Project Gutenberg's De ondergang der Eerste Wareld, by Willem Bilderdijk Copyright laws are changing all over the world. Be sure to check the copyright laws for your country before downloading or redistributing this or any other Project Gutenberg eBook. This header should be the first thing seen when viewing this Project Gutenberg file. Please do not remove it. Do not change or edit the header without written permission. Please read the "legal small print," and other information about the eBook and Project Gutenberg at the bottom of this file. Included is important information about your specific rights and restrictions in how the file may be used. You can also find out about how to make a donation to Project Gutenberg, and how to get involved. **Welcome To The World of Free Plain Vanilla Electronic Texts** **eBooks Readable By Both Humans and By Computers, Since 1971** *****These eBooks Were Prepared By Thousands of Volunteers!***** Title: De ondergang der Eerste Wareld Author: Willem Bilderdijk Release Date: July, 2005 [EBook #8468] [Yes, we are more than one year ahead of schedule] [This file was first posted on July 14, 2003] Edition: 10 Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ONDERGANG DER EERSTE WARELD *** Produced by Jeroen Hellingman Deze e-tekst is geproduceerd door Jeroen Hellingman en het gedistrueerd proeflees team. DE ONDERGANG DER EERSTE WARELD DOOR Mr. WILLEM BILDERDIJK Met eenige aantekeningen en een ontwerp van den epos DOOR Mr. S. J. E. RAU VOORREDE DES DICHTERS. AAN DEN LEZER. Gaarne zou ik het Algemeen, van dit eerste gedeelte van een zeer uitgebreid Dichtstuk 't geen men weinig hoop zal koesteren van ten einde gebracht te zien, verschoond hebben. Doch, daar het met veel warmte, en onder eene belangstelling, die my altijd dierbaar zal blijven, aangevangen en door ettelijke Boeken of Zangen heen doorgezet was, kon ik aan verscheiden Kunstvrienden geen mededeeling weigeren, die niet dan door den afdruk geschieden kon; en deze afdruk diende algemeen te zijn, wilde men uit het onverkrijgbare en zeldzame geene baatzuchtige uitzichten doen ontstaan, die de verspreiding langs heimelijke onregelmatige en onvolkomen wegen bevorderde; van welke my, ook reeds voorlang, inzonderheid ten aanzien van den Tweeden Zang dezer vijf, niet zeer aangename alhoewel (in zich-zelfs beschouwd) vleiende blijken waren voorgekomen. Hoe veel waarde of deelneming echter sommigen mijner bekenden aan dit werk hechten mochten, het is verre van daar, dat ik er een algemeenen opgang van wachten zou. Niet zoozeer om het onvolkomene van dit gedeelte (want waar is een Dichtstuk van eenigen der latere Poëeten, waarvan men niet slechts eenige Zangen leest, zonder de overige in het minst ter harte te nemen; en wat zijn het ooit anders dan goede of voor goed doorgaande brokken, die in een uitgebreid Dichtstuk, van de algemeene waardy, die er aan gehecht wordt beslissen?) maar om dat noch onze leeftijd, noch zelfs onze Natie, Dichterlijk genoeg is om in een Heldendicht, ja zelfs in den toon daarvan, smaak te vinden. Zekerlijk, noch de ingezogen Fransche denkwijze (zoo Tegendichterlijk als er eene by mogelijkheid zijn kan), noch de door opvoeding, onderwijs en omgang verkrachte en geschaafde zeden, noch het laauwe kinderspel van liefhebbery, waar men zich by de algemeene geld- en fortuinzucht mede ontspant, en alle behoefte van hooger wereld, zoo ze eenigzins opkoomt, verdooft en in slaap sust; noch zelfs de in zwang gaande Theoriën, die schier alles wat dichterlijk is, van de Dichtkunst uitsluiten, en haar inderdaad tot een laf en nietig spel der Inbeelding verlagen, die in onze dagen niet slechts alle namen en kleuren aanneemt, maar ook alle waarachtig gevoel uitroeit, overheerscht, of bedwelmt; niets van dat alles is bestaanbaar met zucht voor zoodanig een Dichtstuk als het meesterstuk aller voortbrengselen van den menschelijken geest zou zijn, indien men er in onze dagen het aanzijn aan geven kon. En hoe ook zou iemand zich dit aanmatigen, die nimmer iets zoo betreurde als door het Lot geplaatst te zijn in deze ongelukkigste aller tijden, het tijdstip van den pijnlijken en ontzetlijken arbeid en worsteling van geheel de Natuur, om uit een afgrijselijke nacht het geheel verduisterde morgenlicht van waarheid en wezendlijkheid te doen voortbreken, hemel en aarde te hereenigen, en het echt en miskende verband tusschen het eeuwige Geestenrijk en voorbygaande schijnwareld te herstellen? Zeker, zoo mijn zucht ter afschudding van alle stoffelijke en uit loutere wanbegrippen gesmede kluisters onbepaald en vurig is, zy is echter veel te onvolkomen, om my naar vollen eisch op te heffen, en om die waarachtige vlucht te doen aannemen, die den waren Dichter en zijn alles meêsleepend vermogen kenteekent. Den dichter, zeg ik: namelijk "Hunc qualem nequeo monstrare et sentio tantum," [Zoo ik: hem wensche en eisch, maar enkel kan beseffen.] En inderdaad heb ik onder de tegenwoordige vierschaarspanners van den Hollandschen Pindus by gedeeltelijke voorlezingen van dit stuk, juist altijd geene toejuiching gevonden als by de mededeeling van nietigheden, die of den heerschenden smaak streelden, of die zachte aandoeningen verwekten waar men zich thands meê tevreden houdt en toegeeflijk genoeg is, om, zoo de verzen en wendingen slechts niet gants en in alles evenzeer ondichterlijk zijn, Poëzy in te stellen. Doch ik heb veel te vroeg den aart van den roem en al wat men eer of onderscheiding noemt, leeren kennen, om dien ooit te zoeken; en mijn zucht was steeds, ook in 't vak der Letteren, waarvan inderdaad Poëzy 't groote middelpunt en beweegpunt is, nuttig te zijn. Ook is het wellicht niet zonder alle vrucht, door deze gemeenmaking eene schets of een soort van afschaduwing te geven van de wijze, waarop ik my het Heldendicht voorstelle. Hoe veel of hoe weinig het juist moge zijn, 't zal ten minste dichterlijke gevoelens en wijzen van bevatting kunnen opwekken en geboren Dichteren aanleiding bieden, om een beter en volkomener pad door de hoogere streken der wareld van gevoel in te slaan. Daar dan nu dit stuk voor het Algemeen verschijnt, ben ik wel verplicht, als ter Inleiding voor mijn Lezers, eenig verslag te doen van het onderwerp en de wijze waarop ik het meende te moeten behandelen. De groote zwarigheid in het Heldendicht is tegenwoordig, het geen men, met een kunstwoord, van het Tooneel der Oudheid ontleend, de machine noemt, de inwerking namelijk van bovennatuurlijke wezens, die of 't ware, de springvederen zijn moeten wier ineenvattende werking het werkstuk des Dichters in beweging moeten zetten, in werking houden en ten doel leiden. De Oude Grieken en Romeinen hadden hunne uit Geest- en menschelijkheid saamgestelde persoonlijke of onpersoonlijke Goden (hun Noodlot tel ik onder de laatsten) te baat, wier bestaan, invloed, bestuur, en tusschenkomst in alle onze menschelijke handelingen, algemeen geloofd en aangenomen was, en (met welke verfijningen of verzieringen dan ook) in den grond der zaak door verlichter en onverlichter Wijzen en Dichters zoowel als door 't plomp en verstandeloos volk erkend werd. Dat men Homerus dit geloof betwist, en deze wezens by hem tot bloote Leenspreukige voorstellingen maken wil, is, (wie het dan ook tegenwoordig beweeren of voorstaan) eene ongerijmdheid waarmeê men zeer te onrechte zijn scherpzinnig doorzicht waant eer aan te doen, maar verdient geen weêrlegging. Onze Christelijke begrippen van God en Geesten, gelijk zy gewoonlijk voorgesteld worden, hoeveel zy ook aan de verhevenheid van voorstelling mogen toebrengen, leveren weinig op ter verlevendiging of vervulling van het geen wy in de zoo bruikbare Goden des Heidendoms verliezen, daar zy geene weêrstrevigheid toelaten dan tusschen de Goede en Kwade geesten, waarvan de eenen te eenvormig, de anderen te volstrekt hatelijk, en beide te zeer afwijkende en onbegrijpelijk voor ons menschen zijn, om ons wederkeerige en genoegzame deelneming in te boezemen, en om er al de party van te trekken die men noodig heeft; en inderdaad spreidt deze machine (indien met haar dus noemen zal) eenen nevel van slaperigheid over geheel een Dichtstuk, van welke noch Milton noch Klopstok zich heeft kunnen vrijhouden. Dat er niets kouder is dan de Allegorisehe wezens, waarvan vele nieuweren zich bediend hebben, is algemeen erkend. Drijdens Beschermgeesten der Koninkrijken en Volken zijn even zeer krachteloos om belang te verwekken, en schoon ik niet zou willen ontkennen dat men daar eenig voordeel uit trekken kan, zij deelen misschien in de ongelegenheden van die allen, Hoogvliet had zich eenen weg geopend door de afscheiding der Goddelijke eigenschappen in het Tweede Boek van zijnen Abraham; maar de laffe en koude aanmerking van den inderdaad dommen en alles behalven dichterlijken Van Engelen, die (ongelukkig genoeg!) een der orakels van zijn tijd was, heeft eenen afkeer van dit hulpmiddel ingeboezemd, schoon de aart onzes bestaans zelf het als aan de hand geeft, ja meêbrengt, en het in de Heilige Schriften zijn grond heeft, die ons Gods rechtvaardigheid en barmhartigheid dikwijls menschelijker wijze in eene tegenworsteling voorstellen, waarvan het gevoel zich in onze ziel, als van twee onderscheiden hooger Beginselen, aanbiedt. Doch wel terecht heeft men opgemerkt, dat het met alle Fraaie kunsten, en met de Dichtkunst aan 't hoofd van die, uit was, zoo dra Theoristen geloof en invloed bekwamen!--Maar wat dan, wat bleef er overig, om dit dringend gebrek te vervullen? De koude en in alles nietige, maar zeer beschaafde Schrijver, of liever samenflanser, van den Belisarius trof juist het tijdstip aan, waarin hy zich by het aangrijpend verval van smaak en kunstbesef, aanzien kon geven, en vond het goed het Heldendicht van zijn ziel en beginsel te ontbloten, om dat hij de ziel en dat beginsel niet bevatten kon. Niet vreemd. Velen ontkennen aan zich-zelven hun ziel en wezen, op juist even den zelfden grond! Ongelukkiglijk had zijn wanbegrip invloed op de onvergelijkelijke Dichteresse van den Germanicus, (die zekerlijk in een minderen kring dan het Heldendicht geschitterd zou hebben en beter naar verdienste erkend zijn;) en de Germanicus moest een Heldendicht zonder machine worden. Met dit alles is het belangrijkst gedeelte van dit Dichtstuk dat gene, dat er de ontknooping van maakt: een Geestverschijning. Die naamlijk van een beschermgeest, die het echt Dichterlijk inzicht van haar gemaal (den nooit op prijs gestelden Van Winter, wiens Monzongo--alleen al de Treurspelen zijner Egâ tien--ja honderdmaal opweegt) tegen het door haar aangenomen beginsel dat zy by alle tegenspraak met vrouwelijke geestdrift voorstond, haar opdrong. De voortreffelijkheid intusschen van dit Meesterstuk in schoonheden van detail, en inzonderheid van een Versificatie, die niet genoeg gewaardeerd is geworden, zal aan den waarachtigen kenner altijd verwondering inboezemen, alhoewel iemand hier en daar in den toon-zelf eenige meerdere verheffing mocht wenschen.--Doch dit zelfde wanbegrip heeft zich verspreid, en genoegzaam weet men vrij algemeen niet meer, wat eigenlijk de machine en haar gebruik of aanwending in 't Heldendicht zij. Wat my betreft: van mijnen vroegsten leeftijd altijd met de Eerste Wareld en hare bevolking zoo wel als met haar verband tot een hoogere, bezig, hing my steeds de bekende plaats uit het boek der Schepping (Gen. VI, 2, 4,) aan, waar de kinderen Gods gezegd worden zich met de dochteren der menschen vermengd, en uit haar de machtigen, de geweldhebbers der aarde, voortgebracht te hebben, die men Reuzen noemde. Al dra vond ik deze plaats 't zij by sommige Kerkvaderen 't zij by Rabbijnen verstaan van onsterfelijk kroost van onzen eersten Vader, door hem, vóór zijn jammerlijken afval, in Eden geteeld; en het denkbeeld dat dezen als Erfgenamen van den zaligen lusthof door de uitgebannene Aartsouders verbeurd, aan hun Nageslacht deel in die zaligheid wenschten, kwam mij eene even natuurlijke onderstelling voor, als een poging van deze Geweldigen zelven, zoo fier op hunne Vaderlijke afkomst als op hun meerderheid van krachten en moed, om het ook voor hun gesloten Paradijs te herwinnen. Met één woord, ik vond er de Heidensche Fabel der Hemelbestormeren in, en niets was natuurlijker, dan dat zich met de uitdelging van geheel een menschdom dat zich dezen verwaten aterlingen onderworpen had, de vernieling des vroegeren aardbodems en de losmaking van het Zalig Eden, daar eerst meê verbonden, onderling als tot een enkel tafereel voor mij vereenigde. Ik zag sedert de zelfde wijze van beschouwing elders of aangenomen, of met ten minste schijnbare gronden gestaafd of verdedigd; en zie daar 't onderwerp, dat my boven alle andere, niet slechts in innerlijk belang en gewicht der gebeurtenis zoo wel als door rechtstreeksche betrekking tot elk onzer, maar ook door een waarlijk Dichterlijken aart, kleur, en houding, scheen uit te teekenen! Ruim boven alle mate was my hier het Tooneel; vrij, de omkleeding zoowel als de stoffeering; en de rijkdom van toestel zoo onbekrompen als hy gewenscht kon worden! Verscheidenheid van wezens in overvloed, kwam hier by: Geestelijke van allen aart, menschen van gewone en tevens van buitengewone natuur en voorrechten; goede en kwade Engelen; en boven al, een geslacht van onvervallen Paradijsmenschen in Adams staat vóór den val, en nog in die verhevene stand en eigenschappen waar hij uit verviel; treffend uit den aart voor al wie zich aan hen verwant kan gevoelen! en deze allen door de naauwste betrekkingen aan elkander verbonden. Verscheidenheid, zeg ik, en menigvuldigheid van die allen, in éénheid van Schepping, van aan- en grondlage, vereenigd, en waarin de persoonlijkheid, karakters, belangen en uitzichten zich zoo verre verdeelden, als men aan gevoel en verbeelding slechts zou willen toegeven; doch allen in het groote punt samenvloeiende, dat het voorwerp des Heldendichts maakte!--Kon een zoodanig veld, een zoodanige stof, ophouden my voor oogen te blijven zweven, na dat zy zich eenmaal had aangeboden? Geen wonder derhalve, wanneer 't, by eene algemeen bedoelde herlevendiging (of, wil men, herschepping) van den Nationalen Geest en Letteren, Kunsten, en Wetenschap, en den blijden morgenkreet van een nieuwen dag, my tot plicht werd, my midden in mijnen vervallen toestand, als door eene tooverkracht te verheffen om aan den toegang des Hollandschen Zangbergs, als ware 't, de nog ongevormde of platgetreden sporen te openen, en (meer dan les en aanwijzing) het voorbeeld van den moed te geven, vereischt om hem op te streven: geen wonder, zeg ik, wanneer ik, onafgeschrikt door den omvang des onoverzienbaren arbeids, (ook zelfs zoo ik niet dan ten deele aan 't my gegeven vertrouwen beandwoorden wilde;) my in de verschillende vakken der Dichtkunst verdeelen moest, op een wijs als bekend is, ook om een stouten greep in 't ontzachlijke vak des Heldendichts te doen, mij zoodanig onderwerp voorstelde, als waarvan de rijkheid onuitputtelijk, en 't belang voor mijn hart-zelf ongelijkbaar was, en dat mijn geheele gevoel kon vervullen, en, om het dus uit te drukken, van alle kanten op eens en gelijkelijk aandoen. Het was dan ook in het jaar 1809, wanneer ik mijne proeven van Tooneelpoëzy in het licht had gegeven, dat ik, alhoewel onder de drukke bezigheden, waartoe my 't vak der Hollandsche Taalkunde in 't nieuwlings opgericht Instituut van Letteren, Wetenschappen, en Kunsten (ook my helaas! opgeladen) verbond, my eenige maanden tijds, aan 't Dichtstuk, waar van hier de eerste Zangen in 't licht treden, overgaf. Hoe kort het mocht duren, eer de algemeene Overweldiger ons, met den weldadigen en kunstlievenden Lodewijk (wiens heuschheid en goedheid ten opzichte van my, zwakken en uitgeputten grijsaart, nooit wedergâ had, maar wiens weldaden voor my by de uitkomst in louter jammer verkeerd moesten worden,) met alle welvaart, hoop, en uitzicht, tevens geheel ons Volksbestaan ontnam, weet een ieder; en dat met dezen omkeer van alles, geen gevoel voor my overig bleef, met het voortzetten van zulk een Dichtarbeid bestaanbaar, behoeft geene melding.