Zal laat zijn, eer we op den burcht aankomen. Als we maar niet na middernacht in het bosch zijn.”
Fulco glimlachte. Hij wist wel, waarom Jonker Jan niet graag na middernacht door een bosch of langs een kerkhof ging.
“De Jonker heeft gelijk, Edele Heer,” zeide hij spottend. “Dan zal het niet pluis zijn in dat donkere woud.”
Bladzijde 7“Wat nu, Jonker?” vroeg Heer Gijsbrecht, terwijl hij de wenkbrauwen fronste. “Je bent toch niet bang?”
“Bang, Heer?” riep de schildknaap uit, en een donkere blos verfde hem de kaken. “Bang? Ik ben voor niemand bang. Wee hem, die het zou durven wagen, mij zelfs maar een stroohalm in den weg te leggen. Bij St. Joris, het zou hem slecht vergaan!”
Bij díe woorden sloeg hij de hand zoo driftig aan zijn zwaard, dat het gerinkel daarvan zijn zwarten hengst de ooren deed spitsen.
“Goed gesproken, hoewel de straf wel wat zwaar zou zijn voor eene zoo kleine misdaad,” hernam de edelman glimlachend. “Ik wist ook wel, dat een Jonker van Asperen geen lafaard kon zijn. Maar waarom wil-je dan zoo graag vóór middernacht op den burcht zijn?”
De Jonker zweeg. Hij schaamde zich de oorzaak van zijne vrees te noemen. Maar Fulco, die maar al te gaarne toegaf aan zijne zucht tot spotten, antwoordde in zijne plaats:
“Wel, Edele Heer, dat is licht te bevroeden. U weet het toch even goed als wij:
“Van elf tot één
Zijn de spoken op de been.
De Jonker is niet bang voor schepsels van vleesch en bloed, maar voor zulke wezens, die men met zijn zwaard wel driemaal doormidden kan hakken en dan toch niet gewond zijn. Brrr, ’t is om te rillen!”
“Dwaasheid!” mompelde Heer Gijsbrecht. “Wees toch niet zoo kinderachtig, Jonker. Zulke wezens bestaan immers niet?”
“Ze bestaan wel, Heer,” zeide de Jonker beslist, “en Bladzijde 8ik beken, dat ik hen liever niet ontmoet. Ik ben er bang van.”
“Ik ook!” spotte Fulco.
“Spot er maar niet mede,” vermaande de Jonker ernstig. “Ik verzeker u, dat ze bestaan. Jonker Herman van ’s Heerenberg heeft me onlangs er wel zooveel van verteld, dat ik volstrekt geen lust heb, persoonlijk met hen kennis te maken. En hij zegt, dat het vooral de spotters zijn, op wie de Witte Wijven het gemunt hebben.”
“O wee, dan zal ik er van lusten, als ze me zien!” lachte Fulco. “En noemde hij ze Witte Wijven? Wat vertelde hij er zoo al van?”
“Dat zeg ik aan geen sporters,” mompelde de Jonker verstoord. “Maar zie eens, Heer, wat daar eene donkere lucht komt opzetten! Ik denk, dat we eene donderbui zullen krijgen.”
“Dat schijnt wel zoo; we hebben gelukkig het bosch bereikt. Daar zullen we niet zoo spoedig last hebben van den regen. Ziedaar de beek, waarvan ik sprak. Laten we hier een oogenblik afstijgen en wat uitrusten.”
De ruiters stegen af, en nu eerst kon men goed zien, hoe warm de paarden het hadden gehad. Het zweet bedekte bijna hun geheele lichaam en het schuim stond hun op den bek. Fulco nam ze bij den teugel en leidde hen naar de beek, waar zij dadelijk hun dorst gingen lesschen. Daarna bond hij ze aan lage boomtakken vast, zoodat zij zich aan het welige gras te goed konden doen, en nam toen plaats bij de edellieden. Die waren al ijverig bezig, zich aan den meegenomen mondvoorraad te vergasten. De vermoeiende rit had hun honger bezorgd. Bladzijde 9Fulco vond het niet meer dan een staaltje van zijn plicht, het voorbeeld van zijn Heer naar zijn beste vermogen te volgen.
Intusschen werd het zeer duister, hoewel de maan scheen. De lucht werd bedekt met donkere wolken, die een grilligen vorm hadden en er dreigend uitzagen. Weldra begon nu en dan een enkele droppel te vallen. De edelman stond op.
“Laten wij te paard stijgen,” zeide hij. “Wat wordt het verbazend donker. Als we den weg door het woud maar kunnen vinden. Ik zou niet gaarne op den laten avond nog verdwalen.”
Fulco maakte de paarden los en een oogenblik later reden zij in galop verder. ’t Was aan de beesten te merken, dat de korte rust hun goed gedaan had.
Doch al spoedig dwong de duisternis den ruiters, den gang der dieren wat te matigen, en toen zij dieper in het woud kwamen, werd het zelfs zoo donker, dat zij niet dan stapvoets voort konden gaan. Zij konden bijna geen hand voor oogen meer zien. De regen nam in hevigheid toe, en nu en dan werd het bosch verlicht door den blauwen gloed van een bliksemstraal. Van den regen hadden zij eerst niet veel last, daar het bladerdak boven hun hoofd hen beschermde. Doch weldra begon dat te veranderen. Het werd zwaar weer. Al vlugger en vlugger volgden de bliksemstralen elkander op en de regen viel bij stroomen. De bladeren kon al dat water niet dragen en begonnen den verzamelden voorraad op de ruiters uit te storten.
“Konden we hier ergens maar eene schuilplaats vinden,” zeide Heer Gijsbrecht.
Bladzijde 10“Dicht hier in de nabijheid moet eene verlaten hut staan, Heer,” antwoordde Fulco.
“Ja, dat weet ik,” hernam de Ridder. “Maar ’t is zoo donker .... ”
Plotseling flikkerde een felle bliksemstraal door de lucht, die het bosch als in een laaien gloed zette. Een knetterend geluid en een zware slag volgden er onmiddellijk op. De vurige schimmel schrikte er van en begon zoo woest te steigeren, dat de ridder hem slechts met moeite bedwingen kon.
“Daar staat de hut!” riep Fulco. “Ik zag haar bij het licht van den bliksem. Hier, linksaf!”
Terzelfder tijd trof een noodkreet hunne ooren.
“Ik hoor roepen!” riep Jonker Jan.
“Ik ook!” schreeuwde Fulco. “Spoedig hierheen! Volgt mij maar. Hoort! Hoort! Daar pleegt men eene misdaad!”
“Vooruit, Fulco! Vooruit!”
“Hier is de hut! Stijgt maar af!”
“Help! Help!” klonk het.
In een oogwenk waren de ruiters van hun paard gegleden en de hut binnengeijld.
Fulco alleen bleef buiten, waar hij de schuwe paarden bij den teugd hield.
Weer doorkliefde een bliksemstraal de lucht en gaf Fulco de gelegenheid te zien, hoe eene in elkander gedoken gedaante ongemerkt door de deur naar buiten wilde sluipen.
“Terug, schurk!” bulderde hij hem toe, terwijl hij met zijne vrije hand snel het zwaard trok en het dreigend ophief. “Terug, als je leven je lief is!”
Bladzijde 11Zoodra de vreemde bemerkte, dat hij gezien was, richtte hij zich op en zette het op een loopen. Fulco trachtte hem tegen te houden, doch dat gelukte niet, daar hij de paarden niet durfde loslaten. De schurk rukte zich los en vloog heen, doch niet, dan nadat Fulco’s zwaard met kracht op zijn achterhoofd was nedergedaald. Een rauwe kreet was het antwoord op die tuchtiging. Een oogenblik later hoorde Fulco de hoefslagen van een paard, dat zich verwijderde.
“Waar is de schurk?” klonk nu de stem van Jonker Jan, die zich naar buiten spoedde.
“U komt een oogenblik te laat, Jonker. Hij is er vandoor.”
“Dat is jammer! Ik had niet gemerkt, dat hij de deur uitgeslopen was, en zocht hem nog in de hut.”
“Hij heeft het ook lang niet dom overlegd. ’t Is bepaald een slimme kwant, Jonker. Wat heeft hij uitgevoerd?”
“Kom binnen, dan zul-je het hooren. Bind de paarden maar hier of daar vast. In dit weer gaan we toch niet verder.”
Zien we intusschen, wat er in de hut gebeurd was. Zoodra Heer Gijsbrecht van zijn paard gesprongen en, door den jonker gevolgd, naar binnen was gesneld, riep hij:
“Hier is hulp! Wie waagt het, een ander overlast aan te doen?”
“Help, Heer!” klonk eene vrouwenstem. Doch zoodra had de ridder den klank dier stem niet vernomen, of hij riep uit:
“Wat hoor ik? Die stem? Bertha, ben jij het?”
Bladzijde 12“Gode zij dank! O, Gijsbrecht, wat komt je te juister tijd!”
“Maar spreek, Bertha,” zeide Gijsbrecht, haar bij de hand vattende, “wat is er, wat overkomt u?”
“Hij is al gevlucht, de onverlaat. Zoodra hij u hoorde binnenkomen, liet hij me los en sloop heen!”
“Dan kan hij nog niet ver af zijn!” riep Jonker Jan, zich naar buiten spoedende, doch — zooals de lezer weet, ook daar was de roover hem te vlug geweest.
Gijsbrecht trok Bertha naar zich toe en sloeg haar zijn arm om den hals.
“Maar mijne Bertha, mijne lieve bruid, hoe komt het toch, dat ik u in dit noodweer hier aantref? En wat gebeurde er toch eigenlijk?”
“Juist dit noodweer heeft mij hier eene schuilplaats doen zoeken, Gijsbrecht,” zeide de Jonkvrouw. “Ik wist immers, dat je heden komen zoudt? Mijn verlangen naar u deed mij u tegemoet rijden, in de meening, dat ik u weldra zou tegenkomen. Maar je kwam zoo laat, Gijsbrecht, en .... ”
“Ja, ’t werd later dan ik gehoopt had, Bertha. Er was nog zooveel in orde te brengen op het kasteel, ten einde mijne schoone Bertha met eere als Edelvrouw te kunnen ontvangen, dat het mij waarlijk onmogelijk was vroeger te komen.”
“Eindelijk werd ik door het onweer overvallen,” vervolgde de Jonkvrouw, “en vond ik in deze hut eene schuilplaats tegen den regen. Kort nadat ik hier binnengekomen was, hoorde ik den hoefslag van een paard. Ik meende, dat jij het waart, wiens komst daardoor werd aangekondigd. Ik had mij bedrogen. Een vreemdeling kwam binnen .... ”
“Neen, een dienstman.”
“Kende je hem?”
“Ik heb zijn gelaat niet kunnen onderscheiden, doch uit zijne wijze van spreken bleek mij duidelijk, dat hij een dienstman was. Bemerkende dat ik eene Jonkvrouw en alleen was, drong hij op mij aan en wilde mij van mijne sieraden berooven. Doch ik weerde hem van mij af, met alle kracht, waarover ik beschikken kon ....”
“Waarom gaf je ze niet liever vrijwillig over? Uwe krachten waren immers toch niet opgewassen tegen de zijne?”
“Zou ik aan een schurk maar gewillig geven, waarom hij vraagt?” vervolgde de Jonkvrouw fier. “Neen, Gijsbrecht, daarvoor stroomt mij te veel Arkelsch bloed door de aderen. Ik duwde den schurk met zooveel kracht van mij af, dat hij tegen den grond viel, maar .... ”
Plotseling werd zij in de rede gevallen door de stem van Fulco, die lachend zong:
“Brederoo het edelste,
Wassenaar het oudste,
Egmond het rijkste,
En Arkel het stoutste.”
“Goed zoo, Fulco!” riep Heer Gijsbrecht. “Dat liedje bevat waarheid, en je hoort, dat de Jonkvrouw Arkelsch bloed in de aderen heeft. — En wat verder, Bertha?”
“Mijn verhaal is uit, Gijsbrecht. Juist, toen hij met vernieuwde woede op mij aanviel, klonken de hoefslagen van paarden en een oogenblik later kwam jij binnen. Ik denk, dat hij achter u om de deur uitgegaan is, Bladzijde 14wat bij deze duisternis gemakkelijk kon geschieden.”