--Men ontfangt het derhalve, gelijk het toen bestond, en zonder eenige verandering, byvoeging, afdoening, of al wat men beschaving noemt, zoo, gelijk het mij uit de ziel is gevloeid. Men weet, hoe ik veelal over het zoogenaamde beschaven denke. 't Is de oefening, die den dichter volmaken moet, maar geen vormelooze, of anders, misvormde klomp zal in 't Dichterlijke door de beschaving, dat gene worden wat het behoorde te zijn; en het geen, zoodanig als het in de warmte des gevoels uitgestort werd, niet verdient aan het Algemeen aangeboden te worden, zal door geene bewerking beter Poëzy worden. 't Zijn slechts enkele plaatsen, waar eene uitdrukking verbetering toelaat; maar dan nog zal 't eene zeldzaamheid zijn, zoo die plaats zelve, by eene zelfs wezendlijke verbetering, niet (van een anderen kant beschouwd), waarlijk verliest. Die ook zijnen stijl, uitdrukking en versificatie niet volkomen meester is, maar in de gave en zuivere uitstorting van zijn gevoel, door de moeilijkheden van dit zekerlijk oneindig vak van studie te rug wordt gehouden, de zoodanige moet zich nimmer aanmatigen, de hand aan Melpomenes dolk of Calliopes Heldentrompet te slaan. Het is in deze vakken niet dat men zich vormt; men moet ze, om ze in te stappen, reeds meester zijn. Deze uitdrukking klinkt misschien stout en vermetel, in 't oor van dien gene die my iets meer zou toeschrijven, dan het geen ik hiervoren verklaarde my aangematigd te hebben. Den MOED namelijk van te ondernemen, in hem, die zich-zelven niet ten voorbeeld en wegwijzer opwerpt, maar wien het zijnes ondanks en in wederwil zijner yverigste en aanhoudendste ontschuldigingen, wordt opgelegd. Den zoodanige is niet meer dan goede trouw, wil en vlijt af te vorderen; en hy geeft wat hy vermag, zonder aanmatiging of beschroomdheid. Die den doornbosch druiven afvergt, moet wel de braambezie voor lief nemen; en dezen treft dan ook het verwijt niet, dat zijn vrucht de verwachting te loor stelt. Het geen hier van het Dichtstuk gegeven wordt, schoon het het ontwerp daar van duidelijk uitdrukt, en vertrouw ik, in levende werking stelt, zal echter aan niemand den gang van het plan verraden, even weinig als de menigte van Epizodes of byverdichtsels die het insluiten moest, en, wier naauwe aaneenschakeling eerst volmaakt in de geheele samenvloeiing mag blijken. Niet licht zal men zich uit dit voorgedeelte een denkbeeld maken van 't geen ik met Segol of zijne Zilfa voor heb; en misschien weinig beter, wat gewichtigen rol de ongelukkige Elpine of haar hooge minnaar te vervullen heeft. Voorbereiding ziet men zekerlijk gemaakt om Noach op te doen treden; maar hoe, blijft voorzeker den lezer een raadsel, zoowel als de algeheele verwikkeling, die van oogenblik tot oogenblik groeien moet, en hare ontknoping in eens bereikt als het oogenblik der verdelging daar is, waarvan het ontzettende met eene duidelijkheid van voorstelling gepaard moet gaan, die geheel de vorming der aarde tot grond heeft, in wier gantsche wording de lezer vooral moet ingelijfd worden. 't Spreekt van zelf, dat er gronden van God- en Geestenleer geopend moeten worden die niet gemeen zijn, maar vrij van alle weêrstrevigheid tegen de Heilige bladeren. Byzondere redenen heb ik gehad, om, ondanks de reeds verregaande weelde en de algemeenheid der kostbare metalen, de zeldzaamheid van het staal, het nog niet invoeren van het gebruik des paards, en dergelijke meer, te onderstellen; waarvan de reden zichzelve al mede in den loop van het Dichtstuk ontdekken zou. Men verge my hier niets van dat alles te verklaren of op te helderen. Tot verstand van dit gedeelte zou het onnoodig; tot verstand van het geheel altijd ongenoegzaam, en zelfs verwarrend zijn, zoo het niet in een geheel uitvoerig verslag van de overige vijftien of zestien boeken die het werk voltooien moesten, ontaardde, en dan zelf een geheel boekdeel vereischen zou. Men houde ook niet elke onderstelling, hier aangenomen, voor meer dan eene Poëetische verziering die door 't Dichtstuk gevorderd scheen, doch den Schrijver-zelven geheel vreemd is. Grootelijks zou men zich bedriegen, indien men uit sommige der hier voorgestelde begrippen tot mijne gevoelens besloot, anders dan voor zoo verr' die gevoelens buiten dien en van elders door mij erkend mogen zijn. Men passe het gene ik hier zeg, zelfs op geheel de opvatting der bygebrachte Bijbelplaats toe, die mijne Fabel tot grond ligt. Want hoe zeer men haar met een aantal namen, die eerbied inboezemen, waaronder Cedrenus, Clemens van Alexandrië, Zosimus, Africanus, Syncellus, Justinus de martelaar, en zelfs Augustinus, zou mogen versterken; hoe veel aannemelijks zy in zich-zelve moge hebben, en hoe veel zy schijne op te helderen, zy is al te zeer onderhevig aan zwarigheden die van verre uitzichten zijn; en zeer ongeneigd ben ik, schijnbaarheden, die of meer of minderen grond voor zich hebben, als waarheden voor te staan. Doch waar Dichterlijke warmte het hart overmeestert, schept het zich in de ontstoken verbeelding een Wareld, en wie betwist het ons? Hy die dees wareld wil intreden, voor dien moet het toovertooneel, dat de Poëzy hem ontsluit, even zoo lang voor volstrekte waarheid verstrekken, als zy hem op haar vleugelen draagt, in haar wolken omvoert, en tot hooger licht door laat blikken, waarvan elke toeschemering, hoe onvolkomen ook, en zelfs hoe bedriegelijk, ons aan eenen hooger aanleg en hooger bestemming herinnert dan deze onze aardsche vervallen toestand met duidelijkheid toelaat te beseffen, en verder of anders dan in eene soort van hemelsche dronkenschap en bedwelming te genieten. Hoeveel of hoe weinig ik dat gene aanneme, dat tot grond van die onderstelling kan strekken, doet derhalve ter zaak niet; doch, in den tijd, dat men veelal alle Geestendom, en alles wat niet stoffelijk is, en wel, in dien groven zin stoffelijk, waarin dit ons verval ons het stoffelijke gewaar doet worden, onbelemmerd ontkent, een gemengelde wareld te ontsluiten, waarin velerlei soorten en klassen van wezens niet alleen, maar ook onvervallen en aan 't Geestendom, zelfs door den aart van hun lichaam, verwantschapte en gelijkende Paradijsmenschen door één zweven, moet zoo vreemd schijnen, dat er (om het niet voor of laffe of boze spotterny te doen houden) naauwelijks verzekering genoeg schijnt gegeven te kunnen worden van de oudheid van een gevoelen, dat zoo hersenschimmig moet voorkomen. En het zal hoogwaarschijnlijk velen niet ongevallig zijn, dat men hen ten dien aanzien tot het oud maar niet algemeen bekend geschrift, 't zoogenoemde boek van ENOCH, verwijze. Ieder weet, dat de Apostel Judas, in zijnen brief bij de algemeene Christen Kerk voor echt gehouden, en onder de Schriften des Nieuwen Verbonds geplaatst, eene voorzegging van Enoch, den zevende van Adam, heeft aangehaald, welke blijkbaar ten zijnen tijde erkend werd, en schoon het niet noodig is, uit deze plaats meer dan eene mondelinge overlevering van die profecy op te maken; dat echter Enoch geschreven hebbe, wordt niet slechts door Augustinus op grond van die aanhaling des Apostels aangenomen, maar wie zal het in twijfel trekken, die den aart van het letterschrift, en daaruit, de hooge oudheid daarvan, die van den oorsprong-zelven des menschelijken geslachts afgestamd schijnt, recht bevat en in aanmerking neemt? Hoe het zij; dat men reeds in de vroege Eeuwen des Christendoms een geschrift had, 't geen op Enochs naam doorging, is zeker, en, schoon dit buiten alle mogelijkheid van twijfel (als zoo vele andere,) een verdicht stuk was, en hem bedriegelijk werd toegeschreven, dit bewijst ten minste dat men toen ter tijd onderstelde dat Enoch geschreven had. Zoodanig een stuk is ook inderdaad tot ons gekomen en aan den Geleerden niet vreemd, dat onder den naam van den rechtvaardigen en met God wandelenden Enoch, van de Engelen (daar Wachters of Wachtëngelen, Egrigoroi) en hare vermenging met der menschen dochteren handelt; en zulks met eene uitvoerigheid en op eene wijze, die duidelijk genoeg den tijd van het ontstaan van dit geschrift, als niet vroeger dan de Babylonische gevangenis, aantoont. Uit dit stuk, dat wy in 't Grieksch hebben, zal ik, ter voldoening aan eene hier niet ongepaste nieuwsgierigheid, het volgende uittreksel bybrengen. "En het geschiedde, als de kinderen der menschen vermenigvuldigd waren geworden, en hun schoone en aanlokkelijke dochters geboren waren, dat de Wachtëngelen haar begeerden; en zij verleideden elkander, zeggende: Kiezen wy ons vrouwen uit de dochteren van de menschen der aarde. En Semeïxas, hun hoofd, zei tot hen: Ik vrees dat gy dit mooglijk niet doen zult, en ik (dus) alleen aan dat overgroote kwaad schuldig zal zijn. Maar zy antwoordden hem alle: Alle zullen wij zweeren en ons met een eed verbinden, van dat voornemen niet af te gaan tot wij het ten uitvoer gebracht zullen hebben. Toen zwoeren zij allen en verbonden zich met eede. "Het waren er twintig, die in de dagen van Jared of Jered (den vader van Enoch) zich op den top des bergs Hermoniim, dien zy daar Hermon naar noemden, dus met onderlinge vervloeking verbonden." (Van welke twintig de namen dan worden uitgedrukt.) "Dus namen zich ook al de overigen in het jaar der wereld 1170"--(Welke berekening, ten aanzien van Jareds leeftijd, met den Hebreeuwschen text gants niet overeenstemt, zoo als men weet dat het in 't algemeen ook met den Griekschen text van het boek van Mozes is)--"vrouwen, en begonnen zich met haar te vermengen tot aan den zondvloed toe: en deze (vrouwen) baarden hun drieërlei menschen. De eerste soort waren de groote Reuzen; en deze reuzen teelden de Naphilim, en uit dezen zijn de Elioth geboren. En leerden zich-zelven en hunne vrouwen kruidmengingen en bezweeringen. "Het eerst leerde Exaël, de tiende Vorst, zwaarden en pantsers, en alle soorten van wapentuig maken, en de metalen der aarde en 't goud bewerken; en daar maakten zy den vrouwen versiersels en geld van. Zij leerden elkander zich te blanketten en op te schikken, en met kostelijke gesteenten te schitteren; en daar werd vele godloosheid op aarde gepleegd, en daar openlijk roem op gedragen." (Voorts wordt de uitvinding der kunst van tooveren en onttooveren, der sterrenkunst, en voorzeggingskunst uit sterren, lucht, aarde, en maan, gemeld.) "Naderhand vingen de Reuzen aan menschenvleesch te eten, en de menschen begonnen op de aarde te verminderen. Het overig menschdom riep den Hemel aan over hunne boosheid en verval. "En als de groote Aartsengelen, Michaël, en Rafaël, en Gabriël, en Uriël, dit hoorden, zagen zy neêr uit de heiligheid der hemelen, en veel bloed langs het aardrijk ziende vergieten--traden zy tot God en spraken:-- "--Het overspelig en bastaardgeslacht der Reuzen overstroomt de aarde, en zy is vervuld met ongerechtigheid. En ziet! de geesten der verslagenen roepen luidkeels, en hun kermen is tot de poorten des hemels geklommen, enz. "Toen nam de Allerhoogste het woord, en de Alheilige sprak, en zond Uriël tot den zoon van Lamech, zeggende: Ga naar Noach en zeg hem in mijnen naam, verberg u-zelven. En maak hem het naderend einde bekend; dat geheel de aardbodem vergaan zal.--Onderricht den rechtvaardige, den zoon van Lamech, wat te doen, en zijne ziel zal in 't leven bewaard worden, en hy zal in der eeuwigheid ontkomen; en uit hem zal een plant geplant worden, die door alle geslachten in der eeuwigheid voortduren zal. En hij sprak tot Rafaël: Ga en werp Exaël met de handen en voeten gebonden in de duisternissen. Ontsluit de woestijn die in de woestijn Dodoël is, en werp hem daar weg, dat hy daar voortleve, op scherpe en ruwe steenen gelegen, en met de duisternissen bedekt.--En tot Gabriël sprak hij: Ga, Gabriël, naar de Reuzen, naar 't bastaard volk, de kinderen der hoerery, en verdelg de kinderen der Wachtëngelen door de handen der menschenkinderen. Doe hen tegen elkander oorlogvoeren ter vernieling; en laat de lengte hunner dagen tot de dagen hunner vaderen niet reiken.--En tot Michaël sprak hy: Ga Michaël, bind Semeïxa en alle zijne medestanders, zoo velen zich door vermenging met de dochteren der menschen besmet, en haar met hunne onreinheid bezoedeld hebben; en als hunne kinderen omgekomen zullen zijn, en zy de verdervende straf hunner gruwelen erkend zullen hebben, zult gy hen, den tijd lang van zeventig geslachten, in verholen plaatsen der aarde vastgekluisterd houden, tot den dag toe, die bestemd is om hen te recht te stellen.--En de Reuzen uit geestelijke en vleeschelijke wezens geboren, zullen op aarde Boze geesten genoemd worden, en hunne woning zal boven de aarde zijn." Dit zal volstaan mogen, om te doen blijken, dat de grond dezer Fabel niet uit mij gesproten is. En het Dichtstuk-zelf zal bewijzen, in hoe verre ik van deze oude Mythologie (om het dus te noemen) gebruik heb gemaakt; of, eigenlijker gezegd, aanleiding genomen heb ter ontsluiting van eene geheel andere, alhoewel daarmede naauw samenhangende wareldmengeling van door één zwevende wezens van geheel verschillenden aart. Ook is by my het Reuzengeslacht niet uit eigenlijke Engelen of ingestelde Wachtgeesten, maar uit menschen, onsterflijke, doch van een verhevener aart, Engelen nabijkomende, en der Engelen speelgenooten, met één woord, Paradijsmenschen, gesproten, wier betrekking tot het vervallen nageslacht van den gemeenen Vader ongelijkbaar nader is, en aan de Verbeelding (dus koomt het my voor) minder tegen kan staan: alhoewel ik voor my, niet inzie, hoe, naar een redelijk begrip van 't gene men geestelijk en lichamelijk noemt, in zijn aart en wezen, ook zelfs de mogelijkheid der vermenging van geesten met menschen niet erkend zou mogen, ja moeten worden. Niemand, verbeelde ik my, zal mij reden afvergen, veel min ter verantwoording roepen, over de onderstellingen, die ik my aanmatigde ten aanzien van den staat en gelegenheid van dien eersten en vernietigden wareldbodem, met het aardsch Paradijs samenhangende, en rivieren en streken behelzende, waarvan het aandenken by de benoeming des later ontbloten gronds wel heeft kunnen vernieuwd worden, maar die met het geheelal van dien bodem vernield en verbroken zijn. Mijne eigenlijke en byzondere denkwijze-zelve omtrent dien vroegeren wareldgrond, stemt reeds op verre na niet overeen met de Topografie, die ik hier als Dichter vereischt rekende; en hoe zoude ik haar derhalve buiten dat Dichterlijke doel kunnen of willen rechtvaardigen? Die zich met my op het grenzenloos meir der Poëzy inschepen wil, neme in mijn vaartuig, al ware 't een mosselschelp, en even zoo in den koers dien ik verkies te houden, genoegen, al wilde ik met de Grieken een zeer veranderlijk en misleidend gestarnte ten gids nemen. Die beter weet, stappe vrij uit en kieze zich een beter weg; ziedaar zijn recht, en het mijne! Na deze herinneringen, vertrouw ik geen verdere voorafspraak of inleiding noodig te zijn. Indien ik hier iets by wilde voegen, het zou de versificatie betreffen, die zekerlijk in een Heldendicht ook in hare mechanic (gelijk men het noemt) vrij verscheiden dient te zijn van den gewoonlijken daaglijkschen trant, en niet slechts een hooger en fierder toon, maar daarby ook meer rijkheid, ruimte van omvang, en afwisseling te hebben, dan eenig ander soort van Poëzy hoegenaamd. Maar zal men die, in de thands plaats hebbende wanbegrippen omtrent dit gedeelte der Dichtkunst en de volslagen miskenning harer gronden, opmerken of onderscheiden? En zou zelfs al wat ik hiervan mocht willen aanduiden, niet geheel verloren zijn of misverstaan worden, zoo lang men aan Theoriën vasthoudt, die tegen de gronden tevens van taal, melodie, en natuurgevoel strijden, en die het gelukkig is dat zy, die er meê pronken, doorgaands in hun werk-zelf vergeten of over het hoofd zien? Zoo veel beter is blinde Natuurdrift dan bedorven verstand! Zekerlijk zoekt men hier ook in een Voorrede geen stelsel van Prozodie, dat in dit, als in elk Dichtstuk bestaan moet, en dus ook te vinden zijn voor die de aangeleerde lessen slechts aflegt, en dan onbevooroordeeld wil