“Je zijt mijne moedige Bertha!” zeide de ridder. “Jammer, dat de schurk ongestraft ontkomen is.”
“Niet ongestraft, Edele Heer!” zeide Fulco. “Ik heb hem met mijn zwaard eene gedachtenis op zijn krullebol gegeven, waarvan hij lang pleizier zal hebben. De lomperd bedankte mij er niet eens voor en ging zonder groeten heen.”
“De kennismaking beviel hem zeker niet,” lachte de ridder. “Doch hoe staat het met het weer? Bij al die drukte heb ik er in ’t geheel geen erg meer in gehad.”
“De donderbui is overgedreven, maar het regent nog, dat het giet. Het is althans voor Jonkvrouw van Arkel geen weer om er door te gaan,” sprak de schildknaap.
“Dan blijven we hier, totdat het wat droger wordt,” besloot Gijsbrecht. “Komt, laten we om de tafel gaan zitten en het ons wat gezelliger maken. Toe Fulco, zing eens een lied. Men noemt je immers den Minstreel? Dan vergeet de Jonkvrouw misschien hare onaangename ontmoeting en wordt zij op andere gedachten gebracht.”
“Dat is niet noodig, mijn Gijsbrecht,” antwoordde Bertha lachend. “Nu jij bij me zijt, ben ik den schurk al geheel vergeten. Toe Fulco, zing eens voor ons. Je bent immers op weg naar eene bruiloft, en daar moet men vroolijk zijn.”
“Als de hooge bruid zelve dat vraagt, mag ik niet weigeren,” zeide Fulco lachend, en met een ondeugenden trek op het gelaat, vervolgde hij:
“Ik ken een lied van een Ridder en zijne bruid, doch ik vrees, dat de Jonker het misschien liever niet hooren wil.”
“Omdat het al bijna middernacht is, en er komt iets van een spook in.”
“Dan moet je het juist zingen, Fulco,” hernam de Jonkvrouw. “Eene spookgeschiedenis hoort bij deze nachtelijke ontmoeting.”
“Nu goed, luister dan,” en Fulco zong met eene heldere stem:
Daar, waar de gloed der gele duinen
Zich mengt met groen van eikenhout,
De donkere naald der denneboomen
Zich kleurt op bruin van ’t beukenwoud,
Daar had eene dapp’re Friesche krijgsman
Een slot gebouwd op ’t heuvelzand,
En sleet hij kalm zijn najaarsdagen
Na bangen strijd voor ’t vaderland.
Wanneer de laatste zonnestralen
’t Kasteel vergulden met hun glans,
Staat’s Ridders dochter Adelheide
Daar peinzend op den torentrans.
Zij luistert naar de stem der winden,
Vertolkt door ’t groene looverdak,
Naar ’t lied van bontgepluimde zangers,
Blij huppelend van tak op tak.
En zwijgt de wind, dan hoort zij ’t bruisen
Der golven op het vlakke strand,
Die duizendstemmig haar verhalen
Van wond’ren uit het verre land.
De beurtzang van de vogellied’ren,
Van bladgeruisch en golfgedans,
Bekoort en treft ’t gevoelig harte
Der schoone Jonkvrouw op den trans.
En ginds verheft zich uit de boomen
Het slot van Ridder Deodaat.
Bladzijde 16
“Ei zie, hij komt! Wat voert hem tot ons?
Waartoe die haast, dat droef gelaat?”
De Jonkvrouw spoedt zich naar beneden
En groet den makker van haar jeugd,
Want welkom is haar te allen tijde
Haar deelgenoot in leed en vreugd.
“De vorst der Franken, koning Karel,
Roept zijn vazallen op ten strijd!”
Zoo doet nu Deodaat zich hooren.
“Hem is mijn trouw, mijn zwaard gewijd.
De Arabier bedreigt de grenzen;
De Islam heeft tot plicht gezet
De gansche wereld te verwinnen
Voor Allah en voor Mohammed.” —
— “Waar zulke rampen ons bedreigen,
Voegt mij geen rust,” sprak Eelkema.
“Nu zullen wij den Mooren toonen,
Dat ik, schoon oud, den vijand sta.
Nu allen Karels vanen volgen,
Neemt Eelkema het zwaard ter hand,
Om met zijn broed’ren te gaan strijden
Voor Christendom en vaderland.”
— “Moet dan uw dochter achterblijven,
Alleen op ’t ouderlijk kasteel?
Wie zal mij, Jonkvrouw, bijstand leenen
Indien mij rampspoed valt ten deel?”
— “Wel bitt’re droefheid baart het scheiden,
Maar ’k laat mijn dienaars op het slot.
Met moed den Islam te bekampen
Is Christenplicht, de wil van God.” —
Haar trouwe speelnoot komt haar troosten:
“Wanneer een vijand U genaakt,
Houd dapper stand, in ’t vast gelooven
Dat Deodaat U goed bewaakt.” —
— “Hoe kunt Ge uw vriendin beschermen,
Wanneer Ge strijdt aan ’t Zuiderstrand?” —
— “Indien de nood dringt, zal ’k verschijnen,
Daarop mijn ridderwoord tot pand!” —
Bladzijde 17
Hoe droevig viel der Jonkvrouw ’t scheiden
Van ouder en van speelgenoot.
Slechts hoop op weerzien deed berusten,
En ook ’t geloof aan hulp in nood.
Sinds gaat zij trouw den trans bestijgen,
Doorvorscht den omtrek heinde en veer,
Maar schoon de jaren snel verdwijnen .....
Het ridderpaar keert nimmer weer.”
Hier zweeg Fulco een oogenblik.
“Dat was een treurig einde,” zeide Bertha zacht, terwijl ze Gijsbrechts hand vaster in de hare drukte.
“Arme ridders! Zoover van uw vaderland te moeten sterven. Zou het waar gebeurd zijn?”
“Ongetwijfeld, Edele Jonkvrouw!” antwoordde Fulco.
“En zijn ze werkelijk nooit teruggekeerd?” vroeg de schildknaap.
“Neen, Jonker, zij waren in den strijd tegen de Mooren gesneuveld, evenals zoovele anderen. Zij waren als dappere ridders met het zwaard in de vuist gestorven.”
“Ach, wat zal die arme Adelheide zich ongelukkig en verlaten gevoeld hebben. Nu kon haar dappere Deodaar niet meer ter hulp snellen, als gevaren haar bedreigden. De dood maakte het hem onmogelijk, om aan zijn ridderwoord getrouw te blijven.”
“Toch niet, Edele Jonkvrouw,” hernam Fulco... “Luister slechts; het lied is nog niet ten einde.”
“Neen Fulco!” riep de Jonker angstig, “nu niet! Zing dat dan liever later eens. ’t Is nu middernacht, en .... ”
“Kom, dwaasheid!” zei de ridder lachend. “Toe Fulco, laat ons nu hooren, wat er verder gebeurde.”
De plaaglustige Fulco had geen verdere aanmoediging noodig.
Bladzijde 18“Luister dan,” zeide hij.
De woeste Noorman trekt door ’t land
En plundert kloosters en kasteelen.
Geen slot is voor zijn macht bestand,
’t Moet al in d’eigen rampspoed deelen.
Wie slechts den minsten weerstand waagt
Wordt spottend in den dood gejaagd.
De Noorman Godfried komt voor ’t slot
En eischt het op van Adelheide,
Die vruchteloos, bij ’t dreigend lof,
Van Vorst of Ridder hulp verbeidde.
Maar, schoon zij ook geen uitkomst ziet,
Zich overgeven wil zij niet.
De dienaars toonen trouw en moed;
Men weet, er is geen hulp te wachten.
Verbitterd door ’t vergoten bloed,
Dien weerstand achter wal en grachten,
Zweert woeste Godfried brand en moord
En dreigt vergramd met galg en koord.
Maar kost het krachten, hij wint veld;
De overmacht is niet te keeren.
Elk dienstkecht op ’t kasteel is held,
Wenscht tot het uiterst zich te weren.
Steeds feller wordt het slot benard!
De hoop verflauwt in ’t moedigst hart.
De vijand legt een sterken dam,
Begint met woede storm te loopen.
Schoon menigeen om ’t leven kwam,
Rammeit men deur en slotpoort open.
Verlamd wordt elke weerstandskracht:
’t Kasteel is dra in ’s vijands macht ....
De Noorman Godfried dringt vooruit.
Daar ziet hij Jonkvrouw Adelheide.
“Ik eisch de meesteres tot buit,
Bladzijde 19
Die zeker lang mijn komst verbeidde.
Schenkt aan geen sterveling genâ!
Voor mij de bruid, haha! haha!”
Hij sleept haar ijlings met zich meê
En spot met tranen en met klachten.
De Jonkvrouw, overstelpt van wee,
Beproeft vergeefs haar zwakke krachten.
Zij dekt zich jamm’rend het gelaat
En roept verward: “help, Deodaat!”
Een slag weergalmt!... Daar splijt de aard! ....
Een zwarte Ridder springt naar voren.
Hij zwaait een scherp en vlammend zwaard ....
Werpt onversaagd zich op de Noren.
En Godfried, overmand van schrik,
Deinst sidd’rend voor dien vuur’gen blik.
Wat baat het of hij weerstand biedt?
Eén bliksemslag .... hij stort ter neder.
Al wat ontvluchten kan, ontvliedt,
En keert naar ’t spookslot nimmer weder.
Een hol gelach klinkt spottend na:
“Voor mij de bruid, haha! haha!”
“Verschrikkelijk!” riep de Jonker, wiens gelaat nu doodsbleek geworden was. “Dat was eene ontzettende gebeurtenis, en ik noem het dwaas, ja roekeloos, om zulk een lied in het holst van den nacht te zingen, en dan nog wel midden in een dicht woud. ’t Is goed, om .... ”
“Och kom, Jonker,” viel Jonkvrouw Bertha hem in de rede, “wees toch niet zoo kinderachtig en bang. Ik begin bijna te gelooven, dat er nog heel wat veranderen moet, eer je den ridderslag waardig zijt. ’t Was een mooi lied, Fulco, en ik dank u er wel voor. ’t Was werkelijk zeer mooi!”
Bladzijde 20Fulco’s oogen tintelden van genoegen. Hij had zijn doel, den jonker bang te maken, volkomen bereikt, en ook was hij gevleid door de vriendelijke woorden van de schoone ridderbruid.
Maar Jonker Jan had geen genoegen. Hij gevoelde zich gekrenkt en vernederd. Hij trad op de jonkvrouw toe, en zeide, het gevest van zijn zwaard grijpende:
“Eenmaal hoop ik Uwe Edelheid metterdaad te kunnen toonen, dat dit zwaard geen lafaard toebehoort. Een Jonker van Asperen kent geen vrees!”
“Behalve voor spoken!” lachte Fulco.
“Zwijg, ellendige dorper!” bulderde Jan, het zwaard thans uit de scheede trekkende, “waag jij het, den spot te drijven met een edelman? Bij St. Joris .... ”
“Genoeg, genoeg!” kwam Heer Gijsbrecht thans tusschenbeide. “Geen twist hier in het bijzijn der Jonkvrouw. Steek dat zwaard op, Jonker. Je weet het immers zelf zeer goed, dat we niet aan je moed twijfelen. Daarvoor kenden we je reeds te lang. En Fulco .... ”
“Twijfelt er ook niet aan, Jonker,” vervolgde Fulco, den jonker de hand toestekende. “Ik wilde u alleen maar een weinig plagen.”
De jonker nam de hem toegestoken hand aan.
“Dat is dus weer in orde,” hernam de ridder. “Ik geloof, dat de regen eindelijk opgehouden is. Laten we vertrekken. Heer Otto zal wel ongerust over u zijn, Bertha.”