opmerken. Echter wenschte ik (kon de wensch slechts iets baten), dat men by de lezing niet alleen de verscheidenheden van klanken, die aan ieder der vokalen op zich-zelfs eigen zijn, wel in acht nam, maar ook inzonderheid mede de scheva, (die in onze taal zoo gemeen is,) waar zy niet als vokaal geschreven staat, echter gevoelen, zooal niet hooren, deed, en dus geen trom-len by voorbeeld, geen daaf-rend, geen herin-ren, geen eig-ne, of een-ge, uitsprak, zoo dat konzonant tegen konzonant stoot, en er geen de minste zweem meer van 't dactylische of anapestische (dat onze taal eigenaartig is, en waar al hare zoetvloeiendheid aan hangt,) overig blijft. En ik zeg even het zelfde ten aanzien van de eerste persoon in de werkwoorden, ik word, ik bid, ik spreek, ik zwijg; en dit vooral in de zoogenaamde Toevoegelijke wijze, als: op dat ik hier niet te veel over hoop haal. De belachlijke en alle taal verwoestende dolheid, van de ten opzichte van den klank altijd onvolkomen, en hoe langer hoe meer bedorven schrijfwijze of spelling, te willen naspreken, heeft (en menigwerven beklaagde ik dit,) oneindig veel toegebracht om onze heerlijke moederspraak van de haar eigenaartige kracht, nadruk en welklank te ontzetten, en brengt onze verzen allengs tot een louter geweld doen aan 't teder echt Nederlandsch gehoor, dat van ouds nevens het Italiaansche, het meest zangrig gevoel van alle Europische Natiën had. Wat my betreft; de Hemel behoede mijne schriften voor Lezers van zulk eenen stempel, en ik vrees niets zoo zeer, als dat dezen mijn verzen op hunne wijze welluidend zouden vinden. Ik heb voor omtrent vijftig jaren, die gemaakte, stijve, en in alles valsche uitspraak zien opkomen en veld winnen; en het was niet dan onder begunstiging van de Hoogduitsche domheid en betwetery, dat zy zich vestigde, en met al het overige wat Holland onthollandschte, samenliep, om het mox daturos progeniem vitiosiorem by ons in de onvoorbeeldigste kracht te verwezendlijken. Dat ik in liet stuk van spelling altijd als tusschen het echte taaleigen en 't gebruik dat ik in mijnen tijd vestigen zag, ingeklemd zat, weet ieder. En ik ben overtuigd, dat eene volmaakte algemeenheid van spellen even zoo belachlijk en onzinnig is, als een algemeen vaststellen van eene bepaalde Staatsvorm, stelsel van belasting en dergelijke, welke alle middelen en geene doeleinden zijn, en dus, in alle opzichten, van allerlei byzondere en zich zeer ongelijke omstandigheden af moeten hangen; en die dus, zoodra als zy anders aangemerkt worden, onzinnige opofferingen zijn van waarheid, van plicht, en van rechten, waaraan men het heiligst ontzag verschuldigd is, en waar boven men niets op aard stellen mag. Maar de razerny dezer eeuw was reeds lang, a priori te willen zien, en dus scheppen, in plaats van, met wijzer tijdvakken, a posteriori te kennen en in te volgen; en daaruit rees noodwendig, dat het doel voor het middel moest onderdoen en de zaak-zelve aan het stelsel ten beste gegeven wierd. De Taal bestaat in geen letterfiguren, maar in levende klanken; deze te kennen te geven, en dit zoo na mogelijk, is al wat het schrijven beoogt, en de byoogmerken waardoor men iets meer wil, hebben altijd de nadeeligste invloeden gehad. En echter wy kunnen er ons, waar zy algemeen zijn geworden, niet geheel van losmaken, maar worden, als in 't Newtonianismus de planeten, tusschen de twee verschillende krachten, van eigen rechtstreeksche beweging, en van aantrekking, in vrij ongelijke kringen gesleept. Die ellips, hoezeer met zich zelve nooit gants eenvormig, houdt echter haar eigen gang, en deze gang is ten mijnen aanzien reeds lang bekend. Ik heb dus omtrent mijne spelling hier niets byzonders te melden, ten zij misschien dat ik ten gemak van den Lezer, den derden naamval (dien wy dan toch eenmaal, het moge in den grond met den aart der taal overeenkomen of niet, gewoon zijn geworden op zijn Latijnsch van den vierden te onderscheiden) waar het geschieden kan, met de apostrofe teekene, die in mijne jeugd bij alle gebogen naamvallen gebruikt werd; het geen ik ter vermeerdering van duidelijkheid, by ruime en somtijds veel omvattende volzinnen, niet onnuttig vind, doch niet te min, als al het willekeurige, gants niet aanprijze.--Liever had ik in de zinsnijdingen meer onderscheiding ingevoerd, daar ons buiten twijfel een minder of flaauwer snede dan het Komma, en een tusschenscheiding tusschen Kolon en Semikolon, ontbreekt, die elk kundig of liever verstandig lezer wel in acht neemt, doch moeilijk by een vaardig lezen, zonder eenige aanwijzing vooraf, weet te plaatsen. Doch in het algemeen is het waar, dat wy, om verzen of proza wel te doen gelden, een duidelijk en licht verstaanbaar teekenstelsel vermissen, het geen ieder zekerlijk voor zich-zelven, zoo wel als by 't onderwijs van de uitspraak der taal, uitdenkt; maar, by de ware muzyk der taal, nog iets meer behelzen kon, om recht nuttig te zijn. Doch dit kan uit den aart voor het algemeen niet geschikt zijn, het geen nogthands meer en bepaalder aanwijzing behoeft, dan onze vier zinteekens met de twee bykomstige van Uitroep en Vraag, opleveren. Het gebrekkige van deze zinteekens maakt ook dat zy van volzin tot volzin geene vaste en volstrekte maat van during aanwijzen kunnen, maar alleen eene betrekkelijke onderling in elken afzonderlijken volzin; zoo dat somtijds het Semikolon niet meer during dan elders het kommateeken heeft, en somtijds in tegendeel zich tot de langere rust van het volkomen kolon (de twee punten) uitstrekt. Dit in acht te nemen, en ieder volzin, als eenigermate een byzondere wijze van interpunctie hebbende, aan te merken, zal aanmerkelijk tot de klaarheid der rede toebrengen. De aanéenschakeling toch der volzinnen aan elkander, en de naamloze verscheidenheid daarin, is alleen uit hun vorm- en inhoud-zelven te kennen. Doch wat trede ik in dit alles, als of het stuk Lezers, als of het belangstelling genoeg vinden zou, om wel gelezen, wel verstaan, en wel gesmaakt te worden!--Men schrijve dit aan geene zelfmisleiding toe, waarvoor ieders eigenliefde zeer vatbaar is, maar die by my onvereenigbaar zijn zou met den tegenwoordigen toestand onzer Letterkunde, zoo als ik haar in dit oogenblik zelf beschouwe.--Maar, indien geene zelfmisleiding, wat is het dan?--'t Is, Lezers dezer voorrede! eene bloot Dichterlijke omwandeling in de wareld van verbeelding, waarin 't my zoo dikwijls een lust, zoo dikwijls een behoefte is, uit te stappen; en die het zoo geheel vreemd niet is, zoo ik wel eens (men verweet het my somtijds, doch gunne men my deze troost, en misduide men 't niet!) met de werkelijke wareld, waar wy in leven, vermenge. Leyden; in Bloeimaand 1820. DE ONDERGANG DER EERSTE WARELD. EERSTE ZANG. Ik zing den ondergang van d' eersten Wareldgrond, En 't menschdom dat, met Hel en Duivlen in verbond, In gruwelen verhard, Gods Hoogheid durfde trotsen En 't aardsche Paradijs beklautren langs zijn rotsen, Tot de Almacht, worstlens moê met Adams zondig bloed, Des aardrijks bodem sloopte en omkeerde in den vloed, Wat adem haalde op 't droog, van d' afgrond in deed zwelgen, Één huisgezin behield in 't algemeen verdelgen, En, op 't verbrijzeld puin in lager lucht verspreid, Het sterflijk kroost vernieuwde, en 't zaad der eeuwigheid. Wien smeek ik, die mijn oog, ten hemel opgeheven, Die wareld weêr herbouw' en weêr herroep' in 't leven, Die, wat der waatren stroom in 't denkbeeld achterliet, In de eb der eeuwen met heur' afloop dreef in 't niet? Wie voert haar uit die nacht van 't ondoordringbaar duister Te rug?--U roep ik aan, ô Gy, wier hemelluister Tot d' afgrond doordringt, en den dag voert in 't gezicht, Waarheen gy d' opslag van uw Godlijk aanschijn richt! Gy, Dichtkunst, 't zij ge omhoog aan 't hoofd der Englenchoren Gods lofzang aanstemt, die geen' weêrgalm schept in de ooren, Maar elken zenuwdraad en drupjen hemelsch bloed Bezielt, en op zijn toon welluidend trillen doet, En tot één' enklen zang, één zangtoon samenvlieten, Waar alles by beweegt en wegsmelt in 't genieten: Het zij ge, uitdeelster van Gods weldaân aan 't heelal, De harten hier omlaag met d' eigen hemelval By dropplen laaft, en 't heil der diamanten zalen Den stervling overbrengt in amethysten schalen: Gy! schiet uw Godheid in een' lichtstraal uit! Gebie, Die dart'le klanken niet van aardsche melodie, Waarop de weelde en lust met lichtgeschoeide voeten, In hupplend nachtgebaar den bleeken morgen groeten, En 't lachende vermaak den kommer drukt in 't hart:-- Neen, schep hier klanken, waard den Koninklijken Bard, Wen hy 't Onsterflijk oog, op de aarde neêrgeslagen, 't Gevallen menschdom toont, en Godlijk laat beklagen! Schep tonen, waar de ziel in huppelt tot Gods eer! Of, Dichtkunst, wees my ziel; geen Dicht- geen Zangkunst meer! Gevoele ik slechts door U! beveel, doordring mijn zinnen! Voer, voer my d' afgrond door en hoogste hemeltinnen, Waar de aadlaar van het zwerk de wieken druipt, en geef Den Zanger vleugelen waarop hy zeker zweef; Of, valt hy, laat zijn val die Almacbt niet onteeren, Wier wraak hy zingt!-- Maar Gy, die boven 's Hemels sfeeren Aan 's Vaders rechterhand den ongeschapen throon Beklomt: Gy, God uit God, en menschgeworden Zoon! Gy die, in 't graf gedaald, ook d' eersten wareldvolken Uw vrede en zoenbloed bracht in de onderaardsche kolken, Waar ze, in een ijzren nacht gekerkerd, hunnen band Verbroken zagen door uw zegerijke hand! [1] Verlosser! zie, zie neêr op dit vermetel pogen! Begunstig 't, is 't iets meer dan Dichterlijke logen; Maar, stijgt het stouter dan eens Christens Godsvrucht past, Verstoor het uit genade, en leg mijn' waanzin vast! Aartsvader Adam had, met twee paar rijen neven, Natuur den tol betaald, den stervling voorgeschreven; En 't menschelijk geslacht, het aardrijk overspreid, Zich reeds, naar 't Godlijk woord, vertalrijkt uitgebreid. In steden saamgeschoold, beschut voor 't overvallen Met ondoordringbaar woud of opgeworpen wallen, Bebouwde 't, met een' arm door d' arbeid sterkgespierd, Zijne akkers, zonder vrees voor 't woeste roofgediert'; Of 't zwierf, met draagbre tent, en zuivelrijke lammeren, De bergvalleien langs, te vreden in zijn jammeren. Het fiere Hanoch, 't oudst der burchten, stak het hoofd In 't uiterst Oost omhoog, van d'ochtendgloed gestoofd, En telde, als moederstad, van Land- tot Landgewesten, Een overtalrijk kroost in meer bekrompen vesten, Tot waar de Hiddekel by d'avondgroet der zon, Zijn' Westelijksten tak te rug boog naar zijn bron, Om, dwars door 't steil gebergt', in slorpende aard bedolven, Een' weg te zoeken ter ontlasting van zijn golven. De middelvlakte was van Gihons kil besproeid, Met Pizon, arm in arm, doorstrengeld en doorvloeid, En zag, door cederbosch, en palmen, en olijven, Den Frath zijn' sneller stroom naar de open zeekust drijven Alwaar de middagzon zich spiegelde uit het Zuid, En strekte een heuvlenrij naar Hanochs landpaal uit. Het Noorden, door een' muur van hoog gebergt' omsloten, Weêrhield den stormwind daar, die, 't aspunt afgeschoten, Het landomvaâmend meir van uit zijn kolken joeg, Om 't droog te omspoelen dat des aardrijks rug besloeg.-- Een koopren schild gelijk, dat zwellende uitgebogen, Zich opheft uit zijn rand, met blaauwend staal omtogen. En door 't geweld des krijgs met bult en bluts bedekt, Lag daar 't bewoonbaar vlak, van oost naar west gestrekt. Zijn bodem was graniet, met aardmulm overtrokken. Men zag geen menigte dooreen geworpen brokken Van rots 't eenvormig strand, of, midden in het meir, De golven scheiden, of geen spits het hemelsch heir Verbergen. 't Was één land, van éénen plasch omgeven: Één eiland, in één zee; geen andre kust daar neven. Één bergrij, vlak van kruin, omheinde 't voor het Noord, En bracht den fieren pijn en statige olmen voort. Geen heuvels, dan alleen waar zachte beekjens gleden, Die, wellende uit den grond zijn bovenkorst doorsneden, En in de vlakte zich verloren, of hun nat Den stroomen huwden, eerst in Edens Hof ontspat. Één hooger grond alleen, in nevelen en wolken Gehuld, verborg dien Hof aan 't kortziend oog der volken, Waar nog des Levens boom zijne appels, maar de tronk Der Kennis, bladers en onvruchtbre bloesems schonk, Sints 't doodelijk vergrijp der Oudren, door zijn vruchten Verlokt. Een zoete walm van balsemige luchten Doorwaaiden uit dien hoek de lager liggende aard, By wijlen zoeter dan de Lenterozengaard Waar 't bietjen honig puurt en dartle nachtegalen In zwijmen van vermaak; maar de omgelegen dalen Erkenden 't aan dit merk noch aan de onzichtbre wacht Van Hemelingen die 't omzwierden dag en nacht. De stam van Kaïn hief, in weinige geslachten Zich boven 't zaad van Seth. Door meerderheid van krachten, Door yver, altijd schrap op voordeel, buit, of baat, Niet sluimrend in de rust, noch zorgloos tegen 't kwaad, En, door een' schrandren geest, by 't forsche lijf, gesteven, Scheen de eerstling na den val nog in zijn kroost te leven: Die zoon, dien Eva groette als nieuwgeboren' God, Die de aard verzoenen zou van 't doodlijk proefgebod! [2] Hoe blind in 't lot, helaas! Wat zaagt ge, ontroerde Moeder, In hem den moorder niet van zijn' godvruchten broeder, Gods lust en de uwe? Maar Gods goedheid spaarde uw hart Het aaklig voorgevoel der grievendste oudrensmart; Te vroeg nog trof zy u.--De wakkre Kaïnieten Bedekten de aard weldra, sints Abels bloedvergieten Hunn' stamheer, met den vloek geteekend van dien moord, Naar 't diepst van 't Oosten dreef en Pizons slinkerboord, Om aan der heuv'len voet, waar Ur en Ets zich voegen, In eenzaam zelfverwijt een ledig erf te ploegen. Dat erf werd eigendom, en dierbaar, zelfs door 't zweet Dat druppelde op zijn zand; maar dierbrer nog om 't leed Des zwervens, daar verpoosd; hoogst dierbaar, door de panden Van 't vruchtbaar huwlijksbed. Met opgeheven handen Riep Kaïn, toen zijn zoon, zijn Hanoch, hem gewierd, Den God des zegens toe: "Gy hebt gezegevierd! 'k Verhard mijn borst niet meer, ik zink in tranen neder, ô Almacht! ja 'k versmelt, mijn ziel werd week en teder, Ze is menschlijk. 'k Ben, ô God, 'k ben vader, 'k voel het bloed Van vader in dit hart, 't verandert my 't gemoed. Twist' kinderlooze met uw Almacht! Vloek' verwaten Zich-zelf' en U, en dwing' zijn boezem zich tot haten, Die in 't aanvallig kind zich-zelven niet herteelt, Geen hemel aanblikt in den aanblik van zijn beeld! Ik kan niet langer.... niet verstokt zijn, Uw genade Niet trotsen; neen, mijn God! Ik heb en kroost en gade; ô! Wijt hun 't misdrijf niet van vader en gemaal! Straf, straf me, ach! niet in die in wie ik ademhaal! Dit: dit-alleen is straf, dit, lijden voor een' Vader! 'k Aanbid U, God! genâ voor d' eersten plichtversmader! Mijn oudren zondigden; ik trapte in dollen zin My-zelven, U ter spijt, het hart, de ribben in, Ik doodde, in Abels dood, my 't leven van het leven. ô! Zegen thands mijn kroost, en 'k zal, u dankbaar, sneven." Hier zeeg hij spraakloos neêr, in tranen als versmoord. Men zegt, een Engel stortte, op 't uitgesproken woord, Een' hemeldaauwdrop op zijn voorhoofd, die het teeken Des bloedvleks, als een schim by d'ochtend, deed verbleeken, En 't uitgewischt had, had aan 't wraakgeschrei der aard De vloek zijns vaders zich, by 't misdrijf, niet gepaard. Hoe 't zij, hij rees verkwikt, en aâmde een ander leven, Aan Hanochs voedstergrond werd Hanochs naam gegeven. En 't uitgestrekte Nod, tot d'oever van den Frath, Werd één vereenigd Rijk met Hanochs bakermat. Sinds zette 't volkrijk land, tot aan den boord van 't Westen Langs elken landstroom uit, in honderden van vesten. Gelukkig, zoo hun ziel bij overvloed en macht Geen' God vergeten had, geen zede en deugd verkracht; Of zoo de dartelheid der ongebonden weelde In gruwlen maat behield, noch snood- uit snoodheên teelde! Het nageslacht van Seth, aan Abels spoor getrouw, Was veeteelt meer geneigd dan straffen akkerbouw, En plach, van erfgrond wars en vaste landverblijven, Door 't onbeheerschte veld zijn kudden om te drijven; Maar stond den Kaïniet, op zoetheid van 't bezit Verslingerd, en weldra op roofgenot verhit, Ten doel, wen deze, stout in 't aangeschoten wapen, Den herder dolend trof, onweerbaar als zijn schapen, En, als een wreede gier of havik, op zijn prooi Geschoten, nederwierp in 't midden van zijn kooi, En plonderde, of verdreef, of in zijn bloed deed baden, En de opgevangen roof, den schouder opgeladen, Zich eigende, als het recht der strijdkolf in zijn vuist; Of wen hy, met een' troep van roovren, onbesuist, In plaats van in 't gebergt den woudos af te jagen, De velden afliep, kudde en manschap voor zijn slagen Als slachtvee henendreef en omdeelde als zijn buit, Wie drukt de onmenschlijkheid der dolle hebzucht uit, Of schildert d' overmoed, als ze eenmaal, losgebroken, De teugels afschudt? als in 't bruischend hart aan 't koken, De drift zich uitzet en het zuizlend brein besmet! Dan gaat ze in stroomen bloeds, in bloed en brein, te wed, En holt zich-zelven blind, en stoot op post en wanden Het hoofd te barsten, om den Hemel aan te randen, Tot eens de Godswraak, door die gruwlen afgemat, Den bliksem aangrijpt en het schuldig brein verspat! Zoo heb ik Nederland, sints overmaat van weelde Brooddronken moedwil en verdwaasden waanzin teelde, En bandloosheid den klem der wetten had verkracht, Zien opstaan in geweld, en moord, en broederslacht. Zoo zag ik 't van zich-zelv', van plicht, en eer verbasteren, Den God die 't steeds behield, verzaken, honen, lasteren, Zijn dienst verschoppen en vertrapplen met den voet, En hen door wie 't bestond, mishandlen in hun bloed: Hem eindlijk, die 't, verplet, van 't wis verderf behoedde, Voor weldaân wrevel biên en opgezette woede; Tot de Almacht, afgetergd, het overgeve aan 't zwaard, En wegvage uit den rang der volken van deze aard. Zoo ging 't in Kaïns stam.--Om have en lijf te dekken, Sethiet, bestondt ge ook u met wal en rest te omtrekken, Of mengde uw afkomst met des broedermoorders tak, En koost hun veiligheid voor 't zwervend herderdak, Naamt in hun spelen deel, hunn' roof, hun dartelheden En, werdt gelijk aan hen in inborst, hart en zeden; Haalde op uw broedren buit, vergat u-zelv' en God, En huwde aan Kaïns zaad uw smeltend overschot. Het aardrijk walgde toen van 't menschenbloed te slorpen, En torschte 't zwaar gevaart' van steden, sterkten, dorpen, Met weêrzin: 't riep tot God.--Ook de Almacht hield altaar Noch offer meer. Men zag verdwaasde schaar by schaar Zich Goden zoeken in Gods dienaars, in de lichten Des hemels, en voor hen de rookende outers stichten, Die, afgevallen, God bestormden tot hun straf, En wien de ontzinde mensch zich roekloos overgaf. Doch hooger liep het kwaad. Een volksstam, breed van schouderen, En meer dan menschlijk sterk, onkundig van zijne ouderen, En als de distel, of de rups van 't dorrend blad, Verschenen, onbewust uit wie het oorsprong had, Stond op. De tederheid van vaderlijke zorgen, De moederlijke zucht was dit Geslacht verborgen; En, opgegroeid in 't woud, by berg- en boschgedrocht, Was menschlijkheid hun vreemd en menschelijke tocht: Verworpen bastaartkroost, met de intreê van het leven Uit schaamte of wederwil 't verderf ten prooi gegeven, Maar dat van wolf en beer, bewogen door 't gehuil, De speen gezoogd had met de welpen in hun kuil, Tot dat ze in rijper kracht, by wie zy deernis vonden, Vermoordden, en verwoed hun voedsters zelfs verslonden; En, vijand even zeer aan alles wat bestaat, Niet leefden dan van roof, en moord, en gruweldaad. Een volk, zoo gruwzaam, hief sints twee paar deinzende eeuwen, Den stuggen nek omhoog, onbandig fier als leeuwen. Des aardrijks bodem dreunt op 't bonzen van zijn' voet. 't Rukt eik en ceder om, en lescht met tijgrenbloed De dorst van 't brandend hart; en, van één drift aan 't zieden, Wil heerschen over de aard, wil al wat is, gebieden, Verdelgen naar zijn lust, vertrapplen, nederslaan: En wee, die voor hun bukt, maar meer, die durft weêrstaan! Dit schrikbaar Reuzenvolk, uit Kaïns zaad gesproten, Was over 's warelds vlak als veldkruid opgeschoten. 't Had lang in 't eenzaam Noord, aan 't steigren van 't gebergt', Den boschstier in zijn hol, de tijgers uitgetergd, De berggeit op de kruin des standmuurs nageklommen, En onder zich den storm in d' afgrond hooren grommen: Maar eindlijk tot één hoop, één legermacht vergaârd, Verspreidde 't schrik en dood door heel de zuchtende aard 't Naburig Arbal zag hun benden nederzakken Als stroomen, van 't gebergt' in onderscheiden takken Afvlietend, maar omlaag hereenigd tot één vloed, Die, door den wind gezweept, al buldrend zeewaart spoedt, En herder, hut, en hond, en lamm'renkooi, en wolven, Op 't hoofd stort, sloopt, en moordt en omkeert in zijn golven. Het bloeiend Nod bezweek voor de overmacht en vlood; 't Omwalde Hanoch zwichtte, en niets, dat weêrstand bood! Niets, dat het dol geweld in d' eersten schok betoomde! Toen gold het Hemaths dal, waar 't bloed by beken stroomde. De weerloosheid van Seth, de roof, op hem behaald, Stond Kaïns trotschheid duur, en werd te wel betaald. Nu was de dolle Krijg ontketend.--Kaïns Neven, Eerst zenuwloos van schrik, en Westwaart heengedreven, Vergaderden ter wraak, en vormden zich een heir. Men strijdt; grijpt, strijdend, moed; en eischt zijn haardsteên weêr. Van toen was 't staag gevecht. Men sneed ahornen bogen, Gewiekte pijlen, die van 't drillend peeskoord vlogen, En de arm trof verder dan hij reikte, met een vlucht Van steenen, uit een snoer geslingerd door de lucht: Men wapende de knots met ijzren spits of axten: De list vervulde in 't kort de minderheid der zwaksten; En 't grove Reuzenrot met moed en kunst bestreên, Week naar den hooger grond, als in zijn schansen, heen. Die zege was behaald; het vaderland herwonnen! De grond herbouwde zich! Een reeks van vijftig zonnen Zag Kaïn bloeiender dan eertijds, als het dal Op nieuw weêrgalmde van vijandlijk moordgeschal. Vertalrijkt, rukt de Reus zijn bergkruin af naar onderen, Om 't oud en vruchtbaar Nod te teistren en te plonderen, Rooft vrouwen, kinders, vee, en moordt den Hanochiet, En vestigt zich van de Esch tot daar de Nilho vliet. Nu scheen een andre stand voor 't Wareldvlak geboren, De zetel van het Rijk van Kaïn was verloren: Een deel der landstreek lag in ijzren slaverny; Het oovrig, leeg gevlucht, ten doel der roovery; En Hemath stond omringd, van 't heuvlig land der beken, Tot daar m' in 't neevlig West de dagtoorts zag verbleeken. Thands stond het Reuzenvolk naar 's aardrijks Oppermacht, Als afkomst van een grootsch, een hemelsch Voorgeslacht; 't Was thands dat volk niet meer, dat onbesuisde tanden In wolvenspieren sloeg en runderingewanden, Het zwangere ooi verzwolg met 't onvoldragen lam, Of eikels zamelde op den omgeworpen' stam. Het kende 't voedzaam graan, de vrucht van 't land beteelen, Met Kaïns weelde, en lust, en feestvermaak, en spelen, En wat de schrandre kunst, in dartlen bloeistand, schiep, Of tot verderf van 't hart in samenzweering riep. 't Verslingerde op 't genot dier zoetheên van het leven, Maar machtloos om zich-zelv' dat streelend lot te geven: 't Bood vrede; of eer, 't gebood, op naam van vreêverdrag, Geschenken, cijnsbaarheid, en Opperstaatsgezag. Wat, Dichtkunst, was die eisch? Vermeld hem op mijn smeeken. Gy weet het. U geheugt, wat 's menschen geest ontweken, In golven wegdreef, die geen oog vervolgen mag, Geen kracht te rug brengt met den weggevloten' dag. Men eischte 't meerderdeel van vee en akkergaven, Ten jaarlijksch schattingrecht, en duizenden van slaven, En maagden, hemelschoon, met trippelenden voet, En wulpsch van zangstem, ter ontsteking van het bloed, Op luitspel afgerecht, en dartle schouwgebaren; En bergen smijdig goud, gezuiverd uit zijne aâren; Robijn uit Pizons kil; en hellen diamant; En d' eêlsten roofschat van het parelvoedend strand. Zoo klonk de wreede wet, der Wareld voorgeschreven! Geen andre keus dan dit: te buigen of te sneven! Tien stammen hadden reeds, onmachtig af te slaan, Den nood gehuldigd, en hun vordring toegestaan. Eén deel, besluitloos, rekte in radeloos beraden De dagen, onbeslist, terwijl zy uitkomst baden Aan Goden, doof voor hun. Argostan stond alleen Onschokbaar, bracht een heir van strijders op de been, En ging dien vijand op zijn' eigen grond bestoken. Van Hiddekel en Frath naar Hemath opgebroken, Zwoer al wat moed bezat en op zijn krachten fier, Het juk versmaden dorst, Argostans krijgsbanier. Het gloeide in dezen hoop van ijvergloed, van woede, Van wraakzucht die in 't hart op stoute ontwerpen broedde; En, zucht voor 't vaderland, voor Huwlijkskoets en kroost, Maakt al wat wapen droeg den wissen dood getroost. Verblindend Bygeloof, voor afgoôn neêrgebogen, Dat monster, helsch van stam en bastaartvrucht van Logen, Uit zinlooze Angst geteeld, stak middlerwijl den kop In 't trekkend leger, met verschrikte blikken op. Heur fluisterende stem, die muren door kan boren, Die elken weêrgalm vangt en harder weêr doet hooren, Verhief zich: mommelde eerst als zuizend bij'gebrom, Maar zong weldra 't geluid der oorlogstrompen stom. Zy eischte een plechtig feest ter eer der Hemellichten, Als waarborg in 't gevaar. Flux gaat men de outers richten, En stapelt zoden, of omhangt die met gebloemt' En kruideryen, naar der starren naam genoemd, En slacht by honderden, in 't ruischen der schalmeien, De varren, 't juk nog vreemd, de vaars der klaverweien, Het argelooze lam, van d' uier afgerukt, En 't borstlig ondier, met den snuit in 't slijk gebukt; Den dartlen geitenbok; en 't hoofd der runderstallen, Den stier, na jaren dienst, voor 't kouter neêrgevallen: Ontweidt ze, en wroet om strijd in 't lillende ingewand, En smijt ze, druipende, in den sissende-outerbrand. Men plengt er olie by, en melk, en kroont het offer Met specery van Chus uit gouden wierookoffer, Of lauwerbezie, en welriekend styraxblad, En heft de handen op, van 't sprenklend bloed bespat. Nu prevelt men gebeên terwijl de vlammen steigeren, Roept vloek en neêrlaag uit op vijand en bedreigeren, En smeekt het Englendom, dat ieder Licht beheert, Bevestiging des eeds, dien Hemaths krijgshoop zweert.-- "Gy, Geesten (roept men), die uit de ongenaakbre sfeeren Op stervelingen ziet wier invloên ons beheeren; Wier glans ons toelicht! Gy, het zij ge in ruimer baan Om 't wentlen van onze aard een trager kring moogt slaan, Of nader aan de bron des vuurs, met meer bezieling Van gloed, in sneller vaart herombruischt, in uw wieling! En Gy vooral, die, met uw zilvren aangezicht, Uw hoornen afkeert van uws broeders schitterlicht, De tijden regelt, en de ontembre waterplassen Waarheen gy de oogen wendt, heur boorden uit doet wassen: Nachtfakkel, wie 't geheim der diepste duisternis, Ja, 't hart des afgronds tot zijn binnenst, zichtbaar is: Wier koude stralen de aard het gift der akonieten, Bezwangerd van de dood, in nachtschade uit doen schieten, En 't worgend Geestendom met aaklig nachtgerucht Op vleêrmuisvlederen doen reien door de lucht!-- En Gy, wiens bloedig licht, met blaauwen damp omtogen, Den bliksem van het zwaard doet schittren in onze oogen; Verdelger!--En ook Gy, der starren middelpunt, Die elk rondom uw' throon zijn eigen loopperk gunt, Als wachters, nimmer moê op uwen wenk te zwieren, ô Goddelijke Zon!--Aanschouwt onze offervieren! Wy slachten u den keur van kudde, en kooi, en stal. De vlam stijg' t' uwaart op! 't vereerend feestgeschal Boor' door de wolken heen! de walm der wierookgeuren Doorwaassem' en doorvloei' de onoverstijgbre scheuren Des afstands, die ons van uw zetels scheidt! Verhoort! Wy aâmen rust by wraak; de vijand, bloed en moord. U wijden we onzen arm, wanneer wy monsters slachten, Die zelfs uw Godheên in haar hemelloop verachten.-- Verzwaart de slagen van ons wapen! Trekt ons voor, Gelijk ge, ô Morgenstar, op 't effen hemelspoor Den blonden Dageraad, of 't heir der vaste starren Ter heirbaan voorstapt om den slagboom los te sparren: En velt aan onze spits die Reuzen, wier geweld, Uw grootheid zelfs te trotsch, aan alle boord ontzwelt!"-- Nu slingert men door een, en schaart, en scheidt zich weder, Met staatlijk Kerkgebaar. Men werpt zich beurtlings neder, En rijst, en zingt op nieuw: Geduchte Hemelgoôn, Redt Kaïn en 't Heelal des aardrijks!--op een' toon Van weemoed, of triomf, vertrouwen, hooploos smeeken; Naar de outersmook zich heft, der Goden gunst ten teeken, Of neêrduikt, in zich-zelv' gewenteld; of zijn bocht Wordt afgedreven door der winden ademtocht. Een rei van Maagden volgt, in linnen statiekleeden, En zwiert door de outers heen met afgepaste treden, Of huppelt, in een' kring, met zon- en maanlicht om, En schudt de sisterroede of doffen rinkelbom, En slaat, terwijl in 't rond de krijgers DOODSLAG galmen, De uit angst gezonken borst met blanke handenpalmen. De Veldheer ziet het aan, en jammert in 't gemoed Om 't kwisten van een' dag, door 't morgen nooit vergoed. Zijn ongeduld ontvlamt; hy steunt op heldenkrachten, Geen hulp, geen' onderstand van ongeziene machten. Zijn spijt verkropt zich; maar het zwellen van 't gelaat Verkondt een hartsgeheim dat zich te wel verraadt. Het offer is verricht.--Gy ook, Sethietsche schoonen, Omgingt het in den rei, met bruine myrthenkronen Gehuld? Gy ook, ô gy, tot beter dienst bestemd! Uw zuivrer hand heeft meê den bedetak [3] geklemd, Met bloed besprenkeld, God ten gruwelhoon vergoten! Waar gaat gy thands?--Gy volgt uw feest--, uw speelgenooten, Daar, waar de disch u toeft met dartle tafelvreugd En kozeryen van een bandelooze jeugd. Genoegens, waardig dat Afgodisch offerplegen! Uw deel is met haar: gaat! wellustig aangelegen! Haast zal de onkuische dans.... Uw oog reeds vangt haar aan, En 't hart in 't hupplend oog verbiedt mij voort te gaan. Ach, Seth werd Kaïn in zijne afkomst: uw vriendinnen Gewenden u voorlang aan haar ontuchtig minnen, En, zwoert ge uw' God niet af, voor 't minst, gy sloot Hem 't hart, En blindling stort ge 't hoofd in 't net dat u verwart. Maar wie ontbreekt hier by uw avondfeestvermaken?-- Elpine--Elpine-alleen, onvatbaar vreugd te smaken. Elpine, uit Kaïns stam, maar opgevoed by Seth En met geen godendienst, geen wulpsche lust besmet. Zy, schoonste uit heel uw' kring; zy, wees; uit 's vijands banden Verlost, wanneer hy week uit de ingenomen landen; En, door Methuzalah tot tucht en deugd gekneed. Haar lust was 't eenzaam woud. Maar 't algemeene leed Deed thands haar kaken niet van tranen overstroomen. Zy klaagt, dit oogenblik, aan 't lommer van de boomen Den naam van oudren niet, haar veel te vroeg ontscheurd, En daaglijks, maar haar hart nog nooit genoeg betreurd. Helaas! de onnoozle zucht om andren kommer, wreeder Dan kinderlijke smart om oudren dood, hoe teder! Zy zucht om de onschuld van haar kindschheid: om 't gemis Van 't geen haar dierbaarst bleef, maar onherroeplijk is: Zucht, om 't noodlottig vuur, 't betoovrend van een weelde, Die eerst in zoeten droom 't onwillig harte streelde, Daar na, door wonderkracht, der menschheid veel te hoog, Haar overstelpte en dwong, en aan zich-zelve onttoog. Zy zucht om 't geen ze in 't hart, en onder 't hart, voelt woelen; Om, die dat hart de vlam der liefde deed gevoelen, En nergens vindbaar is. Met doodschrik ziet zy uit Naar 't vreeselijk uur dat haar den gordelriem ontsluit, En moeder maken moet, om met een kroost te sneven, Aan wie geen vader ooit den vaderkus zal geven, En dat ze aan 't daglicht moet verbergen met zich-zelv'. Zy heft de handen naar 't vergraauwend blaauw gewelf, Waar reeds de morgenkim 't gestarnt' schijnt op te jagen, En gilt haar wanhoop uit, en heeft geen' moed tot klagen! Nu zinkt ze in felle smart verbleekende op de kniên, En wringt de handen, en vertwijfelt, waar te vliên: Dan verft een nieuwe storm van woede haar de kaken, Vliegt op, en wil een eind aan 't foltrend leven maken Of rent, als razende en met zweepen aangespoord, Onwetend werwaart heen, in éénen adem voort, Kwetst d' al te teedren voet aan struiken en struweelen, En houdt op eenmaal stand, als siddrend voor het kwelen Des nachtegaals in 't woud, of 't knappend uilgesteen, Dat uit een' hollen tronk haar toeroept in 't geween. Zoo ijlt ze en streeft in 't wild door duizend slingerpaden, En wenscht de dood, en schrikt op 't ritslen van de bladen: Tot ze op een' heuvelgrond, door heldere Ur omstroomd, Zich raadloos nederwerpt in 't hangen van 't geboomt'. Hier, spraakloos, rolt een traan uit de opgezwollen oogen Heur' matten boezem langs. Het boomloof wordt bewogen, Een adem, als een wind, met leliegeur bevracht, Omfladdert ze en hergeeft haar de uitgeputte kracht. Een zachte en teedre stem, gevoeliger voor 't harte Dan merkbaar voor het oor, sprak: "Smoor uw boezemsmarte, Wees kalm, Elpine: uw lot verandert. Wees gedwee, Ik waak, ik zweve om u: ik, oorzaak van uw wee." Ze ontzet. "Gerechte God!" dus roept ze, en kan weêr snikken, Weêr woorden uiten, en weêr tranen die verkwikken. "Wat hoorde ik? welk een stem! bedriegt mijn hart zich, of Ontwaarde ik inderdaad de troosttaal die my trof? Wat Geest, wat Engel huist of waart in deze bladeren, En stort de onheilige dien hemeldaauw door de aderen? Is dan 't onstoflijke ook gevoelig voor ons lot! Vindt menschenbroosheid nog, verpletterd, heul by God! Of, Hemel, zou ook hier een Paradijsslang wemelen, En logen sissen op den waarheidtoon der hemelen, Door 't schom'lend groen bedekt, verhuld in duisternis? Aartsgoedheid, red me, ô red, zoo redding mooglijk is! Is aan 't gevallen kroost, in nieuwen val verloren, Is d' afval van het hart verdelging toegezworen, Verplet me! of stort my in dien afgrond, dien mijn voet, Met overwelvend zand omtogen, overspoedt Zoo lang hy de aard betreedt. Ik kus uwe ongenade! Maar wreek ook de onschuld van de uit slijk gekropen made! Een nieuwe Satan.... Ach, wat zegge ik! Neen, ô neen, Ik smeek geen wraak, ô God! ik smeekbarmhartigheên. Vergeef, vergeef hem, kan uw Heiligheid vergeven, Wat liefde en zwakheid (maar geen wrevelzucht) misdreven! ô Breng hem weder voor mijne oogen! Toon my hem! Wien ik, mijns ondanks, nog in 't bevend hart omklem! Naar wien ik in den slaap nog de armen uitstrek, gloeiend Van schaamte, en van een vlam....! Ja, door mijne aadren loeiend En klaatrend overheert ze en volgt my waar ik 't pand Van zijne omhelzing draag, met onuitdoofbren brand. Mijn God! 