Fulco haalde de paarden, en een oogenblik later ging het in galop verder. Het edele bruidspaar reed voorop, de jonker en Fulco volgden. Het was nu niet zoo duister meer tusschen de boomen. De maan goot hare zilveren Bladzijde 21stralen door het bladerdak en teekende scherpe schaduwen op den grond, die door jonker Jan niet zonder wantrouwen werden aangezien. Hij vreesde, dat Fulco’s lied maar al te zeer geschikt was geweest, om de aandacht der gevreesde Nacht-alven op hen te doen vestigen. Doch niets verdachts liet zich zien. Zij hadden ongeveer een half uur gereden, toen zij een drom van ruiters zagen naderen.
“Dat zal uw Heer Vader met zijne gasten zijn, Bertha,” zeide Gijsbrecht van IJselstein. “Ik denk, dat hij ongerust geworden is en u komt zoeken.”
“Ik denk het ook, hoewel ik mij die vrees niet begrijpen kan,” antwoordde Bertha.
Het vermoeden was juist. Heer Otto van Heukelom had zich over zijne dochter ongerust gemaakt, en was haar met zijn edele gasten tegemoet gereden.
“Daar zijn ze! Daar zijn ze!” klonk het uit verscheidene monden, toen de verschillende ruiters elkander genaderd waren.
Heer Otto reed vooruit en begroette zijn aanstaanden schoonzoon en diens gevolg met groote hartelijkheid.
“Wij werden ongerust, Bertha,” zeide hij vriendelijk. “’t Was ook al te onvoorzichtig, om zoo laat nog zonder geleide uit te rijden. Waarom geen schildknaap medegenomen?”
“Omdat eene Jonkvrouw van Arkel geen vrees mag koesteren, Heer Vader,” antwoordde Bertha lachend. “In dat geslacht kent men immers dat woord niet?”
“Je hebt gelijk,” antwoordde de edelman eveneens lachende, “maar mijne fiere dochter vergete niet, dat er een groote afstand bestaat tusschen moed en roekeloosheid. Bladzijde 22Doch laten we naar het kasteel terugkeeren. ’t Is al middernacht.”
Een half uur later reden zij de hooge poort van het slot binnen. De edelen begaven zich naar de Vrouwen, die in de groote burchtzaal waren, en Fulco ging naar de keuken, waar hij als een oude bekende en welkome gast begroet werd. Bladzijde 23
Den volgenden morgen was alles al vroeg in de weer op den adellijken burcht te Heukelom. De hooge gasten, die het slot herbergde, waren nauwelijks van de sierlijk gebeeldhouwde ledikanten opgestaan, of zij begaven zich naar de diep naar binnen gemetselde vensters, om door de kleine, in lood gevatte ruitjes een nieuwsgierigen blik naar buiten te werpen.
Met blijdschap zagen zij, dat de donderbui, die den vorigen avond had gewoed, plaats gemaakt had voor een lachenden hemel en een helder zonnetje. Op het binnenplein trof hun een levendig schouwspel. Alles was daar in beweging. Bedienden liepen ijverig heen en weer, om alles voor het feest in gereedheid te brengen.
De paarden werden uit de stallen gehaald en gereinigd. De hoofdstellen werden gepoetst en opgeknapt, de dekkleeden geschuierd. Het was een gelach en gepraat van de bedienden, een brieschen en hinniken van de paarden, en een kakelen en snateren van het opgeschrikte pluimvee zonder einde. Ginds, buiten de poort, op dat weiland, zagen zij een ander tooneel. Op een vierkant afgezet Bladzijde 24plein waren werklieden ijverig bezig met het hijschen van een groot aantal vlaggen. Elke vlag verschilde van de overige en alle droegen verschillende kleuren en wapens. Door de zon beschenen en door een zacht windje licht bewogen, geven zij aan het tooneel een aanstekelijk vroolijk aanzien. Op die afgezette weide zullen de edele ridders dien dag hunne krachten met elkander meten, want daar zal, ter eere van het bruidspaar, een steekspel worden gehouden.
Heerlijk vooruitzicht voor de ridders en edelvrouwen, die zich vol blijde verwachting van de vensters af keeren, om zich voor de feestelijkheid te kleeden.
Op de binnenplaats vinden wij onzen ouden bekende, Fulco, terug. Hij is bezig den vurigen schimmel van Heer Gijsbrecht met de meeste zorg te reinigen en op te sieren. Hij heeft het fraaie dier juist geroskamd en haalt er nu met een schuier de losse haartjes af, zoodat het beest glimt in de heldere zonnestralen. Geduldig laat het Fulco zijn gang gaan. ’t Schijnt, of het dier begrijpt, dat er heden een wedstrijd gehouden zal worden in schoonheid, moed en kracht.
“Ziezoo, Schimmel,” zegt Fulco, het dier liefkoozend op den blanken hals kloppende, “nu mag zelfs de keizer van Duitschland je zien, hoewel ik moet zeggen, dat jouw en mijn Heer minstens evenveel waard is. Kijk, daar komt Jonker Jan aan. Goeden morgen, Jonker!”
“Goeden morgen, Fulco. Jongen, daar heb je eer van. Wat is die schimmel toch een edel dier. Ik heb zijn weergâ nog nooit gezien.”
“U heeft gelijk, Jonker. ’t Is een edel, fier beest. Hij is zijn meester waardig.”
Bladzijde 25“Dat mag je zeggen. Ben je al op de kampplaats geweest? ’t Is er in orde, hoor! Het mag gezien worden. O, Fulco, dat ik slechts de riddersporen hadde. Hoe gaarne zou ik meêkampen om den eerepalm!”
“Dat kan ik me begrijpen, Jonker. Zou Heer Hendrik van Vianen ook komen? In dat geval hebben de andere ridders niet veel kans op den prijs. Hij is nog nooit overwonnen, naar ik hoor.”
“Volkomen waar. Jammer dat hij er zoo trotsch en prat op is. Ik wou, dat hij eindelijk zijn meester toch eens vond.”
“En dat die meester onze Heer Gijsbrecht ware,” zeide Fulco. “Ha, wat zou ik lachen! Maar wie komt daar de poort binnenrijden? Als men van den duivel spreekt, trapt men hem op den staart, zegt het spreekwoord, en nu geloof ik, dat het waarheid bevat. Dat is immers de Heer van Vianen?”
“Niemand anders. Dat kun je aan zijn trotsch en barsch uiterlijk wel zien.”
“Phoe, wat een gezicht. Hij kijkt als een oorworm, en hier mag men met recht zeggen: zoo heer, zoo knecht. Zie eens, wat een galgentronie die dienaar heeft.”
De ruiters waren genaderd en stegen van hunne paarden af. Een klein hoofdknikje van den edelman moest als groet gelden.
“Hier, pak aan!” zeide hij norsch tot Jonker Jan, hem de teugels toereikende. “Je moet het beest zacht met een wollen doek afwrijven en water geven.”
Jonker Jan verroerde zich niet. Ware de vraag op wat vriendelijker toon tot hem gericht, hij zou geen oogenblik geaarzeld hebben, dadelijk een stalknecht te Bladzijde 26ontbieden, hoewel het volstrekt zijn werk niet was, evenmin als dat van Fulco. Zij hadden alleen hun Heer te dienen. Maar aan een zoo onbeschoft bevel wilde hij niet voldoen.
Fulco gaf ook niet veel blijken van bereidwilligheid om het bevel op te volgen. Hij kon zijn lachen bijna niet bedwingen, toen hij zag, hoe woedend de barsche edelman werd.
“Ik ben geen stalboef, Heer!” gaf jonker Jan koel ten antwoord. “Mijn naam is Jonker Jan van Asperen, en ik ben schildknaap van Heer Gijsbrecht van IJselstein.”
“Pak jij dan aan, hondsvot!” gebood de ridder aan Fulco.
“Uwe Edelheid vergist zich,” klonk het spottend uit Fulco’s mond. “Mijn naam is geen hondsvot; ik heet Fulco, en ben dienaar van .... ”
“Loop naar den duivel!” bulderde Vianen woedend, terwijl hij dreigend zijne rijzweep ophief.
“Sla mij niet, Heer!” riep Fulco hem met fonkelende oogen toe. “Die tijd is voorbij, dank zij onzen edelen Graaf Floris! Waag het niet, die zweep te gebruiken of ik vergeet, dat gij een edelman zijt!”
Bij die woorden was Fulco, dìe terwijl hij zijn werk verrichtte, ongewapend was, op Jonker Jan toegeloopen en trok diens zwaard uit de scheede.
De edelman weifelde nog een oogenblik en liet toen de zweep zakken. ’t Scheen, dat hij een weinig ontzag had voor dat blinkende voorwerp. Vloekend gaf hij zijn paard aan zijn eigen dienaar over, en begaf zich in het kasteel.
Bladzijde 27Toen hij geheel uit het gezicht was, keken Jan en Fulco elkander aan en barstten in een schaterend lachen uit.
“Wat een opgeblazen en norsch Heer is dat,” zeide de jonker. “Die man leeft tweehonderd jaar te laat. Hij verbeeldt zich, geloof ik, dat de wereld alleen voor hem gemaakt is, en dat iedereen voor zijn wil moet buigen.”
“Is die vriendelijke man jouw Heer?” vroeg Fulco spottend aan den vreemden dienstman.
“Ik behoor hem met lijf en .... ”
“Ben je een lijfeigene?”
“Dat ben ik, helaas. ’t Is niet alles, om zoo’n Heer geheel en al toe te behooren. Gij hebt gezien, hoe gauw hij met de zweep in de weer is. Ik ten minste heb in mijn leven meer slaag gehad .... ”
“Dan eten?” lachte Fulco. “Je ziet er bleek genoeg voor uit.”
.... “Neen, meer slaag dan mij lief is, wilde ik zeggen.”
“Daar geef je misschien wel reden toe?” hernam Fulco plagend, daar de uitdrukking van ’s mans gelaat hem in ’t geheel niet beviel.
“Toch niet, toch niet! Doch laat ik de paarden maar op stal zetten. Ik heb geen lust, om .... ”
“Je hebt toch gehoord, dat je Heer je geboden heeft, zijn paard af te wrijven en te drenken?”
“Laat hij dat zelf doen,” mompelde de lijfeigene. “Ik bedank er hartelijk voor. Er loopen hier dienstlui genoeg.”
“Als je nu mijn knecht waart, kreeg je vast zoo’n pak slaag met de hondenzweep, dat je het op een anderen Bladzijde 28tijd wel zoudt laten, om onnoozele dieren slecht te behandelen, en dat zou je verdiend hebben ook.”
“Dan ben ik blij, dat jij mijn Heer niet bent!” zei de andere droogjes, terwijl hij de beesten op stal bracht.
“Ziet u wel, Jonker, dat ik gelijk had, toen ik zeide: ‘zoo heer, zoo knecht?’ Toch bevalt de knecht me nog minder dan de heer.”
“Mij ook. Maar nu ga ik nog eens naar de kampplaats kijken. ’t Zal er zoetjes aan wel al druk worden.”
“Nog een oogenblik, Jonker. Heeft u aan dien lijfeigene niets bijzonders gemerkt?” vroeg Fulco zacht.
“Bijzonders? Neen, volstrekt niet. Alleen vond ik, dat hij er slecht uitzag. Heb jij dan wat aan hem gezien?”
“Ja, Jonker, ik heb verschillende dingen aan hem opgemerkt, die mij op een vermoeden brengen.”
“Je maakt me nieuwsgierig, Fulco. Wat heb je dan gezien?”
“Ten eerste, dat hij een schurkengezicht heeft, waardoor ik hem, zoolang ik van het tegendeel niet ten volle overtuigd ben, tot alles in staat acht.”
“Ik ook. En ten tweede?”
“Ten tweede houdt hij, niettegenstaande het zeer warm wordt en hij een flinken rit achter den rug heeft, zorgvuldig zijne kap over het hoofd. Uit vrees, dat zij weg zou glijden, heeft hij haar zelfs een paar maal vaster op het hoofd getrokken.”
“En ten derde?”
“Ten derde is die kap aan het achterhoofd met garen hersteld en ziet zij er tamelijk morsig en gevlekt uit.”
“Daarvoor wordt zij gedragen door een lijfeigene,” viel Jonker Jan in.
Bladzijde 29“Toegegeven, Jonker. Maar, en dat is ten vierde: de man ziet er lijdend en bleek uit.”