'k ontsluit u heel mijn' boezem--zie my lijden, My-zelf, mijn eigen ziel, mijn zelfgevoel bestrijden. Geef, geef verademing, geef uitkomst! 'k kan niet meer." Dus zegt ze, en zijgt op nieuw in matte ontroering neêr. TWEEDE ZANG. 't Was nacht. De heldre maan bescheen de breede vlakte Waar langs de kronklende Ur al kabblend nederzakte, En strooide 't rimplend nat met zilvren loverglans, Het koeltjen ging door 't woud op 't huppelend groen ten dans, Of joeg met luchte vlerk de golfjens voor zich henen, En kuste Elpines wang en boezem onder 't weenen. Vergeefs! Die boezem voelt der wroeging felsten prang, En 't traantjen droogt niet op langs de uitgebleekte wang. Daar zat zy, troosteloos, in diepen rouw verzonken, En scheen een zielloos beeld, uit marmersteen geklonken. De dagtoorts zonk ter kim, door de avond afgelost, En 't heldre nachtgestarnt' betrok zijn hemelpost; Haar oog bemerkte 't niet, en troostloos neêrgeslagen, Had de engbenepen keel geen' adem meer tot klagen, Het hart geen krachten meer tot doorstaan van zijn wee, En 't was haar, of de ziel haar matte borst ontgleê. Een oogenblik vervloog. Zy vond zich weer in de armen Des Jonglings, voor wiens drift geen deugd haar kon beschermen. Hy wien haar hart aanbad, en 't aan zich-zelf beleed, Terwijl het hem 't verwijt van al haar jammer deed. Zy voelt het drukken van die armen, voelt het kloppen Van d' eigen' boezem aan haar hart, en vangt de droppen Van 't rozenriekend hair dat om zijn' schedel speelt, En hemelbalsems daauwt, in hooger lucht geteeld. Maar 't schemert voor haar oog, met nevels overtogen. Een druk der lippen sterkt de halfgeopende oogen, En ach! zy ziet, ze erkent den zelfden hemeling, Die eenmaal aan heur borst in dartle omarming hing, Van wien zy 't liefdepand zich onder 't hart voelt leven! Ze erkent hem, en gelooft van enkle vreugd te sneven. De Jongling spreekt haar toe, terwijl een morgenlicht Hem afstraalde uit den blos van 't vlekloos aangezicht. "Elpine, ô teergeliefde! ô bloem, het zalig Eden, (Der vaadren erfgrond) waard, ja waardig aangebeden! Heradem! zie mij weêr, die voor uw schoonheid kniel, En d' Englenrei ontzeg, waar uit ik nederviel, Om u, om u-alleen mijn' boezem op te dragen. Herken hem, die in d' arm, om uwe heup geslagen, Het hoogste heil omvat dat aard en hemel heeft, En zelfs de onsterflijkheid voor uwe liefde geeft! Maar neen! Hy geeft haar niet, dan om haar weêr te winnen, En eeuwig in uw' arm te leven en te minnen." Dus sprak hy en de roos van 't uitgebleekt gelaat Heropende om haar kaak een' nieuwen dageraad. Een parel blonk in 't oog, en rolde langs de wangen, En, stollend op den mond, bleef aan heur lippen hangen. Haar oog ontvonkte, en schoot door 't wolkjen van de smart Het waatrig licht der hoop die weer ontglimt in 't hart. Dan, spraakloos bleef haar tong; haar boezem stikte in 't wellen Van zuchten, zonder tal, die naar den gorgel zwellen, Wier worstling onderling den doorgang zich verbiedt. Zy drukt des Jonglings hand, en meer vermag zy niet. "Elpine (vangt hy aan)! ontfang my als uw' Gade! Vergoed my, 't staat aan u, des Hemels ongenade. Mijn noodlot is beslist. Ik deel met uw geslacht De ballingschap der aard, vrijwillig, zonder klacht. Of--gy, gy zult met my den heilstand uwer vaderen Hernemen. Hemellucht zal stroomen door uwe aderen, En, door mijn' arm hersteld in 't leven zonder dood, Zal Godlijk Englenkroost ontspruiten uit uw' schoot. Doch hoor my! 'k zal u meer, en wonderen, verhalen. "Elpine! 't Is één stam, waar uit wy beide dalen. Ja, de eerste stervling gaf ons 't aanzijn uit zijn bloed: Maar my, in Edens hof, van fijner geest doorvoed Dier Heemlen, welker lucht dien blijden Hof doorwemelt; En hun, wier spruit gy zijt, reeds balling en onthemeld. Gy weet: dat eerste paar, der Englen zorg en vreugd, Leefde opgehoopt met heil, in onvergangbre jeugd, Onvatbaar voor 't besef der eensbezuurbre kommer: En sleet zijn eeuwigheid in Edens zuivre lommer, In volle zaligheid en onbeperkt genot. De hooger Geesten zelfs benijdden 't heerlijk lot. Het viel, het overtrad en werd naar de aard verdreven, Om aan d' ondankbren grond zijn drupplend zweet te geven. Het vlammend zwaard der wraak, en meer, 't besef der schuld, Sloot allen rugkeer af, en 't vonnis werd vervuld, Dat, van dat uur af aan: zijn ongeboren loten Uit Godenheerlijkheid in jammer neêr moest stoten. ô Kroost, rampzalig kroost, dat voor uwe Oudren boet! ô Oudren, die dat kroost uw' wangreep nooit vergoedt! "'t Gedoemde paar vlood heen, van wanhoop ingenomen. Nog had de troost geen plaats van nokkend tranenstroomen; Nog wist de zucht geen' weg te vinden naar om hoog. 't Vlood siddrend, hand in hand, met zwartbeneveld oog, Vergat zich-zelf en 't kroost dat in hun bruiloftsweelde Een nog onwraakbre min in Godenreinheid teelde, En wachtte, elkaâr aan 't hart, in één', één' zelfden nood, 't Nog onbegrijpbre leed der hun bedreigde dood. "Wy, vruchten van hun koets, wy, spruiten uit hun lenden, Wat zagen we op die stond, daar zy zich dalwaart wendden! Onzalig Oudrenpaar, hoe bleef uw kroost verstomd! Nog hoor ik 't bliksemvuur dat door de wolken gromt, Waar nooit dan Englenzang den weêrklank had doen hooren Der Hemelmelody van de onbevlekte Choren. t Was of ons Paradijs, al schuddende op zijn' grond, Verbrijzelde op de puin van 't lager wareldrond. 't Was vuur, verterend vuur, met buldren, kraken, donderen, Met rook en zwavelvlam, dat Eden af moest zonderen; 't Was stikdamp, dien de hel van ondren opjoeg, om Ten muur te strekken van der zaalgen heiligdom. 't Ontzag, de vrees, de schrik, hield tong en oog gebonden. Wy strekten de armen uit, of wy ze omhelzen konden. Ons harte vloog hen na.--Vergeefs! een zwarte nacht Verzwolg het dierbaar paar dat ons had voortgebracht. Hoe schetse ik u den staat van ons, ontzette telgen! Gods Almacht daalde omlaag met alverwoestend belgen Wij sidderden, van liefde en deernis aangedaan, Maar offren ons gevoel, en bidden zwijgend aan. Ja, heel de schepping zweeg, en cederstam en heester Hing loverkruin en tak om 't jammer van zijn' meester; Het Paradijsooft bleekte, en 't vooglenzangchoor zweeg, Dat dwars door 't bladgewelf ten hoogsten hemel steeg. "Ik maal u 't ijslijk niet van Adams aardrijkploegen; Zijn leven niet, verteerd in 't rustontbeerend zwoegen; Nog 't scheuren van den schoot dier Moeder, die haar leed Met dubblen weêrzin torschte om 't geen zy zich verweet. Gy kent hun echt, en wee-, en rouw-, en moordgeschichten, Hun uitzicht en hun troost in wrange levensplichten. Hun jamm'ren, met één woord; en waarom die herhaald! ô Oogenblik van lust, wat werdt gy duur betaald! "Maar, dierbre Elpine, ik heb nog andre ramp te melden. 't Waar weinig, zoo de ploeg moest snijden door de velden, En 't voedsel door de spa' gedolven uit het zand, De prijs des arbeids was van de onvermoeide hand. 't Waar weinig, van een' grond, met bloetzweet overdropen, Den mondvol smaakloos brood voor pijn en angst te koopen: Maar 't lichaam zelf ontaardde, uit groven klei gevoed, Verdierlijkt, en hersteld uit rund- en lamm'renbloed. 't Verloor den hemelgeest, die 't eenmaal door mocht stralen, 't Oorspronklijk weefsel zelfs, in 's aardrijks woeste dalen, Die veêrkracht, die 't verhief en uitbreidde in de lucht, En 't nam die logheid aan, waar onder 't velddier zucht. Wy mogen, met een lijf, uit fijner stof geweven, Op d' adem onzer borst door lucht en ruimte zweven, En zwieren naar 't ons lust, verheven op den stroom Des Ethers, heemlen door, tot 's warelds buitenzoom En waar 't oneindig Niet de nooit beklimbre bogen Van 't levenvol Heelal met nevels houdt omtogen. Wy spannen 't lichaam uit, en schenken lucht en licht Een' doorgang, die 't verbergt voor aangreep en gezicht: Of doen het, meer verdikt door stoflijk samentrekken, En, weer biên aan 't gevoel, en, 't oog ten voorwerp strekken, Gelijk ik thands aan U my aanbiê, schoone Maagd. "Zoo zag, zoo minde ik u, daar gy te rusten laagt, Voor u onzichtbaar, tot, van heete drift aan 't blaken, Mijn ziel zich uitstortte op uw boezem, op uw kaken, In kussen, daar uw hart onwillig deel in nam. Maar ach! wat schetse ik u den oorsprong van mijn vlam! Hoor eerst de strenge wet des Hemels.--Afgesneden Van 't Godlijk menschenkroost, bewoners van zijn Eden, Bleef Adam nog de schuts der Englen toegezegd, En, by die Englen, ook der spruiten van zijne echt. Wy zweefden om zijn koets, die van de lamm'renvachten Gespreid was, die zijn hand op 't veldaltaar moest slachten Als 't eerste zuiglam blaatte aan moederlijke speen, En smolten onze beê met zijn gebed in één. Wy waakten by zijn' slaap, en telden, by 't ontwaken, De zuchten, die zijn borst aan Evaas borst mocht slaken. En samenklotsen met de snikken van haar hart. Wy hoorden 't noodgeroep by Evaas barenssmart, En hielden, onbemerkt, haar kniën onder 't kermen, Of steunden 't wringend lijf, en vingen 't kroost in de armen, Dat eens de onzalige aard die 't in zijn kommer voedt, In weêrvergelding, met zijn lijken spijzen moet. 't Gejammer bij den dood diens Abels, dien Gods liefde Ter dood voerde, als hem 't staal zijns woesten broeders griefde, Klonk ons in de ooren en doorsneed ons 't ingewand: Maar 't was ons niet vergund, de kinderlijke hand Den vader of zijn kroost ooit zichtbaar toe te strekken. Hy stierf. Ik zag het zand zijn zielloos rif bedekken. 'k Zag zes geslachten na hem opstaan, en vergaan. Maar de aard nam middlerwijl een ander aanschijn aan: De velden tooiden zich, dank 's stervlings rustloos wroeten: De dalwind scheen allengs zijn' adem te verzoeten; De zon, met minder gloed te drukken op het hoofd, Terwijl zij eetbaar kruid en volle halmen stooft. De lucht, van bloem en plant met nieuwe geur doortogen, Werd zachter; en 't gedierte, in 't menschelijk juk gebogen, Verloor zijn' schuwen aart, werd minzaam en gedwee, En gaf, in 's menschen dienst, verlichting aan zijn wee: 't Gevogelt'-zelf, gelokt door de uitgeworpen koornen Des akkers, zocht zijn hut, en hupte door de doornen; Gaf voor zijn slaapsteê dons, en zong zijn zorg van 't hart; Of zalfde door 't muzyk de reeds verdraagbre smart. Ja 't scheen, of Adams val door heuvels en valleien Het Eden, hem bestemd, op 't aardrijk uit moest breien. "Doch, Adam was geweest; zijn weêrhelft daalde in 't graf, En brak den band der aard met Edens burgren af. Ons, meer verheven tak der zwakker menschlijke orden, Was 't broederlijk geslacht allengskens vreemd geworden. De stervling werd steeds meer vertrouwlijk met zijn lot, En wischte 't denkbeeld uit van Englendom en God. Wij vonden 't grover hart van onze stamgenooten Voor d' invloed onzer zorg vereeld en toegesloten: Wy gaven 't de Almacht op, en, aan Heur eer verknocht, Niet een, die Adams kroost op 't aardrijk meer bezocht. "Nu rezen moord, geweld, en bloeddorst!--'s Afgronds Koning Sloeg de ijzren valdeur op der Helsche gruwelwoning, En aâmde een' pestdamp uit die alles overtoog! Ja, de aarde werd een poel, afzichtlijk in ons oog. Men zag 't verdwaasd geslacht, zijn' Schepper afgevallen Dat Goden zocht om laag, gehuisd in aarden wallen: Hun kniên gebogen voor 't gewelfde firmament; En, die hun 't aanzijn gaf, in blinde drift, ontkend. "Een enkle tak hield stand in de algemeene boosheid. God zag 't, en stelde een perk aan 't woên dier zinneloosheid. Zijn Engel daalde en riep! en 't waardig kroost van Seth Bekeerde, of hield zijn ziel dier gruwlen onbesmet, En zocht zijn' Schepper weêr, geloovend, brandend, hopend. Nu scheen ons de aaklige aard weêr dierbaar en geopend: Nu dwaalden we op een nieuw zijn ruime vlakte door; En 't menschdom kwam in eens ons weêr beminlijk voor. "'t Was, ja, de tijd niet meer, dat Adam, forsch van spieren, Den nek bedwingen kon der ongetemde stieren, Den leeuw zijn kaken brak, den groven elefant Voor 't dreigen siddren deed van de op geheven hand: Dat Eva, als vorstin, den tijger aan haar voeten Zag knielen, 't pantherdier haar siddrend kwam begroeten; Dat de arend uit de lucht zich neêrvleide aan heur schoot: En de aanblik van haar oog, wat adem had, gebood. Doch 's menschen heerschappy, in enger kring omschreven, Leed door verzwakking niets, maar werd door geest gesteven, En 't schouwspel van zijn rijk was Englen toezicht waard: Ja, 't scheen dat God in hem zich zetelde over de aard. "Beklaaglijk was 't gezicht, ja, Goden-zelv' beweenbaar, Dier schoonheid, die 't volmaakte, aan 't stertlijke onvereenbaar, Aan dier- en plantaard huwde, en Godlijk samensmolt, Als watervloeibaarheid tot diamant gestold. ô Eva, kunstgewrocht der Godheid, voor wier oogen Gods Englen, als voor God, vernietigd nederbogen, En sluiers zochten om dien gloed te wederstaan Die uitstroomde uit uw schoon! hoe greep u 't jammer aan! Geen roos verwelkt zoo snel, gebroken van haar stengel Hier schreide en Cherubijn en afgevallen Engel! Ja, Satan-zelf werd week, en voelde om u, berouw. Der schepping heerlijkheid, wat is zy, dan de vrouw? Ach, bloemen van den grond! ach paauw- en fenixvederen! Wat zoude uw vroeg verval de vaste ziel vertederen! Wat zijt gy, siersels, maar geen deel-zelf, waar het hart Aan wortelt! Eva, ja, gy wierdt der Englen smart! Hoe zagen we uw albast verrimplen en verschroeien! Hoe 't morgenrood der kaak, zoo schittrend eens in 't gloeien Verduisterd, weggewischt! het oog van glans beroofd, En 't stralend zonnegoud verzilverd op uw hoofd! Hoe 's levens welbron aan uw' boezem, uit wier togen Wy eens de Onsterflijkheid en Englenfierheid zogen, Verdroogd, verflenst! Ai my, wat wierd die volle borst? Een stroobosch, door den staf des jammers uitgedorscht! Een nevel overtoog, een wreede worm verknaagde Het Godlijkst in 't Heelal, waarop ooit zonlicht daagde. Ja, Evaas ouderdom was aller Englen straf, En trok ons oog en hart van aard en menschdom af! "Dan, zachter, teêrder lucht met balsemende geuren Doortrokken, sints 't gebloemt' den schedel op mocht beuren, Bedekking van het kleed, van 't hagelkeerend dak, Voor Zomers roostend vuur en winter ongemak, Een stiller levenswijs, aan haard en huis gebonden, Genoegens, die het hart in 't lijden, sterken konden, Ja, 't slijten van dien rouw, die 's lichaams bloei verslindt, En, 't geen gewoonte aan 't leed, in 't leed behaaglijk vindt; Dit al, was vruchtbaar, en vereenigd in vermogen, Herriep de roos der wang, de morgenstar der oogen, 't Aanlokkend lipkoraal, 't yvoor van arm en hals, En 't donzend wolkensneeuw van 't golvend boezemmalsch. "Een deel van Edens teelt, gewoon zich te onderscheien Als 't Godlijk menschenkroost, zag Kaïns dochters reien, En 't sloot zijn boezem niet voor hare aantreklijkheên: Het Eden, 't Englendom, de Hemel, God, verdween! Elpine was nog niet; en echter, zy bezweken. Zij vielen op die prooi, als in dees lager streken De havik op de duif. Vergeefbrer lust voor 't minst, Dan blozende appels, of gevaarlijke overwinst Van kennis, ons te hoog, vervoerde ons. Ach, Elpine! Hy weet het, die ons kent, de vleklooze Ongeziene; 't Was alles weggesleept, betooverd, zich ontvoerd; En de Engel zweeg in 't hart, door 't maagdlijk schoon geroerd. Nu was hun Paradijs op 't aardrijk, en ze omvingen Wat de aarde hemelscht had, en teelden stervelingen! 