“Dat is waar. Hij kijkt precies, alsof iemand hem op zijne eksteroogen trapt. Nu, en ten vijfde?”
“Dat is er niet, Jonker. Maar aan deze vier gegevens heb ik genoeg om de gevolgtrekking te maken, dat niemand anders dan hij gisterenavond Jonkvrouw Bertha heeft aangerand!”
“Daar zeg je zoo wat!” riep de Jonker verrast uit. “Wat ben jij toch een slimmerd, Fulco; ik zou niet op die gedachte gekomen zijn, maar nu je het zegt, ja, ’t heeft er allen schijn van.”
“Dat meen ik ook,” hernam Fulco, “en het moet al raar loopen, als ik hem vandaag niet eens onder zijne smerige kap kijk. Ik moet er het mijne van hebben.”
“Natuurlijk, en als .... maar daar komen weer nieuwe gasten aan. Ik groet je, ’t wordt mijn tijd.”
“En ik zal den schimmel op stal zetten. Maar neen, daar nadert Heer Gijsbrecht. Ik zal nog een oogenblik wachten. Wien heeft hij daar bij zich? Dat schijnt een geestelijke te zijn.”
“’t Is de Bisschop van Utrecht,” antwoordde de Jonker, zich verwijderende.
“Welk een krijgshaftig uiterlijk onder dat geestelijk gewaad,” mompelde Fulco. “Waarlijk, ik had mij den dapperen Bisschop Willem van Mechelen niet anders voorgesteld. Doch,” en nu klopte hij het vurige ros op den blanken hals: “laat ik je maar op stal zetten, Schimmeltje. Heer Gijsbrecht schijnt te veel in zijn gesprek verdiept om oog voor ons te hebben.”
Inderdaad, de ridder had hen niet opgemerkt. Luisteren Bladzijde 30wij naar het gesprek, dat hem zoozeer schijnt te boeien, dat hij alles vergeet, wat om hem heen gebeurt.
“Alleen om mijne vroegere rechten op Drechterland terug te krijgen,” aldus klinkt de stem van den Bisschop, “heb ik dadelijk na den dood van Graaf Floris...”
“Na den afschuwelijken moord,” mompelde Heer Gijsbrecht, terwijl hij de wenkbrauwen fronste, “die het Graafschap van den edelsten vorst beroofde, dien het ooit gehad heeft, en het eene prooi deed worden van zijne talrijke vijanden .... ”
“Waaronder ook ik behoorde,” hernam de Bisschop. “Doch met het recht aan mijne zijde, zooals ge weet. Drechterland behoort rechtens aan het Sticht, en de Hollandsche Graven hebben het alleen in hun bezit door het recht van den sterkste.”
“Uw Hoogeerwaarde heeft gelijk, maar gij vergeet, dat het bij het sluiten van den vrede voor goed aan Holland werd afgestaan.”
“Ik onderwerp mij aan geene vredesbepalingen, die den belangen van het Sticht schade berokkenen,” zeide de Bisschop trotsch. “Daarom heb ik na Floris’ dood den opstand der West-Friezen krachtig gesteund en mij van bijna geheel Noord-Holland meester gemaakt. Jammer, driewerf jammer, dat ik voor den Henegouwschen Graaf, Jan van Avennes, heb moeten wijken. Bijna was ik meester geweest in Holland: de West-Friezen waren in opstand, de Vlamingen waren in Zeeland gevallen en mijn leger trok zegevierend tot Medemblik door.”
“Totdat Jan van Henegouwen u dwong het beleg op te breken,” zeide Gijsbrecht. “Ik weet het.”
Bladzijde 31“Indien gij mij bijgestaan hadden, wie weet hoe dan de uitslag zou geweest zijn,” zei de Bisschop op verwijtenden toon. “Misschien ware Holland dan met het Sticht vereenigd.”
“Ik mag de wapenen niet voeren tegen mijn leenheer, Hoogeerwaarde. IJselstein is een Hollandsch leen.”
“Maar zijt ge dan ook niet Maarschalk van Utrecht, en mij als zoodanig hulp verschuldigd?”
“Ik ben uw Maarschalk, Hoogeerwaarde, en stel daar grooten prijs op. Ik zou ook nimmer de wapenen tegen het Sticht voeren, evenmin als tegen den Graaf van Holland.”
“Het zij zoo, hoe het mij ook spijt. Doch ’t is nu voorbij. Mijn leger is verslagen, en ik heb vredesvoorwaarden aangeboden, die voorloopig aangenomen zijn. Graaf Jan I is uit Engeland teruggekomen en Jan van Avennes, die Holland voor zijn neef, den Graaf, uit de handen van de vijanden gered heeft, met schande het land uitgejaagd. Een schoone dank!” spotte de Bisschop.
“Voorzeker, ’t is schande, dat stem ik toe, doch dat is niet het werk van Graaf Jan, maar van den heerschzuchtigen Zeeuw Wolfert van Borselen, die onzen Graaf geheel in zijne macht schijnt te hebben.”
“Schijnt te hebben?” herhaalde de Bisschop vragend. “’t Is volstrekt geen schijn, wat ik u verzeker. De Heer van Borselen heeft den zestienjarigen graaf zoo geheel in zijne macht, dat deze zelfs een stuk heeft onderteekend, waarin hij verklaart, dat hij in alle regeeringsaangelegenheden den raad en het goedvinden van den Heer van Borselen zal opvolgen.”
“Maar dat is meer dan ergerlijk,” riep Heer Gijsbrecht Bladzijde 32uit, terwijl hij plotseling bleef staan en den Bisschop aanzag. “Dan zal het dus nog zoover komen, dat wij, Hollandsche edelen, het hoofd moeten buigen voor dien Zeeuwschen moordenaar, die op den koop toe den onmondigen zoon van zijn slachtoffer, wellicht als een gevangene, op zijn kasteel bewaart, alleen om zelf den scepter te kunnen zwaaien? Dat nooit! Hem, dien verwaten moordenaar, ben ik geene gehoorzaamheid verschuldigd. Liever grijp ik naar de wapenen en ontruk den jongen Graaf aan zijne macht.”
“Hetgeen u ongetwijfeld zou mislukken, IJselstein,” viel de Bisschop in. “Van Borselen heeft een groot deel van den adel op zijne hand, en die is sterk, al geef ik gaarne toe, dat de macht der vrije poorters niet spoedig te hoog geschat wordt. Doch heb maar geduld: heel lang zal Van Borselen niet regeeren. Hij jaagt door zijne eigenmachtige handelingen de steden al meer en meer tegen zich in het harnas; hij schendt hare rechten en vrijheden met de grootste willekeur. En wat voor zijne heerschappij nog erger is” hij ontneemt den Hollandschen edelen hunne hooge betrekkingen en schenkt die aan zijne Zeeuwsche gunstelingen. Heeft hij niet den geachten Heer Dirk van Brederode uit’s Graven dienst ontslagen en Jan van Renesse in zijne plaats tot Baljuw van Zuid-Holland aangesteld? En toen hij zag, dat deze edelman bij den Graaf in hooge gunst begon te geraken, heeft hij hem toen niet in een valstrik gelokt en hem met schande het land doen verlaten? Nu is Heer Aloud, Van Borselen’s getrouwe handlanger, tot Baljuw benoemd.”
“Zulk eene dwingelandij gaat alle perken te buiten!” riep Gijsbrecht vertoornd uit. “Maar dat kan niet lang Bladzijde 33duren! Wanneer de beleedigde edelen zich met de verdrukte steden verbinden ....”
“Is zijn rijk ten einde,” vulde de Bisschop aan. “Doch nu moet er nog rekening met hem gehouden worden en ik in de eerste plaats ben daartoe verplicht, want de vredesvoorwaarden, die mij gesteld worden, zijn zeer hard. Ik moet zelfs afstand doen van de leenheerschappij over de kasteelen van Amstel en Woerden.”
“Een zware eisch, Hoogeerwaarde.”
“Dien gij moet trachten, minder zwaar te maken, IJselstein.”
“Ik?” vroeg Gijsbrecht verwonderd.
“Ja, gij, want u draag ik op, persoonlijk naar het hof te Veere te gaan, om daar de vredesonderhandelingen ten einde te brengen.”
De jonge ridder, getroffen door de eervolle onderscheiding, die hem te beurt viel, maakte eene hoffelijke buiging en zeide:
“Ik dank Uw Hoogeerwaarde wel voor die groote eer, maar ....”
“O!” riep de Bisschop lachend, “ik weet, wat gij zeggen wilt; gij denkt aan uwe schoone en lieve bruid, en hoe eenzaam zij zich zal gevoelen op het kasteel te IJselstein. Maar stel u gerust. Gij kunt eerst uwe gemalin naar hare nieuwe woonplaats vergezellen en daar op uw gemak uwe zaken in orde brengen. Indien gij over twee of drie weken vertrekt, is het nog vroeg genoeg.
“Dan neem ik uwe opdracht gaarne en met blijdschap aan, Hoogeerwaarde Vader, en het zal aan mij niet liggen, indien de onderhandelingen geen goed einde hebben. Bladzijde 34Doch laten wij naar de zaal terugkeeren, waar wij zeker al met ongeduld gewacht worden.”
Weinig uren daarna klonken de heldere klokketonen van de burchtkapel over veld en weide, en verkondigden ver in ’t rond, dat de huwelijksplechtigheid een aanvang zou nemen. Edele ridders, in hunne schoonste en sierlijkste kleederen gehuld, kwamen met hunne vrouwen en dochters, schitterende van diamanten en edelgesteenten, de kapel binnen en namen plaats. En nauwelijks waren zij gezeten, of daar verscheen Gijsbrecht van IJselstein met zijne schoone bruid aan den arm. Het bruidspaar begaf zich naar de zetels die voor het altaar waren geplaatst. Aller oogen waren op hen gericht, en dat was waarlijk geen wonder, want zelden nog was er een schooner paar voor het echtaltaar geknield.
Welk eene vorstelijke gestalte gaf die bruidegom, welk eene fierheid, gepaard met innemende lieftalligheid, die bruid te bewonderen.
Zoodra zij hadden plaats genomen, begon het koorgezang. De Bisschop trad door eene zijdeur binnen en knielde voor het altaar neder, waar hij bad, totdat het koorgezang zweeg. Toen stond hij op, om den gewonen kerkdienst te doen, waarna hij het jonge paar in den echt vereenigde. Schoon was de toespraak, waarin hij hun de dure verplichtingen voorhield, die zij in dit oogenblik jegens elkander op zich namen, hartelijk en van vriendschap getuigende waren de woorden, waarmede hij hun al het geluk toewenschte, dat op de aarde gesmaakt kan worden.
Innig geroerd knielden Gijsbrecht en Bertha voor hem neder en ontvingen zijn zegen. Daarmede was de plechtigheid afgeloopen. Onder koorgezang en orgelmuziek verlieten Bladzijde 35allen het kerkgebouw, om zich naar de burchtzaal te begeven. En dat het daar niet aan gelukwenschen en hartelijke handdrukken ontbrak, is licht te begrijpen. Als bruidsgeschenk ontving Bertha van hare ouders het rijke slot, waarin het feest gevierd werd.
Intusschen was het daarbuiten, om het afgezette tournooiveld, nog veel drukker en woeliger geworden dan in den burcht. Honderden menschen, misschien wel duizenden, waren van de omliggende plaatsen samengestroomd, om het steekspel bij te wonen, dat ter eere van dit huwelijk zou worden gehouden. En de menschen troffen het bijzonder, want het was prachtig weer.