't Ontzachlijk Reuzenvolk ontsproot uit deze min, En nam in luttel tijds den hooger berggrond in. Zy, mengling uit het zaad van tweederlei geslachten, In 't sterflijk lijf voorzien van meer dan stervlingskrachten, En blakende in het hart van dien ontembren moed, Die Englen, Goden toont, als d' oorsprong van hun bloed! "Elpine! melde ik u den overmoed der rooveren? Gy zaagt de helft der aard door hun geweld veroveren; Wat weêrstond, neêrgeveld, verdreven, of vergaan. Gy-zelf naamt in uw wieg hun wreede kluisters aan, Als woeste Ramanoth van Nob- en Gezerstroomen Zijn Leeuwenspitsers dreef naar Bethurs balsemboomen, En de Ur, met bloed gemengd, de lijken zeewaart joeg, Van daar 't verwoestend heir zijn' groenen zoom besloeg. Ja 't aardrijk is te kleen, om onder hen te deelen; Hun zucht is, meester zijn, en heerschen en bevelen, En ach! dit-zelf is niets voor de eens ontruste ziel. "Van toen de vrome Seth zijn schreiend kroost ontviel, Vergat ik de aarde, en zocht in 't altijd bloeiend Eden 't Genieten mijns bestaan in d' uitvloed der gebeden, En 't streelende onderhoud van 't hooger Geestendom. Doch eindlijk trof 't geruisch van Arbals reuzendrom Den Hemel, en ook ons in 't stoorloost onzer dreven.-- De ontzachtbre Michaël had d' arm reeds opgeheven; Reeds blonk de bliksem ter verplettring in de vuist Eens Engels, en heel de aard ware op die stond vergruisd, Had niet de Serafijn die vóór het Hemeldonderen Der vromen zuchten in zijn reukschaal gaârt van onderen, En de uitverkoornen op zijn vingren telt, den slag Verbeden, en God-zelv' bewogen tot verdrag. Wy hoorden in den Hof den voorknal van 't ontbranden; Den kreet der Geesten, die, met opgeheven handen, Ontzett'en van den schrik, reeds daavrend door 't Heelal, En afgebroken door hun dankend juichgeschal. Wij deelden in dien dank; ons hart versmolt en weende: 't Gevoelde, welk een band, en ons en de aard vereende, En nooit beproefde ik zoo de teêrheid van dien band. Een dorst, haar weêr te zien, beving my 't ingewand. Wat zag ik--? Moedwil, moord, verdrukking, dartelheden. Hier, de onschuld, zwak van teelt, door overmacht vertreden: Daar wulpsche geilheid, die en ziel en lijf verslond; En arglist, met geweld en onrecht in 't verbond. Ginds gruwbaar ongeloof met bygeloof gesteven, En God verloochend om voor 't ijdel niets te beven; Of de inspraak van het hart versmoord door razerny Van driften; ja, de deugd gedoemd als huichlary. Ik ging!--Maar ach! Elpine, ik, voelde my gekluisterd Door wondre tooverkracht. Mijn oog was als verduisterd; Mijn hemelsch lichaam werd getrokken naar deze aard:-- 'k Had (Hemel!) 'k had Elpine, en menschlijk aangestaard. Haar oog, haar houding, ja de lucht-zelfs die ze omzweefde, Waar in zy adem voud, door wie haar boezem leefde, Was Godlijk in mijn oog, en bond my als den steen. Volschoone, ik minde, en ach! mijn laatste heilzon scheen! "Elpine, u heugt de dag, dat eenzaam, droef, aan 't dwalen, En zichtbaar voor uw oog, mijn oor de nachtegalen Beluisterde in dit woud. Het maanlicht scheen, als thands, In statelijke pracht aan de onbewolkte trans, Maar half bezwemen naar het Oosten. 'k Zag u weder. Gy knielde op 't graauwe mosch, en zeegt in weemoed neder, En stortte tranen, die geen Engel ooit moest zien Of, meer dan Engel zijn, ja meer dan God misschien! Ik nader, en--ô God, Gij zaagt het, ben ik schuldig, Wanneer ik in uw werk uw blijkbre Godheid huldig; Aanbidde, en neêrstort, en in de onmacht van mijn' gloed Mij-zelv' en u vergeet, en aardsche lusten voed'? Elpine! 't was geen kus, in sluimring opgedrongen! 't Was, van uw maagdlijk hart de grendels afgewrongen! 't Was 't onbegrijplijk, dat geen Engel smaken mocht; En, voor den hemel zelfs niet duur genoeg gekocht. Geliefde, sints dat uur, en wat dat uur u kostte, Wat leed ik, eer mijn hart zich 't wondre raadsel loste, Om eeuwig de uwe--ja, voor eeuwig u te zijn; U (sterflijke), in mijn' arm, en zonder einde, mijn!"-- "Ik de uwe, en eeuwig! Gy, ô Engel uit den hoogen, My sterflijke....? ach, laat af! (Dus roept zij, teêr bewogen.) Neen, tot dien oogwenk slechts zij 't leven my verlengd, Dat dees mijn zwangre schoot den moederplicht gehengt. ô Drukk' de onnoozle vrucht, my spartlend tegen 't harte, Mijn borst, mijn lippen eens, en sterve ik dan van smarte! En gy, verlaat my; gy, ô voorwerp al te waard! Laat me over, 't is mijn lot, aan de op my wachtende aard. Haar moet ik met mijn bloed, als met mijn tranen baden. 'k Behoor haar: 'k ben, als zy, met 's Hemels vloek beladen. Die drukt my. Vlied me, ô vlied, of, neem my 't levenslicht Dit uur zelfs, en met een' aan 't ongeboren wicht! Wat zoude 't door zijn lach my 't moederwee verzoeten, Om, nog, by Adams val, ook ons vergrijp te boeten? 'k Verwijt u niets, maar--vlied me, en laat my ademtocht; En dan, dan danke ik 't lot; het heeft mijn ramp volwrocht."-- Zoo spreekt ze, en scheurt zich los, en rukt met woeste vingeren De vlechten uit het hoofd, terwijl haar leden slingeren En schudden. Ach! zy vliedt, maar stort op d'eersten tred Den Jongling weêr in d' arm, als van een schrik verplet. "Onnoozle (roept zy uit), ik ging u dan verlaten! Ik wilde u--minn'lijkste, ach! vermocht ik u te haten! U, die my liefde zwoert, my weêrvindt in mijn' rouw, En zelfs uw Eden liet, voor my onzaalge vrouw! Neen, spreek, ik hoor u. Spreek! Hoe God en vloek verbeden? Hoe, my, aan 't graf verwant, vereenigd met dat Eden? ô Zoo mijn bloed ... de dood ... Ja, 'k wensch haar te ondergaan, Indien ik aan uw zijde eens juichend op mocht staan! Ach, had des Hoogsten gunst u daar toe uitgelezen, Om Heiland van Elpine, en--haar Gemaal te wezen!"-- "Ja (zegt hy) 't is beslist, Elpine! 'k Zweet by Hem (En dees ontzachlijke eed geev' aan mijn opzet klem!) Bij Hem, wiens raadsbesluit, nooit wanklend of verwrikbaar, Ook Geesten siddren doet, aan heel de schepping schrikbaar. Ik zweere 't by uw schoon, by mijne onbluschbre vlam: ik voere u 't Eden in, dat Hij uw' oudren nam. Het kroost der Englen zal met dat der stervelingen Niet wriemlen over de aard met eeuwig handenwringen. Zij Adam om 't vergrijp eens oogenbliks gedoemd, Met wat zich naar den naam van doemling Adam noemt; Zij, wat zijne aardsche koets aan 's aardrijks vloek mocht geven, Tot banneling geteeld, en om als hy te sneven! Ons, afkomst van den Vorst, gesteld in Edens rijk, Van Adam, nog oprecht, zijn Schepper nog gelijk, Ons treft die vloekspraak niet van 't schendig overtreden; Ons kroost behield zijn recht op 't eeuwigbloeiend Eden, Dat graf noch jammer kent; (aanminnige!) en die schoot Die Englen telgen geeft, behoort niet aan de dood. "Gy siddert! hoor my uit. Die forsche Reuzenkrachten, Die armen, afgericht op dier- en menschenslachten, Die boezems, van een bloed als 't Englendom doorstraald, Maar minder week dan wy, en voor 't gevoel verstaald; In 't kort dat fier geslacht, dat alles kan bedwingen, Is voor deze aard te groot, te groot voor stervelingen. Het lot der dierbre vrucht, die my uw schoot belooft, Verbindt me aan hun belang. Ik stel my aan hun hoofd: Hun zal ik, en die Gâ, die 'k eeuwig zal beminnen, Het erfgoed van hunn' stam, het Paradijs herwinnen." Hy zweeg. De schoone beefde, en zag zijn aangezicht Betrokken, en de glans van 't hem omvloeiend licht Op 't heldre voorhoofd als een avondstond verbleeken. Zijn stem verloor allengs haar melody in 't spreken, En nam een schorheid aan, als in de keel beklemd. Zijn open oog vertrok, en wemelde onbestemd, In blikken, die, of 't waar, het daglicht níet verdroegen; En 't hart verried eene angst, die heel zijn borst deed zwoegen. 't Zij dat de Godswraak door die stoute taal verstoord, Hem aangreep op de stond, of 't uitgesproken woord Den boezem siddren deed die 't voortbracht, en vertsaagde, Of 't innig plichtgevoel aan 's levens ader knaagde; 't Zij dat de Godheid-zelv dien invloed wederhield Die 't hemelzalig mensch- en englendom bezielt; Iets schriklijks scheen in eens zich op 't gelaat te spreien. Elpine schokte, en wilde, en ach! zy kon niet schreien. Haar tong verstijfde. In 't eind "O (riep zy), mijn gemaal, Wat doet ge, en welk bestaan! Wat schrikbre bliksemstraal, Wat donder op dit hart! ô laat my, laat my sterven! God leeft, Hy, eindloos goed, ook hun die Eden derven! Hy weegt ons noodlot met zijn vaderlijke hand: Hem drage ik me op, en hoop, hoe streng Hy vierschaar spant. Hoe wilt gy 't droef vergrijp verdubblen van onze Ouderen? Hoe Satans eeuwgen vloek u laden op uw schouderen; En moet de Hemel hier een' tweeden opstand zien, Die de Almacht naar de kroon ... Wat zegge ik, die, misschien Geheel het menschdom, in dien gruwelbond begrepen, In 't eindeloos verderf onredbaar meê zal sleepen! Te rug, mijn innigste! Keer weder tot u zelv'! Ja, Lucifer bezweek aan 't Hemelsche gewelf; En gy, des menschen kroost, omstuwd van sterflijke armen, Bestrijdt Gods vonnis?--Neen, toon deernis, toon erbarmen, Toon liefde aan uwe Elpine, aan haar, die om u lijdt, Wie ge alles, wie ge meer dan zelfs Gods almacht zijt! Ja, 'k veins niet, heel mijn hart, mijn ziel, mijn gantsche wezen, Hangt thands aan u, aan u. Wat heeft dit hart te vreezen, Daar 't graf nog open staat en God ontferming biedt? Maar neem, ô neem mijn ziel die dierbre toevlucht niet. Neen, de Almacht heeft voor ons, in Adams doem verstoten, Voor 't kroost van onzen schoot, uw Eden toegesloten; Wij erfden vloek van hem, ellende, en ramp, en graf, Niets hoogers: maar--één hoop, één uitzicht bij die straf. Die hoop is Gods genâ, verlossing, en herstelling! Verbeiden wy, getroost, in de engste zielsbeknelling! Verbeiden wij het uur, dat Gods geheimenis Onthuld, en in de rij der toekomst zeker is. Dít erfdeel van mijn vrucht zij nimmer opgegeven! Dít zal zijn Eden zijn, dít is zijn eeuwig leven! Voor u, keer weder, val Gods grimmigheid te voet! Boet voor uw opzet, keer Zijn wraakvuur eer 't ontgloed'! Vergeet voor eeuwig die u minde, die gy 't harte Verscheurde, en in 't heelal geen' balsem voor haar smarte, Geen troost meer, overliet. Ja, dat ik 't u bezweer'! Verplet Gods wraak me, en u, ziet gy my immer weêr !" Zoo spreekt ze en ijlt vol drift den Jongling uit zijne oogen. Hy stond, een rots gelijk, ontbloot van denkvermogen, Beweging, en gevoel; en, had de hooger kracht Der Geesten, onbekend aan 't stervend Aardsch gesiacht, Hem 't hoofd niet opgebeurd, zijn lenden niet gesteven, En spier en zenuwdraân een' nieuwen steun gegeven, Hy waar bezwemen, en het aardrijk had voor 't eerst Onsterflijkheid gezien, van 't kil der dood beheerscht. Nu zag de morgen uit. 't Gevederd choor ontwaakte; Het West verzwolg de nacht: het schittrend Oosten blaakte. De Wachter van het licht, heraut der uchtendstond, Had reeds door Bethurs dal den nieuwen dag verkond, Om 't vadzig menschdom tot den arbeid aan te manen, En 't veldkruid beurde 't hoofd uit de uitgestorte tranen Des nachtdaauws, dien het licht in nevelen verhief. Elpine voerde in 't hart haar nimmer heelbren grief Door 't bloeiend palmwoud rond, dat Arbals zandvalleien Omarmde, en schaduw gaf aan Nivals rundrenweien, Tot daar het eikenbosch zijn kruin boorde in de lucht, En 't koelend windtjen zocht dat uit het Westen zucht. Hier had, ter rechter zij' van Rigons zoute vlieten, Argostan, opperhoofd der strijdbre Kaïnieten, Zijn legermacht vergaârd, gewapend met de knots En peesboog: 't lichaam met gevlekten tijgerdosch Omhangen, en gegord met tijgren ingewanden, Tot taai en stevig koord gewrongen met de handen. Het aardrijk had tot nog de zwaavlige ijzerschacht Niet opgedolven noch ontledigd van heur dracht, Niet uit de onzuivere erts een rein metaal zien smeden, Het staal was zeldzaam, en geen harnas sloot de leden In banden, noch gaf snede en puntvlijm aan de speer. De dierenhuid-alleen was deksel; 't hout, geweer. Hy-zelf hy droeg op 't hoofd om hooger uit te steken, Een blaauwe reigerbosch tot kroon en veldheerteeken; En zwaaide, op de eiken kolf, eens evers blanken tand, Aan 't grimmig dier ontrukt met wapenlooze hand. De moed, de woede, en spijt, glom in zijn oog, en vonkte Den ruigen wenkbraauw door, die langs het voorhoofd pronkte En 't licht verduisterde van 't schittrend oogbolgraauw. Een drom van Geesten zag, van uit het weemlend blaauw, Den Krijgsman, en zijn heir.--Den sterren afgestegen, Hun ingenomen plaats na 't aardsche minneplegen, (Want Eden was ook hun door 's Hoogsten doem ontzegd, En 't zwerven door de lucht tot boetstraf opgelegd, Tot veertig eeuwen, voor één heuchlijk licht verbleekend, Een tijdstip baarden, ter vergifnis afgeteekend.) Ontvlamden ze op 't gezicht. Hun afkomst bleef hun dier, En, schoon men hen om laag met smokend offervier Onthaalde en aanriep als beheerschers der getijden En regelaars van 't lot, wier giften de aard verblijden, 't Belang der Reuzen ging het vaderhart te na. "Mijn Broeders," riep terstond de grimmige Ahila, Die, buiten 's aardrijks baan, en 't aardrijk naast, gezeten: In 't midden van den rei der drijvende planeten, Zich-zelv' gevestigd had op 't rood en vonklend licht, Door de Oudheid naderhand haar Krijgsgod toegedicht: Mijn Broeders, welk bestaan! Gedoogt gy 't?--Wreevle slaven Verheffen tegen ons hun trotsche Legerstaven! Pinéhel, Fuäl, en gy-allen, ziet gy 't aan, En wachten we, uit de lucht hen ijlings neêr te slaan? Mijn vrienden! zal een hoop van nietige Aardelingen Ons dierbaarst, ja ons-zelv' in ons geslacht, bespringen?-- Hoe gloeit de vader niet op 't dreigen van zijn' zoon! Of zien we ons slechts ten spot vereerd als Hemelgoôn? Koomt, wreken we ons gezag, ons bloed; of eer, verweeren We ons recht! Het is aan hen, om de aarde te overheeren: Hun, Koning Adams stam, en van geen sterflijk zaad! Wat is zijn wierook my, die naar mijn glorie staat?"-- Hem andwoordt Fuäl; hy, die kwijnende en verslagen, Gods vonnis wettigde, en zijn borst weêrhield van klagen, Maar de oogen neêrsloeg met een ziel vol naberouw; Gevallen, maar in 't hart aan God en plicht getrouw. Hem kon in ballingschap geene eerzucht troost verschaffen. Hy voelde de Almacht slaan, en, in die slagen, straffen. Vaak wandelde hy 's nachts in stille mijmering Van dwaal- tot dwaalstar, of door uitgestrekter kring Waar hooger zonnen, van hun warelden omvangen, Uitschittren, en met die in 't perkloos ijdel hangen: Doch nimmer koos hy zich verblijf of zetel uit. "Neen (zegt hy), 't waar te veel op's Hoogsten raadsbesluit Voor uit geloopen. Neen, wat zouden we ons vermeten? Hangt 's warelds noodlot niet geschakeld aan één keten, Die de Almacht in heur hand, en elk omneveld, houdt? Wie 't heerschen werd ontzegd, is vruchtloos sterk en stout. My bloedt het hart als u: wy voelen vaderzorgen-- Maar ... God-alleen regeert--Zijn wil is ons verborgen! En--wat Hy ooit bestemm', die ons door 't harte ziet, Na de eens begane schuld, verlokt me een tweede niet." "Lafhartige," roept straks Pinéhel, verontwaardigd, Die d' andren 't voorbeeld gaf (zoo 't voorbeeld ooit rechtvaardigt!) Van wetteloozen gloed, en nog met wuften zin Door vrouwlijke armen vloog, van de eene in de andere min: "Verrader van uw bloed, duik neder! red u-zelven, En zie uw telgen dan in 't bloedig stof bedelven Indien 't u lust! Zie hen vertreden door den worm Des dals, van kracht ontaart, verbasterd van zijn vorm; En graaf hun zelf het graf, onteerd, gesmaad, mishandeld; Nu sluimerlaauw, welhaast in d' eersten klei verwandeld Waar uit ge wierdt! Voor my,--wat is my aarde of hel Of (zelfs) vergruizing! 'k Zei mijn vaderland vaarwel; Mijne afkomst is my 't al. Zy kost my God en Eden, En, zou ik ze ongestraft door d' Aardling zien vertreden? Dat hoede Hy, om hoog, die--my verplettren kan, Maar ook dat hart mij schiep het geen ik nooit verban!" De zachte Fuäl zweeg, en deinsde, en week ter zijde. Nu juichte 't woest dooreen! "Ten oorlog! ja, ten strijde Ons kroost verdedigd!"--Ja 't geliet zich; aan 't gedruisch, Als wierd de lucht vervuld met worstlend golfgebruisch. Reeds stond men op het punt om de onderaardsche stormen Te ontbreidlen in hun hol; om bliksemen te vormen Uit dampen zwavels, in de wolken opgegaârd, En neêr te storten op het leger, over de aard. Maar een der Duivlen, uit den jammerpoel geschoten, Vloog op, en riep hun toe: "Wat wilt gy, Stamgenooten Der aarde! Laat aan my, erfvijand van den mensch, 't Verdelgen over, mijn' en 's Afgronds heetsten wensch!-- Wat zoudt gy, Adams kroost, en niet voor 't kwaad geboren; Wien 't misdrijf poging kost, en poging, steeds verloren In wroeging?--Lafaarts, ons, ons voegt het, ons alleen!" Hij spreekt en snort op 't woord voorby en door hen heen. Hy zweeft, en blaast de Hel uit neus en muil. Nu rooken De dalen als een oogst, op d' akkers aangestoken, Eer 't vuur nog veld wint, en het smeulen van den gloed In vlammen om zich grijpt en zonder teugel woedt. Het was het vuur der twist, verdelgendste aller rampen, Dat rondsloop onder 't Heir, verborgen in die dampen, En 's vijands zegepraal beloofde zonder slag. Reeds stond het Heir geschaard van de aanbraak van den dag, En 't Priesterdom had nu zijn rijmen en gebeden Voleindigd, als de Vorst, aan 't voorhoofd opgetreden, Dees taal een' doorgang gaf door 't blikkerend gebit: "Spitsbroeders (roept hy uit), voor 't ouderlijk bezit, Voor haard- en legersteê gewapend opgetogen! U danke ik heirvoogdy en schittrend Rijksvermogen. Gy weet het, of mijn arm verslapte, waar men streed: En u, u verge ik niets dan 't geen ge u schuldig weet. Een gruwzaam Reuzenrot, verwant aan hemelgeesten, Verstoort ons eigendom, en jacht- en offerfeesten, En dreigt verdelging aan heel Adams nageslacht, Vermetel op hunn' stam en ongelijkbre kracht. Gij kent hen, en 't gewicht van hun ontzachbre slagen! Wat wilt ge? 't harde juk der onderwerping dragen? Van jonger broeder slaaf, uws vaders schande zijn, En blozen voor u-zelv', voor's hemels zonneschijn? Wy, eerstelingen in des aardrijks eenzame oorden; Wy, zwervers over de aard, bevolkers harer boorden, Door wie haar dorren schoot, met oudren zweet gedrenkt, Het voedsel wierd ontperst, dat zy den stervling schenkt: Wy zuiverden 't gewest van Leeuw- en tijgerklaauwen; Wy veiligden dat erf, waarop zy ons benaauwen; En, felle bastaartteelt uit Kaïns eigen zaad, Verwoesten ze onzen grond, en moorden wie weêrstaat. Dit lijdt uw recht, uw moed, dit kan uw hart niet lijden: Vergaan wy, zoo 't moet zijn; maar sneuvlen we in het strijden! Nog weegt ons aantal aan hun sterkte dubbeld op, Wat toeft men, tot hun list der bergen engten stopp', En zy, van hooger grond, uit ontoegangbre wallen, Ons, ingesloten wild (dan redloos)overvallen? Ja, Kaïns overschot, heel 't menschlijk kroost, heeft uit, Ten zij één stoute daad hun woesten moedwil stuit. 'k Vergaderde u daar toe, en durf die van u wachten. Beleid en dapperheid zijn meer dan reuzenkrachten. Die leeuwen temmen kan en tijgers sluit in band, Is vrijheer van zijn arm, en duldt geen Dwingeland." Hy sprak, en wierp zijn' staf verachtlijk in den hoogen. "Gy Geesten (ging hy voort), die in de wolkenbogen De nevels samenperst, en op den wind gebiedt! Gaat, staat uw afkomst by; Argostan vreest u niet."-- Nu zweeg hy. 't Voorhoofd rookte, en 't schuim der breede lippen Stoof ziedende om den mond! Men hoort geen' adem glippen: 't Stond alles, als ontzet. Een zacht en flaauw gebrom Verhief zich, groeide, en liep den kring des legers om. Nu steeg een holle kreet ten wolken: "Ja te wapen, Maar 't Geestendom ontzag!"--Met palmblad om de slapen, Trad een der Grijzaarts voor, der zonnedienst gewijd: "Vermeetle (riep hy uit) die tegen Geesten strijdt! Wat wilt ge? 't wis verderf op onzen schedel storten? De Goden van de lucht in 't aardbestier verkorten? Herroep die gruweltaal, en ken, gy Legervoogd, De palen van uw recht, en wat het mijn gedoogt!"-- De gramme Vorst, van spijt aan 't blaken, gaf een teeken Tot zwijgen.--"Heldenschaar (dus ving hy aan te spreken)! Hoe! daar wy 't Reuzenvolk manmoedig tegentreên, Zal 't muitende verraad ons kankren door de leên! Men durft uw Legerhoofd hier aan uw heirspits honen! Gij lijdt dit?--Krijgers, neen! gy zult my trouw betoonen. Ik terg den Zongod niet, maar wie mijn vijand staav', Dien zeg ik oorlog aan. Beproef het, Outerslaaf!" Zoo sprak hy, en de knots vloog ijlings uit zijn vingeren Den Priester op de borst. De Legerrijen slingeren En woelen door elkaâr. Één woeste schreeuw van "moord" En "heiligschennis" wordt door heel het heir gehoord. De Grijzaart smoort in 't bloed, zijn' gorgel uitgevloten. Een deel der Offraars raapt, wanhopig toegeschoten, De palmkroon van zijn hoofd, met bloed en slijk bemorst, En toont haar aan het volk, en wijst het op den Vorst. Nu vliegt het al in roer. De woeste pijlen gieren En snorren door de lucht; de legerkolven zwieren. Men eischt des priesters wraak, des heiligschenners bloed, Omsingelt, en bevecht zijn Krijgsvoogd dol te moed! Hy strijdt, verweert zich 't lijf; en honderd slagen breken Op 't wapen dat hy grijpt.--Reeds honderd zijn bezweken, En, door zijn dappre vuist op 't aardrijk uitgestrekt, Ten wal geworden die hem 't halve lichaam dekt: Nog twintig om hem heen, van de eersten in 't bespringen, Zijn thands die leeuwen niet, die hem naar 't leven dingen, Maar aangevallenen, wiet arm zich 't lijf verweert In slagen op zijn knots al splintrend afgekeerd, En deinzen; als een schicht ten peesboge afgedreven, Hem treft, en onverhoeds een eind maakt aan zijn leven. Hy zinkt gevoelloos, en zijn voorhoofd toont, verbleekt, De Heldenfierheid nog, in 't bruischend hart gekweekt. Thands schijnt een sombre schrik het vorstlijk lijk te omzweven. 't Zwijgt al. Men hoort geluid noch 't minst geritsel geven. Het leger blijft versteend en starende op den grond, Of rolt een aaklig oog door al de benden rond. Één flaauwe stem alleen in 't midden van de troepen Waagt, uit een enge borst den Offraars heil te roepen: "Heil, priestren!"--Alles brult en knarstandt op dit woord, En 't wordt, zelfs in den mond, op 't oogenblik gesmoord. Tien knotsen heffen zich, één schedel spat in gruizelen, En 't gonzen van dien slag doet alle hoofden suizelen. Die slag scheen tot de leus van grooter moord bestemd. Reeds ziet men lijk by lijk dat in een bloedstroom zwemt. De Krijgsliên vallen hier de kermende Outerpapen, En daar, elkandren aan. Het opgevatte wapen Den Reuzen toegedacht, slaat eigen spitsbroêrs neêr, In wraak, in wederwraak, in weer, in tegenweer. De woede en razerny stijgt immer onder 't woeden; Geen doodslag dien de dood niet tienwerf moet vergoeden! Geen onderscheid, geen keur van vijand of van vrind; Met wien, voor wien men strijdt! 't is offer wat men vindt. Geen rij of legerspits, geen teeken, geen banieren! Men valt verwoed door een als aangehitste stieren, En moordt en wordt gemoord, vertrappeld, en vertreên, En nergens veiligheid dan in den moord-alleen. Zoo weidt dat wapentuig dat sabel, speer, en degen Vervangt. De vloek van 't staal is thands in 't hout gelegen. De pijl rust werkingloos. Het wapen heeft geen doel; 't Treft wat naastby is, en 't treft blindlings, by gevoel. De naaste is vijand, is gevaarlijkst, moet voorkomen: De laatste-alleen bestaat; al 't oovrig bloed moet stroomen: Men vecht voor zelfbehoud, geen Vorst- noch outerhoon. Dus woedt, dus raast men in bedwelming. Stapels doôn Staan, als in 't barre duin de heuvels, opgeheven. 't Gestalde en lillend bloed, waarin de voeten kleven, Verbreidt zich als een meir by zwellend springgetij', En kent noch peil noch boord, maar streeft zich steeds voorby. Doch, even als de vlam, door d'adem van de winden In 't dichte woud gejaagd, niet ophoudt van verslinden, En, strevende in het rond, de stammen nederslaat; Maar echter hier en ginds een boomtronk overlaat, Die by de walmende asch de ontblaârde kruin en takken Of, stout verheffen blijft, of moedloos neêr laat zakken; Zoo stond het in het dal van Nival met het heir. Daar was geen legermacht, daar was geen bende meer. Driehonderd strijders slechts, door lijken afgezonderd. Braveerden 't sterflot nog, uit dertigmaal driehonderd En hieven, afgemat, op heuvelen van doôn Een uitgeputten arm en knikkend hoofd ten toon. DERDE ZANG. Een' dichten zwerm gelijk, van vliegend roofgediert' Dat, als de pestsmet woedt, om 't rijzend kerkhof zwiert En rondgiert onder 't zwerk, en, waar zy lijken rieken, Al schaatrend nederstort en klappert met de wieken; Hief half de Hel zich op by 't klaatrend moordgerucht, En juichte 't bloedbad toe, al hangende in de lucht. Tavoach middlerwijl, die de eerstgezaaide sprenkels Der twist steeds aanblies, en op plat gekneusde schenkels En bekkeneelen trad, als zoo veel krijgstrofeên, Verliet het slagveld, daar een hooger Macht verscheen. Gods Engel toonde zich: Zijn hand droeg purpren koornen Van Hemelsche granaat, de spijs van de eerstgeboornen Der schepping, vredevrucht, en tegengift der twist, Dat wrokken uitroeit en verwoede veeten slist. Thands opent hy de vuist. De gloênde korrels dalen Als regen, en den wind verbiedt hij aâm te halen, Op dat ze in 't vallen niet verstrooien door het ruim. Dus, wen Orions knots het bruischend pekelschuim In golven opklutst, die, van ongeduld aan 't koken, Het hobblend zeekasteel beklautren en bestoken, Dat, van den vloed geperst, naar roer noch teugel hoort; Als dan de Zeeman van zijn aangegrepen boord De rug der baren, tot zijn ondergang vereenigd, Met gulle stroomen van een lichter vloeistof lenigt, En Pallas olie of het bolsterkaf van 't graan By kuipen uitgiet, die heur gramschap nederslaan, De golving breken en met effen pad bevloeren, Om de afgebeukte kiel ten haven in te voeren; Zoo lag op 't oogenblik by 't zich verdelgend heir Verbittring, grimmigheid, en hartstochtbarning neêr. Men reikt zich, zelf verbaasd om de uitgebrande woede, De handen, rookend klam van uitgegoten bloede, Omhelst zich, en vernieuwt in 't aanzien van 't heelal, Dien eed, die niets voortaan op 't aardrijk schenden zal. De tranen vloeien van ontroering, en de harten Hereenden.--De Afgrond zag met onuitspreekbre smarten Den vreê herrezen; maar, 't vooruitgezicht getroost, Voorspelt zy uit dien vreê 't verderf van Adams kroost. Het Edensch Geestendom, nog zwevende in de wolken, Zag thands de burgerschap der onderaardsche kolken Zich naadren in de lucht, en deinsde naar omhoog Met d'afkeer in 't gemoed, en de afschriksblik in 't oog. De Duivlen volgen hen, met wieken uitgeslagen (Als reigers van omlaag de sperwers voor zich jagen), En roepen: "Menschenkroost, meê balling thands, als wy! Wat schuwt ge ons, Englen van geen minder stam dan gy? Legt, legt die fierheid af, die burgers voegt van Eden, Maar geen verlaagd geslacht, als wy in 't stof getreden! Die hooggewelfde borst, die blik ontzet ons niet; De Hoofdstof waar ge in zweeft, behoort tot ons gebied. Geen geur van heiligheid, die waassemde uit uw vlechten, Verwijdert d'afgrond meer, indien ze u wou bevechten. Maar neen, we ontmoeten u als lot en lotgenoot, Wie één belang verbindt in hun gemeenen nood. Reeds zaagt ge ons nog dit uur ter uwer hulp volvaardig. Kent, kent ons als getrouw, en, uw vertrouwen waardig! Wy eischen 't.--Op den top van 't gindsche berggevaart' Vergaadren we, om het lot te reeglen van heel de aard; Vereenigt u met ons. Wy gaan om raad te plegen: 't Geldt wat gy dierbaarst houdt!"--Zy trokken voort, en zwegen. Afgrijslijk klonk die taal 't gebannen Geestendom In de ooren en door 't hart.--'t Bleef van ontzetting stom, En voelde in d'eersten schok den adem zich ontbreken, Die 't ophield in de lucht. Het had geen kracht tot spreken, En zonk alreeds van uit de hoogte daar 't in dreef, Als drupplen die de wind tot kooglen ijs versteef, En thands, onvatbaar om hun vocht meer uit te zetten, Ter neder storten en den groenen halm verpletten. Een zucht herstelt hen, en een uitroep: "Groote God! Verhoed Gy, dat uw volk met d'afgrond samenrott'! Gebannen zijn wy, en uw doemspraak onderworpen; Maar, de aarde moge ons bloed, indien het zijn moet, slorpen; Wy sterven de uwen steeds."--'t Was Fuäl, die dus sprak, Hy, minder schuldig in zijn schuldvergrijp dan zwak, En, waar' de zwakheid-zelv' geen misdaad in Uwe oogen, ô Gy, die kracht verleent, wellicht het mededogen Des Hartenkenners waard.--Doch! Uw rechtvaardigheid Behoort het oordeel, nooit door valschen schijn misleid.-- Hy sprak.--Pinéhal bromt' "My lust geen samenzweeren Met d' afgrond: Maar 't is plicht, indien we ons kroost verweeren. Men hoor 't ontwerp der Hel, verstoore of wijke 't uit, Of--zie het zwijgend aan! Ziedaar mijn raadsbesluit!" Nu heft zich Sadon op. "Wat lafheid, hier te beven! (Dus zegt hy). Toeft men nog die helpers na te zweven, Wier bondgenootschap ons verzekert in ons recht? Wat zorg ik, aan wiens zij' of wien mijn arm bevecht?-- Wy, doemelingen, wy, den doemling afkeer dragen! Zijn hulp versmaden; wy, als viel ons iets te wagen! Gods hand onttrekt zich ons, verstoot ons, werpt ons neêr. Welaan, men steun' zich-zelv', niet anders rest hier meer. Ja, roemrijk is 't en groot, met Duivlen-zelv' te deelen, Wanneer ge of slaaf moet zijn, of met hun, kunt bevelen. Men volg' my, heeft men moed. Ik meng my in hun Raad: Ik ken noch afgrond meer, noch plicht noch euveldaad. 't Is Afgrond, waar de spijt een Hel in 't hart doet branden. Hier woont ze, in dees mijn borst. Ik draag ze in de ingewanden. 't Is Hemel, waar ik heul, vertroosting, lichtnis vind, Verdelgen mag, vertreên, en niets my meer verbindt: Waar ik den sterveling, zijn wellust, zijn genoegen, Zijn' aardboôm, nieuwen vloek by d'ouden toe mag voegen, Den mijnen van mijn hoofd ontlasten door de wraak, En 't sterflijk broederkroost affoltren tot vermaak. Dit wil, dit zal ik, dit! en in deze aardsche dalen Gods straffend banbevel met woekerwinst betalen. Nog eens: ik vlieg."