Geen wolkje was er aan den hemel te zien, en de zon scheen wel te spelen met de schitterende kleuren der vaandels, die het tournooiveld versierden. Pratende, lachende en joelende bewoog zich de menigte rondom het veld of verdrong zich om de stellages, door rondreizende kunstenmakers of kooplieden opgericht. Hier trachtte een potsenmaker door een vloed van snaaksche gezegden en het trekken van allerlei leelijke gezichten, die, naar het algemeen gelach te oordeelen, blijkbaar in den smaak van zijne hoorders vielen, de snuisterijen van zijn meester aan den man te brengen, terwijl deze er voor zorgde, ze zoo uitlokkend mogelijk op eene tafel te rangschikken. Daar vertelde een andere grappenmaker, — en hij zette zijne woorden kracht bij, door af en toe zoo geweldig op een trompet te blazen, alsof de toenmalige gehoorvliezen van olifantsvel waren, — dat zijn meester een beroemde Oosterling was, die tot heil van de lijdende menschheid uit zuivere liefde voor zijne medeschepselen, uit het Heilige Land was overgekomen met onfeilbare geneesmiddedelen Bladzijde 36voor alle mogelijke kwalen. Voor eene kleinigheid kon men bij hem terecht, want het was hem volstrekt niet te doen om rijk te worden. O neen, hij kwam alleen met het doel, om zieke menschen weer gezond te maken. Hij trok zonder pijn kiezen, alsof het grassprietjes waren, maakte recht wat krom, en hoorende, wat doof was. Kortom, hij was een ware wonderdokter.
Elders weer werd de schare gelokt door het heldere geluid van eene vedel. Daar laat een rondreizende minstreel zijne zangen hooren, en hij heeft eer van zijn werk. Zie slechts, hoe iedereen met aandacht luistert, hoe al die oogen schitteren, waar de zanger met krachtige tonen de roemrijke daden van zijn held bezingt, hoe een angstige trek op ieders gelaat verschijnt, waar hun wordt verteld hoe hij gewond en stervende van zijn ros geslingerd wordt, hoe een traan in menig oog opwelt, als in roerende klanken de smart der liefhebbende en treurende Edelvrouw wordt verhaald.
Onder de hoorders, die aan de lippen van den zanger hingen, bevond zich ook Fulco, wiens hulp op den burcht wel eenigen tijd gemist kon worden. En een vurig bewonderaar van zang en muziek als hij was, hadden de tonen der vedel hem al spoedig naar de plaats gelokt, waar de minstreel zijne liederen zong.
“Mooi, dat was mooi!” mompelde Fulco, toen het lied uit was, zich haastig, als schaamde hij zich er voor, een traan uit het oog vegende. En na den minstreel met een geldstukje voor zijne kunst beloond te hebben, sloeg hij den weg in naar den potsenmaker, die nog altoos bezig was, de groote bekwaamheden van den Oosterschen wonderdokter te verkondigen. Weldra schudde hij van het lachen Bladzijde 37bij de snakerijen, die hij hoorde, en die hem al spoedig den indruk deden verliezen, door den zanger bij hem gewekt.
“Komt, menschen,” klinkt het van de stellage, “blijft daar toch niet langer staan, alsof je wortel geschoten hadt in den grond! Voor alle kwalen, geen enkele uitgezonderd, weet deze beroemde Oosterling raad. Heb-je hoofdpijn, — hij strijkt je driemaal met zijn heiligen steen langs het voorhoofd, blaast, en — pfff, weg vliegt de pijn! Heb-je eksteroogen, bloedvinnen of puisten, — zijne zachte olie doet ze in drie dagen tijds verdwijnen als erwtensoep in eene hongerige maag! Heb-je een bochel of kromme beenen, in twee maanden maakt zijne zalf je zoo recht als de stok, waarmede mijne lieve grootmoeder me placht af te ranselen in mijne prille jeugd! En die was recht hoor, niet mijne grootmoeder, neen, die volstrekt niet, maar de stok, en taai ook, dat verzeker ik je. ’t Is, of ik het nog voel!” En hierbij trekt de grappenmaker weer zoo’n leelijk gezicht, dat iedereen het uitschatert. “Komt menschen, voor alle kwalen weet hij raad, en hij reist de geheele wereld door, alleen uit liefde tot zijn lijdenden evenmensch. Geen ziekte, geen kwaal is er, waarvoor hij geen raad weet, en zelfs die voor ongeneeslijk zijn verklaard, herstellen nog door zijne beroemde wonderzalf, die, wonder boven wonder, een been of arm weer doet aangroeien, waar zulk een lichaamsdeel verloren is gegaan! En dat in hoogstens drie maanden tijds!”
En de spreker heeft eer van zijn werk, want verscheidene omstanders richten hunne schreden naar den beroemden man, om voor goed geld slechte medicijnen te koopen. Doch den potsenmaker gaat het nog niet Bladzijde 38vlug genoeg. Er moeten meer koopers komen; daarom laat hij zijne oogen onder de menigte ronddwalen, tot hij iemand opmerkt, die er zeer bleek en lijdend uitziet. Dien man met den vinger aanwijzend, gaat hij voort:
“Zie me daar nu dien ongelukkigen stumper staan. Wat eene kleur! Hoe vermagerd! Ik vraag u, menschen, staat hij al niet met zijn éénen voet in het graf?”
Aller oogen richten zich op den aangewezen persoon, die zich thans daar wel honderd mijlen vandaan wenscht. Ook Fulco kijkt dien kant uit, en — herkent dadelijk den lijfeigene van den Heer van Vianen.
“Ha, ha,” mompelt hij, “dat is mijn lieve vriend. Wacht, daar moet ik bij wezen. Schooner gelegenheid komt er misschien nooit weer terug.”
En zich tusschen het volk doordringende, gaat hij ongemerkt achter den lijfeigene staan, die, hoe warm hij het ook heeft, nog altoos de kap van zijne lijfrok over het hoofd houdt.
“En wat zal hem schelen?” gaat de bediende van den wonderdokter voort. “Wat zal hem schelen? Zóó erg of zóó vreemd kan het niet wezen, of mijn beroemde meester maakt het in korten tijd beter. Heb-je ’t in de ingewanden, goede vriend? Of heb-je pijn of ben-je ziek? In een oogwenk ben-je zoo gezond als een vischje. Kom, draal niet langer, ’t kost maar eene kleinigheid, en, kun-je niet betalen, dan kost het je niets, totaal niets! Kan het nog mooier? Wat, blijf-je nog staan? Durf-je niet? Dan zal ik het nog beter met je maken. Zeg maar, wat je scheelt, en ik zal zelf de kruiden halen, die je noodig hebt, en je genezen, daar iedereen bijstaat. Zeg maar, wat je deert.”
Bladzijde 39Doch de lijfeigene blijft zwijgen.
“Dan zal ik het wel zeggen,” roept Fulco lachend. En de vuile kap bij de punt vastgrijpende, trekt hij die plotseling achterover, wat met een kreet van pijn door den dienaar wordt beantwoord. En nu is het iedereen duidelijk, wat den man scheelt. Aan zijn hoofd heeft hij eene slecht verbonden wond, die, ongereinigd, veel erger schijnt, dan zij werkelijk is.
“Kom maar hier, goede man, ik zal je wel helpen!” roept de potsenmaker. “In eene week is het genezen, dat beloof ik je.”
Fulco luisterde niet langer. Hij had zijn doel bereikt. Hij boog zich tot den dienstman over en fluisterde hem in ’t oor: “Schurk, durf jij wel weerlooze jonkvrouwen aanranden? Dat dacht je niet, hè, dat het zoo gauw aan het licht zou komen. Bereid je maar voor op hetgeen je te wachten staat!”
En zich omdraaiende, verliet hij de groep, om op eene andere plaats naar iets anders te gaan kijken. Doch daartoe had hij geen gelegenheid, want plotseling werd zijne aandacht getrokken door schetterende muziek, getrappel van paarden en kletteren van wapens. De ridders waren in aantocht. Het steekspel zou beginnen. Bladzijde 40
Welk een schoonen stoet vormden die ridders op hunne vurige rossen. Hoe schitterden die wapenrustingen in de helle zonnestralen, hoe kostbaar waren zoowel paarden als ruiters getooid, hoe vroolijk wapperden de vaandels boven hunne hoofden, hoe fier zaten die ridders te paard!
Voorop rijdt Hendrik van Vianen, de geduchte kampioen, wien reeds bij voorbaat door bijna iedereen, ook door hem zelven, de overwinning wordt toegeschreven. Hoe trotsch laat hij zijne oogen ronddwalen over de menigte, die het tournooiveld omringt, en een verwaten glimlach komt over zijn norsch gelaat, als hij ziet, hoe daar de hoofden bij elkaar worden gestoken en men fluistert:
“Dat is de Heer van Vianen, die nog nooit overwonnen is.”
“Kent ge hem?” vraagt een ander.
“Kennen, neen, doch ik zie het aan het wapen, dat op zijn maliënkolder geschilderd is; zie maar: drie zwarte zuilen op een veld van zilver.”
Bladzijde 41“Wat ziet hij er trotsch uit!”
“Geen wonder waarlijk. Hij heeft in kracht en moed zijne partij nog nooit gevonden!”
“En wie is dat, die ridder met de gekanteelde baren op zilver?”
“Weet je dat niet? ’t Is de Heer van Arkel. Maar zie eens, daar komen de edelvrouwen. Wat zijn ze prachtig gekleed!”
“Prachtig? Dat zou ik meenen! ’t Is bekend, dat bijna elke edelvrouw wel zooveel juweelen aan haar lijfrok en gordelriem draagt, dat men er wel een kasteel voor koopen kan. Kijk, kijk, daar is de heer van IJselstein met zijne bruid. Wat een schoon paar! Hij doet zeker niet mede aan het steekspel, want hij neemt in de hooge tent bij de Vrouwen plaats. Zeker de eereplaats. Dat is jammer. Ik had hem wel eens tegen Vianen willen zien.”
“Dat zal hij wel niet durven. ’t Is ook niet alles, om voor de oogen van je bruid van ’t paard te worden geworpen.
“Bang is hij anders niet; dat heeft hij getoond na den dood van Graaf Floris, toen hij een van de eersten was, die te velde trok om den moord te wreken. En toen heeft hij zich dapper gedragen, zooals iedereen weet.”
“Dat is waar. Nu, misschien doet hij dan niet mede, om den Bisschop gezelschap te houden. Kijk, die zit naast hem.”
Terwijl deze en dergelijke gesprekken gehouden werden door de omstanders, reden de ridders in optocht het tournooiveld eenige malen rond. Telkens als zij voorbij het bruidspaar reden, maakten zij eene sierlijke buiging en lieten zij de speren zakken.
Bladzijde 42Op een teeken van de kamprechters, aan wie de leiding van het spel was toevertrouwd, hielden de ridders halt en werden hun de tournooiwetten voorgelezen. Daarna verdeelden zij zich in twee groepen, die aan weerszijden van een touw, dat het krijt in twee gelijke helften verdeelde, plaats namen en ieder een aanvoerder kozen.
Aan de eene zijde viel die eer te beurt aan den Heer van Heusden, kenbaar aan zijn blazoen, dat een rad van keel voerde op goud, aan de andere zijde aan den Heer van Vianen, wiens vroegere overwinningen hem ook bijna recht gaven op die onderscheiding. De ridders reden terug tot aan het einde van het krijt en monsterden met een laatsten blik den toestand van hunne rusting en de tuigage van hun paard.
De kamprechters, gewapend met lange staven en omringd door hunne dienaren, die, als krijtwaarders, kortere staven in de hand droegen, namen plaats aan de einden van het touw.
Alles is gereed. Ademloos bijna wacht ieder op hetgeen gebeuren zal. Daar heft Bertha van Arkel, nu Vrouwe van IJselstein, de hand ten teeken op, het touw valt en wordt snel verwijderd, de muziek, bestaande uit bazuinen, pauken, trommen en schalmeiën, valt schetterend in, en onder het geroep van Vianen! Vianen! aan de eene, Heusden! Heusden! aan de andere zijde storten de ruiters met gevelde glaviën en gesloten vizier, op elkander in. De grond dreunt onder de hoefslagen der strijdrossen, de lucht davert van het gekletter der wapenrustingen en van het geroep der strijdenden, en opgetogen en meêgesleept door het schoone schouwspel, barst het volk in een donderend gejuich los. De edel- en jonkvrouwen Bladzijde 43werpen den strijdenden linten, handschoenen en andere voorwerpen toe, om hen aan de moedigen, en met verdubbelde kracht zetten dezen den strijd voort. Hier vliegt eene glavie aan stukken in de lucht, daar trachten er twee tevergeefs elkander uit den zadel te lichten, ginds stort een derde bewusteloos op den grond. IJlings schieten de dienaren toe om hem uit het strijdperk te dragen.
Daar rijden Vianen en Heusden op elkander in. ’t Wordt stiller in en om de kampplaats. De beide strijdenden trekken ieders aandacht. Met welk eene woeste kracht heeft de botsing plaats, en verwondering baart het, dat niemand den zadel ruimt. De glavie van Van Heusden is aan splinters geslagen. Haastig grijpt hij eene andere en opnieuw valt hij Vianen aan, doch nogmaals breekt zijne glavie en bijna kantelt hij uit den zadel. Daar grijpt hij zijn zwaard, welk voorbeeld Vianen volgt, en met bliksemsnelheid volgen de slagen elkander op. Doch Heusden, hoe ook toegejuicht, want men gunde den trotschen Vianen de overwinning niet zoo graag als hém, voelt langzamerhand zijne krachten minderen. Eene laatste poging wil hij doen; hij drukt zijn paard de gouden sporen in de zijden en rijdt onstuimig op Vianen in, om hem door zijne verpletterende slagen tot wijken te dwingen, doch zijne tegenpartij houdt stand als eene rots, slaat hem het schild in tweeën en had hem ongetwijfeld uit den zadel doen storten, indien niet Bertha een teeken had gegeven. Dadelijk traden de krijtwaarders toe en wierpen hunne staven tusschen de strijdenden. Dat was het teeken, dat de strijd geëindigd was. Vianen had als altoos de zege behaald.
Bladzijde 44Er zal een uur pauze gehouden worden, welken tijd de ridders gebruiken, om zich te ververschen en hunne rustingen in orde te brengen. Daarna zal de strijd beginnen van man tegen mail, en dan eerst zal blijken, wie de sterkste is.
Niet zoodra is het uur verschenen, of door bazuinen klaroengeschal worden de ridders opnieuw ten strijde opgeroepen. De kamprechters met hunne dienaren hebben hunne plaatsen wederom ingenomen. Weer geven de bazuinen een sein, en nu rijdt een zwaar gewapend ridder gevolgd door zijn schildknaap, het krijt binnen. Voor den wapenkoning houdt hij halt. Op de vraag van deze, wie hij is en wat hij verlangt, klinkt zijn antwoord:
“Ik Witte, Heer van Haemstede, daag elken ridder, wie hij ook zij, ten strijde met speer en zwaard ter eere van de schoone Jonkvrouw Bertha van Arkel.”
En nauwelijks heeft hij uitgesproken, of luide klinkt het gekletter der bazuinen en klaroenen. Zijne uitdaging wordt aangenomen, want een andere ridder rijdt het perk binnen en plaatst zich tegenover den Heer van Haemstede. Uit zijn wapen, een geharnasseerden keelen liebaard op goud, blijkt, dat hij tot het edele geslacht der Brederodes behoort.
De strijd begint. Met eene woeste vaart rijden de beide edelen op elkander in en met een geweldigen schok heeft de botsing plaats. De speren vliegen aan splinters, de ruiters waggelen op hunne tossen. Snel neemt ieder van zijn schildknaap eene nieuwe speer, en weer rijden zij op elkander in, doch juist op het oogenblik, dat zij elkander genaderd zijn, struikelt het paard van Witte van Haemstede, valt en werpt zijn ruiter Bladzijde 45over zich heen, onder de hoeven van het andere dier. IJlings schieten de bedienden toe en brengen den gevallene buiten het perk. Niemand heeft de overwinning behaald, doch nu laat Brederode zijne uitdaging hooren, en nauwelijks is dat geschied, of daar rijdt de Heer van Vianen het perk binnen.
“Arme Brederode,” klinkt het zacht uit den mond der omstanders. “Nu zal hij het kwaad te verantwoorden hebben.”
En dat was ook zoo, want reeds bij den eersten schok kon hij zich ternauwernood in den zadel houden. Toch bleef hij zitten, wat een luid gejuich van de menigte uitlokte. Maar nu kwam Vianen met zulk eene ontstuimige vaart op hem aanrennen, dat Brederode met een hevigen dreun van het paard stortte. Ook hij werd door zijn schildknaap buiten het strijdperk gebracht.
In galop reed Vianen het perk rond, en trotsch lachte hij, nu van alle kanten een donderend gejuich opsteeg ter eere van den overwinnaar. Eindelijk hield hij voor den wapenkoning stil, en met eene luide stem, die door iedereen gehoord werd, riep hij:
“Ik, Hendrik, Heer van Vianen, bijgenaamd de Onoverwinnelijke, daag elken ridder, wie hij ook zijn moge, ten strijde, ter eere van Jonkvrouw Bertha van Arkel, de schoone Bruid!” En zijn paard de sporen gevende, reed hij, onder het schallen der muziek, in vliegenden galop de kampplaats rond. Doch hij bleef alleen.
Geen enkele ridder, hoe beleedigd ook door zijne tergende uitdaging, durfde den strijd met hem wagen. Met een minachtenden glimlach op het gelaat naderde Vianen den wapenkoning ten tweeden male en herhaalde zijne Bladzijde 46uitdaging in zoo mogelijk nog tergender bewoordingen.
En opnieuw werd zijne uitdaging beantwoord door bazuin- en trompetgeschal. Doch geen enkele ridder reed het perk binnen. Tartend keek Vianen in het voorbijrijden den kring van edellieden aan, en ’t was waarlijk bij zulk een beleedigend gedrag geen wonder, dat zijne trotsche gestalte meer met haat dan met bewondering werd nagezien. Ten derden male naderde hij den wapenkoning, en luid klonk zijne uitdaging in het rond:
“Ik, Hendrik, Heer van Vianen, bijgenaamd de Onoverwinnelijke, daag ter eere van Jonkvrouw Bertha van Arkel, elken ridder tot een eerlijken strijd met speer en zwaard, en mocht deze uitdaging, die nu voor de laatste maal geschiedt, onbeantwoord blijven, dan maak ik als overwinnaar aanspraak op den uitgeloofden prijs: het met goud versierde schild!”
Maar nauwelijks had hij uitgesproken, of met gesloten vizier rende een ridder het strijdperk binnen, gezeten op een fieren schimmel, die, dartel als hij was, zich niet dan met groote moeite door zijn meester liet bedwingen. Aan ’s ridders speer prijkte een gele handschoen, ongetwijfeld het eigendom van eene of andere Jonkvrouw, te wier eere de Ridder streed.
Met onbeschrijfelijke geestdrift werd deze verschijning door het volk begroet, want ieder had zich geërgerd aan de trotsche woorden van den stuggen edelman. En, al wist men niet, wie die fiere ridder was, toch gunde ieder hem gaarne de overwinning. Hij reed, gevolgd door zijn schildknaap, die ook het vizier gesloten hield, naar den wapenkoning en sprak:
“Ik, genaamd de Onbekende Ridder met de gele Bladzijde 47Handschoen, verklaar ter eere van Jonkvrouw van Arkel de uitdaging van Heer Hendrik van Vianen aan te nemen.”
Daarop plaatsten de beide ridders zich op een grooten afstand van elkander en maakten zich strijdvaardig.
Er heerschte eene doodsche stilte onder de menigte. Ieder was vol spanning, hoe deze kamp zou eindigen, en die spanning werd bovendien nog geprikkeld door het geheimzinnige van dien vreemdeling.
Daar gaf de jonge bruid het teeken en de kamprechter riep met luide stem:
“Laisser aller!” (Laat begaan.)
De ruiters drukten de sporen in de zijden hunner paarden en reden met eene ongekende vaart op elkander in. ’t Was, alsof zij elkander verpletteren wilden. Al bij den eersten schok bleek het Vianen, dat hij, zooal niet zijn meester, dan toch stellig zijne evenknie gevonden had, want de Onbekende bleef rechtop in den zadel zitten, terwijl hij zelf slechts met moeite zijn evenwicht bewaren kon en zijne glavie tot aan zijne hand toe scheurde. Een daverend gejuich, waaraan bijna geen einde scheen te zullen komen, steeg uit het volk op. De ridders zwaaiden met hunne speren, de jonk- en edelvrouwen waren van hare zitplaatsen opgestaan en juichten den Onbekende toe. Honderden kleinigheden, meest sieraden, werden hem toegeworpen. Met een hoffelijke buiging reed hij terug, om zich tot een nieuwen aanval gereed te maken. Ook Vianen deed dat, — doch geprikkeld door de toejuìchingen, die zijn tegenstander ten deel vielen, met woede in het hart. Daar vlogen zij opnieuw op elkaar in, zoo mogelijk nog woester dan te Bladzijde 48voren, en weer met denzelfden uitslag. De Onbekende hield stand als eene rots, Vianen bleef, terwijl de speer aan zijne hand ontviel, slechts met groote moeite in den zadel. De geestdrift van de toeschouwers klom tot uitbundige op gewondenheid. Aan het gejubel kwam schier geen einde. Verbitterd trok Vianen zijn zwaard. De Onbekende deed evenzoo, en nu zag men eene kracht en behendigheid ontwikkelen, zooals misschien nog nooit op eenig tournooiveld te bewonderen was geweest. Onophoudelijk kletterden de slagen op helm of schild. Onstuimig drongen de vurige rossen met snuivende neusgaten op elkander in. Stofwolken maakten hen bijna onzichtbaar. Daar ging plotseling een kreet op uit de menigte, die weldra in een eindeloos gejuich en gejubel overging.
De Onbekende sloeg den Heer van Vianen het schild in tweeën en het zwaard uit de hand. Door den schok wankelde de Onoverwinnelijke in den zadel, en met een zwaren slag viel hij op den grond.
De Onoverwinnelijke was voor het eerst overwonnen.
“Eere den Overwinnaar! Eere den Onbekende!” juichte het volk. Men zwaaide met stokken en doeken, de muziek schetterde, de lucht daverde van het gejubel.
“Eere den Onbekende! Eere Heer Gijsbrecht van IJselstein!” schreeuwde Fulco, die met ademlooze spanning het gevecht gevolgd had.
“Eere Gijsbrecht van IJselstein, den dapperste onder de ridders!”
Daar sloeg de Ridder zijn vizier op, en waarlijk, niemand anders dan Gijsbrecht van IJselstein had den Heer van Vianen overwonnen.
Bladzijde 49Nieuw gejubel, nieuw gejuich! De ridders voegden zich achter hem en reden met hem het strijdperk rond. Daarna hielden zij stil voor Jonkvrouw Bertha van Arkel.
Gijsbrecht knielde voor haar neder en ontving uit de handen zijner bruid den prijs, die voor den overwinnaar was uitgeloofd. Hoe blonken hare oogen daarbij van edelen trots op haar bruidegom, hoe fier klopte haar het hart bij de daverende toejuichingen, die hem ten deel vielen, hoe innig bewonderde zij thans haar jongen echtgenoot!
Onder het schetteren van bazuinen en klaroenen keerden de edelen naar den burcht terug, waar zij zich van hunne zware rustingen ontdeden en die verwisselden voor sierlijke lijfrokken en kostbare mantels. Nauwelijks waren zij daarmede gereed, of reeds werd het teeken gegeven, om aan den feestdisch te verschijnen.
’t Was een vroolijk gezelschap, dat zich verzamelde om de tafels, die met den heerlijksten voorraad beladen waren. Geen enkele ridder ontbrak, en al kwam ook Heer Witte van Haemstede met zijn linkerarm in een doek, omdat die een weinig gekneusd was door den val, en al had Heer Hendrik van Vianen eene lichte wond aan het voorhoofd, gelukkig had geen der dappere ridders zich zoo ernstig gewond, dat hij verhinderd was, aan den maaltijd deel te nemen. De tafels waren rijk versierd met gouden bekers en schalen, kunstig nagebootste kasteelen en een overvloed van het heerlijkste gebraad, blanke rivier- en zeevisch en de fijnste wijnen, die Frankrijk en Duitschland maar opleverden. Eene aangename, vroolijke muziek liet zich hooren.