--Hy sprak, en knarstandde, en verdween. Nu stormde 't in den drom vervaarlijk onder een. Een aantal week te rug van 't Almachtlastrend brullen Des monsters. Andren weêr, als uitgelaten dullen Aan 't schaatren, juichen op die gruweltaal, (gereed Hem na te volgen), met een ijsselijken kreet. De felle Meschomod roept eindlijk: "Geen beraden! Verga hy, die den arm des bystands durft versmaden! En gy die twyfelt, leert, by 't sterflijk aardsch geslacht Ook heel de Hel weêrstaan, wanneer gy haar veracht! Wy strijden voor ons kroost, met Kaïn en Sethieten; Maar wie, wie onzer, deed die bloedrivieren vlieten, Waarvan de laauwe walm nog opgaat door het dal? Wie bracht die dappren met één ademtocht ten val? Wat vrage ik? Toon men my één proef van ons vermogen; Van schrikbaarheid voor hun die ons beoorelogen! Het oorlogswapen dreigt onze afkomst onverhoeds, En wy, van gramschap warm en van de zucht des bloeds, Wy zoeken stormen; wy, wy gaadren donderstoffen Met onbedreven vuist, om krachtloos neêr te ploffen; En, had Tavoach niet ter redding toegesneld, Geen vijand lag dit uur, maar half ons kroost, geveld. Neen, weerloos Krijgrental, begeeft, vergeet uw telgen! Geeft hen aan 't mierennest des aardrijks uit te delgen! Of--treedt met d'afgrond in dat bondschap dat ze u biedt. Voor 't minst, verwekt haar macht ook tegen de Uwen niet." Hy zwijgt. Een menigte schoolt samen, op die woorden, En zweeft, op zijn gelei' naar 't hoogomtopte Noorden. Het oovrig deel, verbaasd, zweert, met een duren eed, Dat ze in geen Helschen band met Gods verworpnen treedt. Zy volgen echter, op den voorgang van hun broederen; Maar de angst, de knagende angst doorknabbelt hun gemoederen. Tot driewerf keeren zy, by 't naadren van 't gebergt'! Tot driewerf, als door 't hart tot stoutheid aangetergd, Hernemen zy hun vaart, en dalen onverschrokken Op 't vlak der hoogste kruin, bedekt met wintervlokken, Waar hen die Raad verwacht, die Helsche gruwelraad, Die, zwanger van geweld, van moord in arbeid gaat. Gy, Fuäl, gy-alleen bleeft eenzaam, mijmrend achter. Gy zaagt naar Edens Hof en d' onverbidbren wachter Die 't vlammende rapier aan d' ingang opheft, om, Terwijl uw glansloos oog in zuivre tranen zwom. Gy vielt op 't aardrijk, op uw voorhoofd neêr en weende. Neen, 't was uw boezem niet die door de straf versteende: U was zy*[typo?] heiliging. Volhard, ô Adams zoon, Uw beden zijn uit God; zy klimmen voor Zijn throon! Ga, lijdende! in berouw is balsem;--mooglijk, heeling; En--de eeuwigheid verklaart der schepslen lotbedeeling. In 't middelpunt der aard, in onverstoorbre nacht Van tastbre dampen, die, uit gisting voortgebracht, Met stinkend luchtmoeras haar holle buik doordringen, De borst benaauwen; en den gorgel samenwringen, En vlammen scheppen, maar verschroeiend, zonder schijn, Doch blaakrend voor 't gevoel met onverdraagbre pijn, Daar 't oog by eigen licht, in 't duister uitgeschoten, De jamm'ren scheemrend raamt, hier stroomende uitgegoten. Daar, in dat ijslijk hol, heeft 's aardrijks dwingeland, Hier neêrgebliksemd, zijn afgrijsbren throon geplant. Hier is zijn Hofgezin, zijn tuig en wapensmisse. Hier wordt de pijl gesmeed voor 't dolende Gewisse, Hier, de angel van de lust, die in de boezems haakt, Die meêsleept, en verscheurt, en oprijt, wat zy raakt, En wonden achterlaat, die door geen hand te heelen, De ziel verpesten, en de dood in de aadren telen. Hier wringt men koorden voor de geessels van 't gemoed; En 't scherpend vlijmsnoer, dat, vertaaid in menschenbloed, En in de onzichtbre vuist der Wroeging opgeheven, De beenders brijzelt, en om 't lichaam vast blijft kleven. Hier eindlijk schept men gift en zwadder voor den beet Der slangen, en verscherpt de doornen van het leed Voor 't zuchtend menschdom, van zijn God en plicht vervallen. De dienaars van zijn macht, bij honderd duizendtallen, Omzwerven rusteloos zijn waggelenden stoel, Die zonder steunpunt hangt in 't midden van den poel. Hy zendt ze als bliksems uit. Zy rijzen uit de kolken, En kruipen over de aard, of zwieren door de wolken; Besluipen listig, of doorbreken met geweld De zwakke boezems. Hun wanschapen klaauw omknelt Een pesttoorts, rookende van Helsche folterdampen, Die in de lucht ontvlamt, en gruwlen spat en rampen; Of, draagt het lokaas bloot dat aantergt tot de schuld, Maar de ijsselijke roê met zacht gebloemt' omhuld. De Vorst der duisternis had op des aardrijks boorden Een veldwacht uitgezet. Dit was die Raad van 't Noorden. Zy, tot verdelging, tot verwoesting toegerust, Had Kaïn in den stroom van Godvergeten lust, Van gruwlen, broederslacht, en afgodsdienst gedompeld; Zij, Kaïn door den arm der Reuzen overrompeld, En dreef nu d' Arbaliet naar 's warelds rijk te staan, Maar, om hem op zijn beurt in 't bloed te doen vergaan. Men zat; of eer, men was op't sneeuwdons neêrgelegen, Het lijf verheven; 't hoofd was op den arm gezegen, Met d'elboog rustende op de halfgevouwen kniên. Tavoach was aan 't hoofd. Geschapen tot gebiên: Doorvonkelde zijn oog de dubble rij van Geesten, Hier ordenloos geschaard, de minsten naast de meesten, En hield hen door 't ontzag beteugeld.--Kringsgewijs Stond, schuddende en bedeesd, het kroost van 't Paradijs Op afstand, als, of 't waar, door 't hart te rug gestoten; Gelijk een boschkat, aan de schildpad vastgesloten, Uit ingeschapen schrik zijn keten rekt en spant, En siddrend om haar kruipt aan 't uiterst van zijnband; Of 't staal der zeenaald, van des zeilsteens kracht doortogen, Door tegenstrijdigheid van 't eigenst trekvermogen Wordt afgestoten, wen een andre pool haar naakt;-- En 't hart verraadt door 't oog hoe verr' het zich verzaakt. Slechts enklen naadren, of verheffen schaamtlooze oogen: Zy, wier verhard gemoed zijn aart heeft uitgetogen, De wrekende Almacht niet als Rechter vreest van 't kwaad, Maar met een Duivlenhart en als een vijand haat. "Gy (riep de Raadsvoogd) die, getrouw en onbezweken, Het Rijk des duisters sticht, en roemrijk uit doet breken! Gy kent den toestand van dees wareld. 'k Melde u niet, Het geen gy, met een meer dan arendsoog, doorziet. Hier strijden om 't Heelal twee sterfelijke machten; Dees moedig op getal, die op heur meerder krachten. Wien eischt het hoog belang des afgronds .... (By dit woord Weêrhield hy zich, en 't bleef ten halve nog gesmoord). "Wien, vraag ik, voegt het ons te staven, te onderschragen, Te sterken? wien den staf des aardrijks op te dragen? Zal Kaïn ...? Maar gy kent de wuftheid van dit volk: 'k Doorlees uw hart alreeds, en vraag geen andren tolk. Of maakt dat stout geslacht, dat uit onsterfelijken Geteeld, in Heldenkracht zich onzer waard doet blijken, Rechtmatige aanspraak op een bystand die beslist? En, waapnen we ons voor hun met krijgsgeweld of list? 'k Heb reeds hun vijand in zijn optocht voorgekomen: Gy allen zaagt zijn bloed door eigen handen stroomen; Maar sterker poging wordt gevorderd.--Biedt u aan, Gy, Hoofden, die verlangt den Reuzen voor te staan!" Hy zweeg. Arioch rees: "Ik ben gereed te strijden Voor de eer van Lucifer, aan die, aan beide zijden. Ik ken geen vijand, dan als vijand van 't heelal: Gebied, en wijs my aan: wien ik verworgen zal." Dus sprak hy. IJlings stond Alastor op, en trilde Van bruischend ongeduld, terwijl hy "Doodslag" gilde, En klaauwen toonde, met geronnen bloed omkorst, En 't bliksemteeken des Aartsengels op zijn borst, In d'ijsselijken strijd des hemels weggedragen, Toen Lucifer, vol schriks gedonderd uit zijn wagen, De onthelmde kruin verborg, en leenkroon, en gebied, En morgenstar, verzaakte, en God de zege liet. Nu klonk het alles "Moord", en weder "Moord", in 't ronde; Dan "List", dan weder "Moord".--Met uitgezworen wonde, Steeds gapende, in den hals, en 't voorhoofd half geplet, Sprak Zardach: 't Is de list die Leeuwen voert in 't net; Haar stemme ik. Kaïns kroost weet kunst met moed te paren; Het triomfeert gewis op woestaarts en barbaren Ten zij men 't keer! 't Geweld mislukte ons eens. Wie weet...! Zoo hier een Sterker arm zijn rechten gelden deed!-- Bezadigdheid en list zijn veiligst. 'k Ken dat wapen. Bekruip in vriendenschijn den vijand onder 't slapen; Mislei; bedrieg; vervoer! Ik openbaar niets meer, Maar leg wat ik vermag voor 's konings voeten neêr." Tavoach grijnslacht. "'k Weet uw grootsche dienstbewijzen (Herneemt hy). 's Afgronds Rijk herdenkt ze met afgrijzen En wellust. Satan-zelf, uw koning ging dus voor, En gy wrocht wondren uit op zijn doorluchtig spoor. Wien dankt hy, dan zijn list, geheel zijn rijksvermogen? Wien 't opstaan van de Dood? hy, schepper van den logen! En wy, wat danken we u, wat zijn we u niet verplicht, Misleider, na uw Vorst de schranderste onder 't licht! 't Belang der Hel alleen verbindt me, uw grootsche daden Te smoren. Ja, de kracht des Afgronds is--verraden. Ga, dien by Kaïns zaad uw koning door 't bedrog! Ook de arm die machtigst is, behoeft de valschheid nog. En gy, Arioch! gy, Alastor! Gy verdelgers! Gy, die in 't moorden leeft, gy, bloed en tranenzwelgers! Wier drift geen prikkel eischt, geen voedsel voor uw gloed; Gaat! 'k laat u over aan u-zelven; moordt en woedt! Gy, aartsvijandigen van leven en bezieling, Spreidt, spreidt verwoesting uit, vergruizing, en vernieling! Voert, voert het Reuzendom dien bystand zichtbaar aan; En doet de ontvolkerde aard in vlam en rook vergaan! Dat Lucifer voortaan op 't licht moog zegepralen, Zijn stoel op 't aardrijk stichte, en God' in 't oog durv' stralen! Gaat, vliegt, Getrouwen, ik beziele u met den geest Des konings, die ook nog geen dreigende Almacht vreest!" Hy sprak. Als 't dof gebrom van verre donderslagen, Op vleugels van den storm de dalen rondgedragen, En met den hollen galm van kluft en rotsspelonk Al romm'lend voortgerold in dreunend berggeronk, Verhief zich 't woest gejuich der Duivlen naar den hoogen; Klonk door, tot voor den throon van 't Eeuwig Alvermogen, En bonsde op 't wolkgordijn dat voor den zetel strekt, En 't vlekloos Wezen voor der Englen oog bedekt; Ja 't stoort één oogenblik de Choren onder 't zingen. Tavoach wendt het woord tot Edens bannelingen: "Gy hoort het (roept hy uit,) wy treên in uw belang. Vereent u thands met ons tot Kaïns ondergang! Uw afkomst zegepraalt; haar vijand gaat bezwijken. Uw Eden zij voortaan een Ararat van lijken! Wie wraak in 't leed bemint, onze Afgrond lacht hem aan: Zy is 't die wreken durft, al zou zy zelv' vergaan."-- De Helsche gruwelraad herrees en was ontbonden; Misleiding en verraad door 't menschdom uitgezonden, In nevelen omwolkt van ondoorzichtbre mist, Tot luchtkales gevormd voor 't gruwzaam kroost der List. Zy planen over 't dal der vette stroomolijven, Als duiven die in 't zwerk op vlakke vlerken drijven, Geen slagpen roeren, maar onmerkbaar in heur vaart, Zich hangende op de lucht ter neder zien op de aard. Hier strijken ze eindlijk neêr. Maar Sadrach neemt de leden Van Grootvaâr Hanoch aan, om legerwaart te treden. De zilvren lok hangt langs zijn slapen, hol en blaauw: De baard bedekt de borst met achtbaar nevelgraauw: Zijn schedel nokt en schudt als 't schuddend popellover: Het rimpelvol gelaat buigt op zijn boezem over: Zijn oogen weemlen, als van d' ouderdom verdoofd; En 't lichaam gaat gebukt van de overwicht van 't hoofd; Een blanke lamm'renvacht hangt van zijn heup te zwieren; Een staf is in zijn hand om 't wagg'lend lijf te stieren; En, met den zachten tred eens grijzaarts, na aan 't graf, Daalt hy in 't holst der nacht voor Segols rustkoets af. 't Was fiere Segol, stoutste uit Kaïns Legergrooten! Argostan was met hem uit éénen schoot gesproten, Aan de eigen borst gezoogd, maar dappren Zimdrachs zoon; Hy, telg van Omra, die in Beth-ur had geboôn. De dood zijns broeders bracht zijn jeugdig bloed aan 't koken. Geen slaap had sints dat uur zijn heldenoog geloken. Zijn brein, aan 't woelen, smeedt ontwerpen, keer aan keer, Van staatsverheffing, wraak, en schittrende oorlogseer; En, afgefolterd door het mijmren, slaat aan 't walen, Gelijk een wervelwind in 't vluchtig zand der dalen, Of draaikolk, die in 't meir de schepen zwelgt aan 't strand, En dan weêr opgeeft uit het brakende ingewand. In dees gesteltenis treedt hem het Nachtspook nader: "Ken Hanoch (zegt hy), Zoon! der Kaïniten vader. 'k Verliet het dompig graf om u, om ons geslacht. Hun nood drong tot my door in de onverstoorbre nacht.-- Argostan viel--en gy, gy zult zijn plaats vervullen!-- Maar 's Warelds diadeem moet haast uw kruin omhullen.-- Rijs!--roep het Leger saam--het noodlot legt ze u toe! Vaarwel--en vrees geen dood, daar ik u 't lijf behoê." De ontroerde Segol rijst. Het schijnsel is vervlogen. Hy geeft een woesten schreeuw, en wrijft de scheemrende oogen, Als Zilfa op 't geluid de veldtent binnen treedt; Zy, door den boei der min aan Segols hart gesmeed! "Mijn weêrhelft (roept zy,) wat ontrust u? Welke droomen Beroeren u? Wat geest, wat spooksel doet u schromen? 'k Werd meê van Geesten op mijn nachtsponde aangerand, En sidderde voor u."--Zy vat zijn koude hand, Van 't kille zweet nog klam, en hangt hem aan de leden; Maar vruchtloos: hy is koel voor al haar tederheden. In 't eind, hy rukt zich uit hare armen. "Wees getroost (Dus zegt hy,) 't is geen schrik, waarvan my 't voorhoofd bloost! Aanschouw my! 't is de moed, 't is de eerzucht!--Mijn Geliefde, Ga heen, verban de vrees, die u den boezem griefde! Haast.... (of mijn hart bedriegt me, en 't voorspook dat ik zag,) Breng ik u 's aardrijks kroon; en--mooglijk, nog dees dag." Hy roept. Men vliegt door een. Hy doet het heir vergaderen. Nu rijst de morgenwind en ritselt door de bladeren, En 's hemels graauw verbleekt, verheldert, en ontgloeit Tot goud en purper, dat heel de uchtendkim omvloeit.-- Men schaart zich.--Heel het volk had Geesten hooren wandelen; Gezuis van booggeschut, geruisch van wapenhandelen, En 't gonzen van den steen des slingers door de lucht Vernomen; nu, doormengd van akelig gezucht, Dan, van een woest gehuil als onderaardsche winden; 't Aandoenlijk noodgekerm van afgejaagde hinden; Of 't brullen der hyene, in aanval op haar prooi. Een ooilam wierp, die nacht, in de aangelegen kooi Een ruigen leeuwenwelp, die door de kudde woedde. Een slang ontsprong aan 't ei waarop de stroomzwaan broedde! Een bloedwel had gevloeid uit beuk en eikenkloof. Dit alles was gezien; voor 't minst, het vond geloof. De somberheid in 't oog, van heimlijke angst bekropen, Stond daar 't verminderd heir, in vier verscheiden hoopen Slagordenwijs gevormd: helaas! geen leger meer, Maar overblijfsel van 't nog gistren schrikbaar heir. Men schokt op 't aanzien van de ruimgeworden vlakte Die eerst hun kring benaauwde, en siddert van zijn zwakte. Men breidt zich uit, verdunt zijn rijen, en verbreedt De Heirspits, en verbergt zich d' aanblik van zijn leed. Nu biedt zich Segol aan. Hy draagt op bei zijn handen Argostans veldheerknots, gepunt met evertanden, En legt haar aan de spits des legers staatlijk neêr. "Dit eenmaal zoo geducht, thands uitgediend geweer (Dus zegt hy), voegt de hand die aan uw hoofd zal strijden. Hy voere 't, die uw hals van 't dwangjuk mag bevrijden! Aan my behoort het niet. Ik, neêrgebukt van rouw, Blijf aan mijn broeder, aan mijn broederplicht, getrouw. 'k Verwijt u niets, ô neen: gy hebt zijn dood gewroken: Ik zie geen handen hier van 't bloed diens broeders rooken. Doch duldt, dat ik me onttrekke aan zulk een legermacht, Waar 't oproer op één sprong zijn eigen Krijgshoofd slacht.... (Een murmelend geluid ontstaat op deze woorden) En 't hoofdloos heir versmelt in onderling vermoorden (Dus gaat hy moedig en onafgebroken voort).-- Waar zijn die benden thands, van 's warelds versten boord Verzameld door zijn zorg? waar zijn die Reusbekrijgers, Die--op 't vijandlijk bloed uit wraak verhitte tijgers? Hun lijken liggen ginds op 't bloedveld uitgestrekt, Door d'adem van den wind met luttel zands bedekt, En 't blank gebeente zal na honderden van eeuwen By onbekend geslacht nog wraak en gruwel schreeuwen, Wen spade of ploegstaart hier door 't vetgemeste dal Op hoofdscheelsplinters, ribbe, en heupbeen stuiten zal. Gaat, gaat, mijn broeders,--gaat met sleepende banieren, Uw uitvaart, geen triomf op uw bestrijders, vieren! Ik voer geen wapen meer; maar 't hart der woesteny Zal me eenzaam sterven zien, gelijk de Woudos, vrij." Hy keert zich weenende om. Het Leger, diep verslagen, Schudt als een korenoogst, waardoor de stormen jagen; Breekt ordning en gelid, omvangt hem in een ring, En roept: "Blijf dappre Held! gebied aan onzen kring! Aanvaard dit wapen, dat Argostans handen zwaaiden, Wanneer zy 't oorlogsveld met lijken overzaaiden! 't Behoort u. Kaïns heil hangt aan uw dappren arm: Wy allen, wy vergaan, ten zij hy ons bescherm'. Gebied!"--Hy andwoordt: "Hoe! ik u ter dood geleiden! Den arend van 't gebergt' uw spieren af doen weiden En drenken met uw bloed? Gelooft gy 't, dappre schaar? Dat bloed is my te dier, dit viel mijn hart te zwaar! Hoe! 't menschdom, wijd verstrooid en door geen band verbonden Dan, naauwlijks aangegaan of, ijlings weêr geschonden, Verdeelt, en levert zich, by hoopen, zonder kracht Een' vijand in de hand die trotscht op overmacht! Wat zou uw veldheer hier, wat zoude uw moedbetooning? Neen, schenkt aan 't wareldrond één heerscher, schept een koning! Hy schikk' van 's aardrijks macht, vereen' haar in zijn kroon! En ik, ik strij met u, en buig my voor zijn throon."-- "Wees gy die Koning, gy! Wien zou de scepter passen Dan u, roemruchte held, ten oorlog opgewassen! U groeten we als Monarch des aar