Bladzijde 50En de gasten bewezen eer aan de heerlijke gerechten, die hun werden voorgediend. Als om strijd roemden zij de gastvrijheid van den Heer en de Vrouwe van Heukelom. ’t Ging er vroolijk langs en de ridders toonden, dat zij nog wel wat anders konden, dan vechten. ’t Was een kruisvuur van aardige gezegden en vroolijke jokkernijen. De bekers werden lustig geheven en vlug geledigd, en nu en dan werd door den vroolijken Brederode een liedje aangeheven, dat door bijna alle aanwezigen meegezongen werd.
Iedereen genoot van het heerlijke feest, iedereen was vroolijk, — slechts één uitgezonderd. Heer Hendrik van Vianen deelde niet in de algemeene vreugde. Met gefronste wenkbrauwen en een stroeven trek op het gelaat zat hij te midden der vroolijken. Barstte iedereen in een schaterend lachen uit, als Brederode zijne snakerijen verkocht, zijn gelaat alleen bleef stroef en norsch: ’t scheen wel, of hij niet eens gehoord had, wat er gezegd werd. Zong men een vroolijk lied, hij alleen zweeg. Zijne oogen stonden somber en dof, en er kwam alleen gloed in, als hij heer Gijsbrecht aankeek, wat hij soms wel minuten aaneen kon doen. Ja, dan kwam er gloed in, maar het was de gloed van den haat. Want hij haatte den jongen, fieren edelman, tegen wien hij, de trotsche Vianen, die zich zoo graag “de Onoverwínnelijke” noemde, het in het strijdperk had moeten afleggen. Hij, de Onoverwinnelijke, was overwonnen.
Nooit zou hij dien naam meer durven noemen, want hij begreep maar al te goed, hoe dan zijne vijanden zouden meesmuilen. En vrienden had hij niet. Als hij dat nog nooit geweten had, zou hij het wel hebben kunnen Bladzijde 51opmaken uit het gejubel, dat uit de menigte opsteeg ter eere van IJselstein, toen deze hem uit den zadel deed storten.
Dat gejuich dreunde hem nog in de ooren, en de gedachte, dat zijne nederlaag het volk zooveel vreugde had verschaft, deed hem dorsten naar wraak. Zijn gemoed was vervuld van den bittersten haat tegen den fieren overwinnaar, zijne oogen gloeiden van wraakzucht. Daarom nam hij geen deel aan het feest. Alleen den beker gunde hij weinig rust; hij dronk veel, zelfs te veel, en hoe meer hij dronk, hoe gloeiender de blikken werden, die hij op Heer Gijsbrecht wierp. Hij wond zich op, en eindelijk — toen de wijn hem naar het hoofd begon te stijgen, was er maar eene kleinigheid noodig, om het blijde feest te doen eindigen in een twist, misschien zelfs wel erger.
En aan die kleinigheid zou het niet ontbreken.
Daar stond de Bisschop van Utrecht op, en den beker heffende, riep hij:
“Komt edele Ridders en Edelvrouwen, wijden wij een dronk aan het welzijn en het geluk van het bruidspaar! Ledigen wij den beker als eene hulde aan de schoone bruid, en ter eere van den bruidegom, den fieren overwinnaar!”
Die woorden werden met geestdrift begroet. Alle gasten stonden op en hieven de bekers omhoog. Daverend klonk het door de groote burchtzaal:
“Ter eere van de schoone bruid en van den dapperen overwinnaar!”
Iedereen drong naar voren, om met Gijsbrecht en Bertha te klinken, en in dat gedrang had niemand er eerst Bladzijde 52erg in, dat Heer Hendrik van Vianen geen deel nam aan die eerbewijzingen. Doch daar bemerkte plotseling Brederode het en vertoornd over zooveel onwellevendheid, riep hij:
“Wat nu, Vianen, gij weigert toch niet te drinken ter eere van Jonkvrouw van Arkel, en hulde te brengen aan den overwinnaar van het tournooispel? Kom, vergeet, evenals iedereen in uw geval zou doen, de geleden nederlaag en breng hulde aan hem, die haar verdient. ’t Was een eerlijke kamp .... ”
“Dat was het niet!” bulderde Vianen, onder het opstaan met zijne vuisten zoo ruw op de tafel slaande, dat het drinkgeraad er van rinkelde. “Dat was het niet. ’t Was geen eerlijke kamp. Op eene eerlijke wijze zou hij mij nooit overwonnen hebben!”
Hij zag vuurrood, zoowel van woede als van het drinken. Hij beefde van wraakzucht.
Zijne woorden hadden een geweldig tumult ten gevolge. Van alle kansen drongen de ridders op hem aan.
“Dat is onwaar, Vianen!” riepen zij. “Trek die beleedigende woorden in. Ge zijt eerlijk overwonnen en er is volgens de tournooiwetten gestreden. Uwe beschuldiging is valsch!”
“Wat? Durft ge mijne woorden in twijfel trekken, van mij, Vianen? Ik zeg, en iedereen mag het hooren, dat IJselstein door een valschen aanval mijn paard aan het schrikken maakte, waardoor het op zijde sprong en mij deed vallen. Hij hield zich niet aan de wetten van het spel en overwon mij door list. Doch ik erken hem niet als mijn meester! Hij is een valschaard en niet dat alleen, maar ook een lafaard! Laat hij het zwaard trekken als hij durft!”
Bladzijde 53Dat was te veel voor Heer Gijsbrecht. Hij rukte het zwaard uit de scheede en trad met fonkelende oogen op Vianen toe. Deze had eveneens het zwaard getrokken, doch bij de bewegingen, die hij daarbij maakte, waggelde hij op zijne beenen en hield zich met moeite staande. ’t Werd nu iedereen duidelijk, dat hij dronken was.

Hij rukte het zwaard uit de schede en trad op Vianen toe.
“Terug! Terug!” klonk het van alle zijden, en men drong zich tusschen de twee ridders in. “Terug IJselstein, ziet ge dan niet, dat hier niet gestreden mag worden? Ziet ge dan niet, dat hij dronken is?”
“Wat, dronken?” bulderde Vianen. “Ik dronken? Neen, ik ben niet dronken, maar hij is een lafaard. Hij durft niet!”
Doch Gijsbrecht had het zwaard al weder in de scheede gestoken. Hij begreep, dat dit geen eerlijk gevecht kon worden.
“Ga naar uwe kamer, Vianen,” sprak hij, “en tracht te slapen. Morgen ben ik bereid u te woord te staan.”
“Naar mijne kamer? Denkt gij dan, dat ik nog een oogenblik langer met een lafaard onder één dak wil zijn? Ik bedank voor die eer. Ik ga naar huis. Tot wederziens, IJselstein, maar wacht u dan voor Vianen!”
Nog altoos met zijn zwaard in het rond schermende, zoodat alles wat hij bij ongeluk raakte, aan scherven of gedeukt op den grond viel, liep hij de deur uit.
Enkele ridders, waaronder ook IJselstein, volgden hem. Waggelende begaf hij zich, onder het uiten van de leelijkste beleedigingen, naar de andere zijde van het kasteel, waar de bedienden verzameld waren.
Ook daar was iets bijzonders aan de hand.
’t Was er den geheelen middag een vroolijk gezelschap Bladzijde 54geweest. De tafels waren, dank zij der gulheid van de Edelvrouwe, die ook den dienaren graag het goede gunde, ruim voorzien geweest van heerlijk wildbraad en opwekkende dranken. Onder allerlei gesprekken, afgewisseld door grappen en vroolijke liedjes, hadden zij er zich te goed gedaan. Zelfs Peer, de lijfeigene van Vianen, was weer op zijn gemak gekomen. Eerst had hij zich stil en zwijgend aan een hoekje van de tafel gezet en wierp hij steelswijze angstige blikken op Fulco, doch toen hij bemerkte, dat deze in het geheel niet op hem lette, ja, hem zelfs niet eens scheen op te merken, begon hij langzamerhand te hopen, dat Fulco het geheele geval vergeten was. En dat scheen waarlijk wel zoo, want Fulco was zoo vroolijk, dat het onmogelijk was te gelooven, dat hij nog aan andere dingen kon denken. Hij wist zijne buren kostelijk te vermaken, wat duidelijk bleek uit het vroolijk gelach, dat zich telkens rondom hem deed hooren. En zoo voelde Peer, die eerst volstrekt geen eetlust had gehad, langzamerhand zijn moed klimmen en met zijn moed kwam ook zijn eetlust terug. Hij begon eindelijk zelfs praats te krijgen. Dat duurde zoolang, tot plotseling een der aanwezigen zeide:
“’t Is toch eene brutale aanranding geweest, die gisterenavond gepleegd is. Die schurk had eigenlijk al aan den strop moeten hangen.”
Als met een tooverslag waren bij Peer zoowel zijn moed en eetlust als zijn praats verdwenen. Hij voelde, dat hij trilde van angst.
“Dat had hij verdiend!” riep een ander.
“Maar eerst eene geeseling!” meende een derde.
En weer ging er eene rilling over Peers rug. Het zweet Bladzijde 55brak hem uit, en angstig zochten zijne blikken die van Fulco, doch deze keek hem niet aan. Hij scheen niet eens te hooren wat er gezegd werd, want hij stond op en greep eene vedel, die tegen den wand stond.
“Ha, dat is een voortreffelijk plan, Fulco,” riep men van alle kanten. “Stilte, we krijgen een lied!”
“Een lied van Fulco den Minstreel!” riep lachend Marij, de dienstmaagd van Jonkvrouw Bertha. “Dat zal wat moois wezen!” liet zij er plagend op volgen.
“Dat zal het zeker,” antwoordde een tweede, “Fulco behoeft voor den besten minstreel niet onder te doen. Ik heb hem meer gehoord.”
“Nu moet je me niet zoo sterk prijzen, dat ik niet eens meer zou durven beginnen,” zeide Fulco gestreeld, terwijl hij de snaren spande. Toen stond hij op en begon afwisselend te spelen en te zingen. Soms tokkelde hij zacht op de snaren, terwijl hij zong. Ieder luisterde met aandacht, en Peer begon weer te herademen, althans voor korten tijd, want het bleek hem spoedig, dat de inhoud van Fulco’s lied niet geschikt was, om hem op zijn gemak te brengen.
“Mijn lied heet: de Redding,” sprak Fulco, en met eene schoone stem zong hij:
De slotbrug daalt, de hoefslag klinkt!
De Jonkvrouw, op haar ros gezeten,
Schoon reeds de zon in ’t Westen zinkt,
Wil toch haar bruigom welkom heeten.
Daar buiten vreest zij geen gevaar:
Is niet haar Ridder spoedig daar?
’t Was zoel geweest den ganschen dag,
Nu pakten wolken dreigend samen;
Maar Bertha, die ’t gevaar niet zag,
Bladzijde 56
Verbaast zich, dat geen ruiters kwamen.
Daar wordt de rijweg hel verlicht!
Een slag volgt op de bliksemschicht!
Waarheen thans, Bertha, in dit uur?
Terugtocht kan hier niet meer baten.
Waar schuilt Ge voor het hemelvuur?
De gansche omtrek is verlaten.
Maar ginder naakt de zoom van ’t woud;
Daar staat een jagershut in ’t hout.
De regen valt bij stroomen neer
En duisternis bedekt de aarde.
De kleine hut heeft in dit uur
Voor Bertha een onschatbare waarde.
De Jonkvrouw bindt haar paard aan ’t hek
En treedt in ’t onbewoond vertrek.
Thans neigt zij luisterend het oor
Of ook haar bruigom langs mocht komen;
Wis dringt de hoefslag tot haar door.
Het bliksemt telkens in de boomen.
Maar .... hoort zij niet een voetstap daar?
Wie is ’t? Een vriend, of .... nieuw gevaar?
“Sta, Jonkvrouw, geld en siersels af!
Sta af! of ’t kost U hier het leven!”
— “Maar vrees dan, booswicht, ook uw straf!”
Zegt Jonkvrouw Bertha zonder beven.
“Geen lid van mijn aloud geslacht,
Dat een bevel van roovers acht!”
Met galmt haar hulproep door het woud
En tracht zij moedig zich te weren.
Daar klinken stemmen in het hout,
Die Bertha’s moed en kracht vermeêren.
“Mijn bruigoms stem, die redding meldt,
Nu buk ik nooit voor ruw geweld!
Bladzijde 57
Te hulp, te hulp!” — “Waar is ’t gevaar?”
— “Hier, Gijsbrecht, hier!” De hulp komt nader.
De dapp’re bruidegom is daar
En zoekt in ’t duister naar den dader.
Thans vreest de roover voor den dood
En zucht om redding uit den nood.
De blijdschap op haar lief gelaat
Werpt Bertha zich in ’s Ridders armen.
De roover neemt zijn kans te baat;
Hij wacht van Gijsbrecht geen erbarmen.
Hij sluipt in haast door ’t klein vertrek
En redt zich over ’t lage hek.
Maar zie, de dienaar, die hier wacht
Om trouw de paarden te bewaken,
Verheft zijn zwaard met alle kracht
En treft, dat kap en schedel kraken.
“Hier hebt Ge, roover, loon naar werk:
Een onuitwischbaar Kaïnsmerk!”
Intusschen dreef de bui voorbij
En kon de Jonkvrouw huiswaarts keeren.
Verheugd ging ’t bruidspaar zij aan zij.
Wie zou nu dapp’re Bertha deren?
De dienaar meesmuilt in zijn baard:
“Die zwaardslag was een goudstuk waard!”
Fulco zweeg. Daverende toejuichingen waren zijn deel. Doch Fulco lachte thans niet. Met den vinger naar Peer wijzende, die doodsbleek in den versten hoek eene schuilplaats zocht, riep hij:
“En wilt ge weten, wie de schurk is, die dat feit durfde ondernemen? Daar staat hij! ’t Is Peer, de eigene van den Heer van Vianen. Laat hij het ontkennen, als hij durft!”
Doch Peer durfde niet. Aan al zijne leden bevend viel hij op de knieën en smeekte om erbarming.
Bladzijde 58Daaraan dacht evenwel niemand. Van alle kanten drong men op hem aan.
“Naar de burchtzaal met den schurk! Naar de burchtzaal!” klonk het. “Hij moet nog heden zijn vonnis hebben! Voort met den roover!”
Men sleurde hem naar de deur, doch juist op dat oogenblik werd die met kracht opengeworpen en verscheen de Heer van Vianen aan den ingang.
“Peer,” riep hij met ruwe stem, “de paarden! We gaan naar huis!”
“Hier is Peer! Hier is de aanrander!” klonk het verwarde geroep van de dienaren.
“Genade, genade!” kreunde Peer in doodsangst.
“Wie waagt het mijn dienaar overlast aan te doen?” schreeuwde Vianen woedend. “Laat los, hondsvotten, of ....”
Daar kwamen ook de andere edelen, waaronder Heer Gijsbrecht, het vertrek binnen. Vreezende, dat Vianen in zijne blinde woede misschien een ongeluk zou begaan, en niet wetende, wat er aan de hand was, riepen zij:
“Laat dien man los! Zijn Heer wil vertrekken!”
“Maar hij is de roover, die...!”
“Laat den man los!” gebood Gijsbrecht krachtig. “Wie of wat hij ook zij, laat hem los!”
Aan dat bevel werd voldaan, zij het dan ook schoorvoetend.
Vianen trad naar buiten, en Peer, die zich te Heukelom in het geheel niet meer op zijn gemak gevoelde, volgde hem met zeldzamen spoed. Nog nooit had hij zijn Heer zoo vlug bediend als nu. In minder dan geen tijd zaten beiden te paard en reden de slotbrug over.
Bladzijde 59De ridders keerden naar de burchtzaal terug en vergaten spoedig het gebeurde.
Maar Heer Gijsbrecht van IJselstein had een vijand gekregen, die niet licht te achten was. Bladzijde 60
Veertien dagen later vinden we Heer Gijsbrecht in de groote zaal van het slot te IJselstein, gedost in zijn schoonste gewaad, bezig zijne bevelen te geven aan zijne dienaren. Hij drukt hun de stipste gehoorzaamheid jegens zijne gemalin op het hart, belooft hun eene buitengewone belooning, wanneer zij gedurende zijne afwezigheid getrouw hun plicht doen, maar dreigt met dubbele straf hen, die zich aan plichtsverzuim mochten schuldig maken.
Daarna neemt hij met vriendelijkheid van allen afscheid, en blijft alleen over met zijn schildknaap, Jonker Jan van Asperen. Hij legt zijne hand in de zijne, en zegt:
“En aan U, mijn trouwe knaap, draag ik de zorg op, niet alleen voor mijn kasteel en voor mijne overige bezittingen, maar ook voor het dierbaarste, dat ik bezit” voor mijne lieve gemalin. We beleven vreemde tijden, Jonker, en niemand weet tegenwoordig, of de dag van morgen vrede of oorlog zal brengen. Daarom heb ik, voor ik van hier ga, zooals ge weet, het kasteel in staat van tegenweer gebracht, opdat, als onverhoopt soms een Bladzijde 61vijand mocht komen opdagen, hij het niet onverdedigd vinde. Beloof me, dat ge haar zult steunen in het bestuur, en zoo noodig, haar zult verdedigen en beschermen in den nood!”
“Ik zweer het, edele Heer!” antwoordde Jonker Jan ernstig en vastberaden. “Zoolang mijn arm een zwaard kan voeren, zal haar geen leed genaken.”
“Ik wist, dat ge dit zeggen zoudt, en had geen ander antwoord verwacht. Heb dank voor die woorden. Doch daar hoor ik haar aankomen. Laat ons nu eene wijle alleen.”
De jonker vertrok en Bertha kwam binnen. Ook zij was gekleed om uit te gaan; zij wilde haar echtgenoot een eindweegs vergezellen. Zij zag bleek en hoewel hare gestalte als altoos fier was, scheen het toch, alsof er thans een angstige trek op haar gelaat lag. Gijsbrecht ging haar tegemoet en sloeg haar zijn arm om den hals.
“Alles is gereed, Bertha,” zeide hij. “We kunnen dadelijk vertrekken. Maar, liefste, wat ziet ge bleek en wat is dat — tranen in de oogen? Kom, kom, wat is dat voor malligheid? Nu had ik toch gedacht, dat je moediger waart.”
“Och, Gijsbrecht,” zuchtte Bertha, “wees niet boos op me; ik weet wel, dat het kinderachtig van me is, maar heusch, ik voel me zoo beangst. ’t Is me, alsof er een groot ongeluk zal gebeuren.., alsof ik... u nooit terug zal zien.”
Bij die woorden barstte zij in tranen uit.
“Maar hoe komt ge toch op die gedachte, mijn Bertha? Gisteren nog kende je geen vrees en was je even moedig als altoos.”
Bladzijde 62“O, ja, dat was gisteren, Gijsbrecht, maar nu .... ”
“En waarom ben je dan nu wel bevreesd?”
“Omdat ik .... O, Gijsbrecht, ’t was zoo akelig, o, ga toch niet naar het hof te Veere .... Omdat ik zoo’n vreeselijk naren droom gehad heb.”
“Ik moet gaan, Bertha. De Bisschop heeft het mij opgedragen, ik moet, — maar kom, kom, je weet toch wel, dat droomen bedrog zijn.”
“Deze niet, neen Gijsbrecht, deze niet. Och, ik smeek u, blijf toch hier! Die droom vervolgt mij reeds den geheelen morgen.”
“En hoe was die droom dan wel?”
“O, zoo naar, Gijsbrecht. Ik zag u geboeid in een vreeselijken kerker, bleek en vermagerd, en je riept voortdurend, terwijl de ketens, waarmede je aan den muur geklonken waart, rammelden: ‘Bertha, Bertha, waarom verlos je me niet? Zie je dan niet, dat ik hier anders sterven moet?’”
En opnieuw begon de jonge edelvrouw te schreien. Ook Gijsbrecht was een weinig bleeker geworden, doch spoedig herkreeg hij zijne opgeruimdheid weder en zeide:
“Gekheid, Bertha. Droomen zijn nog nooit anders dan bedrog geweest, ik geloof er niet aan. Je hebt zeker onrustig geslapen en toen gedroomd, zooals dat iedereen wel eens overkomt. Een flinke rit in de frissche morgenlucht zal die nare gedachten wel uit je hoofdje doen verdwijnen en je weer vroolijk maken. Kom, laten we te paard stijgen.”
“Dus je blijft bij uw plan, en gaat naar Veere?”
“Ik moet, Bertha. Dat kan nu eenmaal niet anders, Bladzijde 63doch — wees niet bezorgd. Over veertien dagen ben ik immers weer hier?”
Bertha richtte het hoofd op en veegde de tranen weg, die haar in de oogen stonden. ’t Scheen, of zij al haar moed en geestkracht terugkreeg, nu zij wist, dat er niets aan het besluit te veranderen viel.
“Laat dan komen, wat er komen moet. Dat God u bescherme!”
En haar echtgenoot een kus gevende, liet zij er op volgen:
“We zullen er het beste maar van hopen, niet waar? Laten we gaan.”
Op de binnenplaats stonden vier paarden gereed, die door Jonker Jan en Fulco bij de teugels gehouden werden. Fulco zou zijn Heer op de reis vergezellen, en hij vond dat verre van onaangenaam. Hij hield wel van zoo’n tochtje en ’t was bij hem gewoonlijk: hoe verder, hoe liever. Gijsbrecht hielp Bertha in den zadel, en weldra reden zij de slotbrug over, door de bedienden van het kasteel met een hartelijk: “Goede reis, God behoede u!” begroet.
Bertha schikte zich blijkbaar in het onvermijdelijke, want zij sprak over allerlei zaken, behalve over haar droom. En toen zij een uur later een teeder afscheid van Gijsbrecht nam, hield zij zich zoo flink, dat het scheen, of zij er zelfs niet meer aan dacht.
Langzaam reed de Edelman, door Fulco gevolgd, verder. Telkens keek hij achterom en wuifde zijne vrouw en den Jonker een vaarwel toe, dat herhaaldelijk beantwoord werd. Eindelijk verloor hij hen uit het gezicht. Toen gaf hij zijn paard de sporen en reed snel voort.
Bladzijde 64Wij zullen de beide reizigers niet verder op den voor dìen tijd verren tocht vergezellen. Genoeg zij het te weten, dat zij de reis zonder ongelukken aflegden en in blakenden welstand te Veere aankwamen.
Dicht bij die stad lag het sterke kasteel van den Heer Wolfert van Borselen, bij wien Graaf Jan I zijn intrek genomen had. Dat heette natuurlijk eene vrijwillige daad, maar in werkelijkheid was hij daar niet veel meer dan een gevangene, die echter met al de eer, aan zulk een machtig vorst verschuldigd, behandeld werd. Toch was hij niet meer dan een gevangene, want Van Borselen bewaakte hem en al zijne handelingen als met argusoogen: hij liet hem nooit alleen, en zelfs op zijn uitstapjes in den omtrek hield hij hem gezelschap. De heerschzuchtige Edelman, wien het nergens anders om te doen was, dan om de regeering geheel in handen te hebben, begreep maar al te goed, dat hij daarvoor meester moest zijn van den persoon des Graven, die nog niet veel meer dan een kind was, en wien hij daarom gemakkelijk naar zijne hand kon zetten.
Jan, de zoon van den edelen Graaf Floris V, telde dan ook nog nauwelijks zestien jaren, en was daarenboven klein van gestalte en zwak en ziekelijk van lichaam. Geen wonder was het daarom geweest, dat zoovelen getracht hadden, zich van de voogdij over den jongen Graaf, en zoo ook van de regeering, meester te maken, waaronder, behalve Van Borselen, genoemd moeten worden Dirk van Cleve en Jan van Avennes, graaf van Henegouwen. Tevens trachtte ook Willem II Bertold van Mechelen zijn voordeel te doen, en viel met een leger in Noord-Holland, dat hij veroverde tot Medemblik toe.
Bladzijde 65Spoedig moest hij echter wijken voor Jan van Avennes, die overal, als de neef van Jan I, met gejuich werd begroet. Ook de Vlamingen, die op aanstoken van Van Borselen in Zeeland gevallen waren, trokken, voor zijne macht beducht, terug. Zoo scheen het, alsof du